blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Nooteboom Cees

De koning van Suriname

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De koning van Suriname uit 1993 van Cees Nooteboom.

 

door Cobi Pengel

De koningin van Paramaribo was het succesvolle debuut van de helaas veel te vroeg overleden auteur Clark Accord. Een onbetwiste bestseller niet alleen voor de Surinamers, gezien vertalingen in o.a. Duits, Spaans, zelfs Fins. read on…

Een andere reiziger

[In 1957 bezocht Cees Nooteboom – een van de Nederlandse schrijvers van romans, verhalen, poëzie en vooral ook reisverhalen – Suriname. Hij was toen 24 jaar. Zijn indrukken van het verre vreemde land verschenen pas in zijn bundel met reisverhalen, ‘De koning van Suriname’, uit 1993. Hieronder een fragment dat duidelijk vanuit de blik van een jonge Hollander geschreven is]: read on…

Over Nooteboom en Márquez

door Els Moor

Cees Nooteboom (1933) is een bekende auteur in Nederland van een omvangrijk oeuvre met verhalen- en dichtbundels en romans. Hij maakte vooral naam als schrijver van reisverhalen. In de jaren zestig trok hij voor De Volkskrant de wereld rond. Al in 1957 bezocht hij Suriname. Daarvan is De koning van Suriname het resultaat. Zijn jeugddromen over het ‘oerwoud’ worden dan waar! read on…

Brieven aan Poseidon

Cees Nooteboom (1933) is een Nederlandse schrijver, wiens werk vaak vertaald is. Hij kreeg vele prijzen, onder andere de P.C. Hooft-prijs (2004) en de prijs der Nederlandse Letteren (2009). Zijn meest recente werk is ‘Brieven aan Poseidon’ (2012), een bundel met brieven aan de klassieke zeegod, afgewisseld met kleine essays. Nooteboom heeft het in de brieven aan de god met de drietand over het leven, over zijn kijk op goden en God en hij geeft zijn persoonlijke visie op mythen. Ook schrijft hij over reizen. Nooteboom heeft veel gereisd en daar ook over geschreven. Ook over Suriname in De koning van Suriname (1993). Hieronder een reisbelevenis in Latijns-Amerika, een tocht over een rivier in het tropisch regenwoud in Peru. Hij bezoekt een eiland, Santa Rosa, leest u maar: het binnenland van Suriname heeft veel gemeen met dat van andere Zuid-Amerikaanse landen.

 
Rivier
Leticia. Een helling van modder daalt af naar de rivier. Mensen, varkens, honden, alles krioelt door elkaar. Beneden aan de oever de smalle boten met roeiers die je naar de overkant brengen, naar het kleine eiland dat Fantasia heet. Achter me de markt, de vruchten, de vissen. Iemand helpt me de gladde helling af naar de vlonder waar motorboten aanleggen. De anderen zijn er al. Drie Colombianen uit Cali, twee Nederlanders. Twee mannen die ons zullen varen, honderd kilometer stroomopwaarts. Een zit buiten op de voorplecht, ik zit naast de ander, die stuurt. Zodra we de haven uit zijn lijkt het of de rivier opengaat, een vergezicht van metalig schitterend water tussen lage oevers die steeds verder weg komen te liggen.

De kleine boot snijdt het water open, het snerpende geluid klopt niet met de onmetelijke stilte die midden op het wijde water moet heersen. We stoppen bij het natuurpark van Amacayacu, een pad, uitgezet in het regenwoud, vlonders waar het te drassig is, de orgiastische gloed van duizend kleuren groen, bladeren uit verkeerde dromen, messen, gekarteld en geslepen, een vijver met rottende waterplanten onder een lucht die steeds donkerder wordt, uit de verte gegrom van groot onweer. Een aap met een geschminkt gezicht gaat naast me zitten en kijkt me aan of hij een gesprek over godsbewijzen wil beginnen, maar dan komt de regen die niet valt, maar staat, een grijs, nauwelijks doorzichtig scherm van water, als het ophoudt begint de grond te dampen alsof de modder gekookt wordt, het licht wordt nu van zink en van ijzer, als we weer gaan varen doet het pijn aan de ogen. We zullen roze dolfijnen zien die met ons meedansen en wolken die voortdurend van gedaante veranderen, duizenden kilometers lang is de rivier, ik zou willen doorvaren naar Iquitos, naar de Andes, het geluid van de motor is bedwelmend, we komen haast niemand tegen, af en toe een van die lage boten met de smalle gestaltes van indianen, urenlang dezelfde oevers, groen, groen, met de raadsels van het leven dat zich daar afspeelt in een wereld van nergens wegen en auto’s, tot we na uren omdraaien en met de stroom mee terugvaren naar het eiland van Santa Rosa, Peru. De grond is van slijk, bomen met in elkaar gegroeide bovengrondse wortels, verderop een kale boom vol gieren, houten huizen op palen, een groe

p vrouwen in een halve cirkel. Het zijn er een stuk of tien, en elke vrouw heeft een dier in haar armen. Een luiaard, een papegaai, een alligator, een jonge krokodil, een waterschildpad, een leguaan, een reuzenkikker. Het is duidelijk afgesproken, wat die vrouwen daar doen is werken, later zal de bestuurder van de boot ons een bijdrage vragen. Opzij van de vrouwen zit de enige man. Hij heeft een klein soort jaguar aan een touw die begint te blazen zodra ik dichterbij kom. Ons kleine gezelschap staat tegenover de vrouwen en kijkt naar de dieren, een absurdistische scène, de koningin op werkbezoek. De vrouwen zijn van verschillende leeftijden, ze dragen T-shirts en korte broeken. Wat ze denken is op hun gezichten niet zichtbaar. Op de onze ook niet, denk ik, een krokodil streel je niet, de luiaard lijkt in een diepe slaap, de schildpad is tweehonderd jaar oud en weet alles al. Ik loop van de groep weg over een zanderig veld waar een houten gebouw staat in roze en lichtgroen, Asamblea Tradicional de Dios, Iglesia Evangélica. De goden zijn nooit ver weg. Ik ga over het wankele trapje naar binnen en sta in een grote lege ruimte. Voorin een soort altaar met een lezenaar voor het Woord, erachter vijf helgroene plastic stoelen, ervoor zes smalle houten banken zonder leuningen. Licht valt door sponningen en kieren in de houten muren. Het is er vredig, en stil. Waar veel gebeden wordt heerst het goddelijke, heeft de filosoof gezegd die zelf niet in God geloofde. Ik sta daar even in de stilte, en hoor dan hoe de motor van de boot aanslaat. Als we wegvaren zie ik de groep nog staan die snel onzichtbaarder wordt en dan verdwijnt in het verre groen van de oever alsof er een tekening wordt uitgeveegd, een dorp op een eiland in de rivier aan de grens tussen Peru, Colombia en Brazilië, op oneindige afstand van de hoofdstad Lima, waar niemand weet hoe het heet.

In: Cees Nooteboom: Brieven aan Poseidon. Amsterdam: De Bezige Bij, 2012. ISBN 978 90 234 7432 6

Cees Nooteboom – Aan de overkant ligt Frankrijk

[In 1957, als 24-jarige, bezocht Cees Nooteboom Suriname. De reden: hij was verliefd op de in Nederland wonende dochter van een broer van Lou Lichtveld (Albert Helman). De vader wilde de geliefde van zijn dochter zien en spreken voordat hij toestemming gaf voor een huwelijk. De verhalen die hij over de reis schreef verschenen pas in 1993 in de bundel De koning van Suriname. Hieronder een fragment uit ‘Aan de overkant ligt Frankrijk’, waarin de jonge Nooteboom kennis maakt met het ‘oerwoud’.]:
[…] Onbewogen door de ingeslapen kanonnendreiging van het fort Nieuw-Amsterdam schuiven we de Commewijne op. Mijn Chinese medepassagier zet zich resoluut tot slapen, maar ik blijf op avontuur belust aan de reling hangen. Het is tenslotte niet het Zuid-Meppelerkanaal en ik ben vastbesloten om tenminste die ene krokodil te zien die nooit zou komen.
Al snel zie je geen plantages meer, alleen nog maar een muur, een wereld van afwerend scherp en roerloos groen bos. Alles lijkt te slapen nu, de enkele aka die loom met zwarte vleugelslag overvliegt, maakt geen enkel geluid, de middag zoemt van de hitte en trilt over het water, bruin van de modder, zwart van humus. Er gebeurt niets. De mangroven staan op hun dunne wortelbenen tot hun knieën in het water, hand in hand, als agenten die de menigte van het bos moeten tegenhouden bij het bezoek van het staatshoofd. Af en toe zie ik een wilde cacaoboom naar voren dringen of denk ik dat ik iets van beweging op de oever zie, maar juist op dat moment dwingt de stroming ons naar de andere kant van de rivier, zo dicht dat ik het bos bijna aan kan raken.
Alle jeugddromen zijn waar geworden. Dit is dus het oerwoud. De lichtbeelden, de pater met de baard die op kostschool kwam vertellen welke rivier hij ontdekt had, de avonturenromans. Bomen, dat is wat het is, steeds dezelfde bomen, langs steeds dezelfde rivier en een uitgeholde kano met bosnegers in lendendoeken die boos schreeuwen dat we vaart moeten minderen: de golven zijn te hoog. Zij zijn de voorboden van het eerste dorp. Daken van stro, had je anders verwacht? Blote, zwarte mensen, die naar het bootje zwaaien… Het is echt, het bestaat, ik heb het gecontroleerd. Een klein dakje beschermt de god, een lelijk klein kereltje dat tevreden is met deze lokale verering, en ’s avonds bij zichzelf denkt ‘tenslotte is het niet alleen het dorp, het is ook het bos tot het volgende dorp, al woont er niemand – territoriaal ben ik nog vrij machtig’.
Ik kijk naar de mensen die naar ons kijken, maar plotseling verschijnt heel stil en geheimzinnig een van de aluminiumschepen van de Alcoa in de bocht van de rivier. Deze schepen die het bauxiet regelrecht van Moengo naar de fabrieken in Amerika brengen, meten vele duizenden tonnen, en het is alleen door de uitzonderlijke diepte van deze rivier dat ze zover landinwaarts kunnen varen. Het is spookachtig, deze zilveren sluiper die hier niet hoort – de kano’s gaan hem ver uit de weg.
Moengo – Villa Casa Blanca. ca. 1958
Rode stoffige wolken: Moengo, aluminiumstad. Nog aarzel ik of ik hier zal blijven, of doorgaan naar Albina – maar een voorwereldlijke autobus op de kade neemt mijn lot in handen. Hij is geel en lijkt wel van steen en heet ‘Marowijne Master’. Ik krijg een plaats naast de chauffeur en een waanzinrit begint. De bus zit vol met Indianen en negers. De Indianen, kinderen van het land, hebben scherpe, ascetische gezichten die doen denken aan vroegchristelijke monniken. Vlak bij mij zit een stamvader met een Baskische baret op zijn hoofd, kennelijk geërfd van de Franse kant. Hij heeft al zijn verste nageslacht op de knieën. Zij zeggen geen woord, de hele reis, in tegenstelling tot de negers, die een onmogelijk plezier hebben om allerlei grappen die zij alleen begrijpen. Telkens breekt een hoog en gierend gelach los, gescandeerd door het meedogenloze, stenen schokken van de bus. De avond valt, een lichte nevel.
De weg is rood en smal en vol gaten, het bos sluit ons nauwer in, geholpen door het donker. Nu begint ook het dalen en klimmen, en bij het laatste houdt iedereen de adem in. Als de chauffeur terugschakelt naar de eerste versnelling, heb ik het gevoel dat we midden op de steile helling stilstaan. Een moment lang is er geen enkel geluid, dan begint de motor weer te hoesten en de bus kruipt met zijn laatste krachten naar boven. […]
(31 augustus 1957)
Moengo – Villa Casa Blanca. Foto © M. Tjin

 

De Inktaap en het probleem van de identificatie

door Hilde Neus

‘Dit dier komt veel voor in de noordelijke gebieden en is vier of vijf duim groot; het is begiftigd met een merkwaardig instinct; zijn ogen zijn als kornalijn en zijn haar is gitzwart, zijdeachtig en buigzaam, en zo zacht als een kussen. Het is dol op Chinese inkt en als de mensen schrijven gaat het met zijn handen op elkaar en met gekruiste benen zitten wachten tot ze klaar zijn en dan drinkt het de inkt die overblijft op. Daarna gaat het weer op zijn hurken zitten en houdt zich rustig.’
Wang Ta-Hai (1791)

Jorge Louis Borges (1899-1986) heeft waarschijnlijk inspiratie opgedaan door dit stukje in de Chinese literatuur. Hij was gefascineerd door literatuur, las onwaarschijnlijk veel en ‘leende’ uit werken van over de gehele wereld. Tegen 1960 was hij volledig blind, maar met zijn fantasie schreef hij de meest geweldige verhalen uit het magisch realisme.

De inktaap, een monster?
Het is eigenlijk wel tekenend dat het logo ‘Inktaap’ uit Het boek van de denkbeeldige wezens een wezen is dat is gecreëerd door de Argentijn Jorge Louis Borges (1899-1986). Tekenend omdat het evenement rondom de ‘inktaap’ daar dwars op staat, omdat het een echt Hollands/Belgisch evenement is. Toch hebben ook dit jaar weer 130 leerlingen van vwo-scholen in Suriname drie boeken gelezen die belangrijke literaire prijzen hebben verworven. Een van de doelstellingen van dit project is namelijk het confronteren van leerlingen in de leeftijd van 15 – 18 jaar met de keuze van de jury’s van de Gouden Uil: Cees Nooteboom: ´s Nachts komen de vossen, de AKO Literatuurprijs: Erwin Mortier: Godenslaap en de Libris Literatuur Prijs: Bernard Dewulf met Kleine dagen. De boeken worden door de vertegenwoordiger van de Nederlandse Taalunie, waarvan Suriname sinds 2004 geassocieerd lid is, over de diverse scholen verspreid. Op 11 maart jongstleden is er een slotdebat onder 11 scholen gehouden in de TBL-cinema’s, overigens een uitstekende locatie voor een dergelijke activiteit. Van elke school was er een leerling die over een van de drie boeken iets mocht zeggen. Er werden vragen gesteld over de boeken, leerlingen konden die beantwoorden op hun eigen wijze, maar ook reageren op de opmerkingen van medeleerlingen zodat er een debat ontstond. Een driehoofdige jury beoordeelde de sprekers; de beste mocht met de drie boeken naar huis.

Robert Vuijsje, winnaar van De Intktaap, leest voor in Suriname+ Vuijsje treedt op vrijdag 20 mei a.s. op bij de Vereniging Ons Suriname in Amsterdam

In haar inleiding zei Helen Chang, representante van de Taalunie, al dat ze elk jaar het enthousiasme bewondert waarmee de leerlingen het debat aangaan en dit ondanks de steeds terugkerende klacht dat de boeken saai zijn en vaak moeilijk door te komen. Ook de studenten ventileerden deze visie, en wat duidelijk bleek uit de antwoorden op de gestelde vragen was, dat het boek waarin ze het meest van hun eigen leven herkenden, ook het meest populair was. De uiteindelijke winnaar werd Kleine dagen van Dewulf. Hij beschrijft hierin minutieus het opgroeien van zijn kleine kinderen, van dag tot dag. De Surinaamse studenten waren vooral erg te spreken over de liefdevolle blik waarmee de schrijver de kinderen observeert. In het debat kwamen dan ook de Surinaamse liefdevolle vaders naar voren, maar ook de afwezige vaders, of zelfs vaders met wie geen enkele ontmoeting ooit had plaatsgevonden. Er werden aangrijpende statements gemaakt. Het bleek voor sommige leerlingen een opgave om een gefingeerde boodschap via sms te bedenken om naar hun vader te sturen. Het werden toch vaak lange verhalen. Uiteindelijk vonden de studenten toch wel een motivatie om het ‘beste ‘ boek te kiezen. En daar verdienen ze inderdaad een compliment voor.

Waar het in de boeken van het inktaapproject aan schort is een identificatiemogelijkheid voor onze leerlingen. Dat bleek duidelijk vorig jaar, toen Alleen maar nette mensen van Robert Vuistje als overdonderende winnaar in Suriname uit de bus kwam en ook in België en Nederland uitgekozen werd als beste boek. In deze roman spelen Surinaamse vrouwen, weliswaar uit de Bijlmer, een prominente rol. Dat gaf de doorslag. Laten we eens even kijken naar de andere doelen die de organisatoren voor dit leesfestijn hebben gesteld:
b. het stimuleren van smaakontwikkeling van de leerlingen
c. het stimuleren van leesplezier bij de leerlingen met als inzet dat deze ook na de schoolperiode overgaan tot het lezen van literaire werken , leesbevordering dus.
d. het bevorderen van analytisch vermogen, redeneer- en debattechnieken bij de leerlingen
e. het stimuleren van de uitwisseling tussen leerlingen, docenten en scholen in het Nederlandse taalgebied, Nederland, Vlaanderen en Suriname, met betrekking tot Nederlandstalige werken.
In de literatuurlessen en tijdens het slotdebat komt c wel aan de orde als een constant leerproces. Wat punt e betreft: de meeste scholen hier hebben geen goede internetverbinding en het tijdsverschil tussen Suriname en Nederland speelt ook een rol. Echte discussie over de boeken via dit medium komt dus niet of heel moeizaam tot stand.
Maar een groter probleem zijn punt b en c. Hoe kun je de smaakontwikkeling van de leerlingen stimuleren als de thematiek van de boeken in het geheel niet aansluit bij de belevingswereld van onze studenten? En als zij over het algemeen de mening delen dat de boeken saai en vervelend zijn, kun je er donder op zeggen dat dit ook het leesplezier niet stimuleert. Dit jaar is voor het eerst het inktaapproject ook uitgevoerd op Curaçao. En daar speelde hetzelfde probleem. Aan het einde van het slotdebat in Paramaribo is dan ook de vraag aan de studenten gesteld hoe we dit leesproject interessanter zouden kunnen maken. Unaniem waren ze van oordeel dat er een boek toegevoegd zou moeten worden van een (vertaalde) wereldschrijver die ónze wereld begrijpt en beschrijft, zodat we van dat boek kunnen genieten en kunnen motiveren waarom die literatuur voor ons belangrijk is. Laat de inktaap niet een dier van het noordelijk gebied blijven, laat hem neerdalen naar het zuiden, waar ook zijn creator Borges vandaan kwam.

Genoemde literatuur:
Jorge Luis Borges: ´Het verslag van Brodie en andere verhalen’ in: Werken in vier delen, deel 2, ‘De inktaap’, p.118. De Bezige Bij, 1998 ISBN 90 234 6192 4
Bernard Dewulf: Kleine dagen, novelle. Atlas, 2010, achtste druk, ISBN 978 90 450 15798
Erwin Mortier: Godenslaap, roman. De Bezige Bij, 2009 ISBN 978, 2010 veertiende druk
Cees Nooteboom: ‘s Nachts komen de vossen. De Bezige Bij, 2010, zevende druk, ISBN 978 90 234 38700

Paramaribo door het schrijversoog

Een veel beschreven stad

door Ko van Geemert

[De Paramariboroute, is een wandeling door de stad waarbij stilgestaan wordt bij de talloze schrijvers, dichters en journalisten die over Paramaribo geschreven hebben. Van Cynthia McLeod tot Tessa Leuwsha en van Bea Vianen tot Clark Accord. De wandeling vormt de kern van het boek Paramaribo, Brasa! onder redactie van Ko van Geemert, dat 13 november op de Pier van Torarica gepresenteerd werd. Een voorproefje.]

We lopen vanaf het Onafhankelijkheidsplein de Waterkant op. Aan de overkant van de Surinamerivier vertrekken de zwarte slaaf Abonni, zijn vrienden Axel, Mani en Tania richting de vrijheid in de ‘avonturenroman voor jongvolwassenen’ Naar de Barbiesjes van J.B. Charles: ‘In de zomer van het jaar 1849 wandelden twee jongens in stevig tempo langs de rechteroever van de Surinamerivier, in ongeveer zuidoostelijke richting, want de rivier maakte daar, net voorbij Paramaribo, een sterke bocht naar het zuiden. De stad – aan de overkant – lag al een eindje achter hen’.

De Surinamerivier speelt in diverse teksten een voorname rol. De aangrijpende roman van Annejet van der Zijl over Sonny Boy, begint zo: ‘Waldemar was een zwemmer. Nog niet eens vijftien jaar oud, en nu al zwom hij met gemak twintig kilometer langs verlaten plantages en drukke steigers, vanaf Domburg helemaal naar het grote huis van zijn moeder aan de Waterkant.’ Het vertelt het waargebeurde, wonderlijke verhaal van de twintigjarige, zwarte Waldemar en de getrouwde, bijna veertigjarige, blanke Rika die elkaar in 1928 ontmoeten en samen een kind krijgen.

‘Op de promenade, overhuifd door de tegenover de huizen in het gelid staande amandelbomen, zag het zwart van de mensen. Zelfs op de keurig bijgehouden strook gras tussen de bomen en de rivier, die gewoonlijk verboden was te betreden, verdrongen de mensen zich. Alle ogen waren gericht op de drie grijze Amerikaanse oorlogsschepen midden op de rivier’. Het is de Waterkant in november 1941, beschreven door Clark Accord in zijn succesvolle romandebuut De koningin van Paramaribo. Wilhelmina Rijburg (1902-1981), vooral bekend onder haar ‘werknaam’ Maxi Linder, was een van Surinames beroemdste prostituees. Door zeelieden en soldaten uit Nederland werd ze liefkozend de Koningin van de West genoemd.

Met de koningin in De groeten aan de koningin uit 2006 van Karin Anema wordt niet Maxi Linder maar Beatrix bedoeld. Anema reist van Paramaribo naar het diepe binnenland. Maar hoe ver ze ook reist, Nederland is nooit ver weg. Haar reis begint in Paramaribo, waar ze vanzelfsprekend de Waterkant bezoekt: ‘Aan de Waterkant staan auto’s slordig geparkeerd, portieren open, terwijl de bestuurders met hun benen door de open raampjes verveeld liggen te luisteren naar luide muziek uit de autoradio. De ogen half geloken, maar alert op langskomend wild. “Waar ga je?” “Wandelen? Alleen? Is dat niet eenzaam?… Ik ben wel eenzaam. Kom, stap in, rijden we ergens en maken het samen gezellig. Doe het dan voor mij.” Wandelen doet een Surinamer met de auto, de boot, de fiets, een liefje, zolang het maar om ontspanning gaat. Als ik niet reageer, roept hij met harde stem om niemand in het onzekere te laten over zijn oordeel: “Hé, u moet niet gaan discrimineren!” Zijn buurman laat zich niet weerhouden ook een gokje te wagen: “Ik heb een auto met airco!” ’

Sinds jaar en dag is de Waterkant een geliefd trefpunt. Het is een mooie plek om elkaar tori’s, verhalen, te vertellen. Tori’s schrijft ook Rappa (pseudoniem van Robbie Parabirsing), onder meer gebundeld in Nieuwe friktie tories uit 2006. In het verhaal ‘Loketten-vrij’ beschrijft hij hoe iemand letterlijk gek wordt van de bureaucratie en het feit dat hij voortdurend voor een loket belandt: ‘Alles kwam die laatste dag eruit. Ik gooide kaartenbakken omver, smeet die aftandse printer naar een van die onvriendelijke mensen daar, boi, als je zag hoeveel snelheid ze opeens konden ontwikkelen. Toen kwamen ze me halen. Ze waren in het wit gekleed, dat vond ik vreemd. Ze deden me in een dwangbuis, waarom? Ik was toch bezig orde op zaken te stellen?’

De journalist Ischa Meijer, die hier in zijn jeugd woonde, schreef ook over de Waterkant, die hij overigens Zeekant noemt. Uit Een rabbijn in de tropen (1977): ‘Hier heet de kade Zeekant, en het stadsbeeld is er bewaard gebleven zoals dat in de vorige eeuw al was. […] Daarachter vertoont de stad een steeds meer verworden karakter; het riekt er overwegend naar rottend afval, de straten zijn te nauw voor het immer toenemende verkeer, de armoede is wreed duidelijk’.

We passeren in gedachten Gerrit Barron, die hier in 1986 (Ik en mijn pen) langs de Waterkant slentert, richting hotel Torarica: ‘De Surinaamse trotse stromen wiegelden langs de waterkant in de lekkere drukte van half vijf. […] Tegen vijf uur gingen we gevuld van geest richting centrum om vervolgens in de buitenwijken te belanden. Wat ons onmiddellijk opviel was de invloed van het fort, fort Zeelandia op de totale bevolking vanaf de jaren zeventig en misschien versterkt na de coup. Overal zagen we gebarricadeerde huizen. Een ieder die meer verdient dan f 400,- netto, een kleuren tv of een stereo set in huis heeft, barricadeert zijn huis, niet tegen coupplegers maar tegen huisvredebrekers, inbrekers’. (Uit ‘Diefijzer’)

Anthonie Donker (pseudoniem van de Nederlandse letterkundige Nico Donkersloot) schrijft na zijn bezoek in 1956 enthousiast over Paramaribo: ‘Het straatbeeld is levendig, kleurig en bont, van de nakomelingschap van zo verschillende immigraties en importaties.’ Donker steekt de loftrompet over het werk van Albert Helman: ‘Met recht heeft Helman in Zuid-Zuid-West [1926] geschreven dat in dit land alle rassen ter wereld elkaar ontmoeten. Met de indrukken van dit land vervuld herlees ik Helmans boeken met een bewondering er voor groter nog dan toen ik ze zonder deze indrukken voor het eerst las’. (Westwaarts, 1956)

Voor de Waag ligt de steiger van de Surinaamse Scheepvaart Maatschappij (sms). In de jaren vijftig werd de schrijver Cees Nooteboom verliefd op Fanny Lichtveld, de dochter van de directeur van de sms, Frans Lichtveld, broer van Albert Helman. Hij besluit op een vrachtboot naar Suriname te gaan.
‘De tijd in Suriname herinner ik me als een groot feest’, schrijft Nooteboom in het voorwoord van De koning van Suriname. ‘Met mijn aanstaande schoonvader kon ik het uitstekend vinden, we gingen dansen en varen, hij leerde me Surinaams eten en nam me mee naar feesten in Sociëteit Het Park […] en moet intussen goed op me gelet hebben, want voor het huwelijk wilde hij zijn toestemming niet geven.’ Frans Lichtveld raakte na de coup van Bouterse c.s. alles kwijt en wilde naar Nederland. Omdat hij de Surinaamse nationaliteit had aangenomen, lukte dat niet erg.
Nooteboom: ‘Uiteindelijk is het met hulp van vrienden dan toch nog gelukt en ik herinner me zijn tachtigste verjaardag op een kleine flat in de Bijlmer, een hokje vergeleken bij de grote koloniale huizen waaraan hij gewend was, maar klagen daarover zou hij onwaardig gevonden hebben. […] Het huwelijk was ontbonden, wat dat betreft had hij gelijk gekregen, maar ook dat deed er op een gegeven moment niet meer toe. De vriendschap is gebleven, de familie heeft mij in haar grote omarming gehouden, een vloeiende en bestendige band met een gezelschap van gewone en uitzonderlijke mensen die allemaal een tik van de tropen hebben, keramisten en schrijvers, violisten en artsen, computerfreaks en advocaten, een narrenschip dat door de tijd vaart en dat mij ooit, in 1956, voorgoed aan boord heeft genomen. Hoe mijn leven verlopen zou zijn als ik ze niet had leren kennen, ik wil het me niet voorstellen’.

[overgenomen uit Parbode, 22 oktober 2010]

De wereld is groter (III)

Het was naar aanleiding van de verschijning van Joost Zwagermans De buitenvrouw dat Anil Ramdas in een stuk in NRC Handelsblad schreef over moedwil en kwade trouw bij Nederlandse schrijvers die bijna uitsluitend blanke personages in hun boeken laten optreden. Vijftien jaar geleden alweer. Zwagerman noemde dat ‘ongetwijfeld het stompzinnigste dat ooit over mijn boeken is geschreven’, maar daar gaat het nu even niet over. Hij zal toch zelf ook niet willen beweren dat zijn roman een nieuw hoogtepunt in zijn oeuvre was, het was een echte middenstandsroman naar idee en uitwerking, een Vinex-boekje, wippen op Pont Buiten, de sloefen bij de deur. Maar had Ramdas nu een punt, dus los van Zwagermans van geilheid glimmende buitenwijfje?

Historisch had hij in ieder geval geen gelijk, want er zijn ontzaglijk veel boeken geschreven over de (voormalige) Nederlandse West en zeker niet geschreven door de minsten: Cees Nooteboom, Willem Frederik Hermans om er maar twee te noemen. De mooiste romans over Suriname en de Antillen werden aan het begin van de jaren ’60 geschreven door J. van de Walle: De slavenopstand, Een vlek op de rug, Wachtend op de dag van morgen. Juichende recensies kregen ze, maar wie kent ze nog? Van de Walle haalde geen enkele Nederlandse literatuurgeschiedenis.Ramdas had natuurlijk wel een punt als het over de masturbatiegeneratie van ná Hermans ging: met uitzondering van M.M. Schoenmakers die een reeks merkwaardige boeken bij De Bezige Bij publiceerde, had niemand oog voor de West. Nederland werd ‘gekleurder’, maar de literatuur kleurde niet mee.

Maar zie wat er de laatste vijftien jaar is gebeurd. Arthur Japin positioneerde zich hoog op de bestsellerlijsten met De zwarte met het witte hart. Adriaan van Dis zette Zuid-Afrika op de kaart. Moses Isegawa kwam met zijn Abessijnse kronieken over Oeganda. Pim Wiersinga en Tommy Wieringa togen naar de Antillen. Rudolf Geel, Eva Gerlach, Lucienne Stassaert, Leon de Winter, schrijver dezes en begin dit jaar nog Lisette Lewin situeerden romans en verhalen in Suriname. En dan heb ik het over bleekneusschrijvers, niet over de almaar uitdijende generatie van in Nederland geboren auteurs van Caraïbische origine.

Onlangs kwam er een nieuwe titel bij: De inboorling van Stevo Akkerman. Een roman waarin een historische verhaallijn over de wereldtentoonstelling van 1883 waarop levende Surinamers werden tentoongesteld, wordt verbonden met de verhaallijn van een in Nederland wonende, compleet geassimileerde Surinamer, die wordt aangesproken op zijn engagement met zijn landgenoten.Op donderdag 16 april zou het eerste exemplaar worden aangeboden aan minister Plasterk bij het NiNsee, het instituut voor slavernijverleden. Maar minister Plasterk stuurde zijn kat. Was zeker een nieuw hoedje kopen: wat zal Jeroen B. daar weer van denken? Wie er wel waren: de blaaskaken van fanfare Veel Leed & Weinig Centen. Treedt op bij elk evenement waar een publieksmicrofoon rondzwerft. De oude, vermoeide polka klonk nog maar weer eens, Variaties & Fuga op de melodie ‘Herstelbetalingen’. En er was ook een mevrouw die dat boek van Stevo Akkerman niet zou gaan lezen, zei ze, want dat deed haar emotioneel teveel. Iedereen heeft recht op zijn emoties en een daarop aansluitende publieksmicrofoon, maar ik vroeg me wel af of iemand die al grient bij de Wereldtentoonstelling van 1883, wel ooit een boek over de slavernij gelezen kan hebben. Het ging dus nauwelijks over literatuur daar op die middag bij het NiNsee. Het ging dus amper over een roman waarmee een witte auteur een serieuze poging waagt om zich in te leven in een zwart hoofd. Ik vrees dat de fanfare Veel Leed & Weinig Centen zo’n boek ook maar helemaal niks vindt. Neo-kolonialisme: de witte pulkt in het hoofd van de zwarte. Amandla!

De inboorling is verschenen bij Nieuw Amsterdam.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter