blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Multatuli

Scherpe pen als wapen – schrijver Pramoedya Ananta Toer

door Tessa Leuwsha
 
‘Ik geloof dat de mensen mij verwarren met iemand die veel weet en veel filosofeert. Je moet niet zulke hoog gegrepen dingen vragen. Ik ben maar een heel eenvoudig mens. Ik ben niet bekend geworden door mijzelf. Ik schrijf boeken, ja. Maar bekend ben ik gemaakt, door anderen. Door het regime dat mij gevangen heeft gezet.’
Pramoedya Ananta Toer; foto Rudhi Relyveld
De Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer (1925-2006) deed deze uitspraak in een interview door het Nederlandse Algemeen Dagblad van 12 juni 1999. In dezelfde week vonden in Indonesië de eerste verkiezingen plaats in 44 jaar. De dissidente schrijver toonde zich in zijn boeken een felle tegenstander van de koloniale overheersing in Nederlands-Indië en na het ontstaan van de republiek Indonesië in 1949 van het dictatoriale bewind van Soekarno en diens opvolger Soeharto. Dit protest zorgde ervoor dat hij regelmatig werd opgepakt en een groot deel van zijn oeuvre in gevangenschap schreef.
Pramoedya Ananta Toer werd geboren in het Javaanse stadje Blora. Zijn vader was actief in de groeiende links-nationalistische stroming tegen de Nederlandse koloniale overheersing. Al op de lagere school stelde papa Toer hoge eisen aan zijn zoon Pramoedya en hun relatie was problematisch. Pramoedya kon vanwege financiële beperkingen zijn opleiding niet voltooien en na de dood van zijn moeder ging hij werken bij een Japans persbureau in Jakarta. Hij kwam er in contact met vooraanstaande Indonesiërs en onder de indruk van het steeds machtiger wordende Japan nam zijn hang naar een vrij Indonesië toe. Hij participeerde in 1945 in een gewapende vrijheidsstrijd en werd zonder vorm van proces door Nederlandse militairen twee jaar opgesloten in gevangenis Bukit Duri waar hij enkele verhalen schreef en een roman. Na de onafhankelijkheid richtte hij zijn scherpe pen op de Indonesische machthebbers en sympathiseerde met de communistische partij. Hij zat onder het bewind van president Soeharto veertien jaar gevangen op het eiland Buru (1965-1979). Tijdens zijn detentieperiode schreef Pramoedya de bekende Buru-tetralogie (‘Bumi Manusia’, in het Nederlands Aarde der mensen): vier historische romans beginnend in de koloniale tijd waarvan hij het manuscript op losse blaadjes de gevangenis liet uitsmokkelen.
 
 
 In Kind van alle volken, het tweede deel van deze romancyclus, dat zich afspeelt aan het begin van de 20ste eeuw, heeft de hoofdpersoon Minke, een Javaanse jongeman uit een adellijk geslacht, de strijd verloren om zijn 17-jarige vrouw Annelies. Annelies is geboren uit een concubinaat tussen een Nederlandse kolonist en zijn Javaanse bijzit, in Nederlands-Indië aangeduid met de term njai. De njai was een geïnstitutionaliseerd verschijnsel, ontstaan uit een gebrek aan blanke vrouwen in de kolonie, maar zij kon als ‘inlander’ geen rechten doen gelden over haar halfblanke kinderen die aan de vader behoorden. In de roman wordt de nog net minderjarige Annelies tegen haar wil naar Nederland overgebracht en ze sterft daar van verdriet. De onmacht en vernedering van de njai zijn het uitgangspunt voor Minkes opgebouwde wrok tegen de buitenlandse overheersers. De naam Minke is een verbastering van ‘monkey’: hij is een aap die maar te dansen heeft naar de grillen van de machthebbers.
Schending van mensenrechten op grond van ras, afkomst, status, taal en religie strekt zich door het gehele werk van Pramoedya Ananta Toer. Kind van alle volken is een ontwikkelings- of ideeënroman te noemen. Het boek volgt de gedachtestroom van Minke en zijn opinievorming rond kolonialisme en het opkomend nationalisme. Minke heeft ontzag voor Japan, ook een Aziatisch land maar met weinig eerbied voor de oude reus Europa. In de Tweede Wereldoorlog loopt Japan Nederlands-Indië met gemak onder de voet.
De roman Max Havelaar(1860) van Multatuli, pseudoniem voor Eduard Douwes Dekker, gold als een vroege aanklacht tegen wantoestanden aangericht door planters in Nederlands-Indië onder arme landarbeiders. Multatuli, die zelf koloniaal ambtenaar was, kon de uitbuiting door een wurgend belastingstelsel voor de Javaanse boer niet langer aanzien. Zijn belangrijke publicatie bracht bij welvarende Nederlanders het inzicht teweeg dat hun rijkdom vaak over de ruggen van arbeiders uit de Oost was vergaard. Louis Couperus, een andere beroemde Nederlandse schrijver, liet in zijn roman De stille kracht (1900) de vele mystieke Javaanse rituelen zien. Die inheemse cultuur bood tegenwicht aan het pragmatisme van de Nederlanders en werd een bron van het Javaanse verzet. Couperus, zelf zoon van een juridisch raadsheer te Batavia, voerde in De stille kracht een Nederlandse ambtenaar op die de lokale gebruiken in de wind slaat en als gevolg daarvan aan geheimzinnige machten ten onder gaat.
 
‘Oeroeg was mijn vriend’. Dit is de openingszin van de prachtige novelle Oeroeg waarmee de eveneens in Nederlands-Indië opgegroeide Hella S. Haasse in 1948 debuteerde. De novelle gaat over het verlies van een jeugdvriendschap tussen een Nederlandse en een Javaanse jongen wanneer de laatste kiest voor de wapenstrijd van zijn volk.
Pramoedya Ananta Toer schreef ruim veertig boeken die in meer dan twintig talen zijn uitgegeven. Hij was diverse keren kanshebber voor de Nobelprijs voor literatuur maar hij ontving die prijs niet. Wel kreeg hij in 1995 de Ramon Magsaysay Award, een prijs die ook wel de Aziatische Nobelprijs wordt genoemd. In 1998 ontving hij de PEN Freedom-to-write Award.
 
De schrijver raakte gedurende zijn leven teleurgesteld in het communisme vanwege het machtsmisbruik bij de leiders, maar hij bleef trouw aan de ideologie van verdeling van rijkdom. Bij de verkiezingen in 1999 riep hij het Indonesische volk op die te boycotten omdat ze niet democratisch zouden zijn. Hij richtte zijn vertrouwen op de jongeren die nog onbedorven zijn; van de jeugd moet de verandering komen.
Pramoedya Ananta Toer: Kind van alle volken, vertaald uit het Bahasa Indonesia door Loek Amstel en Don van Minde. Uitgever: Manus Amici, Het Wereldvenster, Novib/NCOS, 1981. ISBN 90-293-9866-3

“Nationaal Comité Inhuldiging” gaat het merk ORANJE nog steviger in de markt zetten

Klik op afbeelding voor groter formaat
door Tjebbe van Tijen
Het Nationaal Comité Inhuldiging met als koninklijke politieke hofleveranciers D66/Hans Wijers, PvdA/Ahmed Aboutaleb en GroenLinks/Andree van Es. (*)
Willem-Alexander na zijn kroning
Belangrijker nog zijn de leden uit het bedrijfsleven die geacht worden het merk Oranje nog steviger in de markt te zetten.
De Monarchie is ‘life entertainment’ en wie begrijpt dat beter dan Joop van den Ende met zijn multinational Stage Entertainment.
Branding is de specialiteit van Roland van der Vorst en zijn communicatiebureau They: “THEY help brands to influence the way people interact with and talk about a brand. And the way an organization behaves and earns money.”
Dan is er nog het probleem van rijk zijn en afgunst opwekken van de minderbedeelden, iets waarvoor Richard Krajicek – in de loop der goed verdienende jaren – een uitstekende formule voor heeft weten te vinden door nieuwe vormen voor de ouderwetse regenten liefdadigheid te ontwikkelen met zijn Richard Krajicek Foundation.
Nu staat een historisch product als Het Huis van Oranje, midden in de samenleving en niemand weet beter dan de CO van dit Koninklijk Huis hoe veranderlijk die markt kan zijn. In de huidige tijd houdt men de vinger aan de pols van de samenleving het beste via het internet.
Ben Woldring is een ondernemer die dat goed begrijpt en nuttige ervaring heeft opgebouwd: “Dankzij de opgebouwde expertise op het gebied van prijsvergelijkingen is de Bencom Group in staat om de meest nauwkeurige vergelijkingen en overzichten aan te bieden, ook binnen de soms zeer complexe en altijd aan veranderingen onderhevige marktsituaties. Belangrijk hierbij is dat de onafhankelijkheid te allen tijde gewaarborgd blijft zodat consumenten op ons kunnen blijven vertrouwen.”
Mavis Albertina
Omdat het Koninkrijk der Nederland zich ook uitstrekt tot in andere continenten, behoeft dit aspect bij de inhuldiging speciale aandacht. In Mavis Albertina, talkshow-gastvrouw en life-style tijdschriftuitgeefster, denkt het comité de juiste stem voor dit deel van de Oranje marketing gevonden te hebben. De historische leugen over Koning Willem III die zijn onderdanen bevrijd heeft uit de slavernij – iets wat hem door actieve inzet van de christelijke kerk op Curaçao de naam ‘Willem de Goede’ opgeleverd heeft – is nog goed genoeg verankert op dit eiland om zelfs een leuk reisje voor de toekomstige koning en koningin te overwegen.
Dat Multatuli tevergeefs zijn Max Havelaar aan Willem III aanbood en dat eerdere petities voor afschaffing van de slavernij aan hem steeds onbeantwoord bleven, dat leer je niet op school en ook op de Antillen regeert de historische leugen. Dus een leuke vlotte vrouw als Mavis Albertina geeft de zekerheid dat mocht het toch ter sprake komen er vrolijk overheen gelachen kan worden.
Tot slot is er dan nog de financiële expertise van de zakelijk directeur van het Holland Festival Annet Lekkerkerker die verder ook de smaak van de huidige vorstin voldoende kent om er zorg voor te dragen dat al te ordinair volksplezier op koninklijke afstand gehouden kan worden.
Dit laatste is geen overbodige luxe daar André Rieu heel zijn machinerie van orkest tot paardenstoeten en kartonnen keizerlijke Weense paleizen al om niet aangeboden heeft en toch het imago van de Prins met de lolbroek aan niet langer gewenst is, wil het merk Oranje haar ultieme marktpositie ook in de toekomst behouden.
—–
(*) zie “De Politieke Hofleveranciers van het Huis van Oranje in het Nationaal Comité Inhuldiging: D66, PvdA, GroenLinks” de voorloper van dit tableau de troupe
flic.kr/p/dZH8gA

Nederland is het aan zijn VOC- en WIC-verleden verplicht NiNsee een doorstart te geven

 
Jan Bank
Onder de intrigerende titel “Executiefoto’s zijn momentopnames” stond gister een artikel van emeritus-hoogleraar vaderlandse geschiedenis aan de Universiteit van Leiden Jan Bank in de Volkskrant, dat onmiddellijk grote nieuwsgierigheid bij mij opwekte en tot herinneringen aanleiding was, herinneringen aan de zo geheten “politionele acties” in het voormalig Nederlandsch-Indië. Mijn vroegste herinnering is de verontwaardiging van mijn broer die in 1947 werd afgekeurd voor militaire dienst vanwege een lui oog, dat zijn vaderlandsliefde én een grootse rol in de verdediging van ons vaderland in de kiem smoorde. Hij ging zelfs zover om herkeuring aan te vragen, maar tevergeefs, een lui oog is een lui oog en regels zijn regels.
Toen ik in 1954 in militaire dienst ging, was de Koreaanse oorlog nog maar net met een tot op de dag van vandaag voortdurende wapenstilstand – die overigens zomaar weer in een oorlog zou kunnen verkeren – een voorlopig halt toegeroepen. De politionele acties en de Koreaanse oorlog waren mijn rugdekking toen ik later door mijn zoons werd aangevallen waarom ik niet dienst had geweigerd en waarom ik dan ook nog eens een opleiding had doorlopen. Nu zou ik – indien afgekeurd – waarschijnlijk geen herkeuring hebben geëist zoals mijn broer, maar vaderlandsliefde was ook mij niet vreemd. Inzicht in wat zich rond de politionele acties allemaal had afgespeeld had ik überhaupt niet, maar dat onze zojuist herwonnen vrijheid werd bedreigd door de Koreaanse oorlog was een waar schrikbeeld.
Mijn liefde voor de grote literatuurschat die de Indische Archipel heeft voortgebracht, onherroepelijk ontstaan bij lezing van Multatuli’s Minnebrievenen de Havelaar, bracht natuurlijk wel de nodige nuancering aan in mijn standpunt ten opzichte van de Oost en alles wat zich daar heeft afgespeeld onder eeuwenlang Nederlands (schrik)bewind, maar het zou nog even duren voordat alle gruwelen van de politionele acties volledig tot mij waren doorgedrongen, sindsdien reden genoeg om mij steeds opnieuw te ergeren aan die mitigerende term “politionele acties”. Verbazingwekkend is overigens dat in de Oost-Indische literatuur nauwelijks iets te merken is van de veenbrand van het verzet tegen de koloniale overheersing, die toch al decennia voor de politionele acties woedde. Bij mijn weten is alleen in Du Perron’s Land van herkomst daarvan expliciet sprake.
Je moet er geweest zijn
 
Uit de tijd van de “apartheid” in Zuid-Afrika, toen dat land van alle kanten geboycot werd vanwege de gewelddadige instandhouding van rassen- discriminatie, stamt de slogan “Je moet er geweest zijn”, sindsdien helaas te kust en te keur misbruikt in reclameslogans. De oorspronkelijke slogan was bedoeld om aan te geven dat alleen als je in het land was geweest en de daar heersende schrijnende rassentegenstellingen aan den lijve had ondervonden, je je een oordeel kon vormen over wat zich in Zuid-Afrika onder het apartheidsregiem afspeelde. Eender geldt dit voor Nederlandsch Indië, maar die kans is verkeken, want met een nostalgische reis van een aantal weken kun je onmogelijk achterhalen wat zich in de hoofden en harten van de mensen afspeelt, daarvoor is een veel langer verblijf nodig.
Brandmerkijzers
Door een speling van het lot ben ik in Suriname terechtgekomen, het vroegere stiefbroertje van Nederlandsch Indië. In de tien jaar die ik hier nu woon is mij eerst goed duidelijk geworden hoe waar het is dat je ergens moet zijn om er over te kunnen oordelen. Want wat de koloniale overheersing het land, maar meer nog de mensen heeft aangedaan, wordt je slechts heel geleidelijk duidelijk. Het is die veenbrand die eeuwen heeft gewoed en die nog altijd niet is bedwongen, soms zie je hem even niet, maar dan duikt hij plots weer op. Hetzelfde geldt ongetwijfeld ook voor voormalig Nederlandsch Indië en voor alle voormalige koloniën, waar ook ter wereld. Het is de onderdrukking, de vernedering, die de van zijn vrijheden beroofde mens nooit helemaal van zich heeft kunnen afzetten en die plots weer bovenkomt omdat de gedachte eraan onverdraagbaar blijft. Ook al heeft hij het zelf niet aan den lijve ondervonden, het brandmerk is er nog altijd.
Executiefoto’s zijn momentopnames
Bij het zien van de titel “Executies zijn momentopnames” moest ik lachen en huilen tegelijkertijd. Lachen omdat de foto’s van die executie uiteraard momentopnames zijn, daarvoor zijn het foto’s. Maar het woord “momentopnames” werkt storend in de contekst, omdat de  idee wordt opgeroepen als zou er verder niets aan de hand zijn geweest, slechts een incident, vandaar dat huilen. Lezing van het artikel van Bank maakt echter snel duidelijk dat er wel degelijk iets aan de hand is geweest daar in Nederlandsch Indië en dat hij oordeelt dat er al lang behoefte is aan tekst en uitleg. In 1969 werd een enquête om onderzoek te doen naar de geweldsexcessen afgewezen. Een vergelijkbare studie als die van De Jong over Nederland in oorlogstijd is er nooit gekomen, het is gebleven bij de Excessennota van historicus/jurist Cees Fasseur en een publicatie van historische bronnen, twintig boekdelen barstensvol gegevens van onschatbare waarde, twee goudmijnen voor geschiedschrijving waarmee nooit iets is gedaan.
NiNsee met nieuwe naam en ruimere doelstelling & middelen
Dit bracht mij onmiddellijk bij het Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee), dat per het einde van dit jaar gedwongen moet sluiten vanwege beëindiging van de subsidie. De missie van NiNsee is “het zich ontwikkelen en positioneren als nationaal symbool van het gedeelde slavernijverleden en de gezamenlijke toekomst van alle Nederlanders, door structureel en vanuit verschillende invalshoeken het Nederlandse slavernijverleden en de gevolgen daarvan voor de Nederlandse samenleving, nationaal en internationaal voor het voetlicht te brengen.” 
Mijns inziens is het NiNsee te eenzijdig gefocust op het slavernijverleden, waarschijnlijk omdat het Surinaams Landelijk Platform Slavernijverleden, ook verantwoordelijk voor het Surinaams Slavernijmonument in het Oosterpark, de initiatiefnemer is geweest bij zijn totstandkoming. Nu geheel onverwacht foto’s zijn opgedoken van een gruwelijke executie in Nederlandsch Indië, is dit het juiste moment een nationale actie te starten om NiNsee een doorstart te geven met een nieuw naam en verruimde doelstelling, zodat “alle vormen van gedeeld koloniaal verleden” eronder komen te vallen, en om meer fondsen te genereren. Noodzakelijk om eindelijk mogelijk te maken dat onder andere de studie waar Bank in zijn artikel voor pleit ter hand kan worden genomen door het als een Phoenix uit zijn as herrezen NiNsee. Nederland is het aan zijn VOC- en WIC-verleden verplicht.

Politiek engagement in de Nederlandse taal- en letterkunde

Themabijeenkomst georganiseerd door de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

In 1872 signaleerde Multatuli ‘een nieuwe ramp’:

het gekakel der politiseerende demokraatjes. Arm volk dat gered moet worden door zulke advokaten!
We hadden: liberalismus, Thorbeckery, behoud, halfheid, traagheid, karakterloosheid, vervalschte levensmiddelen, specialiteiten, kiezery, Kamer-speeches, verrotte politieke atmosfeer… dit alles was niet genoeg! De clubziekte ontbrak nog. De heeren demokraat-byeenkomers zien niet in, dat ze nu reeds – ’t is wat vroeg! – al de fouten overnemen van de nog niet verslagen tegenstanders.

Deze ontboezeming is illustratief voor Multatuli’s ambivalente houding tegenover het politieke bedrijf van zijn tijd: terwijl hij zich er regelmatig van distantieerde, probeerde hij er ook invloed op uit te oefenen en overwoog hij zelfs om zelf politicus te worden. Multatuli is een van de auteurs die ter sprake zullen komen op de themamiddag ‘Politiek engagement in de Nederlandse taal- en letterkunde’. Hier zullen een aantal opvallende aspecten besproken worden van de politieke interesse die Nederlandse taal- en letterkundigen in de loop van de afgelopen twee eeuwen aan de dag hebben gelegd. In welke opzichten werden ze door dat engagement gestuurd? In hoeverre hebben ze op hun beurt richting helpen geven aan staatkundige ontwikkelingen? En waarin verschilde precies de politieke bemoeienis tussen taal- en letterkundigen in Nederland en in België?

Deze en verwante kwesties komen aan de orde aan de hand van enkele casussen, nu eens gesitueerd in de negentiende, dan weer in de twintigste eeuw. Gillis Dorleijn bespreekt de politieke betrokkenheid van de Nederlandse afdeling van de internationale PEN-club voor de Tweede Wereldoorlog en brengt deze in verband met het hedendaagse discours over de rol van de schrijver in het publieke debat. Saskia Pieterse belicht Multatuli’s politieke denken en handelen, en Alpita de Jong laat zien dat diens tijdgenoot Joast Hiddes Halbertsma met zijn taalonderzoek en Friese vertellingen de politieke en maatschappelijke bewustwording wilde bevorderen. Dirk Caluwé tenslotte licht toe hoe men in het tegenwoordige België onder invloed van een zich wijzigende politieke constellatie nieuwe criteria voor de noord-zuid-variatie in het Nederlands is gaan hanteren bij het geven van taaladvies.

Datum: 18 mei 2011, 13.30-17.00 uur
Plaats: Universiteitsbibliotheek Leiden, Zaal Zuidhal, 2e verdieping
Alle belangstellenden worden van harte uitgenodigd de middag bij te wonen. Graag een aanmelding van uw komst, vóór 16 mei, naar j.noordegraaf@let.vu.nl.

Programma

13.30 Ontvangst
14.00 Opening door Marijke Mooijaart, voorzitter van de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde
14.15 Dirk Caluwé (Departement Diensten voor het Algemeen Regeringsbeleid, Brussel)
Taal en norm in Taaladvies.net: terminologie en methodologie
14.45 Alpita de Jong (Leiden)
De (taal)geleerde opstellen en Friese bellettrie van Joast Hiddes Halbertsma als politiek-maatschappelijk drukwerk

15.15 Pauze

15.45 Saskia Pieterse (Universiteit van Amsterdam)
De politieke gevolgen van literaire leugens – Multatuli’s Max Havelaar
16.15 Gillis Dorleijn (Rijksuniversiteit Groningen)
Schoorvoetend intellectueel engagement. PEN Nederland in de jaren dertig en de politiek

Na afloop van de bijeenkomst biedt het bestuur van de Maatschappij de deelnemers een borrel aan.

Max Havelaar of De opiniepeilingen van de Nederlandsche hertaalmaatschappij

door Fred Baggen

Na het (her)lezen van ‘s Neerlands meest monumentale roman Max Havelaar verbaasde ik me over het feit dat ik dit boek, dat in mijn jeugd verplicht op de leeslijst van de middelbare school stond, destijds zo langdradig vond, saai zelfs. Gelukkig weerhield mijn al te adolescente oordeel me er niet van het ruim vijfentwintig jaar later nog eens te proberen. Ik moet eerlijk toegeven: ik las eerst de in modern Nederlands hertaalde uitgave die vorig jaar verscheen. Toch bleef ik daarna met een halfslachtig gevoel achter. Was dit nu de vermaarde Max Havelaar? Ik besloot onmiddellijk ook de oorspronkelijke versie te lezen, en werd toen pas echt geraakt. Mijn bevindingen pende ik neer in een opiniestuk, waarin een centrale rol is weggelegd voor de vergelijking tussen de oorspronkelijke roman uit 1860 en de hertaling, specifiek gericht op de vele uitweidingen die in de nieuwe editie het veld hebben moeten ruimen.

Lees hier verder op Recensieweb

Brief aan Ellen Ombre

door Peter Meel

 

Ik las de tekst van je Multatuli-lezing. In briefvorm geschreven. Over je ontmoetingen met de tijdgeest. In gelijkmatige en vaak mooi geslepen zinnen rijg je in deze beschouwing persoonlijke observaties en stellingnamen aaneen. Over elk woord heb je nagedacht, ieder leesteken heb je gewogen, geen zinswending is aan je kritische blik ontsnapt. Maar de beheerst geformuleerde regels vertellen niet het hele verhaal. Door je proza schemert een veenbrand aan emoties. Die mogen van jou als auteur aan de oppervlakte treden mits ze door het verstand zijn gefilterd. Het gedempt presenteren van gevoelens toont je vermogen tot introspectie, je behoefte aan balans en je besef van beschaving. Je staat jezelf niet toe je te laten gaan, maar hecht eraan het verstand de regie te laten voeren.

In je positiebepaling ben je ontnuchterend eerlijk. Je laveert tussen twee landen en je vertrouwelijkheid met beide samenlevingen wringt. Dat knarsen en schuren vervult je met onbehagen. Het stoort je. Ik kan mij daar veel bij voorstellen. Het Suriname van je jeugd is in weinig te vergelijken met het Suriname van vandaag en het Nederland van nu vertoont meer dan ooit de trekken van een bananenmonarchie. Bouterse en Wilders zijn voor jou de voornaamste aanjagers en symptomen van die actuele ontwikkelingen. Grijnslachend draaien zij het rad van fortuin in het rond. Wat drijft mensen naar deze leidersfiguren? Dat is een belangrijke vraag, die al veel pennen in beweging heeft gebracht. Je laat overtuigend zien waarom die vraag zo lastig te beantwoorden is.

De sleutel ligt in de verhouding van het individu tot de massa. Je wantrouwt de massa, want die laat volgens jou zijn politieke keuzes door emoties bepalen. Uit wanhoop of angst lopen mensen leiders achterna tegen wie het gezond verstand zich verzet. Ik heb ook lang in deze verklaring geloofd. Eigenlijk ben die opvatting nog steeds toegedaan. Redeloosheid is een slechte raadgever en een ondeugdelijk kompas. Tegelijk moet mij iets van het hart. Ik denk niet graag in tegenstellingen en vermijd het liefst woorden als ‘massa’ of ‘volk’. Omdat ik mijzelf niet op voorhand van andere mensen wil distantiëren en omdat de gedachte tot een ‘elite’ te behoren mij altijd heeft benauwd. Kind van de jaren zeventig? Ongetwijfeld. Ik kan ook niet voorbijgaan aan enkele simpele feiten: populisme is van alle tijden, politieke keuzes zijn nooit alleen maar terug te voeren op rationele overwegingen en politici vertrouwen vaak meer op hun flair en intuïtie dan op hun intellect en analytische vaardigheden. Dat is niet erg, want kiezen of gekozen worden: het blijft mensenwerk. Het wordt bedenkelijk als ieder gevoel voor maat achter de horizon dreigt te verdwijnen, als vijandbeelden ons uitzicht belemmeren en burgerzin over de heg van de buurman wordt gekieperd. Met die gegevenheden lijken we in toenemende mate geconfronteerd te worden.

Hoe moeten Nederland en Suriname verder? Op die vraag geef je geen pasklare antwoorden. Die zijn er ook niet. En als ze er al waren, dan somt een schrijver die niet bloedeloos op, maar onderwerpt hij die aan een oordeel. Dat doe jij wanneer je je keert tegen de uitwassen van nationalistisch denken. Terecht merk je op dat ‘volk en vaderland’ en ‘bloed en bodem’ concepten uit het verleden zijn, die ook in een aangepaste vorm of onder een andere noemer geen toekomst hebben. In een wereld waarin alle vensters openstaan, heeft het gesloten houden van deuren geen nut. Toch begrijp ik wel dat voor veel mensen juist dat een beangstigend beeld is. Niet het voortbestaan van de mensheid is voor hen de norm, maar de veiligheid van hun directe leefomgeving. Een huis met teveel vensters open geeft de wind vrijspel en blaast alle zekerheid naar buiten. Liever het getik van de klok aan de muur dan de gedachte aan het uitzetten en krimpen van het heelal. Politici zouden de behoefte van mensen aan houvast, overzicht en beschutting nadrukkelijker moeten honoreren zonder de mantel van de wereld af te schudden en de regels van wellevendheid uit het oog te verliezen.

Jouw lezing is een welkome bijdrage aan het hervinden van evenwicht. Het is een aansporing tot weldenkendheid en een pleidooi voor beheersing en nuance vanuit het perspectief van een ‘tussenfiguur’. Aan het einde van je los opgebouwde betoog (een verwijzing naar de beperkte samenhang die de besproken samenlevingen nog kennen?) laat je de veelgeciteerde uitspraak van Huizinga over de bezeten wereld waarin wij leven volgen door een mooi maar melancholiek natuurbeeld en een strofe uit de tekst van het ‘zelfmoordlied’ Gloomy Sunday. Geef je daarmee ruimte aan sentimenten waarmee je eerder probeerde af te rekenen? Laat je even de teugels vieren die je in de rest van je verhaal zo strak in handen wist te houden?

In een rede die Nobelprijswinnaar Mario Vargas Llosa kortgeleden hield, beëindigde hij zijn sombere uiteenzetting over de ‘monsters’ van terrorisme, nationalisme en xenofobie met de vaststelling dat de krachten van vernietiging overwonnen zullen worden door idealisme, edelmoedigheid en vrijheidsliefde. Dat lijkt mij de juiste instelling om de kwalijke gedaanten van de tijdgeest te lijf te gaan. Zeker, de brief is – zoals je schrijft – een buitenkind van de letteren geworden, maar je hebt een begeesterde aanzet gegeven om het medium in ere te herstellen. Laten we ruimhartig zijn en met elkaar in gesprek blijven.

Bouterse gezegend door Wauwelaar

In een matig geuuld Bijlmer Parktheater hield Ellen Ombre op zondag 31 oktober de zesde en laatste Multatulilezing; een fragment.

Bisschop Meye wordt in de stad bewierookt door groepen die in sloppenwijken bivakkeren, verstoken van licht, stromend water of sanitair. Hij is de geestelijk leidsman van Desi Bouterse. Brunswijk, voorzitter van het coalitieblok van marrons, de Algemene Bevrijdings- en
Ontwikkelingspartij, de ABOP, was eregast. Beide politieke leiders, ooit vijanden die  elkaar ten koste van tientallen doden naar het leven stonden tijdens de Binnenlandse Oorlog, gingen net als het publiek in het wit gekleed. ‘Geacht volk van de Republiek Suriname,’ preekte de bisschop, ‘deze natie, om toch nog iets te zeggen met betrekking tot de uitslag van de laatst gehouden verkiezingen en de duidelijke wil van het volk …’ Bouterse en Brunswijk stonden op en omhelsden elkaar. De massa gilde het uit, handen in de lucht, begeesterd. In een armgebaar
probeerde de dominee de schare te omvatten. De geestelijke vertoonde een opvallende overeenkomst met uw dominee Wauwelaar, hij leek als een winti in de huid van bisschop Meye te zijn gekropen. (De term winti gebruikt om een bovennatuurlijk wezen aan te duiden). ‘Dit wat zich hier aan het voltrekken is, is niet normaal…’

Lees hier de volledige tekst van de lezing

Multatulilezing door Ellen Ombre

Herinnering, vanavond in het Bijlmer Parktheater

In het kader van het Multatuli-jaar 2010 houdt Ellen Ombre de zesde en laatste Multatulilezing. In deze lezing-in-briefvorm vraagt zij advies aan Multatuli over hedendaagse problematiek rondom interculturalisme en (post-)kolonialisme. Daarna gaat zij in gesprek met Tjeerd Bijman (VPRO, Buitenhof).

Ellen Ombre werd geboren in Paramaribo. Op 13-jarige leeftijd kwam zij met haar familie naar Nederland. Ze debuteerde in 1992 met de veelgeprezen verhalenbundel Maalstroom. Daarna verschenen o.a.:

Vrouwvreemd : verhalen. De Arbeiderspers, 1994. De overgang van Suriname naar Nederland staat centraal. Door de ogen van telkens een andere hoofdpersoon wordt een gevoel van ontheemding beschreven. Een terugkeer naar Suriname eindigt ook wel eens in een teleurstelling, bijvoorbeeld wanneer de ik-figuur nostalgisch het dorp bezoekt waar ze is opgegroeid en haar oude buurmeisje bijna niet meer herkent.

Valse verlangens. De Arbeiderspers, 2000. De bundel speelt zich af in de ‘Atlantische driehoek’ Nederland -West-Afrika – het Caribisch gebied: ooit een handelsroute voor goud, slaven en wapens. Tegenwoordig is die driehoek een ‘dwaalspoor’, een weg naar misverstanden en onvervulbare verlangens: Ombre vertelt verhalen over Surinamers, Nederlanders en Afrikanen die ronddolen op zoek naar geld, liefde en geluk.

Negerjood in moederland: roman. Ellen Ombre. De Arbeiderspers, 2004. Hoofdpersoon is Hanna Dankerlui. Haar vader is een zwarte Surinamer, haar moeder stamt af van negerjoden met een vooroudergeschiedenis op Joden Savanne, een nederzetting van Sefarden, gevlucht voor de Spaanse inquisitie. Hannah is “met familiegeschiedenis opgezadeld”. Ze zou een punt achter het verleden willen zetten en “licht door het leven reizen”, maar ze is bang dat ze zonder herinneringen uit elkaar zal vallen. De roman begint in 2000, als Hannah, een nieuwe toekomst tegemoet, haar huis in de Amsterdamse binnenstad verlaat. We blikken terug op de persoonlijke geschiedenis van Hannah en die van haar ouders. Persoonlijke geschiedenis die verweven is met de grote geschiedenis: Negerjood in moederland is het verhaal van een individu vervlochten met de geschiedenis van Suriname.

Enige tijd geleden verscheen de tweede, uitgebreide druk van Wie goed bedoelt, zin + onzin van ontwikkelingshulp. Toen de eerste druk in 1996 verscheen maakte dit boek veel indruk. Ellen Ombre verstoorde het beeld dat Nederlanders van zichzelf hadden: een volk van gulle gevers dat voorop liep om de Derde Wereld uit haar lijden te verlossen. Zij kwam echter tot de conclusie dat ontwikkelingshulp zelden helpt en vaak schaadt. Met het geven van hulp lijkt het alsof we proberen ons schuldgevoel af te kopen. In deze tweede druk zijn stukken toegevoegd die Ellen Ombre de afgelopen tijd over Suriname (voor de Volkskrant) schreef.

Datum: zondag 31 oktober 2010, aanvang 20:00
Bijlmer Parktheater, Anton de Komplein 240, 1102 DR Amsterdam
Gratis, reserveren aanbevolen.

Foto: @ Cliff San A Jong

Ellen Ombre schrijft aan Multatuli

Zeer geachte heer Douwes Dekker, of, beste Multatuli, zoals u ook heet,

De brief is een buitenkind van de letteren geworden. Het internet en de mobiele telefoon verbinden de wereld tot in uithoeken, men mailt en sms’t zonder terughoudendheid. Of het briefgeheim nog wordt nageleefd is de vraag. Ik wil mijn hart luchten en een beroep doen op uw discretie om rondzingen te mijden.
Ik raak in Suriname niet vertrouwd. In Nederland, waar ik het grootste deel van mijn leven heb gewoond lukte het ternauwernood. Daar was je niet vanzelfsprekend. Je moest je onverhoeds legitimeren en werd te hooi en te gras gereduceerd tot allochtoon, ver voor de Wilders-pandemie.

Hier is behoedzaamheid om andere redenen geboden. Men is politiek gelieerd, heeft een vete met je halfbroer of koestert een wrokje tegen Surinaamse Nederlanders, zogenaamde SuriNeds, omdat deze bounties in moeilijke tijden hoog en droog in Holland zaten en nu het goed gaat met Switi Sranan komen meeprofiteren. Met de moeilijke tijden bedoelt men de jaren tachtig en negentig, decennia van militaire terreur, inflatie, lege winkelschappen, corrupt ambtenarenapparaat.

Het gaat in het gewezen wingewest de laatste jaren ‘met Gods wil’, de euro-elite die het vliegtuig naar Nederland neemt alsof zij zich met een pontje laat overzetten, maakt het stukken beter. De keur telt zijn zegeningen in elektronisch beveiligde huizen achter muren met prikkeldraadguirlandes in dit arm-rijk land.
Niemand sterft hier van honger, maar er wordt gehosseld. De voorzieningen zijn matig, de medische zorg laat te wensen over. Je vraagt je af waar de honderden miljoenen ontwikkelingsgelden toe hebben geleid. Organisaties die zichzelf onbaatzuchtig noemen, bidden om nog meer hulp. Er zijn gebedshuizen genoeg, maar er is woningtekort. De infrastructuur loopt mank en verhindert goede communicatie tussen de verschillende delen van het land. In vaderloze gezinnen aan de zelfkant van de stad waar het christelijk huwelijksideaal niet tot norm wordt verheven, is het bestaan hard, zoals in Sunny Point of Texas; daar zijn op drift geraakte Bosnegerfamilies hunkerend naar iPods en BlackBerries neergestreken. Wat maakte de stad voor hen zo aantrekkelijk? Ze wilden weg uit hun door de binnenlandse oorlog ontwrichte dorp met zijn armoede, weg van het primitieve dorpsleven, weg van die kansarme kleine wereld waar hun geen toekomst wachtte, weg van de toeristen voor wie ze om een grijpstuiver moesten dansen. Het is niet vrolijk wat ik heb te vertellen, maar een poging de stand van zaken te beschrijven.

[Dit is de opening van de laatste Multatuli-lezing die Ellen Ombre a.s. zondag geeft in Amsterdam. Klik hier voor meer inlichtingen.]

Laatste Multatuli-lezing door Ellen Ombre

In het kader van het Multatuli-jaar 2010 houdt de Surinaamse schrijfster Ellen Ombre de zesde en laatste Multatulilezing. In deze lezing-in-briefvorm vraagt zij advies aan Multatuli over hedendaagse problematiek rondom interculturalisme en (post-)kolonialisme. Daarna gaat zij in gesprek met Tjeerd Bijman (VPRO, Buitenhof).
.

Citaten uit de brief aan Multatuli van Ellen Ombre:

Ik vrees het volk dat ik met de massa associeer, wantrouw de emoties die hun politieke keuzes bepalen, koester achterdocht voor volksleiders als de Nederlandse Geert Wilders, en de Surinaamse Desi Bouterse. De eerste is uit angst, de andere uit wanhoop gekozen.
[…]
We leven in een bezeten wereld. En we weten het. Het zou voor niemand onverwacht komen als de waanzin eensklaps uitbrak in een razernij waaruit deze arme mensheid achterbleef in verstomping en verdwazing, schreef Huizinga in de vorige eeuw. Wat hij toen opmerkte doet zich om mij heen in allerlei gedaantes voor.
[…]
Wat staat Suriname, microkosmos in een notendop, te wachten? En Nederland?

Datum: zondag 31 oktober 2010, aanvang 20:00
Bijlmer Parktheater, Anton de Komplein 240, 1102 DR Amsterdam
Gratis, reserveren aanbevolen: info@deburen.eu, +32 (0)2 212 19 30

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter