blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Nankoe Lucia

Krik? Krak! Kri, Kra!: Franstalige Caraïbische literatuur

door Els Moor

Suriname maakt deel uit van het Caraïbisch Gebied, op het vasteland van Zuid-Amerika. Waarom zijn wij niet Latijns-Amerikaans? Alle andere landen werden gekoloniseerd door Spanje of Portugal (Brazilië) en het Spaans of Portugees is er de taal. Frans-Guyana, Suriname en Guyana zijn gekoloniseerd door respectievelijk Frankrijk, Nederland en Engeland en de talen van die landen zijn er de officiële taal.

Deze drie landen horen dus bij de Caraïbische eilanden, die – met uitzondering van het Spaanstalige Cuba, de Dominicaanse Republiek en Puerto Rico – Frans, Nederlands of Engels zijn of waren. Met deze landen en eilanden heeft Suriname een stuk geschiedenis gemeen – met de Nederlandse Antillen ook de taal, hoewel het Papiaments daar een veel sterkere rol heeft dan het Sranan bij ons – en culturele kenmerken. Geen wonder dat ook de literatuur van de Caraïbische landen en eilanden veel gemeenschappelijks heeft wat betreft thematiek en in andere opzichten.

‘Krik? Krak!’ is de titel van een verhalenbundel van Edwidge Danticat (1969). Zij is afkomstig uit Haïti en woont in de Verenigde Staten. Kri, Kra! Proza van Suriname (1972) is een bloemlezing, samengesteld door Thea Doelwijt. ‘Krik? Krak!’, ‘Kri, Kra!’, het is de aanhef van orale tori, ook van Anansitori. De verteller riep het en de hoofden van de luisteraars gingen omhoog, Haïtiaanse, Surinaamse: Caraïbische!

Grote thema’s in de Caraïbische literatuur zijn onder andere: slavernij en koloniale geschiedenis, ras en kleur, klassentegenstellingen, Afrika, religie, identiteit, gender en de trek naar metropolen zoals Londen, Parijs, Amsterdam en de Verenigde Staten. Die thema’s herkennen wij ook.

In dit artikel richten we ons op de Franstalige Caraïbische literatuur, van Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana. Deze drie zijn nu delen van Frankrijk in tegenstelling tot Haïti dat in 1804 onder invloed van de Franse Revolutie al onafhankelijk werd en een totaal andere geschiedenis beleefde, vol machtswellust, onderdrukking, corruptie en armoede. De literatuur van Haïti is zeer interessant met figuren als René Depestre (1926), een dichter die in zijn werk evolueert van zeer militant tot beschouwend. In 2002 kwam in vertaling van René Smeets in Nederland een bundel uit met een keuze uit Depestres poëzie. Hij heeft om zijn werk in de gevangenis gezeten en woont nu in Zuid-Frankrijk. Voor ons is ook het werk van Edwidge Danticat belangrijk: gedichten, twee romans, en verhalen, geschreven in het Engels en vertaald in het Nederlands.

Maar het interessantst is het werk van Kettly Mars (1958). Ondanks gewaagde thema’s in haar romans, bijvoorbeeld over het schrikbewind van de Duvaliers, woont ze nog in Haïti en schrijft ze over de worsteling met het bestaan van haar landgenoten. Ze is een laureaat van het Prins Claus Fonds vanwege haar gedurfde onderwerpen. Haar laatste roman, Wrede seizoenen, speelt in de woelige jaren zestig, is in het Nederlands verschenen bij uitgeverij De Geus. Kettly Mars was aanwezig bij de presentatie; Lucia Nankoe ook. Zij is zeer enthousiast over de roman en ook over de schrijfster als mens.

Terug naar de literatuur van Martinique, Guadeloupe en Frans-Guyana. Die heeft een duidelijke indeling in periodes. Uiteraard eerst een orale fase. Veel van die verhalen zijn gelukkig overgeleverd en later vastgelegd. De slimme helden waren in de slaventijd vaak dieren. Zoals bij ons Anansi de slimmerik is, hebben Martinique en Guadeloupe hun Compé Lapin (konijn). Uiteraard zijn er ook laitori en odo overgeleverd. Dit zijn getuigenissen van slaven, die voor de rest niets achterlieten. In de tweede helft van de 19de eeuw ontstaat er een Antilliaanse poëzie, die later ‘hangmatliteratuur’ wordt genoemd, met suiker- en vanillegeur. Je zou ook kunnen zeggen ‘literair exotisme’, de natuur en samenleving gezien door een Franse bril. Langzaam maar zeker ontwaakte echter een bewustzijn van het eigene, van het neger zijn, met als oorsprong Afrika. In de twintiger jaren van de 20ste eeuw komen er lokale protestdichters, jonge anti-burgerlijke kunstenaars. Ze hadden via tijdschriften ook contact met Haïtiaanse kunstenaars. Die hadden relaties in de Verenigde Staten en zo bereikte hen de beweging van Amerikaanse zwarten, ‘Black is beautiful’, terug naar Afrika. Met als grote figuren Marcus Garvey en E. du Bois. Mede onder invloed hiervan ontstond de Négritude-beweging. Studenten in Parijs vonden elkaar en werden de grote dichters van de beweging: Leopold Senghor uit Afrika zelf, Aimé Césaire uit Martinique en Léon Gontran Damas uit Frans-Guyana.

Césaire is wel de grootste dichter van de Négritude. Hij had een brede visie en emotionele kracht. Zijn meest bekende werk is Cahier du retour au pays natale (Logboek van een terugkeer naar mijn geboorteland) in proza en poëzie. Behalve gedichten en proza schreef hij drama. Hij was auteur en politicus en werd burgemeester van Fort de France. De leukste is Léon Gontran Damas, die in zijn poëzie de spot drijft met de Franse burgerlijkheid. De Surinaamse dichter die al vroeg verwantschap toonde met de Négritude is Eugène Rellum (1896-1989). Zijn gedichten zijn vooral verwant aan die van Léon Gontran Damas uit ons buurland. Ook de Curaçaoënaar Frank Martinus Arion voelde zich aangetrokken tot de Négritude, getuige zijn bundel Stemmen uit Afrika (1957). De beweging ‘Wie Eegie Sanie’ zit eveneens op de lijn van ‘eigenheid’, zij het niet zo Afrikaans.

Na de Tweede Wereldoorlog is de terug-naar-Afrika-droom gaan slijten. Vooral opstandige jonge dichters en kunstenaars gaan begrijpen dat de Antillen een heel andere werkelijkheid vertegenwoordigen dan Afrika. De stroming Antillianiteit komt dan op. De centrale figuur hierin is Edouard Glissant (1928-2011), schrijver en dichter van Martinique. Zijn visie op de rol van de schrijver is: meewerken aan de genezing van een zieke maatschappij. Geëngageerde literatuur dus. Schrijvers zoeken naar het ware gezicht van hun land. Het verleden blijft een belangrijk thema, ook kleurvooroordelen, het leven op het platteland en de trek naar de stad.

Belangrijke schrijvers van de moderne Franstalige Caraïbische literatuur – van wie de werken in het Nederlands zijn vertaald – zijn Maryse Condé (1936) uit Guadeloupe, het echtpaar Simone en André Schwartz-Bart (zij van Martinique, hij Fransman van joodse afkomst), en Patrick Chamoiseau (1953) van Martinique. In de komende maanden zullen we werk van hen bespreken. Vooral ook in verband met keuzes ‘voor de lijst’ van de scholieren. Mijn favoriet is De oude slaaf en de bloedhond (2001) van Patrick Chamoiseau, uitgegeven door De Geus in de vertaling van Eveline van Hemert (die naar Suriname kwam om Surinaams-Nederlands te leren en dat gebruikte bij haar vertaling van het gecreoliseerde Frans van Chamoiseau). Lucia Nankoe is de samensteller van de bundel met Caraïbische verhalen, De komst van de slangenvrouw en andere verhalen van Caribische schrijfsters (Van Gennep-Novib-Ncos, 1998). Een herdruk is gewenst, want het is inspirerende leesstof voor iedereen die wil kennismaken met de Caraïbische literatuur.

Lucia Nankoe in gesprek met Hein Eersel

De Caribische literatuur in tekst en context in Galerie Sukru Oso

Op donderdag 26 januari organiseerden de heren dr. Hein Eersel, mr. Carlo Jadnansing en dr. mr. Edwin Marshall een causerie over de Caribische literatuur. De gastspreker was Lucia Nankoe. Zij trad in dialoog met Hein Eersel en het publiek.

De dialoog begint met de vraag van Hein Eersel, taalkundige, aan Nankoe welke literatuur gerekend mag worden tot de Caribische literatuur. Nankoe laat duidelijk blijken dat zijn geen voorstander is om de Caribische literatuur in te delen vanuit een geografisch optiek. Deze kenner van de Caribische literatuur kiest evenmin voor een historische indeling.

Volgens Nankoe is de tijd aangebroken om naar stromingen te kijken, want achter deze stromingen gaan ook veel ideeën, gedachtes en verwachtingen schuil. “Er moet eerder gekeken worden wat er is geschreven en welke stromingen aanwezig zijn”, vindt deze literatuurwetenschapper. Heel duidelijk en met veel enthousiasme onderbouwt Nankoe haar mening. Zo vrij als een vis zich in het water voelt, zo vrij en boeiend vertelt Nankoe over de geschiedenis van de Caribische literatuur waarin de vele literaire stromingen aan de orde komen. Zij geeft veel voorbeelden van schrijvers die thuishoren bij de verschillende stromingen. Ook worden de thema’s bij elke stroming kort belicht.

De Négritude

Zij begint met de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw waarin auteurs uit de verschillende Caribische eilanden toentertijd Afrika idealiseerden. Alles wat Caribisch Gebied was, was Afrika. Afrika was het moederland, Europa, Azië enz. telde niet mee. Frank Martinus Arion met zijn boek Stemmen uit Afrika is een duidelijk voorbeeld hiervan.

Er was een opkomst van auteurs die zich in een beweging, de Négritude, bundelden met name uit het Frans Caribische eiland Martinique. Deze Négritude-schrijvers stelden Afrika centraal in hun werken.

Gedurende de dialoog kwam Nankoe enkele keren terug op het thema Afrika. “Wat je ziet in de Caribische literatuur is aan het begin van de twintigste eeuw en zeker in Londen en met name Parijs dat er studenten uit de verschillende koloniën bijeenkomen.” Deze aanstaande ‘zwarte’ intellectuelen gaan op zoek naar hun verleden. Uit Martinique is bekend geworden Aimé Césaire (Martinique, 26 juni 1913-17 april 2008). Uit Frans-Guyana kwam Léon-Gontran Damas (28 maart 1912-januari 1978). Uit Afrika, Senegal, Léopold Sédar Senghor (9 oktober 190620 december 2001), die later ook nog president wordt. Zij richtten de Négritude-beweging op.

Deze beweging is volgens Nankoe heel erg belangrijk in de literaire geschiedenis van het Caribische Gebied. Er ontstaat zodoende een link tussen Frans-Guyana (Damas) en de rest van de Frans Caribische eilanden (o.a. Cesairé) en een link met Afrika via Senghor. Afrika werd geïdealiseerd, het moederland, maar dit was de eerste aanzet om het Caribische Gebied te herwinnen of te hervinden. Een belangrijke thema hierbij was het idealiseren van de zwarte vrouw. Alle zwarte personages in hun werken waren de mooiste vrouwen of zwarte godinnen. De gedichten van René André de Rooy (Paramaribo, 1917) staan bekend om de verheerlijking van de zwarte vrouw.

Négritude in Suriname: een voorbeeld

Met deze thematiek (Négritude) toonde ook de Surinaamse Eugène Rellum zich verwant aan dichters uit de négritude-beweging en dan met name met de van Cayenne afkomstige Léon Gontron Damas. Een van de bekendste gedichten over de Surinaamse neger zou ‘Negerschap’ worden:

Negerschap
is als bloeiende vanille
hoog in de bomen van het bos;
in wijde omtrek
laat de geur niemand los,
hij dwingt een ieder
om naar hem
omhoog te kijken


Antillanité

Langzamerhand verandert de ‘Back to Africa’-gedachte in de Antillianiteit (Antillanité) met als bekende schrijver Edouard Glissant (21 september 1928 3 februari 2011). Hij is de absolute grote denker die pleit voor het Antilliaan zijn. Daarom moet, volgens Nankoe, deze schrijver uit Martinique zeker op de leeslijst voorkomen van studenten. “Wij zijn niet meer Afrika, India, en China, wij zijn Antillianen! Daar schrijft Glissant over.”

In Suriname lijkt gedurende de jaren ‘60 en de eerste helft van de jaren ‘70 het merendeel van alle schrijvers – en zeker van alle dichters – er zich terdege rekenschap van gegeven te hebben dat hun inzet een ernstig en concreet realiseerbaar doel diende: de strijd voor de onafhankelijkheid van Suriname! De maatschappelijke betrokkenheid van auteurs was ook altijd groot, maar vanaf het einde van de jaren ‘60 zijn alle maatschappelijke ontwikkelingen praktisch van dag tot dag te volgen in vooral de poëzie. De auteurs identificeerden zich met hun land in de meest letterlijke zin. Eugène Rellum:

Sranan na mi,
mi na Sranan.
Suriname ben ik;
ja, ik ben Suriname.
In dit opzicht was de literatuur van Suriname helemaal in lijn met de massa van niet-westerse letteren.

Creolité

Vervolgens komt de nieuwe generatie van auteurs. Hun stroming wordt de la Creolité genoemd. Bekende auteurs zoals Patrick Chamoiseau (Martinique, 1953), Jean Bernabé (Martinique, 1942), Raphaël Confiant (Martinique, 1951). “Dat zijn drie wilde jongens die gigantische veel schrijven. Zij schrijven niet alleen gedichten en of romans. Zij gaan verder. Zij probeerden bepaalde gedachtegoed te verwoorden”, weet Nankoe dit op een humorvolle manier het publiek mee te delen.

In het Frans Caribische Gebied komen de auteurs op het punt dat de natuur belangrijk werd. Uit de andere taalgebieden zou er een raakvlak getrokken kunnen worden om te kijken welke auteur binnen deze stroming past, “want er zijn nog steeds mensen die leven vanuit de literaire ervaring met de Afrika-gedachte”’, eveneens met de ‘India-gedachte’”, volgens Nankoe.

“Dit betekent dus dat de we het Caribisch Gebied de indeling van letterkunde in talen zouden moeten loslaten, concludeert Eersel. “Een regio met een eigen cultuur, een eigen geschiedenis die tot uitdrukking komt in minimaal vier talen: het Engels, het Spaans, het Nederlands en het Frans. Nankoe vult aan, dat tegenwoordig ook het Frans Creools een erkende taal is. Vooral Haïti schijnt hele goede schrijvers in deze taal voort te brengen.

Thema’s

De thema’s die vaak dan nog aan de orde komen zijn: het slavernijverleden, de koloniale geschiedenis, ras, kleur, exodus naar de metropool etc. Eersel geeft een mooi voorbeeld van de Cubaanse dichter Nicolás Guillén (Nicolás Cristóbal Guillén Batista, 10 juli 190216 juli 1989). In een van zijn mooiste gedichten ‘Balada de los dos abuelos’ probeert hij een duidelijke tegenstelling tussen blank en zwart op te lossen in het mulat zijn.

Ook de klassentegenstellingen komen aan de orde. De Surinamer Dobru heeft het over de bakadyari. Dobru doorbreekt het taboe door het naar buiten brengen van het leven op de bakadyari (achtererven) te beschrijven. Maar niet dit alleen, hij doorbreekt ook het taboe op winti en dat is zeker een groot verdienste van deze grote Surinaamse dichter geweest!

Tekst en context

Nankoe vervolgt haar gesprek door te vertellen dat auteurs op gegeven moment naar de metropool (moederland) gaan: Parijs, Londen en Amsterdam. Zij geraken ver weg van de Caribische ervaring. De vraag is in hoeverre zijn deze auteurs nog Caribische auteurs. Als voorbeeld wordt de jonge schrijver Karin Amatmoekrim genoemd. Deze schrijfster is geboren in Suriname, maar is opgegroeid in Nederland. In hoeverre is zij nog een Surinaamse auteur? Want in sommige romans zijn deze auteurs weggeraakt van de Caribische context, want hun verhalen spelen zich dan ook in Europa af.

En als je ver weg bent geraakt van de Caribische cultuur, ben je dan nog een Caribische auteur of een Nederlandse auteur?, werpt Nankoe deze vraag op aan de aanwezigen. Misschien een leuk onderwerp voor een volgende causerie! Nankoes babbeltje in Sukru Oso heeft ongetwijfeld zelfs de aanwezige leek in de Caribische literatuur op deze avond absoluut een interessant beeld over de Caribische literatuur gegeven!

[uit DWT, 28 januari 2012]

Donner gebelgd over Nankoe tijdens causerie

Op 26 januari organiseerden prominente cultuurkenners een causerie over Caribische Literatuur in Sukro Oso. Gast hierbij was drs Lucia Nankoe. Zij is een kenner van vooral de Franstalige Caraibische literuur en doceert deze thematiek in Nederland. Nankoe was in gesprek met Hein Eersel, taalkundige. Don Walther, die de causerie bezocht, ergerde zich over het feit dat Lucia Nankoe, geen Surinaamse boeken besprak en ook geen aanbevelingen wilde doen in deze richting. Het publiek kon zich in het algemeen hierin terugvinden. Inmiddels heeft Donner zijn ergernis verwoordt in een internetschrijven, waarbij hij Nankoe een ‘krabbenmentaliteit’ verwijt. De stoom die Donner blaast, kan een indicatie zijn dat er in inderdaad in Suriname zelf meer discussie moet komen over de producties van Surinaamse schrijvers en hun positie in het literaire en maatschappelijke veld.

[S’77 Info]

Kettly Mars & Natasja Kensmil in MC Theater

Wrede Seizoenen Tussen macht en machteloosheid, over leven en overleven onder dictatuur

Op 24 november om 20.00 uur presenteert Kettly Mars de Nederlandse vertaling van haar roman Wrede seizoenen in het MC Theater in Amsterdam. Tijdens de avond vertelt ook beeldend kunstenares Natasja Kensmil over haar werk en zorgt de soulvolle zangeres Shirma Rouse voor de muzikale omlijsting.

De avond wordt geleid door Tanja Fraai, journaliste en programmamaker.
Lucia Nankoe, romaniste en literatuurwetenschapper, is de curator van deze avond.

Kettly Mars is één van de 2011 Prins Claus Laureaten. Het Prins Claus Fonds eert met de Prijs haar gedurfde aanpak van onconventionele onderwerpen die een belangrijke nieuwe impuls gaf aan de Caribische literatuur. De Prijs en het verschijnen van een Nederlandse vertaling van haar voorlaatste roman bij uitgeverij De Geus/ Oxfam Novib is de aanleiding een avond aan haar te wijden en bepaalde onderwerpen uit te diepen die in het boek belicht worden.

Tijdens deze avond leest Kettly Mars passages voor uit Wrede Seizoenen. Het verhaal speelt zich af in het Haïti van de jaren zestig, dat beheerst wordt door het schrikbewind van de Duvaliers. De man van Nirvah werkt als journalist voor de belangrijkste oppositiekrant. Zijn kritiek op het regime wordt hem niet in dank afgenomen: hij wordt opgepakt door de militie en Nirvah blijft achter met hun kinderen. De enige manier om haar man terug te zien en voor haar gezin te kunnen zorgen, is dat ze zich inlaat met de gevaarlijke Raoul Vincent, een belangrijke functionaris binnen het regime.

In het werk van beeldend kunstenares Natasja Kensmil is het fenomeen macht ook een terugkerend thema. Zo maakte ze bijvoorbeeld de serie Raw Couples, portretten van voornamelijk machthebbers van eind negentiende, begin twintigste eeuw. De geportretteerde echtparen waren vaak via familiebanden aan elkaar verwant en stonden soms al zeer jong en onervaren aan de macht van een groot imperium wegens voortijdig overlijden van hun voorganger.

Kettly Mars (Port-au-Prince, 1958) is één van de succesvolste Caribische schrijfsters van dit moment. Ze begon rond haar 35ste te schrijven. Eerst schoorvoetend, erotisch geladen poëzie waarin ze de liefde, de natuur en alledaagse dingen bezingt. Daarna volgt in 2003 haar eerste roman Kasalé over Haïtianen die worstelen met hun bestaan. L’heure hybride (2005) gaat over Rico, een man die na een nacht vol drank en seks nadenkt over het leven en concludeert dat er maar een vrouw is van wie hij houdt: zijn moeder die prostituee is. Kettly Mars is een daadkrachtige schrijfster die weet te ontroeren en die een fascinerend en scherp beeld schetst van de Haïtiaanse maatschappij.

Natasja Kensmil (1973) is van Surinaamse afkomst. Ze studeerde aan De Vrije tekenacademie en de Gerrit Rietveld Academie in Amsterdam, waarna zij De Ateliers in Amsterdam volgde. Geschiedenis is een belangrijk thema in het werk van Kensmil. Haar beelden van angst zijn raadselachtig, vaak gerelateerd aan religie en mythologische verhalen. In de schilderijen en tekeningen vallen de lichte en donkere kleuren in eerste instantie op, daarna ontvouwen zich de andere kleuren die verborgen liggen in en onder de huid. Haar nieuwste werk is getiteld Sleeping Beauty waarvoor zij zich liet inspireren door foto’s van overleden kinderen.

Shirma Rouse (1980) is zangeres en geeft les op het conservatorium in Enschede en op het Albeda College voor muziek en productie. Ze werd geboren op Curaçao, bracht een groot deel van haar jeugd door op St.Eustatius en verhuisde in 1999 naar Nederland waar ze haar tienjarige muziekcarrière opbouwde. Ze verdiepte zich in funk, jazz en soulvolle muziek. Ze was achtergrondzangeres in de groep Tasha’s World en daarna trad ze op, toerde ze en nam ze nummers op met artiesten uit verschillende genres, waaronder Intwine, Extince, Wouter Hamel, Candy Dulfer, Alain Clark, Anouk, Randal Corsen, Margriet Sjoerdsma en Gerard van Maasakkers. Het debuutalbum van Shirma Rouse verscheen in 2010 onder de naam Chocolate Coated Dreams.

Toegang gratis.
Aanmelden verplicht: klik hier

Het MC Theather: Polonceaukade 6 1014 DA Amsterdam
Tel 020- 6065050

Dit programma is onderdeel van Internationale Kunst in Amsterdam van het Prins Claus Fonds en het Amsterdams Fonds voor de Kunst.

Wrede Seizoenen

Tussen macht en machteloosheid, over leven en overleven onder dictatuur

Een avond met Kettly Mars (Haïti)
ook met Natasja Kensmil en Shirma Rouse

Op 24 november om 20.00 uur presenteert Kettly Mars de Nederlandse vertaling van haar roman Wrede seizoenen in het MC Theater in Amsterdam. Tijdens de avond vertelt ook beeldend kunstenares Natasja Kensmil over haar werk en zorgt de soulvolle zangeres Shirma Rouse voor de muzikale omlijsting.

De avond wordt geleid door Tanja Fraai, journaliste en programmamaker. Lucia Nankoe, romaniste en literatuur-wetenschapper, is de curator van deze avond.

Kettly Mars is één van de 2011 Prins Claus Laureaten. Het Prins Claus Fonds eert met de Prijs haar gedurfde aanpak van onconventionele onderwerpen die een belangrijke nieuwe impuls gaf aan de Caribische literatuur. De Prijs en het verschijnen van een Nederlandse vertaling van haar voorlaatste roman bij uitgeverij De Geus/ Novib is de aanleiding een avond aan haar te wijden en bepaalde onderwerpen uit te diepen die in het boek belicht worden.

Tijdens deze avond leest Kettly Mars passages voor uit Wrede Seizoenen. Het verhaal speelt zich af in het Haïti van de jaren zestig, dat beheerst wordt door het schrikbewind van de Duvaliers. De man van Nirvah werkt als journalist voor de belangrijkste oppositiekrant. Zijn kritiek op het regime wordt hem niet in dank afgenomen: hij wordt opgepakt door de militie en Nirvah blijft achter met hun kinderen. De enige manier om haar man terug te zien en voor haar gezin te kunnen zorgen, is dat ze zich inlaat met de gevaarlijke Raoul Vincent, een belangrijke functionaris binnen het regime.

In het werk van beeldend kunstenares Natasja Kensmil is het fenomeen macht ook een terugkerend thema. Zo maakte ze bijvoorbeeld de serie Raw Couples, portretten van voornamelijk machthebbers van eind negentiende, begin twintigste eeuw. De geportretteerde echtparen waren vaak via familiebanden aan elkaar verwant en stonden soms al zeer jong en onervaren aan de macht van een groot imperium wegens voortijdig overlijden van hun voorganger.

Plaats: MC Theater (Grote zaal) in Amsterdam
Datum: donderdag 24 november 2011
Start programma 20.00 uur
Toegang gratis

Weinig Nederlands-Caraïbische schwung op Winternachten

Geen schrijvers uit Suriname, op de editie van het Haagse festival Winternachten dit jaar, dat a.s. donderdag 14 januari opent. Hé, zitten ze daar te suffen in Suriname, schiet het niet op? Of zitten de scouts van Winternachten (i.c. Lucia Nankoe) te slapen?

Wel optredens van Surinamers die in Nederland leven: Karin Amatmoekrim, Gerard Spong en een retrospectief gewijd aan de films van Frank Zichem. Van de Bovenwinden is er Wycliffe Smith (ook bepaald niet de jongste onder de Nederlands-Caraïbiërs), uit Haïti Kettly Mars en uit de Dominicaanse Republiek Juno Diaz.

Verder is er een onderdeel over de nieuwe staatkundige structuur van de Antillen – waar een literair festival al niet op komt – onder de noemer ‘How to Bluff Your Way into Saba, Statia and Bonaire’. Winternachten zegt er dit over:

Een spoedcursus nieuwe Nederlandse gemeenten! Nog een paar maanden en ons land krijgt er drie Caribische eilanden bij: Saba, Sint Eustatius en Bonaire. Laat je nu voorlichten over de taal en geschiedenis van deze tropische eilanden door de ingevlogen deskundigen van de eilanden zelf.Het hoogste punt van Nederland ligt binnenkort niet langer in Limburg, maar op Saba. Nederlandse natuurbeschermers zullen zich moeten gaan bekommeren om koraalriffen. Maar ook de taal en cultuur gaan veranderen. Komen het Papiamentu en het Antilliaans Engels in aanmerking voor dezelfde status als het Fries? Dat valt nog te bezien. Maar in ieder geval kan het geen kwaad als de inwoners van Nederland alvast een paar woorden Papiamentu en Antilliaans Engels gaan leren en basiskennis cultuur en geschiedenis van de nieuwe Nederlandse gemeenten krijgen. Die kans krijgt het publiek tijdens dit programma op Winternachten.

Een lichtvoetig programma met een spoedcursus nieuwe talen van Nederland, een inleiding in de literatuur, de volksverhalen en de geschiedenis, en een kennismaking met de muzikale tradities van de drie eilanden. Schrijvers en musici uit Saba, Statia en Bonaire voorzien het publiek van alles dat het moet weten over taal en cultuur van het nieuwe Nederland. Gilbert Wawoe (oud lid van de Raad van State) was nauw betrokken bij het overgangsproces van de drie eilanden. Hij vertelt over de soms wonderlijke bestuurlijke en juridische problemen die gepaard gingen met deze unieke staatkundige verandering. Kun je de Nederlandse wetten zomaar laten gelden voor (sub)tropische eilanden? Wycliffe Smith, schrijver van Saba, geeft het publiek met verhalen en gedichten een beeld van de cultuur en geschiedenis van Saba en Statia. Schrijver en journalist Bòi Antoin, begaan met het lot van zijn geboorte-eiland Bonaire, vertelt verhalen over de geschiedenis en cultuur van Bonaire. Musicus Victor Sams (afkomstig van Statia) treedt op met het onafscheidelijke steelpan duo Cornel Brown en Leroy James, beiden afkomstig van Statia. Het programma wordt gepresenteerd door actrice Paulette Smit en Ruben Severina.

Theater aan het Spui – kleine zaal – za 16 jan – 14.00 uur
€15,- (Uitpas €13,50 CJP/Studenten/Ooievaarspas €7,50)

Karin Amatmoekrim wint BMW Literatuurprijs

Op de afsluitingsavond van het Black Magic Woman-festival – gisteravond in het Bijlmerparktheater in Amsterdam – is bekendgemaakt dat Karin Amatmoekrim met haar roman Titus de eerste winnaar is geworden van de Black Magic Woman Literatuuroprijs.

De andere genomineerden waren Tessa Leuwsha met Solo, een liefde en Naima el Bezaz met Het Gelukssyndroom. De jury van deze eerste BMW Literatuurprijs bestond uit Laetitia Griffith (Tweede Kamerlid voor de VVD), Christine Otten (schrijfster), Lucia Nankoe (letterkundige en specialiste in Caraibische vrouwenliteratuur), Michiel van Kempen (letterkundige en Surinamist) en Alfred Schaffer (schrijver en redacteur Bezige Bij).
Hieronder het integrale juryrapport.
Titus van Karin Amatmoekrim

De jury is er unaniem over eens dat het hier een geboren schrijfster betreft die het vak beheerst en een duidelijke ambitie aan de dag legt om het eigen schrijverschap serieus op de kaart te zetten. Dat eigen schrijverschap stoort zich niet aan grenzen: voor de nieuwe generatie vallen grenzen alleen samen met de hele globe. Amatmoekrim is een schrijfster die trefzeker beschrijvingen neerzet, overtuigende dialogen schrijft, die het verhaal zorgvuldig opbouwt en er niettemin flink de vaart in houdt. Zij bedient zich van een eigenzinnige manier van schrijven die overtuigt, en die het existentialisme van de jaren ’50 een geheel nieuwe dimensie geeft als eigentijds kosmopolitisch verhaal.
De thematiek in dit boek is intrigerend: ieder einde is een nieuw begin. Vervreemding en ontworteling zijn zeer goed uitgewerkt. Het is een schrijversprestatie om zo de andere kant van verdriet te laten zien.

Het Gelukssyndroom van Naima El Bezaz

De jury is vol lof over de Het Gelukssyndroom. Deze, ogenschijnlijk eenvoudig geschreven en gecomponeerde roman, heeft vele lagen. Het verhaal gaat over vriendschap, ziekte, dood, de gevolgen van migratie, cultuurverschillen, over schrijven en, niet in de laatste plaats, over een diepe depressie. De schrijfster toont moed in het literair uitwerken van persoonlijke dilemma’s (depressie) ; ze stelt zich kwetsbaar op zonder larmoyant te worden. Haar taal lijkt eenvoudig, maar de beelden van zowel Marokko als Nederland die El Bezaz oproept, verraden een scherp literair gevoel. Haar stijl is oorspronkelijk en consistent. Het verhaal is meeslepend en beeldend geschreven. De schrijfster weet wat ze teweeg brengt. De roman bevat van begin tot het einde komische passages, en is zeer beeldend geschreven.
Bij de passages die zich in Marokko afspelen waant de lezer zich in Marokko en roept de auteur een wereld op die niet bekend is bij de gemiddelde Nederlandse lezer.
De meerdere lagen in Het Gelukssyndroom zijn ingenieus; door te schrijven over het schrijven zelf, krijgt het verhaal nog een duidelijke extra betekenis en diepgang. De urgentie dampt van iedere pagina, dit boek is geschreven op het scherpst van de snede.

Solo, een liefde van Tessa Leeuwsha
Het verhaal Solo van de Surinaamse Tessa Leeuwsha doet een beroep op alle zintuigen en op een subtiele manier waant de lezer zich in Suriname.
De jury is zeer onder de indruk van deze gave van de schrijfster, de sferische beelden, de geuren en kleuren, ze overtuigen.
De schrijfster weet ook op natuurlijke en herkenbare manier de Surinaamse cultuur en geschiedenis in het verhaal te verweven.
Het thema, het niet kunnen ontstijgen van je eigen milieu , is zowel actueel als universeel.
De omgekeerde Orpheus-mythe verwerkt in het boek is een mooie vondst. De schrijfster slaagt er verder in de levens van de personages en de omgeving op herkenbare en ontroerende wijze neer te zetten.

Nominaties Black Magic Woman Literatuurprijs

Van 12 t/m 15 november pakt Het Black Magic Woman Festival uit in het spiksplinternieuwe Bijlmer Parktheater met het thema New Beginnings.

Er wordt ook een nieuw begin gemaakt met de Black Magic Woman Literatuurprijs voor zwarte-, migranten- of vluchtelingenschrijfster voor een gepubliceerd verhaal/boek in het Nederlands of algemeen beschikbaar in een Nederlandse vertaling.

De genomineerden zijn Tessa Leuwsha met Solo, een liefde, Naima el Bezaz met Het Gelukssyndroom en Karin Amatmoekrim met Titus. De drie geselecteerde boektitels worden gejureerd op zeggingskracht, originaliteit en actualiteit van schrijfsters in de diaspora.

De jury van deze eerste Literatuurprijs bestaat uit Laetitia Griffith (Tweede Kamerlid voor de VVD), Christine Otten (schrijfster), Lucia Nankoe (letterkundige en specialiste in Caraibische vrouwenliteratuur), Michiel van Kempen (letterkundige en Surinamist) en Alfred Schaffer (schrijver en redacteur Bezige Bij).

Historische romans en slavernijgeschiedenis

Op vrijdag 18 en zaterdag 19 september a.s. vindt in Amsterdam een internationaal symposium plaats over historische romans en de beeldvorming over de slavernijgeschiedenis. Op vrijdag opent het symposium met een tori neti (story telling en reading) in Kwakoe (Amsterdam Zuid-Oost), het symposium op zaterdag vindt plaats in de Muiderkerk, schuin tegenover het Tropeninstituut. Het volledige programma hieronder.

Vrijdag 18 september 2009

Story telling & Reading 19.00 – 22.00 uur (Tori neti)

19.00 uur: Opening drs. E. Sweet (Stadsdeelvoorzitter Zuidoost), Faustin Charles (Londen), Ernest Pepin (Guadeloupe)
19.30 uur: Reading Eilandherinneringen van Ina Césaire, uitgevoerd door “Onze herinneringen”
Cast “Onze Herinneringen” 1. Maikel van Hetten (regie/spel) 2. Maureen Tauwnaar (spel) 3. Hellen J. Gill (zakelijke – en technische leiding) 4. Lucia Nankoe, oprichtster, vertaler, algemene leiding “Onze Herinneringen”

Entree gratis. Reserveren verplicht op: info@podiumkwakoe.nl
Locatie: Podium Kwakoe, Frissenstein 78, 1102 AP Amsterdam Zuidoost, Telefoon 020 – 695 83 69

Zaterdag 19 september

Internationaal symposium Historische romans en beeldvorming slavernijgeschiedenis

11.00 uur: Inloop

11.30 uur: Opening dr Artwell Cain: directeur Ninsee, drs John Amand: voorzitter Podium Kwakoe, Faustin Charles: story teller, drs Margot Dijkgraaf: moderator

symposium

12.00 – 12.20 uur: drs Lucia Nankoe: Historische romans en de Franse strijd.

12.20 – 12.40 uur: Prof. dr Michiel van Kempen: Historische romans en het Nederlands Trans-Atlantische slavernijverleden.

12.40 – 13.00 uur: Ernest Pépin: Historical novels and Slavery History: An international critique!

13.00 – 13.30 uur: Debat

13.30 – 14.00 uur: Pauze

14.00 – 14.10 uur Sneak preview van De Zwarte Lord, een bijna 500 pagina’s tellende historische roman gesitueerd in Suriname en Nederland van 1848 van de hand van Rihana Jamaludin, die in november verschijnt bij Kit Publishers.

14.10 – 14.30 uur: Quito Nicolaas: Het publieke debat I: Historische romans/beeldvorming en de strijd om de lezers.

14.30 – 14.50 uur: Cynthia Mc Leod: Het publieke debat II: Het gelijk van de lezer versus het gelijk van de schrijver .

14.50 – 15.10 uur: Suzanne Diop: Un aperçu de la production de Présence Africaine sur la question de l’esclavage.
15.10 – 16.00 uur: Slotdebat

16.00 – 17.00 uur: Afsluiting met borrel

Entree gratis. Reserveren verplicht op: info@podiumkwakoe.nl
Locatie: Ninsee / Muiderkerk, Linnaeusstraat 37, 1093 EG Amsterdam, Tel. Ninsee: 020 – 568 8 568

Verslag eerste Caraïbische Letterendag

1E CARAIBISCHE LETTERENDAG

Op 11 november 2007 vond de eerste activiteit van de Werkgroep Caraïbische letteren plaats in de Hella Haassezaal van de Openbare Bibliotheek te Amsterdam. De bijeenkomst begon om 15.30 en werd ruim na 17.30 besloten. Bij deze feestelijke lancering van de werkgroep waren circa 100 bezoekers, zodat de zaal meer dan vol was. Een kleine groep, ca. 12 mensen, moest de toegang geweigerd worden.

 

Lancering1

De organisatie van deze letterenmiddag was mogelijk doordat de werkgroep optimaal gebruik heeft kunnen maken van de organisatorische expertise en de publicitaire armslag van het Black Magic Woman festival, in het bijzonder door de samenwerking met Maureen Healy, de artistiek leider van het BMW festival. Ook het team van het OBA, onder leiding van mw. M. Troelstra, en de subsidie van het Lira Fonds hebben ertoe bijgedragen dat deze middag gerealiseerd kon worden.

Het publiek bestond uit in de literatuur van het Caraïbisch gebied geïnteresseerden, maar ook uit jong nieuw publiek dat op het BMW festival afkwam. Verschillende schrijvers, onder wie Erich Zielinski uit Curaçao, hebben deze middag acte de présence gegeven.

De marketing is deels via het BMW festival vorm gegeven, via mailingbestanden van de werkgroep en een flyer die ook opgenomen werd in de Nieuwsbrief van het kabinet van de Gevolmachtigd Minister van de Nederlandse Antillen. Ook in verschillende radioprogramma’ s voor Surinamers en Antillianen en Arubanen in Nederland is aandacht besteed aan de letterenmiddag.

 

Lancering3

De werkgroep bestaat uit: voozitter: Lilian Gonçalves-Ho Kang You; vicevoorzitter: Peter Meel; secretaris: Maite de Haseth; penningmeester: Michiel van Kempen; overige leden: Annette de Vries, Carl Haarnack, Henry Habibe en Igma van Putte-de Windt.

Aangezien de werkgroep zich ten doel stelt het initiëren en ondersteunen van activiteiten ter bevordering van de Caraïbische letteren, zowel in gedrukte als in gesproken vorm, waren voor deze manifestatie verschillende sprekers uitgenodigd. De heer Rutgers en Diana Lebacs zijn zelfs speciaal hiervoor uit de Antillen overgekomen. De programmaonderdelen, die door Carl Haarnack werden aangekondigd, waren:

Welkomstwoord; daar de voorzitter van de werkgroep mw. Lilian Gonçalves-Ho Kang You verhinderd was, is het welkomstwoord uitgesproken door mw. Igma van Putte-de Windt. De doelstellingen van de werkgroep werden uiteengezet en die van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, waar de werkgroep een onderdeel van is. Enkele van de te ontplooien activiteiten werden vermeld: twee lezingenreeksen op jaarlijkse grondslag, nl. de Rudolf van Lier-lezingen, met het accent op sociaal-historische en culturele onderwerpen en de Colá Debrot-lezingen die literair georiënteerd zullen zijn. Voorts een jaarlijkse letterenbijeenkomst met debat en voordracht.

Voordracht door Dr. Michiel van Kempen, bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, met als thema: Passaat, maalstroom en Noordzeestrand: de literatuur van Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba anno 2007. Hij stelde dat de literatuur uit genoemde gebieden niet erg bekend is bij het Nederlandse publiek en noemde o.a. de Curaçaoënaar Pierre Lauffer en de Surinamer Trefossa, wier werk, volgens hem niet de kans heeft gehad enige reputatie buiten hun land te verwerven, omdat hun poëzie zeer idiomatisch gebonden is aan de taal waarin zij schrijven. Van hun werk is pas zeer recent de eerste geslaagde vertaling verschenen. Van Kempen verraste het publiek door het een bibliofiele editie van het gedicht van Bernardo Ashetu (Suriname) Indiaans aan het einde van zijn voordracht aan te bieden.

Voordracht door Dr. Wim Rutgers, hoogleraar aan de Universiteit van de Nederlandse Antillen, literair criticus en kenner van de literatuur van de Nederlandse Antillen en Aruba met als thema: De stand van zaken in de literatuur van de Nederlandse Antillen en Aruba. Hij benadrukte dat deze literatuur niet alleen bestaat uit het in het Nederlands gepubliceerde werk van ‘De grote vier’, nl. Colá Debrot, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion, en uit dat van ‘De grote drie’ van het Papiamentu, te weten Pierre Lauffer, Luis Daal en Elis Juliana. Hij poneerde dat de literatuur van de ABC-eilanden al vanaf het begin van de XIXe eeuw multilinguaal is en dat ook zal blijven en dat die van de S-eilanden (Saba, St, Maarten en St. Eustatius) Engelstalig is en zal blijven. Er dient rekening gehouden te worden met deze meertaligheid en de werkgroep zal, in Rutgers visie, de blik over het Nederlands heen op de andere talen moeten richten om deze literatuur in haar geheel tot haar recht te doen komen. Hij stond stil bij de vele literaire activiteiten die de laatste tijd op de eilanden plaats vonden. Veelal was er sprake van voordracht van poëzie, in samenwerking met de horeca, op straat, vanuit bomen etc., echter de geschreven poëzie is vnl. gelegenheidspoëzie. De W.C.L. zal zich vnl. op de eilanden moeten richten wil men een goed beeld krijgen van de literaire productie aldaar. Rutgers had voor de bezoekers een lijst klaargelegd met namen van auteurs van de eilanden en hun tot 2007 gepubliceerde werken.

Denis Henríquez, Arubaans auteur. Hij publiceerde: Zuidstraat (1992), Delft blues (1995) en De zomer van Alejandro Bulos (1999). Hij week af van de oorspronkelijke opzet en las niet voor uit eigen werk, maar sprak in zijn voordracht getiteld: Schaduwen beneden de wind over de vier belangrijkste Nederlandstalige auteurs van de Benedenwindse eilanden, Colá Debrot, Tip Marugg, Boeli van leeuwen en Frank Martinus Arion. Hij liet zien hoe men op de eilanden worstelt met de huidskleur: in Mijn zuster de negerin is er de hunkering naar de warmte van de negerin; in Weekend Pelgrimage is de verhouding van de blanke hoofdpersoon tot zijn zwarte eiland aan de orde; in De rots der struikeling is de hoofdpersoon op zoek naar zijn identiteit en uit angst om die te vinden zoekt hij het gezelschap van hoeren. In Dubbelspel tenslotte barsten de frustratie en de haat van de zwarte bevolking van binnenuit in moord. Henríquez werd aansluitend geïnterviewd door Lucia Nankoe.

Antoine de Kom, Surinaams dichter, heeft uit De punt, dat binnenkort gepubliceerd wordt, voorgelezen. Van hem verschenen o.m. de volgende dichtbundels: Tropen (1991), De kilte in Brasilia (1995), Zebrahoeven (2001) en Chocoladetranen (2004). Ook hij werd aansluitend geïnterviewd door Lucia Nankoe. Diana Lebacs, Antilliaans auteur. Zij publiceerde o.a.: Sherry: het begin van een begin (1971), De langste maand (1994). In haar voordracht legde zij de link met het thema van het Black Magic Woman festival: Dochters en vaders, met het voorlezen van een op haar eiland Bonaire bekend verhaal over een indiaanse hoofdman wiens dochter nadat ze door haar broer vermoord is verandert in een zeemeermin. Slot.
Met een kort slotwoord bedankte Carl Haarnack alle bezoekers en medewerkers voor hun bijdrage aan deze letterenmiddag en overhandigde alle sprekers een boeket bloemen.

De commentaren na afloop van de letterenmiddag waren zeer positief, zowel van de bezoekers als van de medewerkers aan deze middag.

__________________________________________________________________________________________

Tekst uitgesproken door Michiel van Kempen op de eerste Caraïbische Letterendag, 25 november 2007

Michiel van Kempen

Tien stellingen over Nederlands-Caraïbische letteren

Als ik in België spreek over ‘Suriname’ is er niet zelden verwarring over de naam en knikt men aanmoedigend, omdat men denkt dat ik het over Sumatra heb. In Franstalig België denkt men bij ‘Les Antilles néerlandaises’ direct aan La Réunion, de beter geïnformeerden aan Guadeloupe of Martinique, maar het licht gaat pas aan als ik opmerk dat het land opzij van la Guyane française ligt. Zo erg is het in Nederland niet, maar ook in Nederland is de literatuur van Suriname en de Antillen nog weinig bekend. Toen ik bij gelegenheid van de CPNB-actie rond Dubbelspel van Frank Martinus Arion op tournee was in Oost-Nederland, bleek mij dat slechts heel weinig namen uit de Surinaamse en Antilliaanse hoek tot daar zijn doorgedrongen. Tekenend is ook wat er gebeurde toen een bibliotheek in de buurt van Amersfoort voor het slotdiner van de CPBNB-actie Arion zelf niet meer kon krijgen; de dienstdoende bibliothecaris vraag daarop: ‘Maar hebt u dan geen andere zwarte schrijver voor ons?’
Toen de Leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in 2002 gevraagd werd een canon van Nederlandstalige auteurs op te stellen, kwam er een lijst van 108 auteurs tot stand, niet één echter kwam uit het Caraïbisch gebied. Beter deden de Caraïbiërs het op een lijst van 100 dode schrijvers, opgesteld in 2007 door het Nederlands Letterkundig Museum: op nr. 79 stond Cola Debrot, direct gevolgd door Albert Helman, en met nr. 99 werd het gebied met Hans Faverey ook nog enigszins vertegenwoordigd.
Bij de Publiekskeuze van het Beste Nederlandstalige boek aller tijden, in 2007 georganiseerd door de NPS en NRC Handelsblad verscheen op plaats nr. 1. Harry Mulisch met De ontdekking van de hemel, op plaats 2 opmerkelijk genoeg Kader Abdolah met Het huis van de moskee, en op 3. Multatuli met de Max Havelaar. Maar op die publiekslijst stonden ook vijf Caraïbische boeken:

Cynthia Mc Leod, Hoe duur was de suiker?
Albert Helman, De stille plantage
Astrid Roemer, Lijken op liefde
Frank Martinus Arion, Dubbelspel
Tip Marugg, De morgen loeit weer aan

Wat zijn nu de problemen waarmee Surinaamse, Antilliaanse en Arubaanse auteurs kampen – en dan heb ik vooral over de situatie in Nederland? Wat zijn de factoren die maken dat ze zo weinig zichtbaar zijn in het literaire bedrijf in Nederland? Ik noem er kort een tiental en kom er later op terug:

1. Niemand schrijft met opzet een slecht boek, dat is zeker waar. Maar de meeste boeken van Surinaamse en Antilliaanse origine zijn beneden de maat.
2. De oorzaak hiervan is: de auteurs uit het Caraïbisch gebied zijn weinig zelfkritisch. Er zijn dichters die zo beroerd schrijven dat je als lezer de indruk zou kunnen krijgen dat het om bewuste taalexperimenten gaat.
3. De vertaling van de Caraïbische werkelijkheid naar een publiek dat weinig van die werkelijkheid af weet, lukt niet.
4. Gevolg van het voorgaande; de auteur belandt tussen twee publieken in: met zijn taal en zijn werkelijkheidsrepresentatie vervreemdt hij zich van zijn eigen achterban, terwijl er nauwelijks een nieuw publiek gecreëerd wordt. Alleen de smalle culturele elite die exact op dezelfde golflengte zit – de beter opgeleide lezers van Surinaamse en Antilliaanse afkomst – brengen waardering op voor het werk. Het klassieke voorbeeld is Edgar Cairo die met zijn ‘Cairojaans’ zijn eigen variant van het Surinaams-Nederlands schiep, een taalvariant die echter door veel Surinamers verworpen werd als te aanstellerig en te creatief, een taal waarvan de Nederlandse, witte lezers de lol niet konden inzien, omdat ze noch de verwijzingen naar het Surinaamse straatleven, noch het spelen met het Sranan konden vatten.
5. Dichters schrijven bij voorkeur in hun moedertaal; de belangstelling voor poëzie in bijvoorbeeld het Papiamentu of het Sranan (ook met vertaling) is in allochtone bejaardencentra welwillend, bij Caraïbische culturele manifestaties matig en wat groter naarmate er meer familieleden van de dichter in de zaal zitten, en bij Nederlandse uitgevers 0,0.
6. Televisie en radio houden van mediagenieke types als Anil Ramdas, Jörgen Raymann en Tommy Wieringa, en zelfs Nederlands bekendste presentatoren Pauw en Witteman halen liever een onverstaanbare rapster uit de Bijlmer voor de buis, dan een serieus dichter.
7. Nederlandse critici zijn behoudzuchtig en gemakzuchtig in hun keuze. Ze weten dat ze de meeste lezers vinden met recensies van boeken van bekende schrijvers, recensies over het selecte aantal boeken dat in grote stapels ligt bij de zichzelf boekhandel noemende keten van de bekende literaire prijs. Als over de Vlaamse topauteur Dimitri Verhulst in Nederland al geklaagd wordt dat hij zoveel ‘archaïsmen’ gebruikt, dan kan men zich voorstellen, dat de critici al helemaal geen zin hebben om zich te verdiepen in de culturele achtergrond van de Caraïbische literatuur.
8. Veel Caraïbische auteurs worden gepubliceerd door uitgeverijen die niet de financiële armslag hebben om hun auteurs goed ‘in de markt te zetten’, zoals dat tegenwoordig heet.
9. Bij gebrek aan een breed aanbod, halen de grote literatuurfestivals rijp en groen uit Suriname en de Antillen. Dat werkt voor de naam van de Caraïbische literatuur in het algemeen slecht; de echt goede auteurs hebben daar last van.
10. En tenslotte: de Nederlands-Caraïbische literatuur is te lokaal gericht, te klein, of om te spreken in de woorden van de bekende vertaler, winnaar van de Martinus Nijhoffprijs en redacteur van het tijdschrift De tweede ronde Peter Verstegen: ‘Die literatuur, dat is toch net zoiets als de literatuur van Luxemburg?’ Bovendien: Nederlandse lezers houden niet van maatschappelijk geëngageerde literatuur, ze zijn – excuseer mijn academisch taalgebruik – het gezanik over de slavernij beu en willen niet langer geconfronteerd worden met hun eigen groezelige geschiedenis.

Laat ik diezelfde factoren nog eens de revue passeren, en ze van een andere kant bezien:
1. Evenmin als het Nederlandse boekenaanbod, is de kwaliteit van boeken uit Suriname en de Antillen gelijkmatig, maar het is onvoorstelbaar dat bij de nog zo jonge traditie van het geschreven woord, al zoveel boeken zijn gepubliceerd die mee kunnen op het eerste plan, denk maar aan Dubbelspel, De morgen loeit weer aan, of Geniale anarchie van Boeli van Leeuwen, of meer recentelijk de essaybundels van Anil Ramdas of de poëziebundels van Antoine de Kom.
2. Er zijn auteurs die zo kritisch zijn op hun eigen werk, en die hun eigen niveau zo continu afspiegelen aan dat van de beste internationale schrijvers, dat zij nooit of maar heel mondjesmaat tot publiceren komen. Maar er is ook een hele schrijversgeneratie opgestaan die heeft gezorgd voor meer romans sinds het jaar 2000 dan alle romans uit Suriname en de Antillen daarvóór.
3. Er zijn schrijvers die hun land van herkomst helder in beeld brengen voor lezers uit welk land dan ook, en dat grandioos en verbeeldingsrijk doen. Om maar een voorbeeld te noemen: enkele van de verhalen uit de bundel Waarover we niet moeten praten; Nieuwe Surinaamse en Antilliaanse verhalen verdienen een plaats in een bloemlezing met het beste korte Nederlandstalige proza van 2006.
4. Met behoud van het taaleigen is het wel degelijk mogelijk om een groot publiek te bereiken, vooropgesteld dat een auteur ook bereid is om met zijn publiek rekening te houden. Met poëzie geschreven in Chinese karakters verovert men nu eenmaal niet de Nederlandse markt, al is die poëzie misschien ook van wereldniveau.
5. Misschien wel het meest authentieke van de literatuur van Suriname en de Antillen is neergelegd in poëzie. Alle grote literatuur kan ook groots vertaald worden. Het probleem is dat de gedichten van een Pierre Lauffer of een Trefossa zo idiomatisch gebonden zijn aan de taal, dat pas zeer recent de eerste geslaagde vertalingen van hun poëzie zijn verschenen. Zij hebben niet de kans gehad enige reputatie te verwerven buiten hun land van herkomst, zodat de namen Trefossa en Lauffer nog altijd volstrekt onbekend zijn bij het Nederlandse poëziepubliek.
6. Natuurlijk zetten televisie en radio altijd in op mediagenieke types. Het zijn nu eenmaal massamedia, gedicteerd door de kijk- en luistercijfers. De media en ook de hele literaire infrastructuur van uitgeverij en boekhandel kan nu eenmaal alleen bestaan bij gratie van de grote successen. De veelverkopende schrijvers dragen de weinigverkopende auteurs. Maar goed toegankelijke dichters als Gerrit Komrij, Jean-Pierre Rawie en Drs P. halen wel degelijk de publiciteit en verkopen grote aantallen van hun dichtbundels. De dichter of schrijver die nooit water bij de wijn doet heeft per definitie gelijk, maar neemt het risico altijd in de kille ijlte van de Parnassus te blijven zitten.
7. Er valt altijd wel wat te jeremiëren, maar Nederlandse critici pikken bij tijd en wijle zeker wel boeken uit de grote stapel, uit nieuwsgierigheid naar andere literatuur. Van het prozadebuut van Denis Henriquez, Zuidstraat, telde ik maar liefst 18 recensies. Het debuut van Marylin Simons, Koorddansers, werd binnen een week na verschijnen kritisch maar welwillend besproken in NRC Handelsblad, en hetzelfde geldt voor Myra Römers, Verhalen van Fita, dat werd gerecenseerd in Vrij Nederland. Alle poëzie wordt in Nederland mondjesmaat besproken, maar daar zit Antoine de Kom dan wel met regelmaat bij.
8. De geschiedenis bewijst dat ook kleine uitgeverijen mooie successen kunnen boeken: Boeli van Leeuwen is een Knipscheer-auteur die meetelt in Nederland, Erich Zielinski’s prachtige roman De Engelenbron vond direct literaire erkenning en Cynthia Mc Leod werd bij Conserve een doorslaand succes. Bovendien zijn er ook altijd auteurs geweest die wel bij de grote uitgeverijen zaten – Albert Helman bij Nijgh & Van Ditmar, Cola Debrot bij De Bezige Bij, Diana Lebacs bij de belangrijke uitgeverij voor jeugdliteratuur Leopold – wat overigens natuurlijk nog geen garantie is voor ‘automatisch’ succes. De openheid bij de grote uitgeverijen naar Caraïbische auteurs is nu groter dan ooit – mede dankzij het jarenlang stug doorgaan van uitgeven door bijvoorbeeld In de Knipscheer. Zo zijn Tessa Leuwsha en Jules de Palm, Ellen Ombre en Denis Henriquez, en nog zeer recent Henna Goudzand, Marylin Simons en Aliefka Bijlsma terechtgekomen bij grote uitgeverijen.
9. Inderdaad zouden de grote festivals terughoudender moeten zijn om jong, aankomend talent voor de leeuwen te gooien, soms zelfs mensen die nog niet eens aan hun eerste boek toe zijn. Maar opvallend is wel dat de mindere goden het dankzij een opmerkelijke voordracht vaak veel beter doen dat de zgn. Grote Caraïbische Namen. En hoe je het ook wendt of keert; de constante aanwezigheid van Caraïbische auteurs op de festivals, heeft zeker veel bijgedragen aan het bewustzijn dat er naast een cultuur van de Oost ook een cultuur van de West bestaat.
10. Zo ‘t het publiek in Nederland ooit is gaan dagen, dat de koloniale geschiedenis van het Nederlandse rijk er misschien heel anders heeft uitgezien dan men lang dacht, dan is het nu. Er groeit ongetwijfeld een nieuwsgierigheid naar literaire teksten die die geschiedenis verbeelden, zoals ook het succes van een boek als De zwarte met het witte hart van Arthur Japin en Hoe duur was de suiker? van Cynthia Mc Leod laten zien. De tijd van politiek-propagandistische literatuur lijkt ook in de West voorbij. De generatie die na 2000 is opgestaan thematiseert natuurlijk vaak het land van herkomst, maar de literaire flair, de durf waarmee dat gebeurt, dwingt vaak respect af. Twaalf jaar na de uitspraak over de ‘Luxemburgse literatuur’ schreef Peter Verstegen mij: ‘Heel veel dank voor het sturen van de bundel Guirlande van Roberto Ashetu [onbekend, maar Bernardo Ashetu kennen we wel – MvK]. We zullen er zeker vier of vijf gedichten uit plaatsen. Ook het gedicht van Jit Narain is interessant, maar heeft zij misschien nog wat meer? [Zeker had zij nog wat meer, zelfs al was zij dan ook al jarenlang een ‘hij’ – MvK.] In Mama Sranan (wat een fraaie bloemlezing!) was ik erg getroffen door het gedicht ‘Jozefien’ van A. Huits.’ Ook dat is een opmerkelijke uitspraak, want in Mama Sranan staan helemaal geen gedichten. Kortom: het is wennen voor het Nederlandse literaire establishment. Wat ertoe doet is dat twaalf jaar na de ‘Luxemburgse literatuur’ De tweede ronde wél met een Caraïbisch nummer uitkwam.

Ik heb hier een aantal opposities geschetst, om te laten zien waarmee de schrijvers van Suriname, de Antillen en Aruba worstelen, hoe hun literatuur in beweging is en ook hoe de beeldvorming daarover in beweging is. Over al deze onderwerpen is nog veel meer te zeggen. Waaraan niet te tornen valt, is dat er altijd plaats is voor literatuur van bijzondere kwaliteit. Van mooie teksten zijn er nooit teveel. Daarom wil ik besluiten met een gedicht van Bernardo Ashetu, u weet: de prachtdichter die debuteerde in 1962 in de Antilliaanse Cahiers en die later nog 31 bundels schreef, maar daarvan nooit een gedicht meer heeft willen publiceren. De laatste jaren zijn in tijdschriften nog aardig wat gedichten uit de nalatenschap verschenen en in 2002 het bundeltje Marcel en andere gedichten. Maar eind 2007 verzorgde Gerrit Komrij een kleine bloemlezing uit zijn werk onder de titel Dat ik zong en al binnen een week verschenen juichende recensies in verschillende grote dagbladen. Komrij spreekt, en ziet: het recensentenvolk schiet wakker. Ashetu’s gedicht is getiteld ‘Indiaans’:

In de slotfase
van de wedstrijd
werd het feest
aangekondigd
bij Tata Miranda
te beginnen om
10 uur des avonds.

Om 3 uur
in de nacht
worden twee patrijzen
en een onvergelijk’lijk
trotse flamingo geslacht.

In de morgen
verwacht men
uit braziliaanse noten
zwaar versierde lijven
die van indiaanse
krijgslieden zijn.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter