blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Obama

Barack Obama Visits Jamaica, Urges Caribbean on Green Energy

By the Caribbean Journal staff

United States President Barack Obama became the first sitting president to visit Jamaica in more than 33 years with a visit to Jamaica this week. read on…

Why Caribbean History Matters

by Lillian Guerra

Over the years, I have had dozens of conversations on the question of whether Caribbean history “really matters” and for whom it matters. I’ve heard the region’s history dismissed due to the relative size of Caribbean societies, historians’ supposedly excessive preoccupation with slavery, and a questioning of what lessons can be learned from such allegedly dysfunctional societies. read on…

Bolo ta di pueblo (4)

Fred de Haas over Frantz Fanon
Op een Nederlands forum voor Creolen vond ik de volgende twee uitspraken uit 2011:
– ‘Ik vindt het triest dat sommige creoolse of hindoestaanse vrouwen hun gezicht bleken. Soms zie ik dames die ik nog ken uit mijn schooltijd en ik weet dat ze van nature donker waren. Maar plotseling zie je ze na jaren met een lichtere tint in hun gezicht terwijl de rest van hun lichaam nog donker is. Of ze bleken hun hele lichaam. Hebben deze mensen een complex of zo? Waarom kan je niet mooi zijn als je donker bent? Weten ze niet dat het bleken van je huid heel gevaarlijk is? Nep om te zien man!’
– ‘de media maakt ons nog steeds wijs dat je niet mooi ben als je donker ben’
Fanon was het hiermee eens en vond dit soort gedrag (zoals het gladmaken van kroeshaar en bleken van de zwarte huid) ook ongelofelijk dom.
Julian Coco
Julian Coco en Helmin Wiels
Ik herinner mij in dit verband (nooit ontkennen dat je zwart bent) de gewoonte van Julian Coco, de onlangs overleden zwarte meestergitarist uit Curaçao, om een kamer vol blanken binnen te komen met de woorden: ‘wie wil er een kus van deze zwarte lippen?’ Julian wist dat de mensen hem erg zwart vonden en, geestig als hij was, nam hij altijd de vlucht naar voren. Hij was iedereen vóór door de aandacht te vestigen op zijn kleur en kreeg altijd de lachers op zijn hand. Dat had, vond ik, altijd iets tragisch. Maar zo deed Coco het nu eenmaal en, in zekere zin, was dat een effectieve zelfbescherming. Julian Coco had trouwens helemaal geen hekel aan de Hollanders. ‘Ik heb een zwak voor die Makamba’s, ’ zei ie altijd. Hij was trouwens met een getrouwd.
Iemand die ook zijn kleur niet onder stoelen of banken stak was Helmin Magno Wiels, de leider van de Curaçaose volkspartij, de Partido Soberano. Herinnert u zich nog dat Helmin een video-opname had laten maken waarin hij achter tralies een banaan zat te eten? Hij deed dit om op een meedogenloze – maar geestige – manier te laten zien hoe blanken over zwarten konden denken. Dat tafereel (ik heb er verschrikkelijk om moeten lachen) was duidelijk geïnspireerd door wat Fanon schreef op bladzij 90 van Peau noire, masques blancs (een boek dat Helmin Wiels waarschijnlijk in een Nederlandse of Engelse vertaling  onder zijn hoofdkussen had liggen):
‘Ik wierp een objectieve blik op mezelf, ontdekte mijn zwartheid, mijn etnische eigenschappen en op mijn schedel voelde ik woorden beuken als: kannibalisme, achterlijkheid, fetisjisme, raciale gebreken, slavenhalers en vooral, vooral de reclameboodschap ‘Y’a bon Banania!’
Y’a bon Banania
Toen ik in mijn jonge jaren veelvuldig gebruik maakte van de Parijse metro viel me altijd één affiche op dat op elk station minstens één keer voorbijflitste. Dat affiche was banaangeel en er stond een forse, zwarte soldaat op die lachend de boodschap ‘Y’a bon Banania’ ( = wat is die Banania toch lekker!) verkondigde. Het feit dat ik me dat nu nog steeds herinner betekent dat de reclamejongens van 1912 – zo oud is het merk Banania al –  voortreffelijk werk hadden gedaan.
Drie jaar lang heeft er op het Banania affiche uit 1912 een Antilliaanse vrouw gestaan, maar in 1915 werd ze vervangen door een zwarte Senegalese soldaat. Dat was de man die ik steeds had gezien in de ondergrondse. De slogan ‘Y’a bon Banania’ was een verzonnen soort pidgin-Frans dat Afrikanen en Antillianen geacht werden te spreken als ze hun Creoolse taal gebruikten. Het product Banania was een chocoladedrank in poedervorm van cacao, bananenmeel, tarwe, honing en suiker. Wel lekker. Je kon het met melk koken en het was in tien minuten klaar. Het was voedzaam en prima geschikt voor het leger.
De soldaat op de affiche beantwoordde volledig aan het beeld dat de gemiddelde blanke zich toen maakte van de ‘neger’: een vriendelijke maar domme Afrikaan met dikke lippen en een grote mond die nogal onnozel lachte en eruitzag als een groot soort kind. En hij sprak natuurlijk (!) geen algemeen beschaafd Frans. Kortom, hij was het perfecte symbool van de Creools sprekende onderdaan uit de Franse koloniën. De tekening wekte de lachlust op en zorgde ervoor dat het product Banania gretig aftrek vond bij het grote publiek.
De firma heeft die reclame lang weten te handhaven en pas in 2011 vaardigde de rechtbank van Versailles op verzoek van de  ‘Beweging  tegen het racisme en voor de vriendschap tussen de volken’ het verbod uit
om het product Banania nog langer te verkopen met de slogan ‘Y’a bon’. Op straffe van 20.000 euro per overtreding per dag.
Fanon merkte al op dat de zwarte man op die affiche eigenlijk gereduceerd was tot een voorwerp temidden van andere voorwerpen.
Wie het Banania-effect wil vergelijken met de Zwarte Piet discussie in Nederland is ver van huis. Zolang er nog niet op elk treinstation in Nederland 24 uur per dag een Zwarte Piet en een Sinterklaas te zien is valt het allemaal nogal mee in onze gebieden.
Racisme en intolerantie
Vreemdelingenhaat, racisme en intolerantie zijn verwante zaken die meestal moeilijk van elkaar zijn te onderscheiden. Tegenwoordig schuilen ze nog wel eens onder de vlag van ‘strijd tegen het terrorisme’. Die camouflage werkt goed, want niemand wil natuurlijk terrorisme, behalve de terroristen zelf.
In Nederland zijn velen bang voor ‘geestelijke terreur’ van de kant van fanatieke Moslims en zijn daarom gauw bereid beledigende opmerkingen aan het adres van moslims te vergoelijken. De Nederlandse PVV politicus Wilders heeft ooit voorgesteld belasting te heffen op het dragen van Islamitische hoofddoekjes onder de naam ‘Kopvoddentax’. Met dit verbaal nogal beledigende voorstel heeft hij de vrije meningsuiting wel erg hoog in het vaandel geheven. Vanwege dit soort uitspraken wordt hij dag en nacht bewaakt. Obsessie, ijdelheid en moed gaan bij hem hand in hand. Opvallend is ook zijn laatste politieke streek: een anti-islamsticker die je bij hem kan bestellen. De sticker stelt de vlag van Saoedi-Arabië voor met daarop een Arabische tekst die o.a. de volgende inhoud heeft: “De Islam is een leugen. Mohammed is een boef’.
Dit lijkt me niet de juiste manier om geesten rijp te maken voor een open discussie. Wat zou hij ervan zeggen als ze in Saoedi-Arabië gingen rondlopen met de Nederlandse vlag waarop stond: ‘Jezus is een oplichter en de Paus is zijn profeet’?
De anti-islamsticker van Wilders
Het vervelende bij Wilders is dat ie ook wel eens gelijk heeft met zijn uitspraken. Zo is hij van opvatting dat je niet zó tolerant moet zijn dat je anderen de volledige vrijheid moet geven om intolerant gedrag te vertonen.
Geen speld tussen te krijgen…
Frantz Fanon stelde in zijn tijd dus al vast dat racisme, intolerantie en geweld overal aanwezig waren. In zijn tijd kreeg de Franse schrijfster Simone de Beauvoir nog een officiële waarschuwing omdat ze gearmd met de zwarte schrijver Richard Wright over straat liep.
Europa en Amerika blijven ook heden ten dage gewelddadig en racistisch. Denk aan de massamoord in het voormalige Joegoslavië. Denk aan de Verenigde Staten waar nog altijd stadswijken zijn waar alleen zwarten, Spaanssprekende Latijns-Amerikanen of Aziaten wonen. En nog niet zo lang geleden, in 1991, speelde de zaak Rodney King, de zwarte jongeman die op sadistische wijze werd afgeranseld door blanke politieagenten die hiervoor niet werden veroordeeld…
Een donkere president Obama helpt wel een beetje en de woorden die hij in 2008 als presidentskandidaat richtte tot de Afro-Amerikaanse gemeenschap waren ongetwijfeld oprecht gemeend:
‘[…] in feite hebben we geen keus als we willen voortgaan op de weg van een betere saamhorigheid. Voor de Afro-Amerikaanse gemeenschap betekent dit dat we de last van ons verleden moeten accepteren zonder er slachtoffer van te worden, dat wil zeggen dat we echte rechtvaardigheid moeten blijven eisen in alle aspecten van het Amerikaanse leven’.
Meer dan vijftig jaar geleden zei Frantz Fanon hetzelfde en de omstandigheden waarin hij toen verkeerde waren heel wat slechter. Nog steeds heeft zijn boodschap niets aan kracht ingeboet en die boodschap geldt ook voor Latijns-Amerika waar de zwarte, gekleurde en Indiaanse gemeenschappen nog altijd zwaar worden gediscrimineerd (o.a. in Brazilië, Colombia, Perú enz.).
[wordt vervolgd]

De Morgen excuseert zich voor Obama-cartoon

door Zico Saerens
De Vlaamse krant De Morgen excuseert zich voor een cartoon over Obama die het afgelopen weekend in de satirische rubriek The Daily Heraldafgebeeld stond. De collage, waarop Obama vergeleken wordt met een aap, lokte internationaal heel wat reacties uit. “De denkfout die gemaakt werd, is de overtuiging dat racisme algemeen niet meer aanvaard wordt”, klinkt het.
Het afgelopen weekend pakte de krant De Morgen uit met een Obama-special naar aanleiding van de komst van de Amerikaanse president naar België deze week. Ook de wekelijkse satirische bijdrage The Daily Heraldwas volledig gewijd aan de president. Een cartoon die daarin afgebeeld stond, lokte internationaal heel wat reacties uit. Op de cartoon zie je hoe de Russische president Vladimir Poetin een foto ingestuurd zou hebben waarin hij het Amerikaanse presidentiële paar een apengezicht geeft.
Op pagina 2 van de krant excuseert De Morgen zich vandaag voor die naar eigen zeggen smakeloze grap over de Amerikaanse president. “Wanneer je het fragment ontdoet van zijn context van een satirische pagina in een voorts doorwrochte themabijlage, dan komt inderdaad in plaats van een aangebrande grap een beeld van onversneden racisme naar voor. Dat risico is vooraf onvoldoende ingeschat”, klinkt het.
“De denkfout die ook ditmaal gemaakt werd, is de overtuiging dat racisme algemeen niet meer aanvaard wordt en dat er dus veilig mee gelachen kan worden”, gaat het verder. Volgens de krant is te licht vergeten dat, met name in de Verenigde Staten, de gelijkstelling tussen zwarten en apen nog geregeld opduikt.
De krant biedt dan ook haar verontschuldigingen aan aan al wie zich beledigd voelt door de betreffende passage. “Wij pleiten in dit geval schuldig aan slechte smaak”, zeggen ze. “Wij blijven ons aan de kant scharen van al wie tegen elke vorm van racisme strijdt. Aarzel niet ons erop te wijzen als we een keer uit de bocht gaan.”
[van De Redactie.be, ma 24/03/2014]

The ‘fake’ Mandela memorial interpreter said it all

by Slavoj Žižek
 

He claimed an ‘attack of schizophrenia’ rendered his signing unintelligible, but his performance translated an underlying truth

Our daily lives are mostly a mixture of drab routine and unpleasant surprises – however, from time to time, something unexpected happens which makes life worth living. Something of this order occurred at the memorial ceremony for Nelson Mandela last week.
Tens of thousands were listening to world leaders making statements. And then … it happened (or, rather, it was going on for some time before we noticed it). Standing alongside world dignitaries including Barack Obama was a rounded black man in formal attire, an interpreter for the deaf, translating the service into sign language. Those versed in sign language gradually became aware that something strange was going on: the man was a fake; he was making up his own signs; he was flapping his hands around, but there was no meaning in it.

A day later, the official inquiry disclosed that the man, Thamsanqa Jantjie, 34, was a qualified interpreter hired by the African National Congress from his firm South African Interpreters. In an interview with the Johannesburg newspaper the Star, Jantjie put his behaviour down to asudden attack of schizophrenia, for which he takes medication: he had been hearing voices and hallucinating. “There was nothing I could do. I was alone in a very dangerous situation,” he said. “I tried to control myself and not show the world what was going on. I am very sorry. It’s the situation I found myself in.” Jantjie nonetheless defiantly insisted that he is happy with his performance: “Absolutely! Absolutely. What I have been doing, I think I have been a champion of sign language.”

 

Next day brought a new surprising twist: media reported that Jantjie has been arrested at least five times since the mid-1990s, but he allegedly dodged jail time because he was mentally unfit to stand trial. He was accused of rape, theft, housebreaking and malicious damage to property; his most recent brush with the law occurred in 2003 when he faced murder, attempted murder and kidnapping charges.
Reactions to this weird episode were a mixture of amusement (which was more and more suppressed as undignified) and outrage. There were, of course, security concerns: how was it possible, with all the control measures, for such a person to be in close proximity to world leaders? What lurked behind these concerns was the feeling that Thamsanqa Jantjie’s appearance was a kind of miracle – as if he had popped up from nowhere, or from another dimension of reality. This feeling seemed further confirmed by the repeated assurances from deaf organisations that his signs had no meaning, that they corresponded to no existing sign language, as if to quell the suspicion that, maybe, there was some hidden message delivered through his gestures – what if he was signalling to aliens in an unknown language? Jantjie’s very appearance seemed to point in this direction: there was no vivacity in his gestures, no traces of being involved in a practical joke – he was going through his gestures with expressionless, almost robotic calm.

Jantjie’s performance was not meaningless – precisely because it delivered no particular meaning (the gestures were meaningless), it directly rendered meaning as such – the pretence of meaning. Those of us who hear well and do not understand sign language assumed that his gestures had meaning, although we were not able to understand them. And this brings us to the crux of the matter: are sign language translators for the deaf really meant for those who cannot hear the spoken word? Are they not much more intended for us – it makes us (who can hear) feel good to see the interpreter, giving us a satisfaction that we are doing the right thing, taking care of the underprivileged and hindered.

I remember how, in the first “free” elections in Slovenia in 1990, in a TV broadcast by one of the leftist parties, the politician delivering the message was accompanied by a sign language interpreter (a gentle young woman). We all knew that the true addressees of her translation were not the deaf but we, the ordinary voters: the true message was that the party stood for the marginalised and handicapped.
It was like great charity spectacles which are not really about children with cancer or flood victims, but about making us, the public, aware that we are doing something great, displaying solidarity.
Now we can see why Jantjie’s gesticulations generated such an uncanny effect once it became clear that they were meaningless: what he confronted us with was the truth about sign language translations for the deaf – it doesn’t really matter if there are any deaf people among the public who need the translation; the translator is there to make us, who do not understand sign language, feel good.

And was this also not the truth about the whole of the Mandela memorial ceremony? All the crocodile tears of the dignitaries were a self-congratulatory exercise, and Jangtjie translated them into what they effectively were: nonsense. What the world leaders were celebrating was the successful postponement of the true crisis which will explode when poor, black South Africans effectively become a collective political agent. They were the Absent One to whom Jantjie was signalling, and his message was: the dignitaries really don’t care about you. Through his fake translation, Jantjie rendered palpable the fake of the entire ceremony.
• This article was amended on 16 December 2013 to comply with our editorial guidelines
[from The Guardian, Monday 16 December2013]

 

De vermetelheid van hoop

door Rolf van der Marck

Politici in het Caraïbisch gebied zijn men of words. Ongeacht of ze achter een microfoon staan, in besloten kring verkeren of zich uiten op papier, taal is hun voornaamste gereedschap. Dat blijkt ook na de recente regeringswisseling in Suriname. Langzaam beginnen de contouren van het te voeren beleid zich af te tekenen. Op 12 augustus was er de inaugurele toespraak van het nieuwe staatshoofd, die veel publiciteit genereerde. Kort hierna lekten de aandachtsgebieden uit waarop de regering zich in de komende vijf jaar wenst te profileren. Vervolgens tekenden de coalitiepartijen een regeerakkoord, waarin de hoofdlijnen van het nieuwe beleid uiteen worden gezet. Dit laatste document zal als uitgangspunt dienen voor de regeringsverklaring en het regeerprogramma die spoedig zullen worden gepresenteerd.

Ik moet denken aan woorden van de bekende oud-premier van Jamaica, Michael Manley: ‘I am convinced that no society can achieve greatness except within the framework of a set of ideals, assumptions and ideas about economic and political organization which command the clear and committed support of an effective majority of the population.’ Als we afgaan op de hierboven genoemde teksten – en de inaugurele toespraak is daarvan het meest concreet – hoe kunnen we dan de denkbeelden van de zojuist aangetreden regering typeren? Ik zou zeggen als een hybride mix van heden en verleden, nieuw en oud, profaan en sacraal, zakelijk en persoonlijk.

Er is een vleugje Barack Obama, blijkend uit de oproep tot eenheid, gezamenlijke verantwoordelijkheid, sociale rechtvaardigheid en duurzame ontwikkeling. De vermetelheid van hoop is ook aan Paramaribo niet onopgemerkt voorbij gegaan. Het beroeren van deze snaar lijkt de geest van verzoening en verwachting te hebben opgeroepen die in belangrijke delen van de samenleving is gevaren. Er is in het Surinaamse geval geen sprake van het hernemen van een droom, zoals bij Obama, maar laten we het creëren en najagen van een droom niet op voorhand als betekenisloos afdoen.

Met het uitgesproken verlangen de input van alle ‘strategische groepen’ aan te wenden, verwijst het staatshoofd naar wat hij beschouwt als het fundament van de ‘revolutie’. Het meedenken, meedoen en meeslissen van alle burgers is volgens Bouterse nodig om te kunnen afrekenen met ‘de restanten van de koloniale machtsstaat die gebleken zijn een grote belemmering te vormen voor het vestigen van een vrije democratische rechtsstaat met als pijlers een daadwerkelijk onafhankelijke rechterlijke macht, een corruptievrije regering, een in het belang van het volk functionerende wetgevende macht en een vrije en onafhankelijke pers die objectief informatie vastlegt en verspreidt.’ Trouw aan de gestaalde romantiek van de jaren tachtig dient volgens de president het ultieme doel te zijn ‘Suriname te veranderen van een winstobject van belangengroepen buiten Suriname, in een samenleving waarin de opbouw centraal staat van een nieuwe nationale economie voor en door Surinamers.’

Bij het projecteren van vriend- en vijandbeelden ontbreekt een gevoel van global awareness niet: ‘Wij zullen alles doen om deelgenoot te zijn van de nieuwe wereldorde die gekenmerkt wordt door een gezonde regionale en continentale soevereiniteit, door wederzijds respect en door het streven naar vreedzame oplossing van conflicten.’ Integratie in Zuid-Amerika en in het Caraïbisch Gebied gaat daarbij hand in hand met ‘de best mogelijke relaties tussen het Surinaamse en het Nederlandse volk’ en intensieve banden met landen in Noord-Amerika, Afrika en Azië.

Het evangelisch christendom was op 12 augustus traceerbaar in de publieke dankbetuiging door het staatshoofd (‘Ik dank de Almachtige Schepper en voor Zijn aangezicht en ten overstaan van u allen, beloof ik plechtig dat slechts dienstbaarheid en opoffering aan u en aan de natie, de leidende principes zullen zijn van mijn handelen’), maar manifesteerde zich vooral in de persoon van bisschop Steve Meye tijdens het feest op het onafhankelijkheidsplein na afloop van Bouterse’s inauguratie. De inzegening van het staatshoofd door de bisschop was nog maar net achter de rug of het artiestengala veranderde tijdelijk in een kerkdienst. Feestgangers werden op gezag van Meye broeders en zusters die elkaar eendrachtig de hand reikten in ootmoedige buiging voor het hogere. Wat dit hogere inhield, bleek even later toen het staatshoofd met overgave zijn lijflied ‘My way’ met Brian Bijlhout meezong. Minder als een liefhebber van werelds amusement leek hij zich daarmee te willen afficheren als een martelaar, een profeet die in eigen land nog onvoldoende geëerd wordt en daarom zijn publiek nog maar eens herinnert aan de ‘drie decennia van mijn actieve politieke strijd’ en zijn onstilbare verlangen ‘mijn politieke werk en mijn politieke idealen voor het volk te verwezenlijken’, zoals hij het in zijn inaugurele toespraak had geformuleerd.

Manley liet zijn statement over het belang van idealen en ideeën vooraf gaan door een voorbehoud: ‘I have always had a profound distrust of the use of political labels that are not themselves subject to careful analysis and definition’ Anders gezegd: wat betekenen de woorden die ons inmiddels namens de nieuwe regering hebben bereikt? Wat zijn de intenties van Bouterse? Staat ons een verdieping en versterking van de democratische rechtstaat te wachten of stevenen we af op een centralistisch bestuurde republiek, waar een ‘sterke president’ en zijn kabinet veel en de raad van ministers en de media weinig in de melk te brokkelen hebben? De nieuwe machthebbers worden niet moe te herhalen dat de regering en het volk een ‘sociaal contract’ met elkaar hebben gesloten. In de oren van veel van Bouterse’s aanhangers is dit een magisch klinkend concept dat verdere discussie overbodig maakt. Ik zou zeggen dat ‘een vrije en onafhankelijke pers die objectief informatie vastlegt en verspreidt’ men of words niet zo gemakkelijk met dergelijke frasen zou moeten laten wegkomen.

De rode draad in alle uitlatingen over het nieuwe beleid is de overtuiging dat we op de drempel staan van een nieuw tijdperk. Zelf betitelde Bouterse zijn machtsovername als historisch en veel waarnemers hebben het hem voor- en nagezegd. Zij spreken van een ‘kruispunt in de geschiedenis’, de ‘werkelijke zelfstandigheid’, de ’feitelijke onafhankelijkheidswording’, de ‘doorbraak voor wat betreft de politieke verdeeldheid’ en de ‘concrete losmaking van het koloniaal verleden’. Maar in hoeverre is er sprake van een breuk met het verleden? In welke zin kunnen we vaststellen dat er een nieuw hoofdstuk in de geschiedenis van Suriname is opgeslagen? Waarin verschilt de periode vanaf 12 augustus 2010 van de jaren die aan deze datum vooraf zijn gegaan? Het simpele antwoord op deze vraag is dat we het niet weten. Pas na afloop van de zittingstermijn van deze regering zullen we hier iets over kunnen opmerken. En weer veel later zullen we weten of de geschiedenis in 2010 inderdaad een breuklijn laat zien, zoals in 1667, 1863 of 1975. Maar het is niet uitgesloten dat de historische scharnierpunten op dat moment al door andere zijn vervangen en dat volgens heel andere indelingen en criteria naar het verleden wordt gekeken.

Uiteindelijk heeft het vooral te maken met de daden waarop de regering straks zal worden beoordeeld. Veel regeringen liepen in het verleden op tegen de grenzen van hun kunnen. En tegen de mindset van de bevolking die aan hun zorgen was toevertrouwd. Juist op het omvormen van de houding van de Surinaamse burger lijkt Bouterse zijn zinnen te hebben gezet. Op het converteren van een abstract natiebesef in een tastbare familieband. Maar voor hoelang? Met hoeveel inzet? En vooral: hoe consequent? Het is immers niet voor het eerst dat een Surinaamse regering dergelijke ambities wereldkundig maakt. Als het aan de nieuwe regering ligt is het stellen en beantwoorden van deze vragen in het vervolg voorbehouden aan een nationaal instituut ter bevordering van studie, onderzoek en beschrijving/herschrijving van de Surinaamse geschiedenis. Het zal de taak van de daar gestationeerde historici er niet gemakkelijker op maken. Ook bij het schrijven van geschiedenis ten dienste van het nationaal bewustzijn en de nationale identiteit zal de vermetelheid van hoop nodig zijn om de daden van men of words op hun waarde te kunnen schatten.

Interview met Toni Morrison in NRC

‘Sterke vrouwen zijn bedreigend’
Toni Morrison over literatuur, onrecht, zwarten en de First Lady van de VS

door Elsbeth Etty

Ik ben een schrijvende zwarte vrouw, zegt Nobelprijswinnares Toni Morrison, die wel het geweten van Amerika wordt genoemd. Maar ik wil zwarte vrouwen niet behagen.

In A Mercy (Een daad van barmhartigheid), Toni Morrisons nieuwste roman, draait het voor de verandering niet om de koppeling slavernij en racisme, het thema in vrijwel al haar werk. Deze historische roman over de opkomst van de slavernij in 17de-eeuws Amerika handelt over álle vormen van rechteloosheid die tot afhankelijkheid en discriminatie leiden. Al haar personages zoeken bescherming om te overleven. De manlijke kolonisten kunnen het niet stellen zonder de steun van een kerkgenootschap, hun vrouwen niet zonder echtgenoot, de autochtone bevolking niet zonder hun clan, kinderen niet zonder vader of moeder.

Toni Morrison, de eerste zwarte Nobelprijs-winnares, begint instemmend te knikken bij deze interpretatie. Ze neemt in deze roman dan ook expliciet afstand tot wat zo langzamerhand een afgekloven thema is geworden, namelijk dat het Amerikaanse racisme en de pijn van zwarte vrouwen in het bijzonder, een direct gevolg zijn van het slavernijverleden.

In Een daad van barmhartigheid krijgt de uit Nederland afkomstige avonturier Jacob Vaark in 1682 de Angolese slavendochter Florens van een Portugese plantagehouder als betaling. Vaark is tegen slavernij, maar als hij in 1690 sterft laat hij op zijn boerderij vier hulpeloze vrouwen achter. Zijn uit Engeland afkomstige echtgenote Rebekka is aan hem uitgehuwelijkt. Haar personeel bestaat uit drie meisjes: de Indiaanse Lina, wier dorp is uitgeroeid, de zwangere kapiteinsdochter Sorrow, enige overlevende van een piratenaanval, en de zestienjarige Florens, die denkt dat haar moeder haar op achtjarige leeftijd aan Vaark weggaf.

Toni Morrison: Deze vrouwen kunnen als individu niet overleven, daarvoor zijn zij afhankelijk van instellingen als kerk, clan of familie. De personages, gedepriveerde, wanhopige vrouwen, proberen een soort gezin te construeren. Voor mij vertegenwoordigt de Hollandse immigrant Jacob een eigenschap die nog steeds kenmerkend is voor het Amerikaanse zelfbeeld: de lone ranger die schijnbaar in zijn eentje de wereld aan kan, maar wel door rechteloze anderen aan zich te onderwerpen. Als Jacob sterft, moet zijn weduwe om haar land te behouden bescherming zoeken bij de kerk die ze als vrijdenker altijd heeft veracht. Haar personeel heeft helemaal geen bescherming. Rebekka zal Lina, Sorrow en Florens moeten verkopen. Als niet de slavernijhistorie maar rechteloosheid in het algemeen de basis vormt van de maatschappelijke ongelijkheid in de VS, hoe komt het dan dat discriminatie op grond van huidskleur voort bestaat, terwijl iedereen formeel gelijke rechten heeft? En waarom willen mannen nog altijd vrouwen aan zich onderwerpen om zelf de lone ranger te kunnen uithangen?

Volgens Morrison, als uitgeefster, literatuurprofessor en schrijfster doorkneed in de discussies over racisme en seksisme, zijn de gelijke rechten van etnische minderheden en vrouwen nog lang niet gerealiseerd. Vrouwen die werkelijk onafhankelijk zijn van kerk, clan, familie of echtgenoot worden als bedreigend ervaren, niet alleen voor mannen maar voor de hele samenleving. Een gerespecteerde, machtige natie moet aan drie eisen voldoen: oorlog kunnen voeren, belastingen kunnen innen en omwille van de voorplanting en de zorg voor het nageslacht de vrouwen eronder houden. “Als vrouwen zwangerschap kunnen voorkomen of afbreken, recht hebben op echtscheiding en zelfs met elkaar mogen trouwen, vormt dat een immens gevaar voor het voortbestaan van de natie. De westerse samenlevingen zijn helemaal niet ingericht op zelfstandige vrouwen. En zolang er nog afhankelijke vrouwen zijn die de bescherming van een huwelijk nodig hebben, zal er niet veel veranderen.”

Morrison schudt haar grijze dreadlocks, vraagt om een asbak en steekt een filtersigaret op. Ze vertelt over haar werk aan de universiteit, waar zij geldt als expert in het onderzoek van literatuur op racistische en seksistische clichés. De verhitte discussies over stigmatiserende beeldvorming van zwarten en vrouwen in literaire fictie zijn volgens haar een beetje weggeëbd: De afgelopen jaren ging de belangstelling van studenten vooral uit naar economie, bedrijfskunde en bankwezen – dat soort studies. Colleges in de humaniora worden als overbodige luxe beschouwd, iets wat studenten er als franje bij doen. Maar de verkiezingscampagne voor Obama heeft wel iets veranderd. De betrokkenheid van de studenten, zowel blank als zwart, was overweldigend. Tegelijk is zij bang dat die betrokkenheid snel kan overwaaien. Soms vragen studenten aan mij wat ze moeten doen met hun engagement. Demonstreren, ageren, redevoeringen houden? Dan zeg ik: zoek dat zelf maar uit, realiseer je je wel dat Martin Luther King 26 was, Angela Davis 23, Miles Davis 15 toen ze besloten in actie te komen?

Door in haar roman de discriminatie van zwarte Amerikanen los te koppelen van de slavernijgeschiedenis wil Morrison een statement afgeven aan nieuwe generaties. Het Amerikaanse racisme is geen automatisch gevolg van de slavernij, alle volkeren hebben slavernij gekend, maar het racisme is van bovenaf opgelegd, geïnstitutionaliseerd en gelegaliseerd. Daarom is Obamas verkiezing zo belangrijk, het is de kroon op de burgerrechtenbeweging en een slag voor alle racisten. Als je racisten hun racisme, dat wil zeggen hun superioriteitsgevoel, afpakt dan houden ze niets over: geen energie, geen zelfvertrouwen, geen identiteit.
De Nobelprijswinnares schiet in de lach als ze hoort dat in Nederland een roman waarin een keurige Joodse jongen op seksueel beschikbare voluptueuze negerinnen valt, Alleen maar nette mensen van Robert Vuijsje, als racistisch wordt aangemerkt. Maar degenen die dat beweren wijzen wel op een reëel maatschappelijk verschijnsel, al zegt dat niets over een afzonderlijke roman. Streng doceert ze: Blanke mannen gaan naar zwarte gettos om exotische vreemdelingen op te pikken, iemand die niet van hun soort is. Meestal doen ze dat om hun eigen milieu te schofferen: kijk ik ben anders dan jullie, ik haat jullie. Ze exploiteren zwarte mensen voor hun rebellie. Dat is au fond racistisch.

Blanke schrijvers, stelt Morrison, hebben niet zelden zwarten in hun romans geëxploiteerd, van Edgar Allen Poe en Mark Twain tot Hemingway. Die ging uitsluitend naar Afrika om zichzelf te zuiveren, om zich beter te kunnen voelen. Dus kan zij begrijpen dat zwarte vrouwen zich gekrenkt voelen als zij in romans als wellustig, wulps en hoerig worden afgeschilderd. Een man wil zich superieur kunnen voelen aan een vrouw, veel blanke mannen kunnen hun superioriteitsgevoel niet botvieren op vrouwen die hun gelijken zijn, dus zoeken ze iemand boven wie ze zich verheven kunnen voelen.

Maar van politieke correctheid die er toe leidt dat romans worden verguisd als racistisch moet zij niets hebben. Zij is strijdlustig, maar ook ontspannen. Het is altijd goed als taboe doorbrekende romans discussie losmaken. Hoe urgent een discussie over de beeldvorming van zwarte vrouwen hier is, weet ik natuurlijk niet. Wat ik wel weet is dat blanke Europeanen als ze naar de VS emigreren ontdekken dat ze daar niet in de eerste plaats Italiaans, Pools, of Nederlands zijn, maar wit. Die verandering moeten ze ondergaan om een echte Amerikaan te kunnen worden. Je moet accepteren dat je historisch gezien hoort bij de mensen die zwarten verachten.

Zelf beschouwt Morrison zich niet in de eerste plaats als Amerikaans schrijfster maar als zwarte schrijfster. Dat wil niet zeggen dat ik een zwart publiek wil behagen. Integendeel, ik hoor vaak van mijn zwarte lezers dat ik de vuile was buiten hang. Dan zeg ik: ja, zoals James Joyce dat met die van de Ieren deed en Tolstoj met die van de Russen. Joyce was een schrijvende Ierse man, Tolstoj een schrijvende Russische man en ik een schrijvende zwarte vrouw. Van het verwijt dat ze, zeker in haar eerste boeken zoals The Bluest Eye bijdraagt aan een negatieve beeldvorming over zwarte vrouwen heeft ze zich nooit iets aangetrokken. Maar, bedenk wel dat het met die beeldvorming in de VS anders ligt dan in Europa. Bij ons heb je zwarte vrouwelijke rolmodellen in alle soorten en maten. Kijk naar de nieuwe First Lady, Michelle Obama. Anders dan haar echtgenoot is zij zo zwart als je maar zijn kunt, ze heeft slaven onder haar voorouders, maar zij is onafhankelijk, hoogopgeleid, ziet er prachtig uit en er is geen man, blank of zwart, die zich superieur kan voelen in haar nabijheid.

Neemt het racisme dus af naarmate zwarten hogere posities innemen? Niet automatisch, meent Morrison, maar naarmate zwarten meer rechten verwerven, meer kansen krijgen om hun talenten te ontplooien, neemt wel de legitimiteit van discriminatie af. Vandaar dat zij als gevierde zwarte auteur, die wel het geweten van Amerika wordt genoemd steun betuigde aan de presidentskandidatuur van Obama. Het is ongelooflijk inspirerend voor alle antiracisten dat Amerika nu een zwarte president heeft. Toen ik in 1993 op mijn 62ste de Nobelprijs kreeg was ik buiten zinnen van opwinding en geluk. Mijn oude moeder leefde nog, zij kreeg het te horen van mijn zus en zei: Word ik soms geacht te weten wat dat is, de Nobelprijs? Nee, natuurlijk hoefde ze dat niet te weten. Maar nu weten heel veel gewone mensen dat het de belangrijkste internationale literaire onderscheiding is en dat die aan een zwarte schrijfster is toegekend. Ik denk, als we het over beeldvorming hebben, dat die prijs veel zwarte schrijfsters in de VS en in de hele wereld moed heeft gegeven om door te zetten. Het is ongelooflijk inspirerend dat Amerika nu een zwarte president heeft.

Toni Morrison (Lorraine, Ohio, 1931), de grande dame van de Amerikaanse literatuur, schreef behalve negen romans ook essays, kinderboeken, toneelstukken en librettos. Voor haar werk ontving zij de Pulitzer Prize, de National Book Critics Circle Award en in 1993 de Nobelprijs voor Literatuur. Morrison studeerde letteren aan de Howard Universiteit in Washington. In 1964 scheidde ze van architect Harold Morrison en nam de opvoeding van haar twee zoons op zich. Als redacteur voor Random House legde zij zich toe op het uitgeven en promoten van Afro-Amerikaanse literatuur. Vanaf 1989 was ze hoogleraar in de Letteren aan de Princeton-universiteit. En daar geeft ze sinds haar afscheid in 2006 nog steeds colleges.

[van NRC Boeken, 29 mei 2009]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter