blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Moedt Bea

Remembering the Hurricanes of 2017

Op vrijdag 3 november aanstaande opent Rijsdijk Gallery in Locatie Laurier (Laurierstraat 62, Amsterdam) met de expositie Remembering the Hurricanes of 2017. read on…

‘Rijkste man van Curaçao’ strikt Stones

door Edwin Timmer

 

Als duizenden Cubanen eind maart meebrullen met Start me Up van de Rolling Stones, dan is dat met dank aan: Curaçao! Gregory Elias (62), de misschien wel rijkste man van het Caribische eiland, gooit een bullseye met zijn initiatief om Mick Jagger (72) de laatste restjes van Cuba’s communisme weg te laten rocken. read on…

Jeugd renoveert Fort Beekenburg

Minister Jeanne-Marie Francisca van Sociale Ontwikkeling, Arbeid en Welzijn en de Vacaturebank hebben in samenwerking met de Nederlandse Vertegenwoordiging en de Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de Gemeente Amsterdam met het project ‘Herstelling’ tien jongeren aan werktraining geholpen. Het project betreft de restauratie en onderhoud van Fort Beekenburg bij Caracasbaai. read on…

Eerbetoon aan culturele voorgangers: Pater Paul Brenneker en Elis Juliana

door Ieteke ‘Inchi’ Witteveen
Verzamelen, bewaren, documenteren en overdracht van kennis van ouderen, het bestuderen van de geschiedenis en geheugen van onze mensen van binnen uit. Alleen op die manier kan de gedachtenwereld van onze bevolking begrepen worden.
Paul Brenneker, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 
Dé pioniers voor deze grote culturele taak op Curaçao zijn ongetwijfeld Pater P.H.F. (Paul) Brenneker (1912–1996) en Elis Juliana (1927-2013). In het kader van de viering van Kulturismo 2009 zette de Fundashon National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM). samen met APNA de schijnwerpers op deze grondleggers van cultureel onderzoek en van de nationale collectie cultureel erfgoed. Dat gebeurde via een expositie Altá di Kòrsou, over de voornaamste altaren van Curaçao een publicatie Altá i Santunan di Kòrsou en de onthulling van een naambord op de patio van het gebouw waar NAAM is gevestigd, bekend als de oude leeszaal.Paul Brenneker, een bevlogen katholieke geestelijke van de Orde van Dominicanen, geboren op 7 mei 1912 in Limburg, liet bij zijn overlijden op 7 februari 1996, een grote culturele erfenis achter: ruim honderd publicaties, prenten, foto’s, gedichten, een grote collectie met geluidopnames van zang en verhalen en duizenden artefacten, die hij samen met zijn vriend Elis Juliana vanaf de jaren vijftig verzamelde op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Maarten, St. Eustatius en Saba. Door publicaties als Lekete Minawa (1958) Benta – oude liederen- (1959), Curaçaoensia – volkskundige aantekeningen over Curaçao(1961), Brua (1966), en de tien delen Sambumbu (1969 -1975) geeft hij ons toegang tot directe bronnen voor nader onderzoek. Naar de ontwikkeling van Guene bijvoorbeeld als voorloper van het Papiamentu, naar volksreligie en verzet tegen de slavernij. Of voor het opdoen van inspiratie voor artistiek werk, zoals musici als Angel Salsbach, Etzel Provence in de jaren zestig, gevolgd door Ronchi Matthew tot Izaline Calister voor het scheppen van Curaçaose jazz. Brenneker combineerde zijn liefde voor de lokale cultuur met naastenliefde. Dat laatste maakte hij duurzaam via de stichting voor daklozen (Stichting Kas Pa nos Tur) en broodlozen (Stichting Pam Pa mi Ruman).
Elis Juliana, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 

Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 in Nieuw Nederland, tussen de Oranjestraat en Penstraat, geboren. Het was de tijd dat Shell migranten uit het hele Caribische gebied naar Curaçao bracht. De radio deed zijn entree, de showbizz en het verenigingsleven vierden hoogtij. Geconfronteerd met de veranderingen van de moderne tijd ging de jonge Juliana op zoek naar de eigen identiteit, die van zichzelf en die van het Curaçaose volk. Hij begon als voordrachtkunstenaar. Al spoedig ontpopte hij zich als een artiest van velerlei kunnen, – dichter, verteller, tekenaar, beeldhouwer, verhalenschrijver – , maar hij begaf zich ook op het pad van onderzoeker naar de eigen cultuur. Wat begon uit nieuwsgierigheid en om inspiratie op te doen voor verhalen en voordrachten, groeide uit tot een passie: het bezoeken van ouderen als bron van informatie en kennis. Daarbij ontmoette hij Paul Brenneker. Door hun verschillende culturele achtergrond, – een Curaçaose volksjongen en een Limburgse priester – , vulden ze elkaar bij dit etnografische veldwerk voortreffelijk aan. Elis Juliana kan bogen op een lijst van ruim 50 publicaties, waaronder zijn eerste dichtbundelFlor di datu, ziin verhalen als Wazo riba ròndu (1967, 1981, 1988), Guia Etnológiko I, II, III en zijn filosofie OPI I, II, III, IV, Organisashon Planifikashon Independensia (1979, 1980, 1983, 1988).

De grote verdienste van het onderzoek van Brenneker en Juliana is dat zij de cultuur van de jaren van voor en tijdens de modernisering in de twintigste eeuw op een systematische wijze hebben gedocumenteerd. Ze verzamelden een onvervangbare schat aan informatie met een rijkdom aan gegevens uit de orale geschiedenis, maar ook vele objecten, als getuigenis van de materiële culturele erfenis. Die objecten variëren van huisgerei, documenten, religieuze objecten tot muziekinstrumenten en kunst. De collectie zelf is in 2001 officieel overgedragen aan de Fundashon NAAM. Een representatief deel daarvan is ten toon gesteld in het Curaçaos Museum en Museo Tula en vanaf 17 september tot 12 februari 2010 in de expositie Altá di Kòrsou, bij NAAM.

Wat nog onvoldoende aandacht heeft gehad is de unieke verzameling van 1400 liederen, muziek en verhalen die Brenneker en Elis Juliana in de jaren vijftig, zes jaren lang op eigen kracht en met heel veel inzet hebben verzameld en dat in 1975 is overgedragen aan de Fundashon Zikinza, toen ondergebracht bij het Centraal Historisch Archief aan de Roodeweg. Angel Salsbach, initiatiefnemer en secretaris van Fundashon Zinkinza, memoreerde hun werk bij de opening van het documentatiecentrum Zikinza in 1975 aldus:

Curaçao. Foto © Bea Moedt
“Seis aña largu Elis i Brenneker a kana ku aparatonan primitivo, riba nan mes forsa sin medionan finansiero nesesario i kolektá e herensha kultural di e masa di pueblo Antiano ku tantu a wòrdu kritiká den “El Curaçao que se va”.
E prome kontako tabata ku Iya di Wanota ku e tempu ei, esta mas ku 10 aña pasá, tabatin 80 aña di edat. Mulando su maishi chikitu riba un piedra el a kanta e prome kantika “Zuntan, zuntan zun klintan”. Despues a tumba pa Seru Fortuna i otro luganan na Kòrsou i Boneiru. E kamindanan tabata kamindanan di problema, pasobra ta kon ta kanta un kantika di rema boto, planta maishi, kap palu, koba buraku sintá den un stul di zoya den kas o riba un banki pariba di kas? Hopi biaha un pal’i basora ku a funkshoná komo rema, chapi o piki a sirbi komo yabi pa habri porta di kanto. Pero hopi biaha tambe mester a bai kas i bolbe bèk despues ora machi o pachi su kurpa tin mas grasia.” (uit: na Apertura di Sentro di Dokumentashon Zikinza, Angel Salsbach, 7 di februari 1975)De serie ‘Het Nationaal Museum vormen we tezamen’ verschijnt ook in Extra en The Daily Herald. Reacties op en suggesties voor bijdragen zijn van harte welkom. U kunt National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM) bereiken op het Johan van Walbeeckplein 13, telefoon (09) 462 1933, fax (09) 462 1936, e-mail: info@naam.an, website www.naam.an
[van de website van NAAM, 19-09-2009]

Erkenning van het leed

De Amsterdamse burgemeester Eberhard van der Laan in zijn werkkamer.
Foto @ Mineke de Vries
 
door Mineke de Vries
 
Het past de Amsterdammers om nooit meer over de Gouden Eeuw te spreken zonder óók te spreken over het leed en het onrecht van de slavernij. Dat zijn de woorden van Eberhard van der Laan, burgemeester van Amsterdam, uitgesproken tijdens de plechtige herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij op 1 juli 2013. We spraken met hem onder andere over de schijnbare onverenigbaarheid tussen de twee jubilea die de stad Amsterdam in 2013 vierde –  naast ‘150 jaar afschaffing slavernij’ ook ‘400 jaar grachtengordel’ – en over de verantwoordelijkheid van de stad Amsterdam en die van hem als burgemeester daarin.
Vanuit zijn kamer in het stadhuis aan de Amstel kijkt hij rondom door grote glazen wanden zijn stad in. Een letterlijke transparantie die ook hem past, Eberhard van der Laan, Amsterdammer onder de Amsterdammers. Een emotionele man, die zich in de lange dagen die hij werkt, vastbijt in de idealen die hij nastreeft. Die graag praat, maar ook goed luistert. Die wil leren en ervaren. Een man die geraakt kan worden en vooral iets wil doen met datgene wat hij hoort.
Ook in de pijnlijke geschiedenis van het slavernijverleden verdiepte hij zich terdege. “Ondanks dat geschiedenis mijn hobby is, wist ik hier te weinig van. Op school leerden we er amper over, ja het boek De Negerhut van oom Tom. De slavernijgeschiedenis zit niet in ons collectieve geheugen, dat moeten we echt veranderen.” Op de herdenking zelf kijkt hij goed terug. “Het was indrukwekkend en emotioneel. Waardig en opgewekt tegelijk, dat maakte het tot een zeer bijzondere dag.”
Excuses of erkenning?
Op de herdenking klonken eenentwintig kanonschoten, net zoals op 1 juli 1863 in Paramaribo, waarmee 45.000 slaafgemaakten vrije mensen werden. Van der Laan: “Bijna niet voor te stellen aantallen. Bijna niet voor te stellen leed.” In de toespraken werden woorden van spijt en berouw geuit, zo door Lodewijk Asscher namens de regering. Ook Van der Laan sprak over de schaamte over wat is gebeurd. “We zijn belast met deze geschiedenis. En wanneer wij samen onze toekomst willen maken, is het immense leed dat onze voorouders de hunne aandeden ook onze pijn. Woorden van spijt en berouw horen daarbij.” Van der Laan realiseert zich dat velen hopen op excuses. “Als ik echter kijk naar de inhoud van de woorden spijt en berouw voelt het voor mij niet dat excuus daaraan iets zou toevoegen. Bovendien, hebben we onze excuses al niet aangeboden als we spreken van spijt?” Tevens voelt hij een aarzeling excuses te maken door latere generaties. “Is het niet erg gemakkelijk excuus te maken voor iets wat anderen deden? Hoe waardevol is dat? Tot slot moeten we eerlijk genoeg zijn om te kijken naar de juridische consequenties, waarbij het uiten van excuses mogelijk een basis zou scheppen voor herstelbetalingen. En daaraan moeten we mijns inziens niet beginnen.”
Voor Van der Laan is het belangrijkste dat we als nazaten van de plantage-eigenaren het leed dat is aangedaan volledig erkennen. “Dat is genoeg, dat is namelijk waarmee je verder komt. Niet met het indienen van claims, want daarmee kijk je paradoxaal genoeg juist de verkeerde kant op. Zo continueer je de ongelijkheid. En die is voorbij. Maar de pijn erkennen is wel degelijk nodig om mensen nu en in de toekomst goed te kunnen laten samenleven.”
Gevelsteen op het fronton van een huis aan het Amsterdamse Rokin.
Foto Museum Geelvinck
De neus op de feiten
Aan de grachtengordel, de trots van Amsterdam – die zelfs op de werelderfgoedlijst staat – vinden we de huizen van voormalige bewindhebbers van de West Indische Compagnie en de directeuren van de Sociëteit van Suriname, die zorg droeg voor het bestuur van Suriname én de aanvoer van slaven. Een concentratie van deze huizen ligt in de Gouden Bocht van de Herengracht. Bij één van die huizen op Herengracht 502, de ambtswoning van de burgemeester uit 1672 werd in 2004 een gedenksteen geplaatst.
Dit jaar viert Amsterdam feestelijk haar ‘400 jaar grachtengordel’, naast 150 jaar afschaffing slavernij. Een lastige combinatie zo op het eerste gezicht. Toch vindt Van der Laan het terecht het gelijktijdig te vieren. “De verbinding is juist goed. De grachtengordel betekent de kracht van Amsterdam. Wat in de 18e eeuw Parijs was, in de 19e eeuw Londen, in de 20e eeuw New York, was in de 17e eeuw Amsterdam. Maar liefst 70 procent van de wereldeconomie in de Gouden Eeuw was gebaseerd op Amsterdam. De eigenwaarde, het zelfrespect moeten we ook hieraan ophangen. We mogen trots zijn, maar moeten tegelijkertijd blijven praten over de keerzijde. De geschiedenis van Amsterdam met haar schitterende vruchten, daar zitten inderdaad zwarte bladzijden tussen.” Maar zonder de aandacht voor de fysieke panden kun je geen kennis opdoen over het verleden, we worden letterlijk met de neus op de feiten gedrukt. “Juist het geïmponeerd raken door de hoeveelheid fraaie grachtenpanden geeft inzicht.”
Hij ziet het als kans dit jaar bij al zijn toespraken die andere kant te belichten. “Of ik nu voor een zaal chique mensen sta of een economische lezing voor achthonderd Amsterdamse ondernemers houd, ik draag mijn kennis over, wat altijd leidt tot meer begrip.”
Gevelsteen aan een Amsterdams pand die herinnert
aan de handel. in Suriname. Foto Museum Geelvinck

 

Burgemeesters tijdens slavernij
Het is een bekend gegeven dat regenten het systeem in stand hielden en  burgemeesters meewerkten aan de slavenhandel. Vanuit zijn rol als burgmeester nu probeert Van der Laan zich te verplaatsen in die tijd. Vanwege de driehoek van de handel – West Afrika, Antillen, Surinme, Nederland – was de slavernij in Amsterdam niet zichtbaar. Slechts de producten (suiker, koffie, tabak) kwamen naar Amsterdam als handelswaar, niet de slaven. “Men had hierdoor weinig besef van wat er aan de andere kant van de wereld gebeurde, de mensen hier in Amsterdam zagen de slaafgemaakten nauwelijks. Mensen toen wisten een fractie van wat wij nu weten. Bovendien moeten we niet vergeten – zonder te  bagatelliseren – dat hun context anders was, mensen leefden in een bloederiger, hardere wereld dan wij.” Het is moeilijk ons te verplaatsen in die tijd. “We kunnen naderhand mensen niet collectief gaan veroordelen. We kennen ze niet. We weten niet wat we zelf gedaan zouden hebben. Er zijn dramatische psychologische onderzoeken die aantonen dat we allemaal iets dergelijks in ons hebben als het erop aankomt, daar wil ik liever niet aan denken.”
Nadenkend kijkt Van der Laan door zijn raam naar het beeld van Spinoza, die uitkijkt over de Amstel. “Voor mij is Spinoza een wijze leermeester, maar heb je hem ooit gehoord over de periode van de slavernij? Van iemand die toch bepaald niet bang was, valt het me eigenlijk tegen dat hij er nooit iets over heeft gezegd.”
De pijn zit zo diep
Van der Laan voelt zich persoonlijk verantwoordelijk goed om te gaan met de slavernijgeschiedenis. ‘’Je spreekt mensen, leest erover en pas dan ervaar je hoe het leed zijn sporen heeft getrokken. Dat werd me pijnlijk duidelijk toen ik op de Afrikadag in Paradiso na mijn lezing werd aangesproken door een Keniaanse minister, het prototype van een trotse, zelfverzekerde vrouw. Ze bedankte me uitbundig, ik had haar dag gemaakt door over slavernij te praten. Ik was diep geraakt dat zelfs bij zo’n zelfbewuste vrouw de pijn zo diep zit.”
Zo bleef ook het boekje van Margo Morisson hem bij, waarin een vader aan het eind van zijn leven zijn zoon inlicht over het feit dat diens moeder ter vrije beschikking stond aan de plantage-eigenaar. Van der Laan: “Als dit met je gebeurt, hoe laag wordt dan je zelfbesef, het is een onvoorstelbare aanslag op je zelfwaarde als je te koop bent, of ter beschikking staat van iemand. Deze dingen mogen we niet vergeten, ze spelen nog steeds door in de nazaten van de slaafgemaakten. Als je bijvoorbeeld al leest dat van de mensen die pesten, de helft zelf is gepest, kun je de lijn doortrekken naar wat deze gevolgen zijn.”
Eberhard van der Laan
Foto @ Mineke de Vries
Elkaar aanspreken
Bovendien moeten we niet vergeten dat het ‘pas’ 150 jaar geleden is, aldus Van der Laan: “Bij Napoleon zit er maar twee handdrukken tussen. De korte tijd is geen verontschuldiging om 150 jaar later je verantwoordelijkheid niet te nemen. Als nazaten van de plantage-eigenaren moeten we ons doodschamen, maar elkaar wel blijven bejegenen om het goed te beseffen. We dienen mensen die er geen begrip voor hebben, er principieel op aan te spreken. Amsterdam heeft zich schuldig gemaakt, maar dankt een deel van zijn rijkdom aan de slavernij. Dat schept de verplichting dat je je verdiept in het leed om het te begrijpen, temeer daar er in Amsterdam velen uit de herkomstlanden wonen. Hoe kun je dan zo’n geschiedenis weglaten? Ik wil me sterk maken om dingen te bedenken om samen te komen. We moeten er met allen die in deze stad wonen iets moois van maken.”
Het stemt Van der Laan tevreden dat er dit herdenkingsjaar zoveel aandacht is en dat er zoveel exposities zijn, die naast de grachtengordel ook de slavernij laten zien. Hieruit blijkt dat het één niet meer zonder het ander kan. “Zo is er de expositie Swart op de Gracht – Slavernij en de Grachtengordel en persoonlijk vind ik de formule voor de expositie De Gouden eeuw maar nu met zwarte bladzijde een schitterende vondst; naast elk schilderij hangt een kanttekening vanuit een ander perspectief. Het is de kunst dingen zo om te buigen dat ze kunnen inspireren. Je kunt de geschiedenis niet uitpoetsen maar er wel op terugkijken en ervan leren. Zo zou je ook de beeltenissen op grachtenpanden die overduidelijk verwijzen naar de tijd van slavernij kunnen ombuigen. Daar zouden we een kunstenaar bij moeten betrekken om dat te realiseren. Ik wil daarover nadenken.”
Antilliaanse man.
Foto @ Bea Moedt
Antillen
Zelf was Van der Laan nooit op de Antillen of in Suriname. Het stond vaak op mijn buitenlandlijst in de tijd dat ik minster was. Als echte calvinist ben ik echter van mening dat je elk overheidsdubbeltje moet omdraaien. Ik vroeg me af waarom iedereen daar naartoe moest en dacht vaak: doe gewoon je werk. Wel kreeg ik in mijn ministerstijd veel te maken met de Antilliaanse gemeenschap, met name die in Rotterdam. Ik heb me uitermate veel zorgen gemaakt om de Antilliaanse kinderen die naar Nederland komen. Nog altijd ben ik van mening dat er echt een goede inburgering dient te zijn om kansen van deze generatie te verbeteren. Ook als advocaat zag ik veel mensen uit de Surinaamse en Antilliaanse gemeenschap. Als verzekeringsexpert, onder andere in de Bijlmer stond ik moeders bij in huurzaken. Ze wilden hun kinderen geven wat ook anderen hadden, maar konden hun huur niet meer betalen. Ik begreep ze. Kreeg ook begrip voor het matriarchale aspect in deze samenlevingen. Wat mij opviel als advocaat was dat je de kerels vrijwel nooit zag, ik had daar mijn vraagtekens bij, vaak waren ze werkloos. Het is treurig als kinderen niet de gewoonheid ervaren van ouders die samen voor hen knokken.”
Amsterdam voorbeeld
Als stadsbestuur van Amsterdam willen wij een verantwoordelijke hoofdstad zijn. We dienen de juiste attitude te hebben, een voorbeeld te zijn voor hoe we in het leven staan. Het op zoek zijn naar je verantwoordelijkheid wil ik uitstralen naar onze burgers maar ook naar de rest van Nederland. Als stad willen we de jaarlijkse herdenking continueren, zij het in bescheidener mate dan nu en geven we subsidie aan NiNsee, om het behoud van ons gemeenschappelijk verleden. Ik vind dat ook het rijk dat zou moeten doen. Verder wil ik ten aanzien van het onderwijs dat kennis over deze geschiedenis wordt overgebracht. We mogen het één nooit meer los zien van het ander. Onze burgers zijn enthousiast, dat merken we, er is verbinding en er blijkt veel respect te zijn voor de gemeente Amsterdam. We zijn op de goede weg. Waar ik kansen zie om te praten over deze geschiedenis zal ik dat niet nalaten.” Kansen grijpen betekent voor Van der Laan automatisch dat hij ook de kansen opzoekt.
“Ook staatsrechtelijk gezien moeten we ons er niet ‘van af maken’ Ik vind dat we ons terdege moeten bedwingen in het te gemakkelijk roepen: zoek het zelf uit. Het grootste goed dat we kunnen bieden is het leveren van een bijdrage aan het zelfvertrouwen van elk mens, van een volk als geheel. Want dat is het meest essentiële voor elk mens. Als er iets is wat we van ons slavernijverleden hebben geleerd, is het dat. We hebben de verantwoordelijkheid elkaar daarbij te ondersteunen. Wij als stad steken daarvoor onze nek uit.”

Media laten een ingesleten beeld zien

door Freek van Beetz
.
Naar aanleiding van de recente aandacht rondom het Caribische deel van ons Koninkrijk hebben we auteur Freek van Beetz gevraagd een gastblog te schrijven.
 
“Voorlopig komt er geen recensie van uw boek”, kreeg ik dit voorjaar te horen van de NRC. Dat boek: Het einde van de Antillen, zou “alleen voor de echte liefhebbers van de politieke geschiedenis van de Antillen echt fascinerend zijn, maar de meeste lezers van NRC Handelsblad rekenen zich daar niet toe”. En zo serveerde de ‘kwaliteitskrant’ mijn met persoonlijke ervaringen doorweven kroniek van de recente politieke geschiedenis van het Koninkrijk af, een periode waar ook (Europees) Nederland politiek nauw bij betrokken was. Die staatsrechtelijk cruciale jaren culmineerden uiteindelijk op 10 oktober 2010 in de opheffing van het land de Nederlandse Antillen. Vanaf die datum zijn Sint Maarten en Curaçao ‘autonome landen’ binnen het Koninkrijk, dezelfde status die Aruba al vanaf 1986 geniet. De kleinere eilanden Bonaire, Saba en Sint Eustatius gingen als ‘bijzondere gemeenten’ hechtere banden met Nederland aan.
Diezelfde NRC pakt deze weken groots uit met onthullende resultaten van onderzoeksjournalistiek: de betrokkenheid van Nederland en Nederlandse politici bij mogelijke corruptie op Bonaire. De eerste reportage “Illegale spionage op Bonaire” verscheen in de editie van 21 november. Dus nu niet alleen voor ‘echte liefhebbers’?
Dergelijke reportages passen in een bestendige, bijna hardnekkige gedragslijn in de media: de eilanden in de voormalige Antillen zijn toch vooral publicitair interessant als er moord, doodslag en corruptie te melden valt. Overigens moet gezegd worden dat aan deze NRC-reportage uitvoerig en gedegen bronnenonderzoek ten grondslag ligt.
De aandacht in de Nederlandse media voor de politieke actualiteit in het Caribische deel van het Koninkrijk, kenmerkt zich in het algemeen niet door een grote mate van diepgang, belangstelling en betrokkenheid. Journalistieke nieuwsgierigheid moet het nogal eens afleggen tegen de aandrang binnen de gebaande paden te blijven: afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Een enkele uitzondering (zoals Dick Drayer, correspondent ter plekke) daar gelaten. Het steekt de eilandbewoners in de Cariben terecht dat de van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als ‘Nederlanders’ worden geprezen en criminelen het etiket ‘Antilliaan’ krijgen opgespeld. Fraude, criminaliteit en integriteitsvraagstukken bepalen het negatieve beeld.
Gemiste kansen
Van 12 tot 21 oktober bezochten koning Willem Alexander en koningin Maxima het Caribisch deel van het Koninkrijk. De lijst met ‘geaccrediteerde pers’ in het officiële programma vermeldt 7 fotografen, 5 journalisten van de schrijvende pers en 25 medewerkers van radio, tv en video, waarvan 8 verslaggevers. Maar liefst 37 personen zouden het bezoek verslaan.
En wat hebben die ons allemaal laten zien? Vanzelfsprekend veel geijkte beelden: zon, zee, volksdans en vrolijke mensenmenigten. En een koningspaar dat duidelijk zichtbaar genoot van de inzet, het enthousiasme en de spontaniteit van hun onderdanen aan de andere kant van de oceaan.
Voor zover de meegereisde journalisten daarvoor al de ruimte kregen van hun redactiechefs en netmanagers, kregen we in het journaal en in de nieuwsrubrieken maar bar weinig te horen en te zien over de politieke en maatschappelijke ontwikkelingen sinds de wijzigingen in de staatkundige verhoudingen op 10 oktober 2010.
Voor nieuwsgierige nieuwsgaarders zou de recente geschiedenis voldoende aanleiding moeten zijn om te onderzoeken hoe het de eilanden en eilandbewoners sedertdien is vergaan. Het koninklijk bezoek bood een mooie en gepaste gelegenheid om de bestaande stereotype beelden te nuanceren en de kennis over dit deel van het koninkrijk te verdiepen. Die kans hebben de nieuwsmedia voorbij laten gaan.
…overbodig vakantiereisje…
In het veelbekeken acht uur journaal kwamen slechts sporadisch beelden van het bezoek – en dan nog in een flits – voorbij. Correspondenten in ‘Verweggistan’ krijgen daar doorgaans meer zendtijd toebedeeld voor lang niet altijd even diepgravende reportages (dansende aapjes op straat in Djakarta!). In sommige programma’s, bijvoorbeeld in RTL Late Night (met Umberto Tan), maakte de redactie het zich wel erg gemakkelijk: de reis van het Koningspaar werd, met het tonen van enkele plaatjes, lacherig afgedaan als een overbodig vakantiereisje. De NTR beperkte zich tot overigens goed gemaakte reportages: ‘Koningspaar in de Nederlandse Cariben’, die op drie achtereenvolgende vrijdagavonden tussen zeven uur en half acht werden uitgezonden, jammer genoeg niet echt ‘prime-time’.
Tegen die achtergrond valt de kritiek op de eilanden op de wijze waarop zij door de Nederlandse media en de Nederlandse politiek worden bejegend goed te begrijpen: ze worden maar al te vaak met meewarige blik en houding weggezet als ontwikkelingslanden, waar financiële steun in zakken van corrupte politici verdwijnt; eilanden die in de greep van de maffia lijken te worden weggezogen en waarvan we beter vandaag dan morgen afscheid van moeten nemen.
De media hebben de kans om een genuanceerder beeld te geven van de eilanden en hun bewoners voorbij laten gaan. Dat doet geen recht aan de positieve sfeer waarmee het koninklijk bezoek was omgeven en evenmin aan de inzet van velen op die kleine eilanden die met energie, maar met vaak beperkte mogelijkheden en middelen werken aan hun toekomst.
Wél geïnteresseerd in de achtergrond van de voormalige Nederlandse Antillen? Lees het boek van Freek van Beetz: Het einde van de Nederlandse Antillen.
[van Eburon, 28-11-2013]

Bij het heengaan van Dr Jules de Palm

door Henry Habibe
 
Op een droevig moment als dit, waarbij een heel dierbaar persoon mij ontvallen is, zou ik het niet willen hebben over zijn vele verdiensten op literair èn taalkundig gebied. Zelf wilde hij niet eens opgebaard worden, maar in stilte gecremeerd. Cola Debrot heeft Jules de Palm ooit getypeerd als een van die auteurs, die de moed weten op te brengen om in alle eenvoud hun ware aard te tonen. Dat is nu weer duidelijk gebleken. Ik probeer dus iets te schrijven dat past bij een meer ingetogen afscheid.
Jules de Palm tussen Henry Habibe (links) en Alwin Toppenberg
Ik heb nogal wat leermeesters gehad. Ook van het soort bij wie je nooit in de klas hebt gezeten. Dat zijn de mensen die je bij gewone gesprekken zo weten te inspireren dat je gefascineerd raakt. Zo’n leermeester was Jules de Palm. Ik moet een eerstejaars of tweedejaars student zijn geweest, toen ik kennis met hem maakte. Ik studeerde toen aan de Katholieke Universiteit te Nijmegen en bezocht hem een aantal keren op zijn kantoor in Den Haag. Hij was Directeur van het Centraal Bureau Toezicht Curaçaose Bursalen (CBTCB) en sprak tijdens die bezoeken o.a. ook over zijn Curaçaose jeugd. Zijn naam was ik al eerder tegengekomen in de Antilliaanse Cahiers, waarvan hij in 1956 samen met Cola Debrot en Henk Dennert de redactie vormde. De Palm schreef in 1949-1950 al essays in El Dorado, het maandblad ter behartiging van de belangen van Suriname en de Nederlandse Antillen. Daarvóór was hij onderwijzer op Curaçao en Aruba.
Jan Engelman en zijn Tuin van eros

 

Direct bij het eerste contact boeide De Palm mij. Hij had, bijvoorbeeld, samen met Pierre Lauffer en René de Rooy liedjes in het Papiaments gecomponeerd. Dat is iets waar men in de beginjaren veertig nog niet over piekerde. Op feestjes werd toen nog geen muziek met Papiamentse teksten gespeeld. Het was een tijd waarin de bevolking  geen waarde hechtte aan de landstaal. Maar het trio zong de liedjes alleen in eigen kring, terwijl er één op een houten kist trommelde. De bedoeling was om zo liedjes, maar ook literatuur in de landstaal voort te brengen en te bevorderen. Jules vertelde ook hoe René de Rooy hem eens verweten had: ‘Jullie hebben een taal, een prachtige taal met rijkdom aan klanken en wat doen jullie ermee?’ Hij vertelde hoe hij samen met Pierre ging luisteren naar native speakers, die deze taal zuiver spraken. Hun Papiaments was nog vrij van lexicale beïnvloeding door het Nederlands (De Palm gebruikte daarbij het woord ‘geïnfecteerd’). Ook hoe Pierre hem af en toe verraste met zijn nieuwe verzen in het Papiaments. De Palm liet soms ook gedichten in het Nederlands horen. Een van zijn favorieten was Jan Engelman (1900-1972). Hij vertelde tevens dat toen Pierre aan zijn vrienden (daartoe behoorde ook Luis Daal) bekend maakte dat hij [Pierre] al een poos bezig was met het schrijven van poëzie in de landstaal, Luis tegen Pierre was  uitgevallen:‘Je onthoudt ons volk iets waar het recht op heeft!’
Huis op Curaçao. Foto @ Bea Moedt
Ik ging graag van Nijmegen naar Den Haag, want er viel in het kantoor van De Palm veel over de cultuur van Curaçao te leren. Als onderwijzer, als taalkundige en als letterkundige had hij interessante dingen te vertellen. Bij een van die ‘tertulia’s’ schonk hij mij een exemplaar van het eerste nummer van Simadan. Op de omslag pronkte een tekening van Chal Corsen: het stelde een hoorn voor, door twee handen vastgehouden en uit die hoorn stroomde het woord ‘simadan’. Ik weet niet hoe het komt, maar dat beeld gebruikte ik later in een van mijn gedichten: ‘for di un kachu, suplá fo’i  un kabés yen di strea….’ (uit een hoorn, geblazen door een kop vol sterren). Omstreeks die tijd begon ik mijn eerste dichterlijke vingeroefeningen op papier te zetten. Op een dag deed ik ze aan Jules toekomen met de vraag wat hij ervan vond. De Curaçaose onderwijzer, die mij zo geboeid had met zijn spannende verhalen, gaf me toen voor ieder gedicht een cijfer. Nog wat later schreef hij met betrekking tot die eerste pennenvruchten: ‘Persoonlijk verwacht ik heel veel van de jonge, nog vrij onbekende dichter Habibe……’ Het behoeft dus niet te verbazen dat ik mijn veel later in het Papiaments geschreven gedicht, ’Papiamentu na kaminda’ (Papiaments onderweg) opgedragen heb aan……Julio Perrenal. Ik wilde de man, van wie ik zoveel geleerd had, eren en via hem óók Pierre Lauffer en René de Rooy. Ik had, na de jaren zestig, regelmatig nog contact met Jules. Wij correspondeerden bij tijd en wijle met elkaar.
Antilliaanse studente aan de Rotterdamse balletacademie

 

In 1992 werd Dr De Palm door de overheid uitgenodigd om op de middelbare scholen iets voor de leerlingen op zijn geboorte-eiland te doen. Op drie van die scholen heeft hij lezingen gehouden. Hij heeft daarbij o.a. over zijn boezemvriend Pierre Lauffer gesproken. Tot zijn grote verbazing constateerde hij dat Lauffer bij de leerlingen niet bekend was. De man, die zijn gehele leven zijn best gedaan heeft voor het onderwijs op Curaçao (proefschrift: Het Nederlands op de Curaçaose school, 1969) en het culturele zelfbewustzijn van zijn eiland, werd anno 1992 geconfronteerd met scholieren die niets meer wisten over Julio Perrenal. Om maar te zwijgen over de nationale dichter van het eiland! De Palm: ‘Nota bene, de man die zijn Bloemlezing Di Nos had opgedragen aan de jeugdvan Bonaire, Curaçao en Aruba!’
Antilliaanse studenten in een sociëteit in Nederland
In de jaren negentig werd het contact met Jules moeilijker vanwege zijn blindheid. Hij leefde teruggetrokken. Hij wenste geen telefoontjes meer te ontvangen en had dan ook een geheim nummer. In 1993 schreef hij: ‘Ora bo yega Ulanda, si no ta muchu molèster, skirbi mi un kartika, duna mi bo adres i number di telefòn, anto ami lo kontakt bo (Als je in Nederland aankomt en het niet te lastig is, stuur me dan een briefje en geef me je adres en telefoonnummer, dan zal ik je wel bellen). Het lukte mij een hele tijd niet meer (gedurende het eerste decennium van de 21ste eeuw) contact met hem te maken. Totdat Alwin Toppenberg (klasgenoot uit mijn Arubaanse Mulo-tijd), mij de weg naar Jules de Palm wees. Wij hebben hem in 2012 samen een bezoek gebracht. Hij was het gezichtsvermogen helemaal kwijt, maar zijn geheugen was voortreffelijk. Ik heb hem daarna nog twee keer bezocht: op Kerstdag 2012 en met Pasen 2013. Op 28 september jl. reed ik in de tram langs ‘Bosch en Duin’ en dacht ik meteen weer aan hem. Van Alwin Toppenberg vernam ik dat hij op 30 september overleden is. Sosegá na pas, Maestro Jules!

In Memoriam ‘Julio Perrenal’

door Fred de Haas
Jules de Palm. Foto Jan van der Weerd

 

Even heb ik geaarzeld om bovenstaande titel te hanteren voor de woorden die ik zou willen wijden aan het overlijden van de heer dr Jules de Palm die voor vele Antillianen op zoveel gebieden een lichtend voorbeeld is geweest. Van verschillende kanten heeft men de overledene terecht veel lof toegezwaaid. Mij rest nog de poging om in de marge van zoveel Antilliaanse lof iets toe te voegen aan de woorden die reeds aan Jules de Palm zijn gewijd.
Jules de Palm en het Onderwijs
Jules de Palm was op de eerste plaats iemand die zich al vroeg bezighield met de plaats van het Nederlands in het Antilliaanse onderwijs, het Nederlands dat voor menig Antilliaans kind een bijna onoverkomelijk struikelblok zou blijken.
Jules leefde mee met het arme Curaçaose kind dat op school onverhoeds werd ondergedompeld in een wezensvreemde taal die het binnen zou leiden in een volslagen onbekende, beangstigende wereld. Hij begreep de onzekerheid en gevoelens van minderwaardigheid die de vanzelfsprekendheid van het Nederlands als taal van instructie met zich meebracht, hij begreep de voortschrijdende vervreemding van de Antilliaanse psyche, de aanval op de geest van al die kinderen die door de koloniale geschiedenis werden gedwongen een strijd aan te gaan die ze wel móesten verliezen, geïsoleerd als ze waren van de voedende taalbron die de Nederlandse kinderen in hun vaderland altijd ter beschikking stond, gedoemd om altijd fouten te maken, al deden ze nóg zo hun best. Voeg daarbij de historisch lange afwezigheid van enige doordachte taalpolitiek en een, op zijn zachts gezegd, omstreden didactiek in het onderwijs en het rampzalig plaatje is compleet.
Maar Jules was er de man niet naar om zijn frustraties hierover op een onbeschaafde manier uit te dragen en het daarbij te laten. Velen op het eiland kunnen nog steeds een voorbeeld aan hem nemen! Hij besloot om verder te studeren en in een proefschrift (Groningen, 1969) te onderzoeken hoe het met dat onderwijs in het Nederlands op Curaçao gesteld was. Het is nog steeds leerzaam om de pagina’s die hij heeft gewijd aan de vele aspecten van het Nederlands en het onderwijs in het Nederlands op de Benedenwindse eilanden te lezen. Ze zijn nog altijd erg actueel.
Meer dan veertig jaar geleden maakte Jules een analyse van de fouten die kandidaat-bursalen zoal in het Nederlands plachten te maken. Op deze plaats moet ik volstaan met te zeggen dat de fouten die hij signaleerde meestal het gevolg waren van de invloed van de moedertaal: het Papiaments. De fouten betroffen het verkeerd gebruik van lidwoorden, persoonlijke en bezittelijke voornaamwoorden, vervoegingen, woordvolgorde, voorzetsels, bijwoorden, zelfstandige en bijvoeglijke naamwoorden, spelling en nog enkele zaken.
Frustratie en gevoelens van minderwaardigheid waren het gevolg van dit voortdurend falen. En dit gevoel van permanente mislukking werd onbewust gecontinueerd door de in het onderwijs toegepaste en van Nederland gekopieerde didactiek die geen rekening hield met het feit dat Antilliaanse kinderen uit een totaal andere leef- en taalwereld kwamen. Men zag ze kennelijk – ook met de beste intenties –  als ‘minder taalvaardige Nederlandertjes’. Op school bereikte de frustratie een hoogtepunt omdat de kinderen hun moedertaal niet móchten spreken en de vreemde taal – het Nederlands –  niet kónden spreken.
Sindsdien is er veel gebeurd. Er heeft een grote kentering plaatsgevonden in het denken over de functie van het Papiaments in het onderwijs en de rol van het Nederlands binnen de Curaçaose samenleving. Veranderde inzichten hebben geleid tot het gebruik van de moedertaal in het onderwijs waarmee in 2002 officieel een begin werd gemaakt in het kleuter- en basisonderwijs.
Julio Perrenal
Maar wat heeft ‘Julio Perrenal’ met dit alles te maken?
Veel. Maar op zijn minst 1/3! Want in zijn jonge jaren maakte Jules de Palm deel uit van het pas veel later bekend geworden driemanschap ‘Julio Perrenal’.
‘Julio Perrenal’ was een naam die René de Rooy had gedistilleerd uit de letters van de namen Pierre (Lauffer), René (de Rooy) en Jules (de Palm). Colá Debrot, schrijver en oud-gouverneur van de toenmalige ‘Nederlandse Antillen’ heeft dit geheim ooit onthuld.
Pierre, Jules en René vonden dat er in de jaren veertig – de Tweede Wereldoorlog was in volle gang in Europa –  alle reden was om een tegenwicht te bieden aan de overheersende Zuid-Amerikaanse, Amerikaanse en Nederlandse liedcultuur door originele teksten te schrijven in het Papiaments en originele melodieën te creëren op Antilliaanse ritmes.
De drie jongens waren toen iets ouder dan 20 en enthousiaste liefhebbers van hun moedertaal.
Alle drie spraken ze voortreffelijk Nederlands – met dank aan de Hollandse fraters – en kenden vele verzen van Nederlandse dichters uit hun hoofd. Net als vele anderen zongen ze ook Nederlandse liederen als ‘De paden op, de lanen in’, liederen die nu eenmaal hoorden bij het cultureel Nederlands-Antilliaanse erfgoed van de jaren ’40. Zij spraken voortreffelijk Papiaments, hun moedertaal, en hadden notie van de Spaanse literatuur.
Het driemanschap moest wel wat moeilijkheden overwinnen om de taak die zij zichzelf hadden gesteld enigszins plausibel te kunnen uitvoeren. Een van de grootste obstakels op hun muzikale weg was dat zij de kunst van het muziekschrijven niet beheersten en de melodieën die ze verzonnen steeds weer moesten herhalen totdat zij ze uit hun hoofd kenden.
Maar zo maakten ze dan toch een aantal leuke liedjes, waarvan de versregels….. rijmden. Dat was een wens van Jules de Palm die vond dat rijm hielp om de liedjes beter te onthouden. Pierre Lauffer was geen voorstander van rijm. In het liedje ‘Nèshi di Maribomba’ (Wespennest) dat hij alleen heeft geschreven is het rijm dan ook afwezig. Maar Jules had natuurlijk wel gelijk. Liedjes op rijm zijn makkelijker te onthouden. Alleen was Pierre Lauffer zich er (onbewust) van bewust dat het Papiaments zich niet zo goed leende voor rijm. Het hoorde niet bij de taal. Het Papiaments moest het nu eenmaal hebben van melodie en ritme, de twee onmiskenbare steunpilaren van het Creoolse lied!
De Creoolse liedjes
In 1943 mocht ‘Julio Perrenal’ hun liedjes laten vertolken voor Radio Curom op Curaçao. Maar het trio dat de liedjes zou uitvoeren liet verstek gaan. In arren moede hebben Pierre, René en Jules toen zelf de liedjes maar gezongen met begeleiding van een gitarist die toevallig was op komen dagen. Die uitvoering is toen geen succes geworden en de liedjes raakten in de vergetelheid totdat ze werden herontdekt in de jaren ’70 en op notenschrift vastgelegd door de – inmiddels ook overleden –  Curaçaose musicus (bassist, gitarist) Julian Coco.
In 1979 verscheen bij uitgeverij De Bezige Bijtoen eindelijk het boekje ‘Julio Perrenal’, waarin Jules de Palm onderhoudend vertelt over de vriendschap tussen hem, Pierre Lauffer en René de Rooij.
Merengue Merikano
Een van de eerste liedjes die door het driemanschap werd gemaakt was de ‘Merengue Merikano’ op een ritme dat het midden houdt tussen een Venezolaanse merengue en een Antilliaanse tumba. Dit liedje is bekend geworden onder de naam ‘Shon Ca’ (= juffrouw Carmencita). In dat liedje wordt de Curaçaose meisjes verweten dat ze liever omgingen met de Amerikaanse militairen die na 1942 ter bescherming van de bevolking op Curaçao verbleven dan met de lokale jongens. Ze gaven de voorkeur aan ‘Bill’ boven ‘Colá’, maar vergaten dat na de oorlog Bill zou vertrekken en dat Colá zou blijven:
Merengue Merikano
M’a tira un tek na Punda
I topa ku Shon Ca
Ta kròs un Merikano
Un tersio bon zetá
Komo mi sa di djele
M’a keda babuká
Ta kiko Carmencita
B’a kibra ku Colá?
Gosa, gosa sin pensa otro kos
Sigui, sigui te baka kai na pos
Colá a subi warda
Ku kurason trankil
Sin pensa ni un momentu
Ku Carmen ta ku Bill
Ma guera ta bai kaba
Su chòmi ta bai kas
Shon Cá ku su fantochi
Gañá lo keda tras
Gosa, gosa sin pensa otro kos
Sigui, sigui te baka kai na pos
Julio Perrenal
Yankee Merengue
Ik wandelde naar Punda
en stootte op Shon Ca,
die pronkte met een Yankee
zo zat als een garnaal.
Omdat ik haar goed kende
wist ik niet wat ik zag:
is het dat Carmencita
Colá niet langer mag?
Feesten, feesten, dat kan toch geen gevaar!
Later, later, dan zijn de rapen gaar!
Colá die ging op wacht staan,
zo rustig en zo stil.
Hoe kon hij ook bedenken:
‘mijn Carmen is bij Bill’?
De oorlog gaat ook over,
haar vriendje gaat naar huis…
Shon Ca komt met haar ‘air’ van
een koude kermis thuis!
Feesten, feesten, dat kan toch geen gevaar!
Later, later, dan zijn de rapen gaar!
Vertaling: Fred de Haas
Curaçaoënaar. Foto @ Bea Moedt
 
Skuridat
Een ander liedje dat ze met hun drieën maakten was ‘Skuridat’ (= Verduistering), een Curaçaose wals. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moesten ook op de Antillen de ramenworden verduisterd met zwarte houten schotten omdat de regering bang was voor nachtelijke vijandelijke aanvallen.  Dat belette echter niet dat de mensen ’s avonds gezellig voor hun donkere huisjes zaten te praten. De jongelui maakten ook graag gebruik van de duisternis om van de sociale controle af te zijn. Helaas sloegen ook straatrovers hun slag in het donker en de chauffeurs reden roekeloos omdat ze niet betrapt konden worden op verkeersovertredingen. In het laatste couplet worden Hitler, Mussolini en de Japanse keizer Hirohito verwenst.
Skuridat
Awor ku lus a disparsé
Kòrsou a bira trist’unbé
I hendenan ta kik fadá
Ku nan bentananan será
Si bo ke dal un keiru afó
Ai perkurá no bai bo so
Pasobra tin hende golos
Ku ke hòrta bo kos
I si bo dal un stap robes
Tin risk’i kibra bo kabes
Chofùrnan tur ta bon purá
I abo pober ta matá
Si bo ke pasa un ratu bon
Pasa den alameda, shon,
Pa gosa señoritanan
Ta namorá nan yònkuman
Mas hopi kos a sosodé
Awor ku lus no ta sendé
Ta ken lo por a pensa esei
Promé ku guera t’ei
Ai, mare Dòis por spat mañan
Benito hoga den laman
Hirohito haña ki ku ta
Pa nos por biba sosegá
Uit: Julio Perrenal
Verduistering
Nu al het licht verdwenen is
en iedereen vol ergernis,
lijkt Curaçao wel een gesticht
met alle ramen stevig dicht.
En wil je dan toch ergens heen,
ga dan maar liever niet alleen!
Ook boeven gaan er graag op uit,
beschouwen je als buit.
En als je struikelt, wee, o wee!
riskeer je er je leven mee,
want wegpiraten hebben haast:
het is de dood die op je aast!
En als je toch iets leuks wilt doen,
ga dan maar naar het Stadsplantsoen,
dan zie je meisjes ’s avonds laat
nog met hun vriendjes over straat.
En, o, wat is er veel geschied
– want al dat licht dat was er niet –
Wie zou dat ooit hebben gedacht
lang vóór die Oorlogsnacht!
O, Adolf, spring toch in de plee!
Verzuip, Benito, in de zee!
Hirohito, krijg het apezuur!
Dan keert de rust weer op den duur.
Vertaling: Fred de Haas
Beste Jules, je bent nu met je vrienden verenigd. Bai tira un tèk na Punda celeste!
Nederland
Oktober 2013

Het debuut van Ronny Lobo

Curaçao. Foto @ Bea Moedt
 
Bouwen op drijfzand van Ronny Lobo
 
door Eric de Brabander
Ronny Lobo ken ik al vanaf mijn middelbareschooltijd. Zijn vader gaf bijlessen natuurkunde en ik was een welkome klant. Vele avonden heb ik zwoegend doorgebracht in het huis aan de Cassandraweg dat in traditionele Surinaamse stijl was opgetrokken van blokken en hout. Wat was ik blij dat ik aan het einde van elke bijles op mijn brommer weer naar huis mocht van vader Lobo. Zuchtend stond hij me dan in de deuropening na te kijken, want mijn brommer was me liever dan de natuurkunde.
Ronny Lobo
Ronny Lobo studeerde bouwkunde in Nederland en keerde terug naar Curaçao, waar hij architect werd met een speciaal oog voor klimatologische omstandigheden. Inmiddels al weer wat jaren geleden – Lobo en ik waren beiden uitgenodigd voor een boottochtje op de Insulinde ter gelegenheid van de presentatie van het boek Eerlijckman van Marjo Nederlof – vertelde Lobo me met enige schroom dat hij bezig was aan een roman. Ik reageerde enthousiast, want Lobo heeft wat te vertellen. Maar ook mijn direct daaropvolgende terughoudendheid zal hem niet zijn ontgaan. Het voornemen een boek te schrijven is één ding, maar het talent én de discipline te bezitten om een
eindproduct af te leveren waarvoor een boekhandel een plekje inruimt, zijn twee ándere dingen. Uitgevers worden overspoeld door manuscripten. Franc Knipscheer, mijn eigen uitgever maar inmiddels ook die van Ronny Lobo, vertelde me eens dat in Nederland minder dan één op de honderd aangeleverde manuscripten het bracht tot een feitelijk boek. Om maar niet te spreken van de talloze pogingen die al op de computer van de auteur strandden. Daarbovenop komt nog de misère in de uitgeverswereld die alles te maken heeft met de crisis waarin Nederland gedompeld lijkt te zijn, en die eraan bijdraagt dat uitgevers extra voorzichtig zijn.
Maar Lobo’s boek is af!  Bouwen op drijfzand. Een spannende foto van het in de jaren vijftig verlaten bouwproject aan de Santa Marthabaai prijkt op de voorkant. Het had een luxe hotel moeten worden, maar er is niet meer dan een fata morgana van overgebleven. De betonnen staken die ooit dienst hadden moeten doen als fundering van een megalomane utopie, steken uit de borrelende modder omhoog als stille, rottende getuigen van een misdaad tegen de natuur. De combinatie van titel en voorplaat schept verwachtingen.
Kenzo Schmidt is een jonge architect op Curaçao. Roy Goodweather, een succesvol systeembeheerder, en zijn beeldschone vriendin Karen Oei vinden Kenzo bereid om hun toekomstige huis op Bonaire voor hen te tekenen. Rond diezelfde tijd krijgt Kenzo opdracht een villa te ontwerpen voor Paul en Heidi Michel, een rijk Nederlands echtpaar van middelbare leeftijd. Paul heeft zijn werkzame leven met Heidi in Mexico doorgebracht en nu een bouwterrein
gekocht op een luxe locatie aan het Spaanse Water op Curaçao. Een droom heeft hij ook al: het moet een huis worden in Mexicaanse stijl.
De ingrediënten die nodig zijn voor de onvermijdelijke botsingen tussen architect en opdrachtgevers worden subtiel ingevoerd door de auteur, die net als Kenzo behalve bouwkundige ook een bevlogen en kunstzinnig architect is. Ingrediënten die toch al gecompliceerd zijn door de haaks op elkaar staande karakters van de hoofdpersonen, maar die nóg gecompliceerder worden wanneer Kenzo smoorverliefd wordt op zijn opdrachtgeefster Karen. Bovendien blijkt er nog een ingewikkelde verhouding te bestaan tussen de beide echtparen; Paul Michel en Karen Oei kennen elkaar beter dan goed voor hen is.
Lobo weet zijn roman met verrassende wendingen te doorweven en deze af te wisselen met wat filosofische beschouwingen over tropische architectuur, over de relatie tussen bouwkunst en natuur, en over de noodzaak respectvol met deze natuur om te gaan. Roy, de vriend van Karen, is een fanatiek zeiler. Die liefde deelt hij echter niet met Karen, zodat hij veel tijd alleen op zijn zeilschip, de Inoma, doorbrengt. De Inoma is een bestaand schip. Lobo moet het schip goed kennen, want hij
beschrijft het tuigage correct. Ik schat de Inoma op ongeveer 14 meter, gebouwd met een enkele mast en een giek als om een windsurfzeil om de boot handelbaar te maken voor een enkel persoon. Ik ken geen ander schip met een dergelijk zeilplan; een beter schip had Lobo voor de ruige Einzelgänger Roy niet kunnen uitkiezen.
Het boek is in de ik-vorm geschreven. Dat kan een lastige vertelinstantie zijn om vanuit te schrijven, omdat je als auteur gedwongen bent vlak onder de huid van je hoofdpersoon te gaan zitten en veel van jezelf bloot te geven. Ronny Lobo heeft dat knap gedaan; Kenzo is, ondanks dat hij zijn emoties en zijn passies de vrije hand laat, de Tom Poes van het verhaal. De andere personen – Roy, Paul, Karen en Heidi – hebben meer uitgewerkte karakters, zoals Olivier B.
Bommel, markies de Canteclaer en burgemeester Dickerdack, om bij Marten Toonder te blijven.
Toen ik het boek ter hand nam, had ik verwacht een streng verhaal te gaan lezen, over dromen en daden, wetten en praktische bezwaren, over botsingen tussen verschillende belangen waarbij de architectuur de grote verliezer zou zijn. Voorplaat en titel schiepen die verwachtingen, en daar is naar mijn mening niet aan voldaan. Bouwen op drijfzand is een verhaal geworden in de relationele sfeer. Een prettig en toegankelijk boek, gemakkelijk leesbaar met eenvoudige dilemma’s die veel lezers zullen aanspreken. De schrijfstijl is helder, prettig en open. Ronny Lobo heeft nergens geprobeerd de dingen mooier te willen zeggen dan nodig voor de verhaallijn en dat maakt het boek tot een uitermate sympathiek en geslaagd debuut.
[uit Antilliaans Dagblad, 14 september 2013]

Troonrede als graadmeter voor Caribische liefde?

door Dick Drayer
 
Willemstad – 28 seconden duurde de aandacht voor het Caribische deel van het koninkrijk in de Troonrede 2014. Dat is precies 20 seconden korter dan vorig jaar. Het zei de koning vergeven; hij moet nog op bezoek. Dat staat gepland in november, waarvan de koning in de 28 gegeven seconden zelfs nog akte gaf!

Als de liefde voor de eilanden in de West af te meten is aan de tijd die het staatshoofd neemt om die te benoemen, dan is en blijft het al met al behelpen met die Troonrede.  Een vluchtige kijk op de teksten van de afgelopen vier jaar, leert ons dat de Caribische eilanden meestal werden weggemoffeld in de laatste paragraaf.

 

In 2011 (11 seconden)  komt de koningin niet verder dan de constatering dat de opbouw van een sterkere samenleving en een sterkere economie begint in verbonden met de andere landen van het Koninkrijk en met de Caribische eilanden die sinds vorig jaar deel uitmaken van ons staatsbestel. Voor de BES-eilanden wellicht een opstekertje, voor de andere eilanden een dooddoener; tenzij de sterkere economie in Nederland leidt tot verkoop van meer vliegtickets.
In 2012 krijgen de eilanden 48 volle seconden aandacht. Dat is ook wel nodig. Curaçao heeft net een aanwijzing gekregen en de huidige premier, toenmalig Parlementsvoorzitter Ivar Asjes heeft net de parlementaire democratie de nek omgedraaid. Het eiland staat aan de vooravond van de staatsgreep van Gerrit Schotte. ‘Transparantie en houdbare overheidsfinanciën zijn van groot belang voor de bevolking en het vertrouwen in het bestuur’, luidt de hoop van het kabinet. De BES-eilanden worden genoemd omdat er zoveel geld naar toe moet. In nette bewoordingen luidt dat: ‘Er wordt op diverse terreinen geïnvesteerd in verbeteringen.’ Beatrix noemt zelfs de rioolwaterzuivering op Bonaire. Daarvan weten we nu – een jaar later – dat die echt een aderlating voor het Rijk heeft betekend.
Drie jaar na dato, het is 2013, wordt de staatsrechtelijke relatie tussen Nederland en de Caribische delen van het Koninkrijk opnieuw genoemd. Nu heet het dat er meer aandacht is voor samenwerking op economisch terrein en dat iedereen daarvan profiteert. Het is een nette manier om te zeggen dat het ontwikkelingspotje echt leeg is en dat het tijd wordt om op eigen benen te staan. ‘Geen geld meer geven draagt bij aan de noodzakelijke financiële zelfstandigheid en stabiliteit van de Caribische eilanden’, aldus de tekst.
Curaçao. Foto © Bea Moedt
Veel conclusies wil ik niet verbinden aan de tijd die de Troonrede spendeert aan het overzeese deel van het Koninkrijk. die wordt immers mede bepaalt door de lezer van de tekst. Een betere graadmeter voor de relatie in het koninkrijk trof  ik deze week aan op de website van onze eigen NOS. Maar, haast ik mij te zeggen:  je had er willekeurig welke andere Nederlandse mediawebsite voor aan kunnen klikken.
[van De Achterkant van Curaçao, 17 september 2013]

 

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter