Posts tagged with: nationalisme
Legacy of Slavery and Indentured Labour, Past, Present and the Future: verslag van een conferentie
Welk verband bestaat er tussen slavernij, contractarbeid, migratie en hedendaagse maatschappelijke fenomenen?
door Rose Mary Allen
Deze vraag stond centraal tijdens de vijfdaagse conferentie Legacy of Slavery and Indentured Labour die begin juni in Suriname plaatsvond in het kader van de herdenking van 140 jaar Hindoestaanse immigratie, 150 jaar afschaffing slavernij en 160 jaar Chinese immigratie.
De conferentie was het resultaat van een samenwerking tussen verschillende Surinaamse organisaties actief op gebieden als cultuur, erfgoed en onderwijs, zoals het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR), het IMWO, het Nationaal Archief Suriname, de Feydrasi fu Afrikan Srananman, NAKS, de Commissie 10 oktober, de Culturele Unie Suriname, Nationaal Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI), Sila en de opleiding Geschiedenis van het Instituut Leraren Opleiding (IOL) . De coördinatie hiervan was in handen van Maurits Hassankhan, Surinaamse historicus.. Met de conferentie wilde men een link leggen tussen enerzijds slavernij, contractarbeid en (vrije en gedwongen) migratie als historische gebeurtenissen en anderzijds hedendaagse verschijnselen en vraagstukken als mondialisering, identiteitsvorming, nationalisme en transnationalisme. Vergelijkend onderzoek met als doel nieuwe kennis en inzichten te verkrijgen was een van belangrijke speerpunten van de conferentie.
Er waren twee keynote speakers. Prof. Stephen Small, bijzonder hoogleraar Nederlands slavernijverleden aan de Universiteit van Amsterdam, sprak over de hedendaagse erfenis van dat verleden. Hij pleitte voor het creëren van nieuwe kennis en het ontwikkelen van nieuwe perspectieven binnen de historische wetenschap, o.a. op basis van meer internationaal vergelijkend onderzoek. Daarbij kunnen de Nederlandse Cariben volgens hem een prominente rol spelen. Dit taalgebied is zeer onderbelicht binnen de historische wetenschap, terwijl het veel te bieden heeft, zoals informatie over slavenwerk op zoutplantages, slavenverzet en marronsamenlevingen (samenlevingen van gevluchte slaven) die aan belangrijke nieuwe inzichten kan bijdragen.De tweede keynote spreker was Vijayalakshmi Teelock, hoofd van de afdeling Geschiedenis en Politieke wetenschappen van de Universiteit van Mauritius, die over de Truth and Justice Commission in Mauritius sprak. Deze in 2008 ingestelde commissie had als taak het opstellen van een integraal rapport over de slavernij en contractarbeid tijdens de koloniale periode en over de wijze waarop men hedentendage hiermee dient om te gaan. Mauritius, vernoemd naar de Nederlandse prins Maurits en later door de Fransen gekoloniseerd, was een kolonie gebaseerd op de slavernij van mensen uit Afrika, India en Maleisië. Na de afschaffing van slavernij werden er ongeveer 450.000 contractarbeiders uit het toenmalige Brits-Indië gehaald om op de suikerplantages te werken.Ter vergelijking: naar Suriname zijn er 35.000 contractarbeiders gebracht. In de afgelopen decennia heeft Mauritius zich in rap tempo van suikereconomie naar moderne diensteneconomie ontwikkeld. Door instelling van de commissie wilde de regering vormgeven aan een nationale identiteit binnen een multiculturele samenleving en een snel groeiende economie. De commissie heeft een uitgebreide studie verricht over de geschiedenis van Mauritius en heeft in december 2011 haar (lijfig) rapport uitgebracht. Voor meer informatie raadplege men
http://pmo.gov.mu/English/Documents/TJC_Vol1.pdf. De organisatoren van de conferentie menen dat Suriname en andere landen iets zouden kunnen leren van de ervaringen van Mauritius.
De inleiders van de conferentie waren uit verschillende delen van de wereld afkomstig, waaronder Mauritius, Nederland, Engeland, Suriname, Guyana, Trinidad, Jamaica, Canada, de V.S. en Curaçao. Er waren 180 deelnemers en maar liefst ongeveer 100 inleidingen, waardoor er parallelsessies moesten plaatsvinden. Naast de inleiders waren er ook toehoorders, voor het grootste deel afkomstig uit Suriname.
De sessies gingen over onderwerpen als identiteit en integratie; nieuwe benaderingen in de historiografie van slavernij en contractarbeid; slavernij, contractarbeid en gezondheid;verwaarloosde onderwerpen in de slavenhistoriografie; religie; marronsamenlevingen; nabestaanden van Brits-Indische contractarbeiders; etniciteit, nationalisme en democratie in plurale samenlevingen; en terugkeer van migranten naar het land van herkomst.
Een greep uit de vele interessante inleidingen:
· Rewriting the Narrative: Historical Archaeology and Colonial Suriname (Cheryl White)
· Mapping the History of Slavery and Abolition: Slave-ownership andCompensation in Suriname and the Netherlands around 1863 (Dienke Hondius )
· Meeting-grounds of Amerindians and Dutchmen: The Amazon Region and Suriname between 1595 and 1688 (Eric Jagdew en Jerry Egger)
· God at the Fore Deck and at the After Deck (Joop Vernooij)
· East Indian Education in Nineteenth-Century Trinidad: Social Exclusion – Integration (Vashti Singh)
· San-Fan-Con, the Potent Chinese Saint and His Journey to Africa via Cuba: The Impact of Chinese Indentured Immigrants on Afro-Cuban Religion (Martin Tsang)
· Elderly Surinamese Hindustanis in the Netherlands (Nirmala Birjmohan)
· Gender-specific Problems among Surinamese Hindustani: Suicide and Alcoholism (Indra Boedjarath)
· Emotional Loss among Hindustani Migrants in the Netherlands (Rahina Hassankhan)
· Socializing for Educational Success (Anita Nanhoe)
· Space and Place for black women in the Christian religion in Suriname (Mildred Caprino):
· The Future of Afro Surinamese religion (Rosie Zamuel- Rotgans),
· Perspectives of Javanese Immigrants in Suriname on Return Migration to the Homeland: Why Did a Thousand Javanese Return to Indonesia in 1954?(Rosemarijn Hoefte)
· Jakarta and Paramaribo Calling: New Challenges for the Surinamese-Javanese Diaspora?(Peter Meel)
· Integration Styles in the Indentured Indian Diapora (Chan Choenni)
· Mental Well-being and Cultural Identity of the Afro-Surinamese: A Slavery-informed Answer to Living in the 21stCentury (Aminata Cario)
· Indian Muslims in Suriname:religion, traditions and globalization (Maurits S. Hassankhan / Robbert Bipat and Alie Abdoel).
De twee inleiders uit Curaçao waren Su Girigori en Rose Mary Allen. Girigori sprak in haar inleiding Commemorating 150 years of legal abolition of slavery. The Process of
emancipation in a new country, over emancipatie als een continu proces van bewustwording van de eigen geschiedenis, waarbij ook de verantwoordelijkheid wordt genomen voor het (her)schrijven van die geschiedenis. Zij behandelde de sociale gevolgen van een opgelegde afhankelijkheidsstructuur op Curaçao, die het emancipatieproces verhinderen.
Rose Mary Allen beschreef in haar paper Crafting citizenship in post-Emancipation Curaçao: The experience of the formerly enslaved after Abolition, de afschaffing van de slavernij als het begin van een proces waarin een bepaalde groep mensen, die voordien als producten werden beschouwd,weliswaar burgerrechten kregen maar waarvan de invulling in de praktijk veel complexer en moeilijker bleek te zijn. Het tot stand brengen van een nationale burgerzin is op Curaçao volgens Allen nog steeds gaande.
Al met al kan worden teruggekeken op een nuttige conferentie die ook de gelegenheid tot netwerken bood. Eén resultaat hiervan was het opstarten van de International Association for the Study of Indenture and Migration (IASIM). De verschillende inleidingen en aangedragen oplossingen zullen worden gebundeld en gepubliceerd.
Juni 2013
[eerder verschenen in het Antilliaans Dagblad]
Naschrift Cariben laten we het onmogelijke vragen (1)
door Willem van Lit
Men schreef nieuwe complotten
In februari 2013 verscheen mijn derde boek Cariben laten we het onmogelijke vragen. Ruim een half jaar na het verschijnen ontstond bij mij de behoefte een kleine beschouwing achteraf te maken. Dit had voornamelijk te maken met de actuele ontwikkelingen op de eilanden sindsdien. Op Curaçao werd een moord gepleegd op een controversiële politicus. Op Bonaire woedt op het moment van schrijven van dit naschrift (weer) een bestuurscrisis in het college. Op St. Maarten is er een bestuurscrisis geweest. Er zijn verschillende opwellingen geweest van woede en furie. Men schreef nieuwe complotten. Ook mijn bezoek in het voorjaar aan Curaçao en Bonaire en de presentatie van mijn boek deden andere inzichten ontstaan en ik realiseerde me dat ik bepaalde thema’s niet had besproken. Het gaat dan om onderwerpen die op verschillende plekken mijn betoog raken en die deels een aanvulling zijn op hetgeen ik heb geschreven. Dit betreft onder andere de invloed van de georganiseerde misdaad en de zogeheten Latino leefstijl, de invloed van het Zuid-Amerikaanse continent op de eilanden. Na ruim zes maanden staat de inhoud van mijn boek nog steeds overeind. Ik heb niets kunnen ontdekken wat ik vandaag anders zou schrijven.
Het boek is niet door heel veel mensen gelezen, maar toch voldoende om eventueel kritische opmerkingen te krijgen. Ook is het door mensen gelezen die heel nauw betrokken zijn bij het leven op de eilanden of mensen die door studie en ervaring uitgebreide kennis hebben van de Caribische eilanden. Ik weet ook dat het onderwerp ‘Antillen’ slechts weinigen van belang of interessant achten; de doelgroep is klein.
Het is zeker niet zo dat ik expliciete erkenning of bevestiging vraag. Met dit naschrift wil ik wel weer de aandacht vestigen op dit boek omdat ik de inhoud nog steeds van belang acht voor de actuele situatie en waarschijnlijk ook de ontwikkelingen in de naaste toekomst op de eilanden zelf en in de relatie van die eilanden met Nederland.
Bevrijd van een historische blunder?
Van crisis naar crisis naar crisis, enz. Dat houd je alert en betrokken. Ik schreef die eerste woorden van dit naschrift op een artikel uit ‘nu.nl’ (3 juni 2013) dat iemand op Facebook had geplaatst. Het artikel betrof een interview met Daniël Hodge, de toenmalig premier van Curaçao die een tussentijds zakenkabinet heeft geleid om orde op zaken te stellen. Hodge merkte op dat politici op het eiland vooral goed voor zichzelf zorgen en dat ze het belang van het volk en het eiland daarbij verwaarlozen. “Een kentering ten goede bespeurt hij niet: ‘we zijn gestagneerd’”, merkt hij op. In het boek van Freek van Beetz (Het einde van de Antillen) staat het nogmaals, maar dan nadrukkelijker. Op 28 februari 2013 (tweeënhalf jaar na de ontmanteling van het land Antillen) zegt Hodge: “Een schone droom is een nachtmerrie geworden”. (Van Beetz pag. 314). Hodge heeft als zakenman dit tussenkabinet geleid. Gedurende zijn premierschap was het een aantal maanden rustig… totdat op 5 mei 2013 Helmin Wiels werd vermoord.
Gestagneerd. Dat begrip staat ook centraal in ‘Cariben’. Het komt er geregeld in terug; ik heb het genoemd het resultaat van het voortdurend uitgestelde leven en de ziekmakende omhelzing. Het gedrag van politici zoals Hodge dat aangeeft, is van ondergeschikt belang. Zij vertolken slechts in een rebelse of narrige staat van bewind voeren of besturen de rol van de geest van de tragedie, waarin de cultuur van boosheid en schaamte gedijt. Het is doorgaans een verbeelding van manische aard, die in het voorjaar van 2013 op een extreem dramatische wijze tot een voorlopig dieptepunt is gekomen. Het is dit complex van krachten die tot stagnatie leidt en die ik met name beschrijf in hoofdstuk 5. (Cariben, pag. 272 e.v., pag. 290 – 295).
Van Beetz beschrijft dit uitvoerig in zijn kroniek. Vooral de politieke situatie vanaf 2003 lijkt een grote georganiseerde chaos, slechts gedreven door de puls tot een zo grondig en spoedig mogelijke afbraak: het opheffen van het land Antillen. Alsof men met schaamrood op de kaken zichzelf wilde verlossen van een bijzondere historische blunder. En bijzonder hierbij is dan ook dat dit proces grotendeels onder de regie stond van een groep mensen die zich aanvankelijk hadden verenigd onder de vlag van de héropbouw van datzelfde land: de PAR (Partido Antiá Restruktura). De Antilliaanse – en dan vooral de Curaçaose – politieke tégencultuur heeft trekken van schizofrene en paranoïde aard, terwijl plat opportunisme, grootheidswaan en het calimerocomplex er voortdurend vanaf spat onder verwijzing naar (re)kolonialisering, discriminatie, racisme, oorlog, nationalisme, patriottisme, hoogverraad, enz. Beetz verwijst er zowat óm de twee pagina’s naar. Op een zeker moment noemt hij het ‘een orgie van bestuurlijk en politiek vandalisme’ (Van Beetz, pag. 190). Het is alsof alle frustratie in deze jaren van manie zich heeft samengebald en dat men de afbraak van een land, dat nooit een natie is geworden, heeft gebruikt om zich hierop te concentreren.
.
Nog eens: het motief
Cariben verscheen eind februari 2013. Op 9 maart kondigde ik het uitgebreid aan en startte ik de promotie. Ik maakte vooral gebruik van het wereldwijd web, maar ik verstuurde ook per post persberichten aan diverse kranten en tijdschriften in Nederland. “Daar heb je weer zo’n gek die een boek heeft geschreven over Curaçao en zo. Lekker belangrijk”. Ik hoor het al roepen. Schouderophalend gaat mijn bericht vervolgens zonder te ritselen in de papierbak. Op internet zag ik wel reacties. Ik merk heel goed als mensen het boek wel hebben gelezen, ook mensen die ik niet persoonlijk ken. Van Bonaire kreeg ik enthousiaste reacties. Dat viel in elk geval op.
De vraag rijst weer: waartoe heb ik dit boek geschreven? Ik heb ontdekt dat het schrijfproces een ontdekkingstocht naar mijn eigen motieven is geweest. Ik heb ook dingen ontdekt die ook buiten de context van de Caribische eilanden van waarde zijn gebleken. Het is nu duidelijker dan voorheen: nationalisme is een gevaarlijke leugen, een waan van twee eeuwen waarin men elkaar gevangen houdt. En ik weet nu ook waarom dat zo is (Cariben, pag. 229 – 232 en 292 – 293). Ik weet ook wat het nefaste effect daarvan is .
Ik weet nu ook dat het historisch determinisme een grove leugen is en dat deze leugen is ingegeven door de angst keuzes te moeten maken. Een bekende Curaçaose publicist en opiniemaker zei in een reactie (op een stelling van Jacob Gelt Dekker) dat anderen (buitenstaanders) nooit in staat zouden zijn de eros (hij schreef het met een hoofdletter Eros) te doorgronden van de Caribische mens. Ik weet nu ook dat dat een mythische leugen is. Als we de eros niet kunnen doorgronden, zouden (vreemde) culturen hermetisch gesloten zijn. Ik heb aangetoond dat dat niet zo is (Cariben, pag. 155 – 165, 174 – 175 en 211 – 215). En als je het over eros hebt, dan moet je ook de thymos noemen (Cariben, pag. 22 – 23). Het is juist deze laatste kracht die in dit boek centraal staat en die we zeer wel goed kunnen doorgronden: de laaiende furie en haar gevolgen, waarvan er zeker één is dat de mythe van de ondoorgrondelijkheid in stand blijft. Ook die fascinatie heb ik ontmaskerd, waarmee niet gezegd is dat hij daarmee is verdwenen.
In een ongeregeld ritme laaien de discussies over deze thema’s op, zeker na de moord op Wiels. Men spreekt dan over etnisch nationalisme, racisme, fraude en corruptie, afgunst en ongenoegen; het wordt letterlijk allemaal zo genoemd. Hierbij wordt – in repliek – gezegd dat Wiels weliswaar een nationalist was, maar geen racist. Daarbij zei iemand dat buitenstaanders niet in staat zijn het volkssentiment te begrijpen dat Wiels vertegenwoordigde, een sentiment dat wordt ingegeven door de geschiedenis van machtsongelijkheid én het feit dat veel immigranten op Curaçao het recht zouden ontkennen dat het eiland een natie kán zijn. Het merkwaardige is dat die schrijver dan betoogt dat Wiels racisme wel weer gebruikt in weerwil van die structurele ongelijkheid en de ontkenning van dat recht. Racisme als wraak dus, de ruilinterventie van de wraak, zoals ik dat heb genoemd (Cariben, pag. 324 – 326); dat is een gevolg van de pathetische omhelzing. In die zin wordt het primaat van de cultuur en het historicisme wederom aangevoerd in een romanteske verwijzing naar het volk en hun ressentiment; iets wat buitenstaanders nooit zouden kunnen bevatten. Dezelfde sentimenten (gestuurd door eros en thymos) komen in allerlei gradaties voor in België (Vlaanderen – Wallonië), Baskenland, Schotland, Catalonië, het voormalig Joegoslavië, enz. (Cariben, pag. 231). Niets menselijks is u en ons vreemd. In het Caribische gebied komt daar de menselijke smet (van de huidskleur) nog bij als extra factor (Cariben, pag. 163 – 165, 368).
In deze discussie zegt een ander dat men op de eilanden gebruik moet gaan maken van eigen mogelijkheden en kansen die de samenwerking met Europa kan bieden. Men moet uitgaan van de kracht van de onderlinge menselijke betrekkingen en samenwerking zoeken om zo vooral economisch tot ontwikkeling te komen. De verbinding via Nederland biedt daarvoor goede mogelijkheden. Deze schrijver wordt door de nationalistische denker op een intellectueel-ideologische manier en toon bijna kleinerend teruggezet: het gaat om dé nátie (wat dat ook moge betekenen) en daaraan moet alles ondergeschikt zijn. In dergelijke discussies woekeren overigens ijdelheid en demonstratief intellectualisme uitbundig en voortdurend door de gesprekken heen: in woord en wederwoord kleurig bloeiend in de trant van : “kijk mij eens heel veel weten! En u kunt mij toch nooit snappen; ik ben hier de leermeester”.
[vervolg, klik hier]
Verdraagzaamheid, een programma voor vrijheid (5)
door Willem van Lit
Dit is deel 5 van het 6e hoofdstuk van het boek dat begin 2013 verschijnt over de Nederlands Caribische eilanden. Hierin nog een mythe over de ontwikkeling van beschavingen.
read on…
Caribbean Sovereignty, Development and Democracy in an Age of Globalization
Many of the nations of the Caribbean that have become independent states have maintained as a central, organizing, nationalist principle the importance in the beliefs of the ideals of sovereignty, democracy, and development. Yet in recent years, political instability, the relative size of these nations, and the increasing economic vulnerabilities of the region have generated much popular and policy discussions over the attainability of these goals. The geo-political significance of the region, its growing importance as a major transshipment gateway for illegal drugs coming from Latin America to the United States, issues of national security, vulnerability to corruption, and increases in the level of violence and social disorder have all raised serious questions not only about the notions of sovereignty, democracy, and development but also about the long-term viability of these nations.
This volume is intended to make a strategic intervention into the discourse on these important topics, but the importance of its contribution resides in its challenge to conventional wisdom on these matters, and the multidisciplinary approach it employs. Recognized experts in the field identify these concerns in the context of globalization, economic crises, and their impact on the Caribbean.
Caribbean Sovereignty, Development and Democracy in an Age of Globalization
Edited by Linden Lewis
Published December 13th 2012 by Routledge – 258 pages
Series: Routledge Advances in International Relations and Global Politics
Hardback: 978-0-415-53658-5: $130.00
eBook: 978-0-203-11031-7:
Krishnadath bewijst haar eigen ongelijk
door Rolf van der Marck
 |
| Ismene Krishnadath |
Eerder heb ik hier al duidelijk gemaakt dat de door Ismene Krishnadath geponeerde stelling dat Surinaamse schrijvers ertoe hebben bijgedragen dat het nationalisme vandaag de dag aanwezig is in het collectieve denken van de Surinamers, neerkomt op het intrappen van een open deur. Die stelling had zij gelanceerd aan de vooravond van het 35-jarig bestaan van de Schrijversgroep ’77, waarvan zij de voorzitter is. Toen heb ik ook gesteld dat nationalisme alléén niet voldoende is, maar dat het moet worden gekanaliseerd tot natievorming, waarvan wij echter nog lichtjaren verwijderd zijn. Inmiddels heeft de viering plaatsgevonden, waarbij Krishbadath een lezing heeft uitgesproken met als titel: “Literatuur, nationalisme en politiek, oftewel de invloed van schrijvers op het maatschappelijk denken in Suriname vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw tot heden”.
Definities
Misschien is het goed eerst een paar definities te geven, opdat we weten waarover we praten:
Nationalisme is een politieke ideologie die stelt dat de staat als politieke eenheid congruent moet zijn aan de natie als sociaal-culturele eenheid. Er zijn verschillende vormen van nationalisme te onderscheiden, zoals etnisch nationalisme, nationaalsocialisme, liberaal nationalisme, politiek nationalisme, dekoloniserings- of bevrijdingsnationalisme en economisch nationalisme.
Nationaliteit duidt de relatie aan tussen een individu en een staat, cultuur of loyaliteit. Nationaliteit heeft een tweeledige betekenis:
1) Het bezit van het staatsburgerschap van een land of meer landen.
2) Het op grond van herkomst of afstamming behoren tot een bepaalde etniciteit; nationaliteit staat in deze definitie los van het staatsburgerschap.
Een natie wordt wel genoemd ‘een verbeelde politieke gemeenschap’. Het begrip is niet alleen academisch, maar heeft ook een sterke politieke lading en kent dan ook vele definities. Criteria kunnen objectief zijn, bijvoorbeeld verwantschap, cultuur, taal of religie. Subjectieve criteria zijn verbondenheid en solidariteit, die gevoeld worden door een groep.
Aan de hand van deze definities kan worden geconcludeerd dat nationalisme in Suriname, gezien het grote aantal uiteenlopende etnische bevolkingsgroepen, zal moeten leiden tot de vorming van een natie, een ‘verbeelde politieke gemeenschap’ dus, enkel op basis van subjectieve, door de politiek te bevorderen criteria. Geen eenvoudige opgave, daar zijn nog generaties strijdende schrijvers voor nodig.
Taal als strijdmiddel
Het is duidelijk dat de door Krishnadath genoemde schrijvers allen hun aandeel hebben in het Surinaamse dekoloniserings- of bevrijdingsnationalisme. Anton de Kom was in 1933 met zijn Wij slaven van Suriname een eenzame voorloper, internationaal bezien zelfs bijna twee decennia voordat Frantz Fanon met dezelfde ideeën als De Kom de wereld veroverde. Jammer dat Krishnadath (althans blijkens het verslag in de Ware Tijd) voorbij is gegaan aan Julius Gustaaf Arnout “Papa” Koenders, die met zijn vereniging Pohama en met zijn maandblad Foetoe-boi (mei 1946 t/m april 1956) dé grote voorvechter was van het Sranan en van de creoolse cultuur, tevens voorganger en lichtend voorbeeld niet alleen voor Eddy Bruma en diens culturele vereniging Wie Eegie Sanie, maar ook voor Trefossa en Michaël Slory.

Ook mis ik (wederom volgens het verslag in dWT) de naam van Edgar Cairo, die veel meer en veel indringender het Sranan in zijn boeken heeft verwerkt dan de door Krishnadath genoemde dialogen in Cynthia McLeod’s Hoe duur was de suiker?, maar wellicht is dat een gevolg van het door hem dikwijls gehanteerde “Cairojaans”, dat in Suriname vreemd genoeg onvoldoende op z’n merites wordt gewaardeerd, zoals nu maar weer blijkt.
De politiek-maatschappelijke positie van S’77
Aangezien mijn kritiek op Krishnadath’s stellingname dat S’77 zich graag en goed zou lenen voor een bemiddelingsrol bij politieke tegenstellingen door haar is afgestraft met een lasterverhaal over mij, was ik uiteraard benieuwd hoe deze gedachte door Krishnadath tijdens haar lezing voor het voetlicht is gebracht, maar daar is in het dWT-verslag helaas niets over te lezen. Daar staat alleen dat inleider eindigde met de stelling: “Kritiek van Nederlandse critici werkt versterkend op de populariteit van schrijvers en personen in Suriname. (…) Ik denk dat de populariteit van Bouterse ook op die manier gestuwd wordt. Het is bekend dat hij niet gelust wordt door de Nederlandse regering. En wat zien we? Bouterse wordt gekozen tot president. Misschien heeft hij dit aangevoeld en gevoed met zijn slogan ‘Neks no fout’. In ieder geval zien we dat hij momenteel als president functioneert en zijn functioneren als zodanig vrij algemeen geaccepteerd is in ons land.”
Opnieuw een vreemde stelling van Krishnadath, omdat ze haar verhaal hiermee onmiddellijk politiseert. Waarom breidt ze “de populariteit van schrijvers in Suriname” uit naar “schrijvers en personen uit Suriname”? Duidelijker bewijs dat S’77 niet geschikt is voor een bemiddelingsrol bij politieke tegenstellingen kan Krishnadath niet leveren, want ze kiest hier duidelijk voor Bouterse en tegen zijn Nederlandse critici. Beter had zij zich bij haar leest gehouden en zich afgevraagd wat die Nederlandse kritiek op Surinaamse schrijvers nu precies inhoudt en of die niet even serieus te nemen is als die Nederlandse kritiek op Bouterse. Maar het ontbreekt haar ten enen male aan kritisch onderscheidingsvermogen, anders had ze niet gezegd dat Bouterse als president vrij algemeen geaccepteerd is in ons land. Schoenmaker, houd je bij je leest!
Intussen begin ik mij af te vragen hoe de leden van S’77 staan tegenover Krishnadath en de door haar geventileerde meningen en opvattingen, slikken die dit allemaal voor zoete koek? Eerder sprak ik over S’77 als een elitair clubje, maar gezien Krishnadaths uitlatingen Is het clubje allerminst elitair, gezien echter de foto met dat handjevol mensen dat naar Krishnadaths lezing luisterde (zie
hier) is het wel een verdomd klein clubje van overwegend seniore burgers. Is dat wellicht de reden dat Krishnadath geen weerwerk krijgt?
‘Surinaams Nationalisme wordt beïnvloed door literatuur’
Paramaribo – ‘Literatuur, nationalisme en politiek, oftewel de invloed van schrijvers op het maatschappelijk denken in Suriname vanaf de jaren dertig van de vorige eeuw tot heden.’ Een lange titel voor een lezing van de Schrijversgroep ’77. De inleider was voorzitter Ismene Krisnadath. Ze gaf in vogelvlucht een korte weergave van de geschiedenis van de Surinaamse literatuur. De panelleden waren schrijvers Robby ‘Rappa’ Parabirsingh, Cynthia Abrahams en Gerrit Barron.
Vastleggen
 |
| Gerrit Barron. Foto @ Nicolaas Porter |
Krisnadath begon haar lezing door Cynthia Mc Leod, Gerrit Barron en Rappa voor te stellen als de schrijvers die tot de populairste zijn uitgeroepen in 2012 door VOS-studenten. Volgens de voorzitter komt de bekendheid doordat zij de Surinaamse identiteit bevestigen en daarom geliefd zijn. Zij schrijven soms ronduit nationalistisch zoals Barron en hebben een bijdrage willen leveren aan de eenheid en verbondenheid van het volk door hun werk. “Dus aan het proces van natievorming”, stelde de inleider.
Nationalistische beweging
“Schrijvers hebben vanaf het begin een duidelijke rol gehad in de nationalistische beweging. Al in 1933 presenteerde Anton de Kom een politiek programma waarin de staatkundige onafhankelijkheid was opgenomen. Vanaf 1959 toonde ook politiek activist/dichter Dobru zich een voorvechter van onafhankelijkheid. Hij was lid van de Partij Nationale Republiek (PNR). Deze politieke partij kwam voort uit de culturele vereniging Wie Eegie Sanie (Ons eigen ding), die algemeen beschouwd wordt als het thuisfront van de groep nationalisten van de zestiger jaren,” legde Krishnadath uit.
Surinaamse identiteit
Taal was een belangrijk element in het nationalistisch denken. Het Sranan was de taal die stond voor de strijd voor het eigene, omdat die taal vanaf 1876 na de invoering van verplicht onderwijs in het Nederlands systematisch was onderdrukt. De inleider roemde hoe de schrijvers toen met woorden de eigen Surinaamse identiteit trachtte te creëren. “Zoals Cynthia Mc Leod met Hoe duur is de suiker?. Zij nam hele dialogen in het Sranan op in het boek.”
Uiteraard kon de inleider er niet onderuit om te spreken over de jaren tachtig. De Decembermoorden en de pamfletten die diverse schrijvers uitgaven als protest tegen het gebeuren. Maar ook hoe Surinamers in het begin nog sympathie hadden voor de revolutie en dat enkele schrijvers zich aansloten bij de ideologie, zoals Dobru die minister werd. De inleider eindige met de stelling: kritiek van Nederlandse critici werkt versterkend op de populariteit van schrijvers en personen in Suriname’. Ze haalde als voorbeeld aan Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod dat sterk bekritiseerd is door de Nederlandse Michiel van Kempen. “Ik denk dat de populariteit van Bouterse ook op die manier gestuwd wordt. Het is bekend dat hij niet gelust wordt door de Nederlandse regering. En wat zien we? Bouterse wordt gekozen tot president. Misschien heeft hij dit aangevoeld en gevoed met zijn slogan ‘Neks no fout’. In ieder geval zien we dat hij momenteel als president functioneert en zijn functioneren als zodanig vrij algemeen geaccepteerd is in ons land.”
[uit de Ware Tijd, 30/11/2012]Voor een reactie van Rolf van der Marck, klik hier
Lezing literatuur-nationalisme-politiek
 |
| Ismene Krishnadath |
Op de laatste woensdag van november, de 28ste, verzorgt Ismene Krishnadath een lezing over de relatie tussen literatuur, nationalisme en politiek in Suriname. Dit thema sluit goed aan bij de onafhankelijkheidsdag. In de lezing bespreekt zij de huidige populaire schrijvers Mc Leod, Rappa en Barron en plaatst die in de literaire traditie van Suriname, die nauw verweven is met het nationalistisch denken. Zij gaat in op de mate waarin nationalistische producten van schrijvers als Trefossa en Dobru een plaats hebben gevonden in het collectieve denken van de hedendaagse Surinamer en hoe de relatie is met politiek beleid. Ook bespreekt zij de politiek-maatschappelijke positie van Schrijversgroep ’77. Na de lezing zijn er reacties van een panel, waarin o.a. Rappa en Gerrit Barron zitting hebben. De floor is daarna open voor discussie met het publiek.
Plaats Tori Oso, Paramaribo.
Tijd 20.00u. Toegang vrij.
Suriname in Boedapest
door Michiel van Kempen
Als ik uitgenodigd word om colleges te komen geven in Hongarije, dan weet ik dat ik me erop moet voorbereiden dat alles wat ik over Suriname en de Antillen (jaja, de voormalige…) ga vertellen volstrekt nieuw is voor het toeluisterend publiek, voor de studenten evenzeer als voor de docenten. Wat creolen zijn en waar die vandaan komen, wat hindostanen zijn en dat die de meerderheid van de Surinaamse bevolking uitmaken, dat boeroes en protestant blanku niet hetzelfde zijn als witte Nederlanders, wat het verschil is tussen Papiamentu en Sranantongo enz. enz. enz. Het lijkt daar waarachtig Nederland wel!
read on…
Historicus Hobsbawm overleden – ‘een van invloedrijkste Britse intellectuelen’
door Pim van den Dool
De Britse historicus Eric Hobsbawm is vandaag in een Londens ziekenhuis aan longontsteking overleden. Dat heeft zijn dochter bekendgemaakt. Hobsbawm, een van de invloedrijkste en meest gelezen Britse intellectuelen, was 95 jaar.
Hobsbawm, een historicus uit de marxistische school, schreef meer dan twintig boeken. In 1962 publiceerde hij het eerste van drie delen over de ‘lange negentiende eeuw’, The Age of Revolution. Dit deel werd gevolgd door The Age of Capital (1975) en The Age of Empire (1987). In 1994 vervolgde hij zijn verhaal in de ‘korte twintigste eeuw’ met The Age of Extremes.
Hobsbawm kwam in 1917 in Alexandrië ter wereld als telg in een Engels-joods gezin. Zijn linkse opvattingen vormde Hobsbawm toen hij in de jaren dertig in Duitsland schoolging. In 1936 sloot hij zich in Engeland aan bij de Communistische Partij. Hoewel hij het geloof in de Sovjet-Unie verloor bleef hij tot 1989 lid.
‘Hobsbawm kon gemier kleine mens aanschouwen en analyseren’
Leven en werk van Hobsbawm zijn in veel opzichten de moeite waard, schreef onze redacteur Hubert Smeets in 2002 in NRC Handelsblad:
Hobsbawm is een historicus met een bijna ongebreideld brede belangstelling, een intense liefde voor de naar verhouding heldere negentiende eeuw, een aan ijdelheid grenzend zelfbewustzijn en een onder historici superieure stijl. Met andere woorden: Hobsbawn pleegt zich per helikopter te bewegen, van waaruit hij het gemier van de kleine mens kan aanschouwen en analyseren.
Hobsbawm werd benoemd tot universitair docent aan Birkbeck College in Londen. Hij bleef zijn hele leven verbonden aan de faculteit en uiteindelijk benoemd tot voorzitter. In 1998 werd hij opgenomen in de orde van de Companions of Honor, een zeldzame eer voor een historicus. Hij schaarde zich hiermee in de gelederen van verlichte geesten als Stephen Hawking, Doris Lessing en Sir Ian McKellan. De orde bestaat nooit uit meer dan 65 leden.
Zijn bij leven laatst verschenen boek, How to Change the World, werd vorig jaar gepubliceerd. Volgend jaar zal posthuum nog een werk verschijnen.
- Lees meer over:
- Eric Hobsbawm
- Groot-Brittannië
- Londen
- The Age of Capital
- The Age of Extremes
- The Age of Revolution




[van NRC.nl, 1 oktober 2012]
Composities van een uitgesteld leven (8)
door Willem van Lit
Deel 8 is een wat korte overgangsaflevering met een aanloop naar de beschouwing over twee contrasterende complexen van sociaaleconomische aard. Deze complexen zijn in het Caribische gebied op een bijzondere manier met elkaar verweven.
read on…
Conferentie erfenis slavernij en contractarbeid internationaal
In het kader van de herdenking van 150 jaar emancipatie, 160 jaar immigratie van Chinezen en 140 jaar immigratie van Hindoestanen zal er een internationale wetenschappelijke conferentie in Paramaribo worden gehouden. Deze vindt plaats in juni 2013. Het thema van de conferentie is “Vrije en gedwongen migratie, diaspora en identiteitsvorming: De erfenis van slavernij en contractarbeid in historisch en hedendaags perspectief”. Daarbij zal worden gekeken naar de erfenis van de slavernij en de contractarbeid.
Invloed
Tijdens deze conferentie zal een verband gelegd worden tussen de historische gebeurtenissen van slavernij en contractarbeid en de actuele vraagstukken van globalisatie, identiteitsvorming, nationalisme en transnationalisme. De inleiders zullen nieuwe perspectieven aandragen over de invloed van vrije en onvrije migratie op de samenleving. Door deelnemers uit Suriname en overige landen bij elkaar te brengen wordt het uitwisselen van ideeën bevorderd. De bedoeling is om de presentaties van de conferentie als boekwerk beschikbaar te stellen.
Organisatiecomité
Op 4 september 2012 is een Protocol van Afspraken aangenomen door de navolgende negen organisaties die achter deze conferentie staan. Het gaat om NAKS, Federasi fu Afrikan Srananman, de Culturele Unie Suriname (CUS), de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI), de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie (VHJI), de Commissie 10 oktober, het Nationaal Archief Suriname (NAS), het Instituut voor Maatschappij Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO), en Institute for Graduate Studies & Research (IGSR). Elke organisatie is vertegenwoordigd in het organisatiecomité dat de conferentie voorbereidt. Tijdens deze eerste vergadering is drs. Maurits Hassankhan tot voorzitter benoemd en dr. Hans Breeveld tot ondervoorzitter.
Composities van een uitgesteld leven (7)
door Willem van Lit
Dit is deel 7 van het hoofdstuk 5 over het leven in de Caribische omgeving. In dit deel het vervolg op mijn beschouwing over het leven volgens de tambú zoals Girigori dit ziet voor Curaçao.
De tambú als totem (vervolg)
Girigori schetst het belang van de tambú en dat komt voort uit de onderdrukking door kolonialisme, slavernij, de functie van de katholieke kerk hierbij, maar zelfs ook die van de huidige politieke situatie; hieruit is een massaal psychotrauma gegroeid zegt hij en dit betreft dan de constante en overweldigende verdringing van de eigen leefwijze, de tambú. “The rhythms and songs of the Tambú have been identified through its history with struggle, protest and revolution …”[1] . En die tambú moet dan de basis worden voor een andere leefwijze, een nieuwe identiteit. Het is een leefwijze die vanuit traditionalisme stamt en die voor het volk dan een nieuwe culturele identiteit moet brengen met een nieuwe collectieve mentaliteit, waarbij men bevrijd is van schaamte en angst. Het is tevens de basis voor een nieuwe etnische identiteit en deze zal het geluksgevoel brengen, die ver weg staat van het psychotraumatische verleden. De tambú heeft zijn betekenis in het verleden zelf. Het is een oermodel en dat wordt zelf als oeridee gebruikt: het is puur, eenduidig, helder en vrij van smetten volgens de schrijver. De tambú is de traditioneel zuivere leefwijze en daardoor direct en rechtstreeks verbonden met de natuur “where he/she can relax and recharge energy can thus obtain the required strength through the Tambú in order to face challenges in life” [2].
Deze leefwijze verkondigt eveneens wederzijds menselijk respect en dit betreft dan het respect aan een zekere hiërarchische ordening die op de een of andere wijze “natuurlijk van aard” is. De schrijver is in dit geval niet heel helder met wat hij bedoelt. Hij refereert aan een ordening waarbij degenen die de tambú, de oude leefwijze “levend houden” ook van nature degenen zijn aan wie dit respect als vanzelf toekomt[3]. Dat de tambú in zijn oervorm een natuurlijke oorsprong heeft, ligt ook besloten in het gegeven dat de muzikanten veelal voortkomen uit landbouwfamilies. Tambú behoort in zijn meest natuurlijke vorm aan de grond, de bodem, het verbouwen. Het heeft ook een sterk spiritueel karakter zegt de schrijver. Dat komt vooral tot uitdrukking in de bijbehorende dans[4]. Voorts zegt hij dat de tambú een leefwijze is die rust uitstraalt en die tegelijkertijd iemand van nieuwe levenskrachten voorziet. Het is een van oorsprong religieuze praktijk, een Afrikaanse rituele muziek van aanbidding[5]. In originele staat is de trommel een heilig instrument. Het is gemaakt van natuurproducten “where it was essential to keep the state of the moon and the sun into consideration. The leather used in the manufacturing of the bari is such an example”. Dat leer is gemaakt van schaapsvel en dat is een bijbels symbool voor het lam Gods dat alle zonden wegneemt. Het instrument in zijn geheel verkrijgt daardoor een zeer bijzondere betekenis voor de samenleving als geheel en verbindt mens aan natuur [6].
Met de tambú in zijn meest pure vorm in het Afrikaanse verleden kan naarmate de tijd vordert alleen maar verval optreden. De leefwijze kan niet meer authentiek zijn. De mensen die door Girigori zijn geïnterviewd, vertellen dat de tambú in zijn moderne vorm minder diepgang heeft; dat betreft zowel muziek als de woorden die bij het zingen worden gebruikt. Hierdoor is er minder ontspanning en/of meditatie mogelijk. De moderne tambú wordt ook steeds meer vercommercialiseerd. Die mensen vertellen Girigori ook dat de teksten steeds brutaler worden; er zit geen terughoudendheid meer in. Er is verlies aan respect [7]. Bij andere passages is er sprake van verlies van ethische normen en een ontwikkeling die men aanduidt als vulgair worden. En bij de dans is er verlies van elegantie; er treedt zelfs degeneratie op [8]. Een ander voorbeeld van verlies van authenticiteit is dat het Gueni, een oorspronkelijk Afrikaanse taal niet meer wordt gebruikt bij de tambú [9].
Het verval van de betekenis van de tambú is ook te merken aan de veranderingen van het taalgebruik zelf. De schrijver heeft de teksten van vroegere tambú-liederen vergeleken met de moderne. Hij constateert veranderingen in woordgebruik. Hij zegt dat in de loop van de tijd het subtiele gebruik van specifieke uitdrukkingen en zegswijzen uit de liederen is verdwenen. In de moderne versies ontbreekt het aan creativiteit van taalgebruik, beweert hij. In de nieuwe versies ziet hij het volgende: “the words are raw and plain and have no second connotation. It only means what it says”. De moderne liedtekstschrijvers missen kennelijk het intieme en authentieke vermogen de teksten met subtiele en pakkende diepte te schrijven. Er zit een tendens in die neigt naar het onderhoudend en amuserend karakter van de tambú, terwijl voorheen de geest van verzet en protest de teksten veel krachtiger maakten. Het gaat dan om kracht in de betekenis van verzet en maatschappelijk verwoorde boosheid in combinatie met spirituele en religieuze inslag en strekking van de boodschappen [10]. Ook hierin zit de tendens tot verval, denkt de schrijver.
In dergelijke constateringen zit ook een impliciet verwijt: mensen ontaarden en het volk verwelkt. Deze verwijten komen bij Girigori op sommige momenten ook uitdrukkelijk naar voren. We vinden dit terug in passages als: “The Afro-Curaçaon community still does not know where it belongs on its own territory and therefore embraces everything that according to the social accepted standards might give her/him an own identity”. De schrijver wijt dit aan de neiging de dominante cultuur na te bootsen door gebrek aan vertrouwen in het eigen vermogen. Hij meent voorts dat er een groot gebrek is aan patriottisme. Dit ontstaat uit het feit dat men zichzelf niet kent en de eigen identiteit ontkent, sterker nog, men drijft er steeds verder vanaf, beweert hij. “Therefore people still does not know who they are, where they came from and let alone to know where they are going. The Afro-Curaçaon community lacks a sense of belonging because it has not been passed over from generation tot generation” [11]. Men weet dus niet waar vandaan men komt en waar men naar toe gaat.
Ook de seú – dat is het oogstfeest – als uiting van een authentieke Afrikaanse geest is niet meer wat het is; het is – net zoals de tambú – ook vercommercialiseerd. Mensen laten zich te veel leiden en verleiden door de commercie die steeds meer vat krijgt op de cultuur en daardoor ook de oorspronkelijkheid van het leven. Hij noemt het ook culturele verpaupering[12]. Daarnaast heeft vulgariteit het overgenomen van de oude normen en waarden van respect en schoonheid. Kortom, de geest van verzet verdwijnt; er is geen trots meer, mensen weten geen richting meer en alles drijft weg van de pure kern. Men laat de oude moraal van eerbied en schoonheid los en het leven wordt brutaal en onverschillig[13].
Om zichzelf te kunnen herontdekken in de lijn van de Afrikaanse geest en de leefwijze van de tambú is het noodzakelijk dat mensen onderwezen en gevormd worden: educatie, opvoeding en onderwijs. Dat zijn de sleutelwoorden. Alleen op deze manier kan men een ontwikkeling doormaken naar de oude waarden en normen en zichzelf herontdekken. Dit zal ook bijdragen aan een versterkt nationalistisch bewustzijn en elan, een sterke nationale cultuur en een stabiele volksgeest zonder angst en schaamtegevoelens[14]. De tambú is de totem voor het volk.
Het is duidelijk dat dit proefschrift veel kenmerken bevat van de hang en drang naar de gesloten samenleving, de oproep tot het construeren van een utopische samenleving. Girigori vecht met de invloed van buiten, de externe krachten waarmee de samenleving tot ontwikkeling moet komen, de wisselwerking met de rest van de wereld. Dat is de evolutie die steeds sterker om zich heen grijpt. Hij begrijpt goed dat deze invloed voortdurend voelbaar zal zijn en dat dit op zichzelf ook niet fout hoeft te zijn, maar hij wil er wel grenzen aan stellen omdat die veranderingen de eigenheid aantasten. De leefwijze van de tambú komt uit een oude traditie waar men in de zuivere vorm steeds verder vanaf drijft. Girigori herhaalt op verschillende plaatsen zijn nostomanie: men raakt steeds verder verwijderd van de stam, het Afrikaanse ideaal en leefwijze, de beslotenheid van die gemeenschap, waaraan je identiteit ontleent.
Daarnaast is het verleden ook traumatisch geweest. De tambú heeft in zijn pure vorm steeds een leefwijze vertegenwoordigd waar enerzijds verzet tegen verdrukking en beschaming tot uiting (kracht) kwam en anderzijds respect, rust en ontspanning. Dat zat vanouds vooral in de gebruikte taal (subtiel met een diepgaande betekenis) en die verwatert geleidelijk aan. Vooral de bijbehorende dans is ontaard in vulgarisme. Hij zegt met spijt dat er geen zuivere vorm van de tambú meer is; de kern die teruggaat op de gezamenlijk diep beleefde ervaring en collectivistische leefstijl, is verlaten. Hij laat ook geregeld doorschijnen dat dit te wijten is aan een vals bewustzijn: men kent zijn afkomst niet (meer). Dit ligt voor een groot deel aan de beschaming door de heerser, de kerk en de overheid, die de oude cultuur steeds hebben geminacht. Hij besteedt relatief veel aandacht aan de krachten van de traumatisering. Het volk moet daarom de oude wortels leren ontdekken en zal dan in een hernieuwde genezing brengende cultuur tot ontwikkeling komen. Hij is hier op zoek naar de betovering van de mythen uit het verleden. Voor een ander deel wordt dat valse bewustzijn veroorzaakt door de moderne tijd: de vercommercialisering. Men is ontheemd en vervreemd beweert Girigori. Het volk is vorm, inhoud en richting kwijt. Hierdoor mist men ook het geluk. Educatie en vorming zijn hard nodig. In feite schuilt in deze bewering ook weer een verwijt: het volk weet niet goed wat goed voor hem is. Op de keper beschouwd is dit een nieuwe vorm van beschaming. Het verwijt van verlies van bewustzijn vindt men onder andere ook terug in het grove nationalisme en het rudimentaire marxisme.
Dit verwijt treft nog meer als Girigori impliciet beweert dat men zich losmaakt van sacrale of religieuze karakter van de tambú (een symboliek, die soms ontleend is aan het christendom, die toch ook geen Afrikaanse oorsprong heeft). De toekomst, die nieuwe gelukzaligheid zal brengen, is het spiegelbeeld van trauma in het verleden, een belofte, zolang het volk zich maar bewust wordt van haar afkomst, het collectieve authentieke verleden en de lotsbestemming. Men wil zich terugtrekken in die geïdealiseerde ruimte. Het is bijna letterlijk de subtitel van zijn proefschrift Constructing a Collective Ethnic Identity for Curaçao through the Tambú. Girigori verbeeldt exact wat Vanobbergen schreef over de utopie: “Het heden gaat zwanger van de toekomst. Niettemin blijft de reis in de toekomst (…) een projectie van de tradities uit het verleden”. Niets nieuw dus.
De tambú is dus ook het verondersteld kristallisatiepunt voor het insularisme en tribalisme: de geneigdheid tot isolatie en verzet.
[wordt vervolgd]
[1] Girigori, pag. 21.
[2] Girigori, pag. 20.
[3] Girigori, pag. 20.
[4] Girigori, pag. 24.
[5] Girigori, pag. 4.
[6] Girigori, pag. 5.
[7] Girigori, pag. 21.
[8] Girigori, pag. 25.
[9] Girigori, pag. 22.
[10] Girigori, pag. 24.
[11] Girigori, pag. 9.
[12] Girigori, pag. 15, 21 en 25.
[13] Girigori, pag. 32.
[14] Girigori, pag. 30 en 31, 33 en 34.