blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Ombre Ellen

Erfgoed

door Ko van Geemert

‘Op een zondagmorgen stond ik in mezelf gekeerd voor het Meisje met de parel en moest opeens sterk terugdenken aan het eerste treffen met dit schilderij van Vermeer: ik was zes geworden, en werd om dat te vieren meegenomen naar het Mauritshuis.’ read on…

Gelukkige woorden

door Kees ‘t Hart

De roman begint met een bezoek van de dertigjarige Lakshmi Kanhai, zij is van Surinaams-hindoestaanse afkomst, aan het Mauritshuis in Den Haag. Ze herinnert zich haar eerdere bezoek als zesjarig meisje aan dit museum.
Ze raakt nu opnieuw in diep gepeins verzonken bij Meisje met de parel van Johannes Vermeer. Dan spreekt een oudere man haar aan. ‘Hij keek me strak aan, begon gedempt te fluisteren in het Engels, overspoelde me met een vloed van vleiende opmerkingen terwijl hij over zijn schouder naar het schilderij gebaarde.’ read on…

Ellen Ombres Wie goed bedoelt en andere reisverslagen

door Jerry Dewnarain

De Surinaamse auteur Ellen Ombre (Paramaribo, 1948) heeft de verhalenbundels Maalstroom (1992), Vrouwvreemd (1994) en Valse Verlangens (2000) geschreven. In 1996 schreef zij een autobiografisch reisverslag Wie goed bedoelt (2de uitgebreide druk 2007) en in 2004 verscheen haar debuutroman Negerjood in moederland. In het oeuvre van Ombre staan centraal de verlangens en teleurstellingen van migranten in Nederland. Maar een ander belangrijk thema is ook zelfbeeld. Haar autobiografisch boek Wie goed bedoeltvind ik Ombres mooiste boek. Het is een reisverslag en hiervoor heeft ze ook nog wat onderzoek gedaan. Het verhaal wordt onderbroken door lange flashbacks en literatuurverwijzingen die ook hun nut hebben. read on…

Zicht op Fort Elmina

De zwerftocht van een uniek schilderij door de driehoek  Goudkust-Suriname-Nederland
door Ellen Ombre
Het schilderij Zicht op Fort Elmina door Willem Troost hing een tijd bij mij thuis in Paramaribo. Het had de Transatlantische driehoek bereisd.
Cornelis J.M. Nagtglas, de laatste gouverneur van het vroegere wingewest aan de Goudkust, het huidige Ghana, had het bij zijn afscheid in 1871 van de Nederlandse regering cadeau gekregen.
De historica Silvia de Groot verwierf het bijna een eeuw later door bemiddeling van vrienden. Zij kenden de kleindochter van Nagtglas die het schilderij op zolder had staan en het graag afstond aan iemand die meer van Elmina wist.
In 1970 begeleidde De Groot vier ‘Bosnegergranmans’ naar hun gebied van herkomst, de Westkust van Afrika. Ze publiceerde een reisverslag van dit legendarische bezoek met de grootopperhoofden uit het binnenland van Suriname aan  Ghana, Togo, Benin en Nigeria. Daar werden van de zeventiende tot de negentiende eeuw de voorouders van de ‘bosnegervolken’ die door deze Granmans werden bestuurd in slavernij weggevoerd.

Over de hele Goudkust had de West-Indische Compagnie (WIC) in de periode van haar bestaan een tiental forten in handen, uitgestrekt over een kuststreek van zestig mijl. Elmina, in 1637 door Johan Maurits op de Portugezen veroverd en tot 1872 in Nederlandse handen, was ruim tweehonderd jaar de belangrijkste Nederlandse vestiging op de West-Afrikaanse kust. In de kelders van het fort wachtten de slaven, ontmenselijkt, op afvoer.

Surinaamse Granmans in Afrika, groot in zijn eenvoud werd dadelijk na lezing mijn lesmateriaal. Op de Nederlandse landkaart kon ik feilloos reizen van Appelscha naar Zierikzee, dat had ik vroeger in Paramaribo als kind al bij aardrijkskunde geleerd, Elmina lag niet op de route. Laat staan Kumasi, Abomey, of Kano, plaatsen die toen volgens het Europees beeld van ‘Het zwarte continent’ een onderontwikkelde periferie van de beschaafde wereld waren.
De zorgvuldigheid waarmee De Groot met gegevens in het boek omspringt, haar inlevingsvermogen in een haar vreemde cultuur en de betrokkenheid bij de Granmans en hun gevolg is voorbeeldig. Het verwijt van de Granmans dat hun voorouders destijds met medewerking van de ‘eigen broeders’ tot de vermaledijde slavernij werden veroordeeld en aan de blanken verkocht, maakt de collaboratie van Afrikanen in de Transatlantische mensenhandel in een paar zinnen een schrijnend feit. Dat Afrikanen handelspartners van de WIC waren, wordt in Suriname doorgaans geloochend, alsof het een uitgebreide incestueuze familie van ‘brothers en ‘sisters’ betreft.
Het verbaast me telkens weer dat clubjes die zich sterk maken voor herstelbetaling aan nazaten van slaven het handelsaandeel van de Afrikanen onbesproken laten en zich liever wentelen in sentiment. Zoals op Blakamandei, de Dag der Zwarte beschaving. Die wordt uitbundig gevierd, men paradeert door de straten van Paramaribo in Afrikaanse gewaden die in Accra, Lomé of Cotonou al tot de mottenballen zijn veroordeeld, want wie het zich kan veroorloven wordt daar het liefst in Armani, en anders in H&M gezien.
Ook stadscreolen laten zich verkleed op Blakamandei bewonderen. Een groot deel van hen kroop tot vlak voor de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 liever in de huid van blanke of joodse voorouders om door de lichtkleurige elite te worden binnengehaald. Zwart was toentertijd negatief: Nelson Mandela werd  in Zuid Afrika gecriminaliseerd, Niggers with an attitude in de VS tot het getto veroordeeld, Martin Luther Kings droom was nog niet verwerkelijkt en de koninklijke Beyoncé nog niet verwekt.
Silvia de Groot overleed op 26 mei 2009. Ik wist dat ze zou sterven, maar werd er toch door overvallen. Een week voor haar dood belde ze zoals ze na mijn noodgedwongen vertrek naar Suriname bijna wekelijks deed. Ik hoorde haar anders beheerste, diepe stem fragmenteren, nam het eerstvolgende vliegtuig naar Amsterdam en was op tijd. ‘Hoe gaat het toch?’ vroeg ze, de ogen gesloten, met ononderbroken belangstelling.
Twee dagen na haar crematie moest ik alweer terug naar Suriname, vergezeld van een drang over haar dood te schrijven, bij herhaling over haar te vertellen en haar zo levend te houden. Ze had mijn belangstelling voor de geschiedenis van West Afrika gewekt en gevoed, was er voor me geweest en op een dag verdween ze voorgoed.
Ze vermaakte me het unieke schilderij, schonk het liever niet aan een museum, bang dat er in een depot vergetelheid wachtte; de geschiedenis van de West werd doorgaans weggemoffeld, vond ze.
De aandacht die het nieuwe Rijksmuseum aan de koloniale periode schenkt, zou haar hebben opgebeurd.
Wat zo’n schilderij al niet losmaakt en aanhaalt.
Ik probeerde het tegen de tropen te beschermen; de hygrometer hield de vochtigheidsgraad bij, de luchtmelker produceerde dagelijks een paar liter water, de airco onderdrukte de hitte binnenskamers. Angst dat de kleurvaste poep van kamrawintje’s het schilderij zou belagen, was gegrond.
Waar in Paramaribo zou Zicht op fort Elmina, dit negentiende-eeuws erfgoed, onder de juiste klimatologische omstandigheden kunnen worden bewaard en getoond? De plaatselijke museumdirecteur had eens te kennen gegeven niet van schilderijen te houden. Nog een zorg: bij de onafhankelijkheid in 1975 werd Suriname door Nederland een kunstwerk van Jacob van Ruysdael geschonken. Het lag een tijd lang in het Paleis aan het Onafhankelijkheidsplein in een hoekje op de grond. Bij wie en onder welke omstandigheden het zich nu bevindt valt niet te achterhalen.
150 jaar geleden, 1 juli 1863, keti koti, werd de slavernij in Suriname  afgeschaft.
Ik heb het doek door Willem Troost naar Amsterdam meegebracht en laten restaureren om gezien te worden: Zicht op fort Elmina, een schaarse herinnering aan de Atlantische driehoeksverhouding.
Vanaf 15 juni is Zicht op fort Elmina te zien op Slavernij verbeeld, de tentoonstelling van Bijzondere Collecties van de UvA, Rokin Amsterdam, naast het Allard Pierson Museum.
[Eerder gepubliceerd in De Groene Amsterdammer, 13 juni 2013; de tekst zal ook verschijnen in het augustusnummer van Parbode.]

Elmina: kasteel of hellekrocht

door Hilde Neus

Het woord kasteel heeft iets romantisch, maar in het geval van Elmina gaat dat niet op. De vesting aan de Goudkust van West-Afrika (nu Ghana) die werd ingenomen door de West-Indische Compagnie (WIC) in 1637 was allerminst een prettig oord. De Nederlanders verzamelden er de slaven die verscheept werden naar de Nieuwe Wereld. Marcel van Engelen, de auteur van Het kasteel van Elmina. In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika, heeft het verhaal van het fort, zijn omgeving en de barbaarse slavenhandel opgetekend. Hij beschrijft naast de bouw en de strijd om het fort, de verschillende geschriften van mensen die over hun verblijf ter plaatse hebben geschreven, de rol van de mensen om fort en dorp heen, ook uitgebreid de rol die de Ashanti speelden in deze mensenhandel en de herkomst van de geroofden. Met het boek wil de auteur aantonen dat de historie niet zo zwart-wit is, maar veel ingewikkelder dan meestal wordt aangenomen.
Het is lastig om bij zijn les te blijven, omdat de schrijver allerlei gegevens door het boek strooit, in niet-chronologische volgorde. Nederland veroverde het fort in 1637 op pagina 21 en Sao Jorge da Mina werd door de Portugezen gebouwd in 1482 op pagina 23. Hij combineert harde feiten met eigen meningen, waardoor de lezer in verwarring raakt. Op pagina 27 verbaast de auteur zich over het feit dat er meer Afrikanen naar de Nederlandse koloniën zijn getransporteerd dan naar de Verenigde Staten.
Er is een uitvoerig onderzoek gedaan naar de bewegingen van de slavenschepen, vastgelegd in ’n uitgebreide, uitstekende en vrij volledige database,
(http://www.slavevoyages.org/tast/assessment/estimates.faces), deze wordt genoemd, maar er worden andere cijfers gebruikt. Daarnaast legt Van Engelen anderen heel wat uitspraken in de mond (‘Oh my god’, zei een blanke Amerikaanse vrouw toen ze weer buiten stond, p. 24), dit is erg storend omdat er verder geen uitleg aan wordt gegeven. Verder komt het woord ‘misschien’ erg vaak voor.
Van Engelen haalt heel wat bronnen boven water, doorbreekt heel wat stereotiepe beelden (de slavenhandel in Afrika ging nog lang door na de afschaffing van de handel in 1808, ook zonder de inbreng van de Europeanen) en bekijkt de geschiedenis van allerlei kanten. Hij prijst zichzelf met het feit dat hij heel wat bronnen heeft blootgelegd en verwerkt in zijn boek. (Terug in Nederland bezocht ik bibliotheken, raadpleegde ik historici en nam ik een duik in de archieven, p. 32). Maar wat is de meerwaarde daarvan als je de bronnen niet duidelijk in voetnoten verwerkt? Kleine moeite lijkt me zo. Een uitgebreide boekenlijst per hoofdstuk is dan leuk en aardig, maar de schrijver verwacht toch niet dat de lezer zelf gaat uitpluizen wat waar staat en wie wat geschreven heeft? Een grove misser mijns inziens, vooral omdat hij zulke interessante egodocumenten heeft gevonden, die ook belangrijk kunnen zijn als bron voor anderen.
In dit jaar van 150 jaar afschaffing van de slavernij zien we een grote productie in Nederland aan werken over dit onderwerp. Dit boek is bedoeld als populair-wetenschappelijke uitgave, voor een groot publiek. De schrijver heeft behoorlijk wat subsidie van diverse instanties ontvangen om het te schrijven. Misschien is zijn opdracht voorin het boek wel tekenend: ‘ter nagedachtenis aan mijn vader’, en niet ‘aan de mensen die zijn weggevoerd uit West-Afrika’. Ik ben een kritische lezer, en ondanks dat de auteur vermeldt dat hij 3 jaar een relatie had met een meisje van Surinaamse afkomst, betrap ik hem hier en daar toch op neerbuigendheid ten opzichte van de Afrikanen. Het boek is bruya, en ondanks alle invalshoeken zweemt het naar eurocentrisme. Misschien iets voor bij het volgende lustrum: een nazaat die over Elmina schrijft?
Dat dit niet a priori vol sentimentaliteit hoeft te zijn, bewijst Ellen Ombre. In een klein artikel in De Groene Amsterdammer van 13 juni 2013 schrijft ze over een schilderij van Willem Troost (1812-1893) met een romantisch zicht op Fort Elmina, dat aan haar werd vermaakt door Silvia de Groot (wetenschapper met veel kennis over de marrons, overleden 2009). Ombre geeft aan hoe het schilderij in haar bezit kwam, maar staat ook zeer kritisch ten opzichte van de toekomst van het kunstwerk: wat is de beste plek? Het verbaast haar dat de bijdrage van de Afrikanen aan de slavenhandel in Suriname vaak wordt verwaarloosd in het discours over slavernij. Zou ze van mening zijn dat Elmina voor haar voorouders een hellekrocht is geweest?
Marcel van Engelen: Het kasteel van Elmina. In het spoor van de Nederlandse slavenhandel in Afrika.  Amsterdam: De Bezige Bij, 2013. ISBN 978 90 234 7704 4

Liber Amicorum Els Moor

Ter gelegenheid van haar 75ste verjaardag heeft Els Moor een vriendenboek gekregen. Het werd haar officieel aangeboden op zondag 22 juli van het afgelopen jaar ten huize van Hilde Neus, die samen met Jan Bongers de redactie voerde van het boek. De titel is Uitlandig. In het nawoord zeggen de samenstellers: Ze is van hier, hoewel ze voor sommigen altijd een uitlandige blijft.
Els Moor betekent veel voor de literatuur in Suriname. Het is dan ook een bundel over en met literatuur in 22 nieuwe bijdragen, allen zeer passend in de Surinaamse context. De bijdragen zijn geschreven door Jannus H. Mulder, Lila Gobardhan-Rambocus, Marja Themen-Sliggers, Joop Vernooij, Thea Doelwijt & Marijke van Geest, Ed van den Boogaard, Ismene Krishnadath, Michiel van Kempen, Cynthia Mc Leod, Wim Rutgers, Robertine Romeny, Jerry Egger, Hilde Neus, Cobi Pengel, Jerry Dewnarain, Anne Huits, Guus Rekers, Ellen Ombre, Christine F. Samsom, Anne Marie Uhlenbeck, Marieke Visser en Jabón. Het omslag is van Nicolaas Porter.
 Els Moor was er erg blij mee.
Voor meer informatie over de artikelen en de bundel: Hilde Neus: heneus@sr.net
ISBN 978-99914-7-186-0

Gasbommen, lemmetjes en rijst zetten (4 en slot)

Nut en noodzaak van taalverbastering in de literatuur

door Karin Amatmoekrim

Natuurlijk was Accord niet de eerste die bijdroeg aan de Surinaams-Nederlandse literatuur. Wij slaven van Suriname van Anton de Kom kan gezien worden als een uitgesproken anti-koloniale roman, waarin de schrijver de geschiedenis van zijn volk uit handen van de kolonisator nam en het zich voor het eerst eigen maakte. Een andere herschrijving van de geschiedenis kwam in de vorm van de postkoloniale succesroman van Cynthia McLeod, Hoe duur was de suiker.

read on…

Ellen Ombre

Portret van de Surinaamse schrijfster, gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 18 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. De foto op groot formaat is ook te bestellen bij de fotograaf; voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Fusie Arbeiderspers en A.W. Bruna

De uitgeverijen De Arbeiderspers en A.W. Bruna willen gaan fuseren. Dat heeft directeur Lex Jansen van De Arbeiderspers woensdag laten weten. Of de fusie gepaard gaat met ontslagen is niet duidelijk. De centrale ondernemingsraad van WPG zal zich nog over de plannen van de directie moeten uitspreken. Tegelijkertijd verhuist uitgeverij Balans van De Arbeiderspers naar de Bezige Bij, zo liet Jansen weten.

Als reden voor de fusie noemt Jansen ‘de enorme ontwikkelingen op de boekenmarkt’. Volgens hem zijn er in jaren niet zulke grote ontwikkelingen geweest als op dit moment en zullen de bedrijven door samen te gaan sterker staan. Jansen spreekt van een ‘interne fusie’ omdat de bedrijven beide al tot WPG Uitgevers horen.

A.W. Bruna is onder andere uitgever van Stieg Larsson, John Grisham en Carlos Ruiz Zafón, De Arbeiderspers van onder anderen Astrid Roemer en Ellen Ombre.

Ashanti goudgewichtjes

De Ashanti (of Asante) vormen een etnische groep in het zuiden van Ghana van ongeveer anderhalf miljoen zielen, die een dialect van het Akan, het Twi, spreken. Het grootste deel woont in de gelijknamige regio Ashanti. Het land van de Ashanti behoorde vroeger tot de Goudkust.

Het merendeel van de in de achttiende eeuw naar Suriname overgebrachte slaven kwam uit het Akan-taalgebied, waar de talen Ashanti, Fanti, Nzema, Anyi of Baoule worden gesproken. Resten van de Akan-cultuur zijn nog duidelijk herkenbaar in de godsdienst en cultuur van de Surinaamse creolen en marrongroepen.Puur stofgoud en goudklompjes waren de enige officiële betaalmiddelen in het land van de Ashanti tot ongeveer 1902, maar werden nog tot 1918 inofficieel gebruikt. Goud was tevens een statussymbool voor de koningen en stamhoofden. Deze lieten sieraden, ceremoniële wapens, zelfs huishoudelijke gebruiksvoorwerpen en taferelen uit het hofleven van goud maken door hun persoonlijke goudsmeden. Mogelijk werden deze verzameld en ter vermaak uitgestald. Vervolgens werd enkele bevoorrechte mensen toegestaan om van deze gouden originele exemplaren kopieën te maken van koper. Dit kan geleid hebben tot het gebruik van kunstvoorwerpen als gewichten.

Tegen deze achtergrond verruimt het Numismatisch Museum van de Centrale Bank van Suriname haar permanente expositie tijdelijk met oorspronkelijke betaalmiddelen en goudgewichtjes, die de Ashanti vroeger gebruikten om goud te wegen. Het museum heeft van mevrouw Ellen Ombre enkele originele voorwerpen in bruikleen die vanaf 2 maart tentoon worden gesteld.

De goudgewichtjes hebben uiteenlopende vormen, van gebruiksvoorwerpen tot mens- en dierfiguren. De betaalmiddelen zijn minstens even divers en zijn afkomstig van verschillende landen en culturen. Populair waren snoeren gemaakt van verschillende soorten kralen, schelpen en brons. Een cruciale rol bij het overbrengen van de Ashanti en hun cultuur naar Suriname moet aan Fort Elmina worden toegeschreven. Dit fort is in 1482 gebouwd aan de vroegere Goudkust, het huidige Ghana. Het fungeerde als belangrijke tussenstop in de slavenhandel. Een artistieke creatie van Fort Elmina is eveneens te bezichtigen tijdens de expositie.

Numismatisch Museum
Centrale Bank van Suriname
Mr. F.H.R. Lim A Postraat 7
Tel. 520016 of 473741 tst. 577
Fax. 476444
E-mail: numismatischmuseum@cbvs.sr
Geopend op werkdagen van 08.00 – 14.00 uur
Toegang gratis

[uit de Ware Tijd, 07/03/2011]

Wat lezen we voor op 4 maart?

4 maart: Nationale Voorlees- en Verteldag. De redactie en kinderredactie van de Ware Tijd Literair stelden een vraag aan 10 mensen die met taal of onderwijs, of met doelgroepen voor voorlezen te maken hebben: aan wie zou u willen voorlezen op 4 maart en uit welk boek?

read on…

Brief aan Ellen Ombre

door Peter Meel

 

Ik las de tekst van je Multatuli-lezing. In briefvorm geschreven. Over je ontmoetingen met de tijdgeest. In gelijkmatige en vaak mooi geslepen zinnen rijg je in deze beschouwing persoonlijke observaties en stellingnamen aaneen. Over elk woord heb je nagedacht, ieder leesteken heb je gewogen, geen zinswending is aan je kritische blik ontsnapt. Maar de beheerst geformuleerde regels vertellen niet het hele verhaal. Door je proza schemert een veenbrand aan emoties. Die mogen van jou als auteur aan de oppervlakte treden mits ze door het verstand zijn gefilterd. Het gedempt presenteren van gevoelens toont je vermogen tot introspectie, je behoefte aan balans en je besef van beschaving. Je staat jezelf niet toe je te laten gaan, maar hecht eraan het verstand de regie te laten voeren.

In je positiebepaling ben je ontnuchterend eerlijk. Je laveert tussen twee landen en je vertrouwelijkheid met beide samenlevingen wringt. Dat knarsen en schuren vervult je met onbehagen. Het stoort je. Ik kan mij daar veel bij voorstellen. Het Suriname van je jeugd is in weinig te vergelijken met het Suriname van vandaag en het Nederland van nu vertoont meer dan ooit de trekken van een bananenmonarchie. Bouterse en Wilders zijn voor jou de voornaamste aanjagers en symptomen van die actuele ontwikkelingen. Grijnslachend draaien zij het rad van fortuin in het rond. Wat drijft mensen naar deze leidersfiguren? Dat is een belangrijke vraag, die al veel pennen in beweging heeft gebracht. Je laat overtuigend zien waarom die vraag zo lastig te beantwoorden is.

De sleutel ligt in de verhouding van het individu tot de massa. Je wantrouwt de massa, want die laat volgens jou zijn politieke keuzes door emoties bepalen. Uit wanhoop of angst lopen mensen leiders achterna tegen wie het gezond verstand zich verzet. Ik heb ook lang in deze verklaring geloofd. Eigenlijk ben die opvatting nog steeds toegedaan. Redeloosheid is een slechte raadgever en een ondeugdelijk kompas. Tegelijk moet mij iets van het hart. Ik denk niet graag in tegenstellingen en vermijd het liefst woorden als ‘massa’ of ‘volk’. Omdat ik mijzelf niet op voorhand van andere mensen wil distantiëren en omdat de gedachte tot een ‘elite’ te behoren mij altijd heeft benauwd. Kind van de jaren zeventig? Ongetwijfeld. Ik kan ook niet voorbijgaan aan enkele simpele feiten: populisme is van alle tijden, politieke keuzes zijn nooit alleen maar terug te voeren op rationele overwegingen en politici vertrouwen vaak meer op hun flair en intuïtie dan op hun intellect en analytische vaardigheden. Dat is niet erg, want kiezen of gekozen worden: het blijft mensenwerk. Het wordt bedenkelijk als ieder gevoel voor maat achter de horizon dreigt te verdwijnen, als vijandbeelden ons uitzicht belemmeren en burgerzin over de heg van de buurman wordt gekieperd. Met die gegevenheden lijken we in toenemende mate geconfronteerd te worden.

Hoe moeten Nederland en Suriname verder? Op die vraag geef je geen pasklare antwoorden. Die zijn er ook niet. En als ze er al waren, dan somt een schrijver die niet bloedeloos op, maar onderwerpt hij die aan een oordeel. Dat doe jij wanneer je je keert tegen de uitwassen van nationalistisch denken. Terecht merk je op dat ‘volk en vaderland’ en ‘bloed en bodem’ concepten uit het verleden zijn, die ook in een aangepaste vorm of onder een andere noemer geen toekomst hebben. In een wereld waarin alle vensters openstaan, heeft het gesloten houden van deuren geen nut. Toch begrijp ik wel dat voor veel mensen juist dat een beangstigend beeld is. Niet het voortbestaan van de mensheid is voor hen de norm, maar de veiligheid van hun directe leefomgeving. Een huis met teveel vensters open geeft de wind vrijspel en blaast alle zekerheid naar buiten. Liever het getik van de klok aan de muur dan de gedachte aan het uitzetten en krimpen van het heelal. Politici zouden de behoefte van mensen aan houvast, overzicht en beschutting nadrukkelijker moeten honoreren zonder de mantel van de wereld af te schudden en de regels van wellevendheid uit het oog te verliezen.

Jouw lezing is een welkome bijdrage aan het hervinden van evenwicht. Het is een aansporing tot weldenkendheid en een pleidooi voor beheersing en nuance vanuit het perspectief van een ‘tussenfiguur’. Aan het einde van je los opgebouwde betoog (een verwijzing naar de beperkte samenhang die de besproken samenlevingen nog kennen?) laat je de veelgeciteerde uitspraak van Huizinga over de bezeten wereld waarin wij leven volgen door een mooi maar melancholiek natuurbeeld en een strofe uit de tekst van het ‘zelfmoordlied’ Gloomy Sunday. Geef je daarmee ruimte aan sentimenten waarmee je eerder probeerde af te rekenen? Laat je even de teugels vieren die je in de rest van je verhaal zo strak in handen wist te houden?

In een rede die Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa kortgeleden hield, beëindigde hij zijn sombere uiteenzetting over de ‘monsters’ van terrorisme, nationalisme en xenofobie met de vaststelling dat de krachten van vernietiging overwonnen zullen worden door idealisme, edelmoedigheid en vrijheidsliefde. Dat lijkt mij de juiste instelling om de kwalijke gedaanten van de tijdgeest te lijf te gaan. Zeker, de brief is – zoals je schrijft – een buitenkind van de letteren geworden, maar je hebt een begeesterde aanzet gegeven om het medium in ere te herstellen. Laten we ruimhartig zijn en met elkaar in gesprek blijven.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter