blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Mulier Ludwich van

Idealisme als drijfkracht voor vernieuwing

Het studentenleven van Arubanen en Antillianen in de jaren ’60 – ‘70

door Quito Nicolaas

.
In de jaren zestig en zeventig verliet een groep jongeren het ouderlijk huis op Aruba en Curaçao en streek neer in Nijmegen om een nieuwe etappe in hun leven te beginnen. Zij hadden zich aangemeld voor de studies geneeskunde, rechten, psychologie, pedagogiek, andragogie en sociologie. Als tiener hadden ze op dat moment geen idee of de gekozen studie voor hen was weggelegd en welke maatschappelijke rol ze later zouden vervullen. Ze zagen de toekomst rooskleurig in en waren in elk geval blij dat ze vanaf nu een zelfstandig leven konden leiden, zonder het toeziende oog van pa en ma. De meesten zijn nu reeds op een pensioengerechtigde leeftijd beland en samen met Frits Goedgedrag, Carla Giskus en Henk Moeniralam blik ik terug op de woelige jaren ’60 en ’70. read on…

Standaardisering van het Sranantongo

Verrassend grote opkomst Moedertaaldag – Sranan bakadina
door Ludwich van Mulier
Amsterdam. De lente van 2014 maakte op de Moedertaalmiddag korte metten met de zachte winter. Het zonnige weer bracht veel Surinamers op de been op zondag 2 maart. Ruim meer dan honderd aanwezigen brachten met gepeperde folklore ode aan de Surinaamse taal “Het Sranantongo”. De spreektaal was Sranantongo. Urenlang volgden de aanwezigen,  veelal hoog opgeleiden,  geboeid de boodschappen van diverse sprekers en acteurs. Verschillende aspecten van de lingua franca van Suriname – het Sranantongo – werden spontaan belicht. De sfeer was fabuleus mede door de efficiënte leiding van de moderator Flos Rustveld (Firi FM),  Henna Goudzand-Nahar, en de liefelijke aankondigingen door dichteres/ tv-presentatrice  Margo Morrison. Cultuurkenner Romeo Kotzebue verzorgde de muzikale omlijsting, met originele  uitleg over enkele verkeerd gezongen volksliederen, die achteraf bezien een veel diepere historische inhoud hebben. De sfeer was nostalgisch, vooral door het spontaan meezingen van de  aanwezigen, die blijk gaven de  Sranan liedjes van weleer  niet vergeten te zijn. De saamhorigheidssfeer  kreeg een extra dimensie door de vele aanwezige  prominenten zoals Ronald Snijders,  die zelf de marketing van zijn nieuwste imposante biografische compilatie muziek-Box kwam afwikkelen.
Kwasi Koorndijk

 

De alom gerespecteerde dr. Kwasi Koorndijk werd geïnterviewd  over zijn benadering van het authentieke Sranantongo. Hij  benadrukte dat de eigen keuzes van de bevolking de doorslag geven in welke richting het Sranan zich ontwikkelt. Romeo Grot, een van de eerste  romanschrijvers in het Sranantongo, was aanwezig  met een boekenstand, Thea Doelwijt (schrijfster/regisseur), Ra Pengel (radio Mart), Simone Spong (Club Paradise), Henk de la Parra ( de broer van cineast/regisseur Pim de la Parra), taalpsychologe Margo Faverey, Merril Budel (taalkundige), Iléne Themen (beeldend kunstenaar), het spiritueel duo van stichting Akasha Raymond en Yacintha Kemble, bouwkundige Eugene Weinaldum, om voor een impressie van het Sranan-netwerk maar enkele namen  te noemen, gaven blijk van hun interesse in het versterken van het Sranantongo.
Woordenlijst en samenspraak, van Emilio Meinzak
Het is de hoogste tijd om van onderen op een duurzaam proces te starten onder alle Sranan sprekers in en buiten Suriname om de status van het Sranan te verhogen door eenduidigheid in de spreek- en schrijfwijze. Ook zal het emancipatieproces  door o.a. praktische toepassingen in het openbare leven (onderwijs/ aanwijsborden/ in het parlement) en standaardisatie, de Surinaamse overheid moeten stimuleren om het Sranantongo een waardige positie te gunnen naast de wettelijk officiële taal, het Nederlands (ABN).  Max Sordam en Ludwich van Mulier (uitgever Masusa)  zijn eind 2013 een productietraject  gestart, van een nieuw  Standaardwoordenboek Sranan-Nederlands/ Nederlands –Sranan, dat erin voorziet eerdere woordenboeken (van SIL, van der Hilst, Blanker, Meinzak, Sordam, Bureau Volkslectuur)  officieel te integreren in een nieuw Grootwoordenboek Sranan. Evenals in het Nederlands (ABN),  de “Dikke van Dale, het standaardwoordenboek der Nederlandse taal, een centraal referentiepunt is, waarvan uit een bindend gezag uitgaat, zou er ook gestreefd kunnen worden naar een respectvolle  “Dikke Sordam”- standaardwoordenboek Sranantongo –  dat algemeen erkend en daadwerkelijk nageleefd wordt. Alle aanwezigen waren het er roerend  mee eens dat het nu de hoogste tijd is dat het Sranantongo een  gezaghebbende schrijfwijze en feitelijke toepassing (literaire aanmoediging) krijgt. Het standaardwoordenboek Sranantongo beoogt de kwalitatieve inbreng van alle native speakers te integreren.
Alle Surinamers kunnen een bijdrage leveren, daar zij als unieke producenten van het Sranan (moedertaalsprekers), behoren tot het soevereiniteitsgebied (taalpolitieke machtspositie; volgens Jean Bodin) van de nationale taal, aldus ik, Van Mulier. Hij vergeleek in zijn kritische inleiding de taal-soevereiniteit met de soevereiniteit (zelfbeschikkingsrecht) van het menselijk lichaam, dat elk individu het recht geeft over zijn/haar  eigen lichaam te beslissen. Parallel aan die medische lichamelijke soevereiniteit,  erkennen we ook het gezag van de medische wetenschap. De dokter kan ons niet verbieden een oso-dresi, voedingssupplementen, preventieve kruiden,  te gebruiken wanneer we ziek zijn, omdat wij de baas van ons eigen lichaam zijn. Zo is het ook met de taal, waarover wij native speakers de baas zijn; hoezeer anderen (taalkundigen, filologen, dichters, schrijvers) ook legitiem een kwalitatieve bijdrage kunnen leveren.
De  wereldvermaarde Amerikaanse schrijver James Baldwin (1924-1987) benadrukte in het begin van de jaren zeventig te Amsterdam – in gesprek met de auteurs Jules Niemel, Gerrit Baron en Ludwich van Mulier – dat Surinamers het unieke van hun saamhorigheid als volk en natie moeten inzien. Hij noemde een aantal specifieke aspecten dat die unieke taal-soevereiniteit (hoogste gezag) bevestigde en bestendigde. In politieke zin, is Suriname (de Guyana ’s) het enige vasteland ter wereld buiten Afrika, waarin zwarte mensen met Afrikaanse roots cultureel gezag produceren en politieke macht hebben. Die positie moeten wij – afstammelingen uit Afrika, India, Azië – inzien, behouden en koesteren als” bijvangst” (neveneffect door eigen inbreng) van onze nationale Europese wordingsgeschiedenis. Ook prees James Baldwin het Surinaamse volk dat zich van anderen linguïstisch onderscheidt, doordat het gepresteerd heeft zelf  een unieke taal te hebben gemaakt. De creooltaal (mengtaal) Sranantongo werd door de vermaarde taalkundige Derek Bickerton (Hawaï) , qua compositie, de mooiste creooltaal genoemd.
Herman Wekker
Door in het standaardwoordenboek Sranantongo ook een uitgebreide etymologie (woord herkomst/geschiedenis) en fonologie (klanksysteem/ uitspraak) op te nemen, zal het woordenboek in omvang – tekst en pagina’s – toenemen; vandaar de koosnaam naar analogie van het ABN, “dikke” Sordam. Er zal door de nieuwe redactie worden uitgegaan van het Woordenboek van Max Sordam,  geautoriseerd  door Sranan Akademiya in Suriname, dat in 1984 verscheen en sindsdien meerdere malen is herdrukt. De uitgave van het standaardwoordenboek  Sranantongo wordt verwacht in november 2014. De benadering van het  standaardiseringsproces op basis van het herzien en herdrukken van Max Sordams oorspronkelijke woordenboek  is tevens een eerbetoon aan Max Sordam, die zich als taalkundig pionier en moedertaalspreker, beijverd heeft het Sranantongo te beschrijven vanuit de praktische noodzaak.
Max Sordam met zijn nichtje Nzinga Sordam
op het Kwaku Festival, Amsterdam 2013
Hij werd daartoe o.a. geïnspireerd door prof. Herman Wekker, prof. P. Muyskens [bedoeld is Pieter Muysken – red. CU],  prof. G. Koefoed [bedoeld is dr. Gerrt Koefoed- red. CU], het Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek IBS, de Sranan Akademiya, wijlen prof. Herman Wekker taalkundige/Engels en Ludwich van Mulier, aldus Max Sordam. Alle internationale bevoegden in de taalwetenschap, kenners van het Sranantongo, zijn uitgenodigd om een bijdrage te leveren aan het standaardiseringsproces van het Sranan, waarvan de auteursrechtelijke monitoring in Surinaamse handen blijft zoals het betaamt.
[persbericht van Van Mulier; alle taalfouten verbeterd – red. CU]

Sranantongo Bakadina

Eren van en pronken met het Surinaams
Een programma rond het Surinaams in verband met Internationale Moedertaaldag met o.a. presentatie boek en cd van Flos Rustveld Wan gro-ede kon gi Maria, een vertaling van Slaaf kindje slaaf geschreven door Dolf Verroen,
Opvoering van een fragment uit het toneelstuk Kophonger van Frank Wijdenbosch.
Taalspel over het Surinaams tussen twee teams met hulp van de zaal.
Muzikale omlijsting door Romeo Kotzebue en Krin Sten.
Columns, gedichten en interviews van en met o.a. Stuart Rahan, Kwasi Koorndijk, Ludwich van Mulier en Margo Morrison.
Loterij en Surinaamse keuken.
Datum: zondag 2 maart 2014
Tijd: 15.00 uur (inloop 14.30)
Toegang: 5 euro
Adres: Vereniging Ons Suriname
Zeeburgerdijk 19 A
1093 SK Amsterdam
Orga:FiRi FM & sympathisanten:06-40321238
Zondag vrij parkeren
Flos Rustveld (rechts) wordt bij de Vereniging Ons Suriname
omhelsd door Gracia Blanker, mede-auteur van het Spectrum
Woordenboek Sranantongo. Foto Michael Bhola
Gi Sranantongo grani, taki en, singi en, prodo nanga en prey nanga en.
Fu grontapu mamatongodey ede, un e hori wan Sranantongo Bakadina. Na kuru kuru un o abi:
Kon na doro fu a buku nanga poku :”Wan gro-ede gi Maria”-wan tori fu Dolf Verroen skrifi na patatatongo. A kari en: Slaaf kindje slaaf. Sisa Flos Rustveld broko en kon na Sranantongo.
Wan pisi fu a preypisi fu Frank Wijdenbosch, kari Kophonger
Sabi yu tongo, 2 Tetey fu 3 suma o fiya suma e basi a tongo moro bun .
Poku anga singiman, brada Romeo Kotzebue, Krin Sten
Prakseri, bari puru nanga aksi piki, Brada Stuart Rahan, Brada Kwasi Koorndijk, Brada Ludwig van Mulier nanga Sisa Margo Morrison
No lasi skin gi Krioro kukru nanga wan fiya prey o de.
Deymarki: Sonde baka-yari mun,03 2014
Yuru: 15.00 yu (14.30yu waka kon
Madyomina: 5 euro
Tanpresi: Verenigingsgebouw Ons Suriname’
 Zeeburgerdijk 19A
 1093 SK Amsterdam
Orga: Firi FM nanga kraka fu atifiri staman.
Sisa Flos Rustveld: 06-40 32 12 38
Fu tapu yu presi na fesi poti a moni na
NL68 INGB 0005981950 F.R. Rustveld

Geslaagde bijeenkomst SDSG te Amsterdam

“Werken aan geestelijk welzijn Surinamers belangrijk”

door Ludwich van Mulier

Amsterdam 27 oktober 2013. Het Surinaams Dichters- en Schrijversgenootschap dankt iedereen die aanwezig was voor de inhoudelijke bijdragen. Op korte termijn wil het SDSG-opgericht in 1999 – vernieuwingen doorvoeren in het bestuur, aldus voorzitter Ludwich van Mulier, die uitleg gaf over het functioneren over de landelijke organisatie voor Surinaamse letterkunde & kunst. Winston Loe (leraar/dichter/schrijver)en Eugenia Smits (Lerares/Jeugdliteratuur/dichteres), voorgestelde kandidaat-bestuursleden, droegen voor uit eigen werk. De aanwezigen brachten eerbetoon aan de inleider Max Sordam. Max Sordam, Sranantongo deskundige, deed de mededeling dat er samen met het SDSG gewerkt wordt aan het standaardwoordenboek Sranan, dat op korte termijn verschijnen zal. Ludwich van Mulier is reeds geruime tijd bezig met de voorbereidingen voor de heruitgave van het Sranan woordenboek van Max Sordam, dat onder auspiciën van de Sranan Akademiya /Paramaribo, met o.a. medewerking van drs Hein Eersel werd uitgegeven. Er wordt gestreefd naar een standaardwoordenboek met etymologie, fonologische informatie en syntaxis; geredigeerd door voor het leven benoemde redacteuren, op basis van de versie van het woordenboek van de icoon Max Sordam. Naar analogie van het standaardwoordenboek Nederlands; de “Dikke Van Dale”-Nieuw handwoordenboek der Nederlandse Taal, zal gewerkt worden naar de Surinaamse “Dikke Sordam”, waarin de verschillende uitgaven van diverse deskundigen zullen worden geïntegreerd. Taalbeschrijving en standaardisering worden niet van bovenaf opgelegd, maar zijn processen die door deskundige begeleiding kunnen uitmonden in algemene erkenning, toepassing en prestige. De aanwezigen waren het met Max Sordam eens dat er een eind moet komen aan de verschillende schrijfwijzen van het Sranan en dat de adviezen en richtlijnen van de Sranan Akademiya, gesanctioneerd door meerdere regeringen, zullen worden gevolgd.

Max Sordam. Foto © Guilly Koster

Het SDSG riep op om met zijn allen te werken aan het geestelijk welzijn van het Surinaamse volk, dat in een impasse is komen te verkeren. Dit is mogelijk door o.a. de Surinaamse dichters en schrijvers aan te moedigen ende letterkunde ,meer en gericht te promoten; dat is immers een van de doelstellingen van het SDSG. Er wordt door het SDSG intern onderzoek gedaan naar de postume loutering van Prof. dr. Herman Wekker en prof. dr. Rudolf van Lier, pleitbezorgers van de Surinamistiek. Ex-bestuurslid, schrijfster Mechtelly Tjin A Sie werd ook genoemd als icoon/ ex-bestuurslid van het SDSG en medeoprichtster van Schijversgroep 77, die nooit vergeten zal worden en gepast zal worden geëerd voor haar bijdragen aan de Jeugdliteratuur. Surinaamse dichters en schrijvers in Suriname en Nederland, en belangstellenden in de Surinaamse letterkunde en Surinamistiek worden opgeroepen zich aan te sluiten bij het SDSG. U bent allen van harte welkom. telefoon: 0626876887; masusaworld@gmail.com.

Het laatste hoofdstuk moet nog verschijnen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over het werk van Benny Ooft.

door Michiel van Kempen

Benny Ooft in Suriname

Een hindostaanse modeshow wervelt voorbij op het toneel, gevolgd door een set’dansi door acht creoolsen. Het is 24 november 1989, vooravond van de viering van veertien jaar srefidensi. Achter in de zaal van de Vereniging Ons Surina­me aan de Amsterdamse Zeebur­ger­dijk is een boekenstand ingericht. Tot mijn vreugde ligt er ook Het laatste hoofdstuk, de docu­mentaire die Benny Ooft in 1976 pu­bli­ceerde over de laatste stappen naar de onafhankelijkheid van Su­riname. Ik ken het boek wel, maar ik heb het nooit kunnen kopen om­dat het in Suriname uitverkocht is. Ik weet op dat moment niet dat de schrijver van het boek die ik nog enkele weken eerder om een exemplaar gevraagd heb, enkele uren geleden dood op zijn bed is aangetroffen. Het laatste hoofdstuk in het leven van Benny Ooft werd in de loop van de morgen van 24 november 1989 afgesloten.

Benny Ooft was een exponent van de groep die zich in 1968 schaarde rond het tijdschrift Moetete: Thea Doelwijt, R. Dobru, Shrinivási, Jozef Slagveer, Ruud Mun­groo, P. Marlee. Met hart en ziel deel uitmakend van de Surinaamse gemeenschap, nationa­lis­tisch, idealistisch, verwoordde hij in zijn korte prozastuk `Shaante­devi’ in het eerste nummer van Moetete de eenheid van de Suri­naam­­se rassen: de liefde tussen een creoolse jongen (die Sarna­mi spreekt) en een hindostaans meisje. Hun liefde blijkt zo sterk te zijn dat donkere mannen met dreigend opgeheven stokken van het toneel ver­dwijnen zonder enige actie ondernomen te hebben.

Geboren op 3 februari 1941 te Paramaribo was Benny Ooft ook in zoverre exponent van zijn generatie dat het nog geheel op Neder­land­se leest geschoeide onderwijs een sterk stempel op zijn vorming drukte. Het eerste hoofdstuk van zijn ongepubli­ceerde roman Tus­sen palmen en dijken ver­haalt over de fraters van de Paulus­school (Mu­lo) en de koloniale brainwash die zij hun pupillen trachtten te laten ondergaan. Dat dit op velen uit de jaren zestig juist een ave­rechts effect sorteerde, moge inmiddels duidelijk zijn. Interes­sant was wel dat van dat onderwijs, waarin de huma­niora een belang­rij­ke plaats kregen toebedeeld, invloed uitging op jonge Surina­mers om zich als schrijvers en dich­ters te ontplooien, al was er eerst een Trefossa nodig om te laten zien dat dat ook kon in een andere taal dan het Neder­lands. Wat dan ook de implicaties geweest mogen zijn van het koloniale frateronderwijs, feit is dat de eerste generatie schrij­vers een voortreffelijke taalbeheersing kenden en het pleit voor de ernst waarmee zij hun taak opna­men, dat zij die lijn ook door­zet­ten voor het Sranantongo. Zo schrijft Benny Ooft in het twee­de nummer van Moetete een aantal persoonlijke notities over schrijven in het Sranan­tongo waarbij hij ondermeer opmerkt dat on­volledige beheersing van het Sranan, schrijven vanuit het Neder­lands en het zelf maar lukraak woorden scheppen uit den boze die­nen te zijn. De radio‑omroeper die het begrip voorzitter vertaalt door `amra­basi’ laat zien dat hij abso­luut geen moeite gemaakt heeft om te ontdekken dat er een veel adequater woord als `edeman’ bestaat.

Het frateronderwijs op Nederlandse leest heeft ook sterk zijn in­vloed doen gelden op beeldvorming en stijl van die eerste genera­tie schrijvers, men leze er de vroege verzen van Dobru en Shri­nivási maar op na. Verwonderlijk is dit niet, het is veeleer verwon­derlijk met welk een elan die generatie de eigen wereld onder woorden heeft weten te brengen. Benny Ooft was een van de weinigen van de­ze dichtersgeneratie die zich primair toelegde op het schrijven van proza. De zeven verhalen die hij in 1967 bij drukkerij Para­ma­ri­bo liet uitkomen onder de titel Silhouetten zijn geschreven in een nu wat traditio­neel aandoend proza, vol van wendingen die laten zien dat hij goed gekeken had naar ouder proza, maar die een eigen stijl in de weg stonden. Toch geven de zeven verhalen al een vlot verteller te zien die de sfeer van vooral het Surinaamse binnenland goed weet op te roepen.

Wat in Silhouetten nog een soort schrijfoefeningen waren, werd in de novelle Avonden aan de rivier met meer durf en kracht voort­ge­zet. Het boek verscheen bij Varekamp in 1969 en ondanks het feit dat het nooit werd herdrukt, is het altijd een veelgelezen uitgave ge­bleven. Avonden aan de rivier speelt zich af op een plantage aan de Surinamerivier. Door leegloop en verwaarlozing wordt de kleine ge­meen­schap met de ondergang bedreigd. De vraag is of het de moei­te loont de oude generator nog te vervangen, of dat de hele zaak maar beter opgedoekt kan worden. De uiteindelijke keuze voor een aanpassing aan de omstandigheden door een kleine­re generator te kopen, is de enige keuze die een natio­nalistische schrijver als Ben­ny Ooft de personen in zijn novelle kon laten maken.

Feit is dat Benny Ooft met die eerste twee boeken ver­wach­tingen wek­te en dat hij die verwachtingen als literator nooit heeft ingelost. Het `fragmentarisch dag­boek’ Pelgrim op zee had hij nog in porte­feuil­le en zou daar ook altijd blijven. In de bloemlezing Gelui­den/ Opo sten verscheen in 1984 een fragment uit de roman Tussen pal­men en dijken en nog een fragment waarvan het ondui­delijk is of het uit dezelfde aange­kondig­de roman komt. Wie die fragmenten leest, zal direct opmer­ken hoezeer Ooft lite­rair gegroeid is, maar ook dat hij toch net datgene mist wat Leo Ferrier, Bea Vianen en Ed­gar Cairo tot schrijvers met een unieke stem maakt.

Benny Ooft (midden) op een antikoloniaal congres naast Ludwich van Milier (links van hem) en Hans Caprino (rechts van hem); geheel rechts: Dorothee Wong Loi Sing (?).

Sinds de jaren zeventig heeft Benny Ooft zich vooral toege­legd op journa­listiek werk en filmen. Al in 1968 bun­delde hij in De vlucht opstel­len van hemzelf, Thea Doelwijt, Henk Her­renberg, Hen­­ny de Ziel en R. Dobru en het onder­werp van die bundel ‑ de mi­­gratie naar Nederland ‑ heeft hij ook uitgewerkt in films als Denk aan de dag van morgen (1970) en latere documentaires. De Suri­naamse politie­ke actualiteit becommenta­rieerde hij in het boek Het laatste hoofd­stuk, maar sterker nog in zijn boek Suriname 10 jaar re­publiek. Duidelijk spreekt uit dit boek zijn verontwaardiging over de hou­ding van Lachmon vóór 1975 en vervolgens over Arron vóór 1980, maar zijn onge­remde enthousiasme over de ontwikkelingen na 1980 maakt ook duidelijk dat zijn jarenlange verblijf buiten Su­ri­name de vorming van een evenwichtig oordeel in de weg was gaan staan.

Al deze werkzaamheden hebben ongetwijfeld een obstakel bete­kend voor een gestadige ontwikkeling als literator. Het moet een prikkel voor hem geweest zijn om bij de presenta­tie van mijn boek Su­rinaamse schrijvers en dichters te lezen dat ik hem `kampioen­‑aan­kondiger van nieuwe romans’ noemde, want enkele dagen later belde hij me op en zei me dat zijn roman Tussen palmen en dijken zo goed als af was, maar dat hij hem niet zelf meer wilde uittikken, want dat hij dan weer alles zou gaan omwerken. En inderdaad ligt hier nu een stapel van 415 pagina’s proza en dat is nog maar de helft. Het is nu nog niet te overzien in hoeverre deze roman het ge­hele beeld van het schrijverschap van Benny Ooft kan beïnvloe­den. Op ons rust hoe dan ook de plicht om als het even kan deze roman het licht te geven. Natuurlijk zit er veel tragiek in het feit dat een schrijver zijn levenswerk nooit zelf in druk zal zien. Maar meer nog dan in zijn stoffelijk omhul­sel leeft een schrijver bij gratie van wat de lezers wordt geboden en uit respect voor deze Sranan­man in hart en nieren mag de lezers niets onthouden blijven van wat Benny Ooft nog voor hen in petto had.

Benny Ooft in Nederland

Weinig heeft Ooft in het Sranantongo geschreven. Ik besluit met een gedicht dat in Moetete nr. 2 verscheen en ik geef geen verta­ling, zodat wie het niet verstaat, gedwongen is, om in de geest van Benny Ooft, die andere Surinamers op te zoeken.

SHÁNTIDEVI
Mi no sabi joe

ete
soso leki wan fisioen
mi e tjari joe
na baka na grasi foe mi ai

Ma mi sabi
wan dé
joe sa djompo kon na mi fesi
dat mi sabi

Mi sa dansi nanga joe

pré
bosi joe
en safri mi singi
sa kon moksi nanga na pingi
foe na sitár
ham tumse mohabat kar baithi

[Dit stuk verscheen eerder in De geest van Waraku (1993).]


    [1]. Noot 1993: Inmiddels is een fragment uit Tussen palmen en dijken verschenen on­der de titel `Morgen zullen we ver­der zien’ in de door mij samenge­stel­de verhalenbundel Hoor die tori! (In de Knipscheer, Amsterdam 1990). Maar waar ik in 1989 bang voor was, is gebeurd: de complete roman­ma­nu­scrip­ten van Ooft zijn duistere wegen gaan volgen en nog steeds niet ge­publiceerd!

Lancering VN Internationaal Jaar voor Mensen van Afrikaanse Afkomst

Onder de titel, Met de menselijke waardigheid voor ogen: Bezinning, Rechtvaardigheid en Erkenning, vindt op vrijdag 4 februari a.s., in de Raadzaal van Stadsdeel Amsterdam Zuid Oost, de Nationale lancering plaats van het VN Internationaal Jaar voor Mensen van Afrikaanse Afkomst. Initiatiefnemers zijn: het Landelijk Platform Slavernijverleden, Tiye International en de samenwerkende Afrikaanse Diaspora netwerken in Nederland. De officiële opening wordt verricht door Mevrouw Drs. Andrée van Es, Amsterdamse (Groenlinks) wethouder ’Burgerschap en Integratie’. Voorafgegaan door het welkomstwoord door (PVDA) Stadsdeelvoorzitter Amsterdam Zuid Oost, Drs. Marcel Larose. Verder is er een toespraak van mevrouw Anna Maria Jojozi, diplomatieke vertegenwoordiger van de Republiek Zuid-Afrika, alwaar in 2001 de VN Wereld Anti Racisme Conferentie in Durban plaatsvond.

Dit jaar vindt, onder de VN-slogan: From rhetoric to reality. A global call from the UN for concrete action against racism, racial discrimination, xenophobia and related intolerance, de tienjarige herdenking plaats van deze historische VN-wereldconferentie. Het huidige VN-Plan is om in navolging van de Durban Review Conferentie van april 2009, een “VN High Level”-Conferentie annex Panel te realiseren, waarbij stilgestaan gaat worden bij de tot nu toe bereikte resultaten in de verschillende VN-lidstaten betreffende de implementatie van de DDPA.

In april 2009 heeft de VN-Algemene Vergadering, haar eerste Follow UP Durban Review Conferentie in Genève gehouden. Onderwerp van de Review was de evaluatie van de bereikte resultaten voortvloeiende uit de afspraken van de VN‐lidstaten in 2001 op de in Durban georganiseerde Wereldconferentie betreffende Racisme, Discriminatie, Vreemdelingenhaat en aanverwante Onverdraagzaamheid. Tijdens de Review in april 2009 hebben de VN-lidstaten de UN WCAR DDPA (Durban Declaration and Program of Action) in artikel 1 van de Durban Review Slotresolutie, herbevestigd.

Verder is bij resolutie nr. 64/169, van 18 december 2009 door de Algemene Vergadering van de VN besloten om 2011 te verklaren tot het VN Internationaal Jaar voor Mensen van Afrikaanse Afkomst. Doelstelling is om de VN-lidstaten vooral aan te sporen tot de ontwikkeling van een nationaal actieplan racismebestrijding. In Nederland is aan de uitvoering van de resoluties nog geen gevolg gegeven, evenmin aan de aanbevelingen van de CERD, het hoogste VN-toezichthoudende orgaan op het gebied van Racismebestrijding. Onder andere zijn er aanbevelingen gedaan ten aanzien van mensen van Afrikaanse afkomst en specifiek de Antilliaanse gemeenschap die door Nederland vanwege het buitenlandse beleid wordt vertegenwoordigd.

Hoewel uitgangspunt is dat VN-lidstaten op eigen wijze gevolg geven aan de implementatie van de VN-resolutie inzake het VN-jaar voor mensen van Afrikaanse afkomst, is het duidelijk dat VN-lidstaat Nederland niet staat te springen om aan de oproep van Ban Ki Moon, gedaan op 10 december jl, gevolg te geven en evenmin aan de uitvoering van de resoluties terzake de ontwikkeling van een nationaal actieplan racismebestrijding. Dit zegt, mevrouw Drs. Barryl Biekman, voorzitter van het Landelijk Platform Slavernijverleden. Wij zijn daarom blij met het initiatief van samenwerkende netwerken in Nederland om de launching zelf ter hand te nemen. Want als het aan de politiek bestuurlijke autoriteiten in Nederland ligt, gebeurt er niets. Liefst willen ze het low profile houden. Maar dat laten wij ons niet overkomen, zegt Biekman. In de aanloop naar de WCAR in 2001 hebben wij ons wereldwijd intensief ingezet, en gelobbyed bij staten om de Transatlantische Slavenhandel, Slavernij en Kolonialisme, vanwege de omvang, de eeuwenlange duur, en het niet te beschrijven misdadig karakter, tot misdaad tegen de mensheid te verklaren. In 2009 probeerde voormalig Buitenlandse Zaken minister Verhagen de Review te boycotten. Het is hem niet gelukt. Integendeel, de Durban Verklaring is herbevestigd. Dat betekent dat Nederland hoe dan ook verplicht is om de resolutie uit te voeren.

Verdeeld over vier thema’s zullen de volgende sprekers hun zegje doen: directeur van het Nationaal instituut Nederlands Slavernijverleden en Erfenis, Dr. Artwell Cain; Bestuursvoorzitter van het Orgaan Caribische Nederlanders, Drs. Glenn Helberg; mevrouw Drs. Hellen Felter, vice-bestuursvoorzitter van Tiye International; Ludwich van Mulier, uitgever, publicist en opinionleader. SP Tweede Kamerlid Harry van Bommel. De Slotrede wordt uitgesproken door Drs Frank King, internationaal expert en advocaat op het gebied van Immigratierecht en Aanverwante Vraagstukken. Het vertonen van een documentaire over de VN-Wereld Anti Racisme Conferentie in 2001 is onderdeel van het programma.

Aanmeldingen om de bijeenkomst bij te wonen kunnen tot uiterlijk 26 januari a.s. Registratieformulieren op te vragen via secretariaat LPS lanplatf@xs4all.nl.
Nadere informatie bij de heer Iwan Leeuwin +31 (0)651367547

[bericht van de Coördinatie- en Strategie Groep AD Platform]

Sranantongo is de trots van de Surinaamse natie

Keuzes, beïnvloeding, misverstanden bij discussie over meertaligheid

 

door Ludwich van Mulier
De Officiële taal in onze democratische rechtstaat Suriname is het Nederlands. De algemene omgangstaal is het Sranantongo. De Surinaamse staat erkent de identificeerbare talen van alle cultuurgroepen. Binnenlandse en buitenlandse migratiefactoren hebben de actuele taalsituatie veranderd. Het wetenschappelijk inzicht in talen en hun interne ontwikkelingsprocessen, heeft meer dan ooit duidelijk gemaakt dat “Taalgedrag”- hoe de burger omgaat met de hem omringende talen- beleid vergt. Het niveau van de officiële taal is zelfs in het parlement abominabel gebleken. De algemene omgangstaal en de officiële taal dienen in de Nationale Assemblée een gelijke status te hebben. De officiële taal wordt vanuit het buitenland door onsamenhangende invloeden van derden (Taalunie, Nederland, België) geregisseerd, zonder dat onze regering er iets over heeft te zeggen. Er zijn gebieden in Suriname waar de bevolking noch de officiële taal, noch de omgangstaal spreekt maar zich behelpt met, Engels, Frans, en Braziliaans. Kortom de taalsituatie in meertalig Suriname is rijp voor een gericht en wetenschappelijk goed onderbouwd beleid. De discussie in Tori Oso is actueel.

Eenduidige begrippen en ontmaskering valse aantallen Het grondgebied Suriname behoort tot de taalregio van de Inheemse (Indiaanse) bevolking. De indiaanse (Tupi) talen zijn door toedoen van de Staat in een vergeethoek geraakt, o.a. ook door afname van de sprekersaantallen. Eens werden er op ons grondgebied voor 100% indiaanse talen gesproken. Vanaf halverwege de 16e eeuw hebben verschillende internationale talen in Suriname een thuis gevonden ten koste van de Indiaanse taal die nu slechts door 1,5% van de bevolking gesproken wordt. Hoe we ook over meertaligheid denken, over een ding kunnen we het snel eens zijn; de volledige beheersing van ten minste een taal is het gezondste uitgangspunt. De actuele situatie in Suriname is dat ironisch genoeg noch het Nederlands noch het Sranantongo 100% beheerst worden. Zelfs over de kwantitatieve omvang van de cultuurgroepen is er geen eenduidigheid. Het Algemeen Bureau voor Statistiek (ABS) worstelt openlijk met verouderde denkkaders hetgeen het definiëren van de etnische status van ingezetenen bemoeilijkt. De Chinese cultuurgroep (Hakka, Mandarijn , e.a. talen sprekend) bestaat uit oude, nieuwe, illegale, geïmmigreerde en transito Chinezen, en groeit het snelst. De Braziliaanse cultuurgroep, nu al 10 % van de Surinaamse bevolking, heeft een immigrantenstatus, maar is als taalgroep niet te verwaarlozen. Analyse van de cijfermatige gegevens van de zevende volkstelling (2005) brengt aan het licht, dat Surinamers met Afrikaanse referenties (ruim 32 %) de grootste cultuurgroep in Suriname vormen. De onjuiste etnische aanduiding en splitsing van creolen en Marrons moet worden herzien. Het Sranantongo is gegroeid vanuit het taalgebruik binnen de Afrikaans gerelateerde groep, in communicatie met de overige cultuurgroepen in Suriname. Als omgangstaal is zij allang buiten de groepsgrens van een cultuurgroep gestapt en geaccepteerd als collectief authentiek Surinaams product; een creatie van ons allemaal. Het geëmancipeerde Sranantongo kent meer sprekersaantallen buiten de Afrikaans gerelateerde cultuurgroepen, dat legitimeert zijn nationale status. Volgens de gehanteerde criteria van het ABS behoort ruim een kwart van de Surinaamse bevolking niet tot een specifieke cultuurgroep. Voor deze vitale groep – sommigen zeggen dat dit de echte Surinamers zijn van gemengd bloed- heeft het Sranantongo een nationale en cultureel intermediaire en bindende functie. De immigranten – nazaten van contractarbeiders – hebben zich van onderen op spontaan ingeburgerd in Suriname door zich o.a. primair het Sranantongo eigen te maken.

Na de onafhankelijkheid is in 1977 in Den Haag onder progressieve hindustaanse intellectuelen en mijn persoon als enige niet-hindustaan , de emancipatiebeweging (Jumpa Rajgaroo) van het Sarnami opgericht. De taalkundige grondlegger van deze belangrijke stroming is Motilal Marhé. Hij is de eerste Surinamer die wetenschappelijk de herkomst van het Sarnami–Hindi heeft onderzocht en erover heeft gepubliceerd. Verwantschap met het in het Noord–Oosten van India gesproken Bhojpuri vergemakkelijkte de taalkundige erkenning van het Sarnami; door 27,41% van de bevolking gesproken. De talen behorende bij de onderscheidenlijke Marron–cultuurgroepen, geproduceerd in gevangenschap, hebben een unieke uitzonderlijke status.

Geen volk zonder taal en letterkunde Het Nederlands (ABN) zal nimmer 100% door de Surinaamse bevolking worden beheerst omdat zijn bronnen zich elders aan de Noordzee (Nederland/België) bevinden. Het Nederlands loopt in Suriname altijd achter, behalve als wij de banden met de externe beïnvloeding doorknippen. Nationalisatie van het Nederlands is een optie, die door meerdere landen succesvol uitgevoerd is. In eerdere artikelen suggereerde ik hypothetisch dat deze genationaliseerde Nederlandse taal in Suriname, “Surinamees” zou kunnen worden genoemd. Onder de schutse van het genationaliseerde Nederlands zou het Sranantongo versneld kunnen worden geëmancipeerd.

James Baldwin, de Amerikaanse erudiete schrijver, zei mij in de jaren zeventig, toen ik hem in Amsterdam ontmoette over het Sranantongo, “Jullie zijn al 400 jaar bezig die taal te ontwikkelen? Jullie moeten opschieten.” Een gerespecteerde staat (territoir) heeft een volk (mensen met eigendomsrecht op dat territoir), en een eigen centrale taal (cultuur/communicatiemiddel). Die taal ontwikkelt en bestendigt zich alleen als er een letterkunde (schrijftraditie ) in bestaat, die overdraagbaar en conserveerbaar is. De bronnen voor die nationale letterkunde worden bepaald door de economie, de politiek, de maatschappij. Over de status van alle cultuurtalen die recht hebben op onderdak in het nationale Surinaamse huis, valt met rede te twisten.

Meertaligheid en culturele pluriformiteit Een actueel thema in de Europese landen is, het verplichten van immigranten (buitenlandse ingezetenen) om in te burgeren als voorwaarde voor participatie aan de maatschappij. Een taal- of culturele enclave (geregisseerd vanuit het land van herkomst c.q. een staat binnen een staat) wordt niet op prijs gesteld. Dit uitgangspunt – eerst aanpassen aan de taal van het ontvangende land – voorkomt dat groepen zich parasitair opportunistisch opstellen, binnen de rechtsstaat en enkel eigen groepsbelang, machtsusurpatie op etnische grondslag bepleiten. Het moderne marktdenken toetst de geïmmigreerde cultuurgroep bovendien permanent op haar culturele kostenfactor. Investeren in de overleving van de groep moet een collectief belang dienen. Talen vallen onder deze regels en uitgangspunten, die ook navenant van toepassing zijn op hun sprekers.

Op een conferentie in Venezuela vroeg een intellectueel mij of er een Surinaamse cultuur bestaat. Nog voordat ik antwoordde zei de man, dat hij niets wilde horen over Indonesische, Indiase, Afrikaanse, Nederlandse tradities, want die poppenkast, kleedpartijen had hij eens eerder gezien op een Carifesta-feest. Hij zei: “Die zogenaamde pluriforme cultuuruitingen zijn niet van Suriname. Jullie pronken met andermans veren.” Zijn vraag had betrekking op een nieuwe Surinaamse geïntegreerde multiculturele identiteit, die origineel groeit op Surinaamse bodem. Onder pluriformiteit wordt niet verstaan een statisch cultureel mozaïek of onderlinge vrijblijvende relaties tussen willekeurige talen op Surinaamse bodem. De toetsing aan een nationaal Surinaams denkkader, erkenning daarbinnen van een taalinstituut met nationaal gezag, en het hanteren van een eenduidig begrippenarsenaal en een duidelijke multidisciplinaire taalpolitiek zijn essentiële zaken in deze interessante brede maatschappelijke discussie. Surinaamse meertaligheid is in de “Dobru-benadering” een dikke boom stam Surinaamse originaliteit, met meerdere gelijkwaardige takken die verschillende cultuurtalen symboliseren. Die stam in “wan bon” is ontegenzeggelijk het Sranan.
Nijmegen, 26 oktober 2010
Op de foto: R. Dobru, @ R. Dobru Raveles Stichting

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter