blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: missie en zending

Katholieke missie in Suriname

Een halve eeuw eeuw in Suriname, 1866-1916. Ter dankbare herinnering aan het het gouden jubilé van de aankomst der eerste redemptoristen in de missie van Suriname door eenige missionarissen derzelfde missie. Hertogenbosch: 1916. 96 pp.
Van de personen met een nummer zijn de namen vermeld. De drie jongens op de voorgrond dragen geen nummer en hun namen blijven helaas onvermeld
Dit boek geeft een prachtig inzicht in de geschiedenis van de eerste redemptoristen in Suriname. Het bevat een aantal mooie foto’s van katholieke kerken en schoolkinderen. Een groot portret van Petrus Donders ontbreekt uiteraard niet (zie onder). Dat er bij de makers nog weinig bekendheid was met Suriname mag blijken uit het onderschrift bij een foto van een groepje indianen: ”Een Boschnegerkamp.”
Lees verder over de katholieke missie in Suriname door hier te klikken.

12-delige televisieserie Van Priary tot en met De Kom

Sky Televisie Suriname en historicus Sandew Hira ontwikkelen een 12-delige televisieserie over de geschiedenis van Suriname. De geschiedenis van Suriname is vaak verteld in boeken, documentaires en artikelen, maar zelden vanuit het perspectief van de gekoloniseerde.
De roep om een Surinaamse visie op de eigen geschiedenis is de laatste jaren steeds sterker geworden en heeft geresulteerd in een nieuwe stroming van beoogde historici die bekend staan onder de naam “Decolonizing the Mind”. Deze stroming – tot nu toe slechts bestaande uit Sandew Hira die de stroming ook heeft uitgevonden – produceert nieuwe inzichten en brengt uit de archieven nieuwe feiten naar voren die een volstrekt ander beeld geven van het kolonialisme in Suriname dan de dominante historici dat doen.

Sandew Hira, tweede van links en tweede van rechts, met twee medestanders, in hun eerste poging de mind te dekoloniseren

Televisie is een massamedium dat bij uitstek geschikt is om de nieuwe visie op de Surinaamse geschiedenis te presenteren. De 12-delige serie is gebaseerd op die nieuwe visie. De periode is 1500-1940.

Iedere aflevering duurt ongeveer 40 minuten. Een aflevering behandelt een bepaalde periode uit de geschiedenis aan de hand van historische beelden, interviews met deskundigen en actuele opnames van historische locaties in Suriname. Sandew Hira leidt de kijker in in het verhaal, behandelt de twee visies op de koloniale geschiedenis (meer kan hij er helaas niet ontwaren) en onderbouwt de nieuwe inzichten met feiten die tot nu toe vaak door hem verzwegen of verdraaid zijn.

De serie is een gezamenlijke productie van Sky Televisie en het International Insitute for Scientific Research. De producent van de serie is Faiq Lall Mohamed van Sky Televisie in Suriname en Sandew Hira van IISR.

De serie zal in november/december 2011 worden uitgezonden.

Afscheid namens de koningin


De laatste vaarpatrouille

door Rihana Jamaludin

Met dank aan Rob de Leur voor het beschikbaar stellen van zijn verslagen.

Zonnebrandolie, liters zonnebrandolie, in 1974 een ´hot issue` bij de vaarpatrouille van dienstplichtig soldaat Rob de Leur. Srefidensi, de Onafhankelijkheidsdag van Suriname lag in het verschiet en het was tijd voor de TRIS (Nederlandse Troepenmacht in Suriname) om de biezen te pakken. De taken lagen dat jaar dan ook in het teken van afsluiting.

De TRIS
De TRIS was in Suriname actief van 1868 tot de Onafhankelijkheid in november 1975. Daarna nam de SKM (Surinaamse Krijgsmacht) het over. De TRIS werd weer deel van de Koninklijke Landmacht en ging op in het infanterieregiment Oranje Gelderland.
Officieren van de TRIS konden hun gezin meenemen naar Suriname. Het sociale leven van de meeste Nederlanders van de elite en de hogere rangen van de TRIS speelde zich tamelijk afgescheiden van de bevolking af. De elite had haar eigen verenigingen, scholen op Europese leest, clubs voor sport en zwembaden.
De vrouwen zetten zich vaak in voor liefdadig werk. Zo hielp de vrouw van kolonel Woerlee bij de verbetering van de situatie van kinderen in weeshuizen in Paramaribo.
De gewone dienstplichtigen verbleven meestentijds op de kazerne aan de Gemene Landsweg, toen nog Prins Bernhard Kampement geheten, en werden bij toerbeurt gedetacheerd op kazernes in Albina, Nickerie en Brownsweg.
Nederlandse soldaten genoten over het algemeen van hun diensttijd in Suriname en keerden huiswaarts beladen met souvenirs, foto´s en soms zelfs met dieren als papegaaien of aapjes.

Eén van de opdrachten van de TRIS was in 1974 namens de Nederlandse regering officieel afscheid te nemen van de granmans en opperhoofden in het binnenland. De band die was ontstaan in eeuwen van strijd, beloond met erkenning, zou tenslotte verbroken worden.


De laatste patrouille

Van 21 tot en met 30 mei 1974 voer de laatste patrouille van de TRIS, drie boten met elf militairen en elf burgers (tolk, gids, kulamans en bedieners van de buitenboordmotoren z.g. motoristen) van Albina via Drietabbetje naar Apetina en weer terug. Soldaat Rob de Leur, destijds 24 jaar oud en dienstplichtige, noteerde zijn ervaringen tijdens de tocht over de Marowijne- en de Tapanahonyrivier, naar de dorpen van de Paramakkaners, de Aucaners, en de Wayana´s.

Route en gezagsdragers
De historische tocht volgde de route:
Albina
Langatabbetje – kapitein Sepina verving de afwezige granman Forster van de Paramakkaners
Nason – kapitein Malango, kapitein Marius
Loka Loka – kapitein Asonle
Puketi – kapitein Amelisi, kapitein Wassiban
Karmel
Manlobi – kapitein Bonte
Drietabbetje – granman Gazon van de Aucaners
Godoholo
Granboridorp
Apetina kondre – grootopperhoofd Apetina van de Wayana´s
Granboridorp
Stoelmanseiland
en terug.

Van granman Aboné Lafanti van de Matuari en granman Aboikoni van de Saramaccaners, gezeteld in het Sipaliwini- en het Saramaccagebied, was door de TRIS reeds eerder afscheid genomen.


Routine

In de dorpen waar werd aangelegd, was de procedure min of meer dezelfde: de boot met de eerste luitenant Sandee voer vooruit om de komst van de patrouille officieel te melden. Met de boot van kapitein Brands voorop, kwam men dan binnenvaren terwijl de hoornblazer uit alle macht de groet blies. Voor de show werd er met de boten drie rondjes gedraaid alvorens aan te leggen, ondertussen bleef de hoornblazer dapper doorgaan.
Vlak voor het dorp werden met losse flodders saluutschoten gelost, wat met gejuich werd beantwoord en tevens met tegenvuur – niet met losse flodders maar gelukkig gericht naar de waterspiegel.
Eenmaal aan wal volgde de begroeting met de basya´s en onderkapiteins, waarna iedereen zich in processie naar het huis van de granman begaf. Voor de poort kwam de hoornblazer weer in actie, wat door de omstanders en de granman zeer gewaardeerd werd.
Het officiële gedeelte met welkomstwoord en toespraken vond plaats met hulp van de meereizende tolk Libretto. Ook werd er door de soldaten wel eens een excercitie ter demonstratie gehouden.

Daarna werd iedereen in het gastenverblijf ondergebracht, meestal het enige gebouwde huis in het dorp dat verder uit hutten bestond. De officieren kregen kamers, de soldaten sliepen in hun hangmatten.
Als radiotelegrafist zette Rob de Leur de antenne op, zocht contact via de radio en zond bericht naar het Prins Bernhard Kampement dat alles goed was verlopen.
´s Avonds moest er om de beurt wacht worden gelopen, om diefstal van spullen uit de bagage te voorkomen. Wachtlopen benadrukte bovendien het militaire aspect van het bezoek.


Dansi en geschenken

Als de regen geen roet in het eten gooide, werden de militairen door het dorp getrakteerd op een dansi. Hoe dieper in het binnenland, hoe oorspronkelijker de dansen. Bij dorpen die reeds veel contact met zendelingen hadden gehad en gekerstend waren, had dit merkbaar sporen nagelaten in de dansen, die nu veel meer ingetogen waren.
Aanvankelijk zongen de Hollandse soldaten uit volle borst mee met de door de vrouwen gezongen liederen en jodelden erop los. Maar dat viel bij de dorpelingen niet in goede aarde. Waarom, bleek later toen de soldaten vernamen dat de liedteksten expliciet over de vrouwelijke seksualiteit verhaalden, zoals over de afwezigheid van de echtgenoot en bijkomende perikelen.

De door Nederland aangeboden geschenken waren niet om over naar huis te schrijven: lappen katoen, etenswaar, houwers en bijlen, gevechtstassen en kaki-pakken, kralen, kammen en spiegels. Vooral de drie laatstgenoemde artikelen in het rijtje brachten Rob de Leur danig in verlegenheid. Sinds de tijd van de vredescontracten eeuwen geleden, scheen de samenstelling van de geschenkenpakketten nauwelijks veranderd te zijn. De granmans en de dorpelingen namen de geschenken echter steeds met waardering in ontvangst.

Rivier en bootslui
Lange, hete en vermoeiende tochten over het water zijn de Hollandse soldaten bijgebleven. Maar de waardering voor de kundigheid van de kulamans en motoristen bleef groeien. Slechts één keer, bij de Wilhelminavallen, maakte een boot zoveel water dat de kookpannen en jerrycans de boot uit dreven. Het laveren tussen de rotsen van de stroomversnellingen vereiste speciale techniek in het hanteren van de kula´s en de motor. Rechtuit varen was dan onmogelijk door de vele onder het wateroppervlak aanwezige rotsen, die bovendien zorgden voor draaikolken en onverwachte stromingen. Met verbazing zagen de soldaten hoe de bootsman telkens naar de kleinste en moeilijkste doorgang tussen de rotsen stuurde, maar steeds bleek weer, dat deze dan ook de enige mogelijkheid was om erdoor te komen.

De stuurmanskunst hield soms in dat de boot 180 graden gekeerd moest worden, de motor stilgelegd moest worden of juist brullend met volle kracht vooruit gejaagd. Soms moest er met de stroom mee en dan weer tegen de stroom in gevaren worden, ondertussen schreeuwden de bootslui aanwijzingen en waarschuwingen naar elkaar.
De marrons konden tot twee meter diep in het troebele en spiegelende water kijken en speuren naar verborgen rotsen of drijfhout, iets wat de militairen vergeefs hebben geprobeerd na te doen. Ook verbaasden zij zich over het ontwikkelde reukvermogen van de marrons, die midden op de rivier een bosvarken konden ruiken dat ergens achter de dichtbegroeide oever aan het scharrelen was. En dat terwijl de bootslui de gewoonte hadden om het bruine water op te snuiven waarin tabak geweekt was en wat dus flink moest branden in de neusgaten.

Granboridorp
Bij aankomst op Granboridorp stond de hele bevolking de patrouille op te wachten. De meeste patrouilles gingen niet verder dan Drietabbetje en voor de dorpen verder langs de rivier was het de eerste keer in tien jaar dat ze hier militairen zagen. De kapitein van Granbori bleek reeds op de hoogte van de komst van de militairen, wat heel merkwaardig leek, gezien het feit dat de boten sneller konden reizen dan iemand het nieuws had kunnen brengen. (*Maar mogelijk hadden de bewoners de motoren en de stemmen reeds van verre gehoord, voor getrainde oren zijn dat immers ongewone geluiden in de jungle.)

De ontvangst was zeer hartelijk en als welkomstgebaar bood de kapitein aan dat de boten door zijn mensen uitgeladen zouden worden, waartegen de soldaten geen bezwaar hadden. Maar even later stonden ze toch wel gegeneerd te kijken toen ook kinderen en vrouwen de bagage langs droegen. Toch waren er vrouwen die het leuk vonden om extra zware dingen uit te zoeken en die dan op het hoofd naar boven te dragen. Na deze gastvrije geste lag alle bagage verspreid over het gras en kostte het enige moeite een en ander weer terug te vinden.

In dit verafgelegen dorp waren de beschilderingen op de hutten talrijker dan in reeds gekerstende gebieden. De soldaten kwam ondanks vele vragen niet erachter wat de betekenis van de schilderingen was, noch wat de bouwseltjes van stokken, lappen en flessen, die iets van heiligdommen hadden, nu precies waren. Ook de rituelen van plengoffers door de bootslui bleven duister, iedereen hield zich echter wel aan de gewoonte om de naam van een sula niet te noemen tot men er voorbij was, en zo de watergeesten niet boos te maken.

Opvallend waren de verkiezingsposters van de NPK van Arron, die overal in het dorp aangeplakt waren, en de schimpende leuzen op de tegenpartij, die van de hindostanen, de VHP van Lachmon. Zelf scheen het de bezoekers toe dat verandering van regering op deze afgelegen plek nauwelijks merkbaar moest zijn.
Die avond werden de soldaten op een dansi dansi getrakteerd die in dit heidense dorp veel meer authentiek was dan in het christelijke Drietabbetje. Er werd voornamelijk door vrouwen gedanst, in een kring tegen de klok in. Meezingen mochten de soldaten niet, maar dansen wel en dat deden ze fanatiek, al stak hun houterigheid af bij het twisten en alle variaties en nieuwe bewegingen die de danseressen wisten te bedenken.
De volgende morgen moest voor het vertrek alle bagage zelf weer ingeladen worden, maar gelukkig ging het bergafwaarts.


Indianen en anderen

In Apetina verbood de militaire leiding de soldaten tijdens hun verblijf alcohol te drinken of te verstrekken. Aan alcohol waren al veel indianen bezweken. (*Waarschijnlijk omdat zij net als bijv. hindostanen, het enzym ontberen dat alcohol afbreekt, waardoor ze veel sneller dronken worden en ook snel verslaafd kunnen raken)
Indianen waren de TRISsers al eerder tegengekomen onderweg op de rivier, waar ze de bootslui hadden geholpen om de korjalen over een sula heen te krijgen. Slechts twee indianen waren toen nodig geweest om een boot van een ton te verslepen over de sula, lichaamskracht waar de militairen en zelfs de marron bootslui (die hun hand niet omdraaiden voor het tillen van een zware buitenboordmotor), niet aan konden tippen.
Het viel soldaat de Leur op dat de indianen over de sula konden lopen alsof er helemaal geen stroming was, zo vertrouwd waren ze met dit ´pad`.

Gedurende hun tocht kwamen de TRISsers andere ´uitheemsen` tegen: Nederlandse verpleegsters, artsen en priesters, Amerikaanse zendelingen, en Surinaamse leerkrachten die enigszins aan hun lot overgelaten, tijdens hun verlof niet naar huis (Paramaribo) konden door gebrek aan vervoer. Gelukkig konden zij met de TRIS-boten mee naar de stad.
Een Amerikaans zendelingen echtpaar, de Johners, werkte in Apetina en leerde de Wayana´s lezen en schrijven in hun eigen taal. De zendelingen en hun voorgangers gebruikten een kaartsysteem om alle nieuwe woorden die ze van de taal leerden vast te leggen. Als er meer mankracht was geweest zouden er boeken over bijv. motoren en andere voor de Wayana´s belangrijke zaken vertaald kunnen worden, maar voorlopig hield men het bij een vertaling van de Bijbel.

Bakroes
De schoonheid van het oerwoud was vanaf het water goed te bewonderen, vooral op de vroege morgen. Later op de dag werd het zo heet dat zelfs de kulamans konden verbranden. Zonnebrandolie was bij de Nederlandse bemanning erg in trek, marrons en indianen hielden het op lichaamsbedekkende kleding om geen zonnebrand op te lopen.
Als de avond gevallen was, kreeg het woud een grimmiger gezicht. Op wachtlopen was niemand happig, niet slechts vanwege het gebrek aan slaap, maar omdat in het duister de ´spoken` opdoken. Geen van de nuchtere Hollandse soldaten ontkwam aan de ervaring dat er iets in de bossen rondspookte dat daar niet thuis hoorde.

Wachtlopen hield in dat de dienstdoende soldaat om de 10 minuten in het duister naar de oever moest afdalen om de boten te inspecteren. Batterijen voor de zaklampen waren door het vele wachtlopen al lang op en dus moest het zwakke schijnsel van een olielamp voor verlichting zorgen. Het schijnsel had een bereik van 3 meter in de omtrek en belichtte vooral de wachtloper, wat niet de bedoeling was. Dieven op heterdaad betrappen was sowieso onmogelijk, want om de beklemming van de eenzame nachtelijke wandeling weg te nemen, werd de route lustig fluitend gelopen.
Ter plekke aangekomen kon de ijverige waker de lamp doven en in een boot op dieven gaan wachten. De spullen uit de bagage waren immers zeer gewild.
Maar eenmaal alleen in volslagen duisternis, de oren gespitst op naderende voetstappen, werd de waker allerlei mysterieuze geluiden gewaar. Het klotsende water werkte op de zenuwen, versluierd maanlicht en beweging van de wind zorgden voor vreemde effecten. Als dan onverwachts een afschuwelijke onmenselijke kreet door de nacht scheurde, joeg heftige schrik het hart op hol. Hoe zakelijk beredeneerd ook, niemand voelde zich op wacht op zijn gemak, zelfs niet met de wetenschap dat de akelige geluiden van brulapen afkomstig waren.


Milieu en de TRIS

Een aantal malen trakteerde de TRIS de bevolking op het z.g. ´vis schieten` waarbij een blok trotyl (TNT) in het water tot ontploffing werd gebracht en de dode vissen vervolgens opgeschept konden worden. Over de gevolgen voor het milieu werd toen nog niet nagedacht. (*Kort na de militaire coup in 1980 werd er nogal slordig met munitie omgegaan en raakte het ´vis schieten` met handgranaten in zwang. Ook daar weer geen oog voor het milieu.)

De TRIS werd in het binnenland gevraagd of de Genie en de Technische Dienst niet konden helpen bij het egaliseren van het vliegveld bij Apetina. Het terrein was door grote rotsblokken oneffen en dat kon niet met handkracht opgelost worden. Door de obstakels op de landingsbaan was al menig vliegtuig gecrasht.
De TRIS wilde zelf wel zoals Franse collega´s deden, ingezet worden bij wegenbouw en dergelijke projecten en had dit zelfs al vaker aan de regering laten weten. Maar de Surinaamse overheid vond dit toen niet nodig.

Vertrek en terugkeer
Soldaat de Leur, later korporaal, vertrok vijf maanden na de laatste patrouille, uit Suriname om samen met een dienstmaat een rondreis door Zuid Amerika te maken. Vanwege de aankomende nationalisering van het nieuwe leger in Suriname, werden er geen Nederlandse dienstplichtigen meer overzee gestuurd.

Veel oud-TRISsers droegen door hun ervaringen Suriname een warm hart toe en keerden later als toerist weer terug. Ook steunen velen nu scholen en bibliotheken in het binnenland.

Sinds 2007 reist Rob de Leur met zijn vrouw regelmatig naar Suriname om de plekken van vroeger te bezoeken. Binnenkort vertrekken zij weer voor een tocht naar Sipaliwini.
Filmpje
Bekijk voor wat nostalgie, de voorlichtingsfilm ´Soldaat in Suriname` uit 1974, bedoeld voor jonge Nederlandse dienstplichtigen die bij de TRIS zouden gaan dienen. Klik aan: Link Nederlands Instituut voor Militaire Historie

Bronnen: verslagen Rob de Leur, TRIS Online, Teeifuka.nl, M. van Kempen

Presentatie boek Jan Schalkwijk in Suriname

Janki, ca. 1900

Op 14 juni organiseren de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI) en uitgeverij Amrit in Suriname een presentatie van het boek van Jan Schalkwijk: Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraibisch gebied in het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980. Prof. Dr. Marten Schalkwijk zal het boek van zijn vader presenteren.

Datum: dinsdag 14 juni 2011
Plaats: Lalla Rookh Complex
Adres: Lalla Rookhweg 54, Paramaribo
Tijd: 19.00 uur
Toegang: gratis

Hindostaanse Zending in Suriname en de regio

door Joop Vernooij

.
Jan Schalkwijk (1923-2002) kwam in 1952 in Suriname voor pastoraal werk binnen de Hindostaanse Zending van de Evangelische Broedergemeente. Hij werkte ook als docent op Jamaica. Het werk heeft zijn leven bepaald en hij wilde zijn ervaringen over de ontwikkelingen van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied, Gyuana, Trinidad en Suriname, samenbundelen in een proefschrift aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Hij ging zo uitbundig aan de slag dat hij een 1.000 bladzijden tekst bij elkaar had geschreven. Door omstandigheden (zijn 2 promotoren overleden) moest hij een nieuwe promotor zoeken. Die vond hij wel maar die bepaalde dat een 300 bladzijden wel genoeg zou zijn. Jan Schalkwijk is er niet meer aan toe gekomen. Zijn zoon Marten heeft zich over het materiaal ontfermd en heeft de tekst gereduceerd tot een publicatie van 703 bladzijden. Er is dus het een en ander weggelaten. Maar dan nog is het een hele pil.

Twee meisjes uit het weeshuis Alkmaar

In 2001, toen de Hindostaanse Zending in Suriname van de Evangelische Broedergemeente 100 jaar bestond heeft Jan Schalkwijk een jubileumuitgave verzorgd over die honderd jaren Hindostaanse Zending in Suriname. Deze Hindostaanse Zending 1901-2001 werd uitgegeven in de serie van het Theologisch Seminarie van de Evangelische Broedergemeente Suriname te Paramaribo, nummer 8, 70 bladzijden en met enkele foto’s.

Er wordt een beetje gesjoemeld met het woord hindoestaan en hindostaan. Actueel is het gebruik van het woord hindostaan aan te bevelen omdat hindoestaan zou suggereren dat het gaat om hindoes. Maar Hindostanen zijn niet alleen hindoe, maar ook islamiet, christen, anders of niks wat religie betreft.
Een tweede opmerking willen we maken. Zending is hetzelfde woord als missie, maar dat is katholiek. De Hindostaanse missie had van doen met Rajpur, Giryapur (Kilometer 25 aan het Pad van Wanica), Ranipur en andere katholieke instellingen voor Hindostanen.

Jan Schalkwijk had zijn materiaal voor zijn dissertatie bepaald van 1850 tot 1980. Begrijpelijk en in 1980 actueel. Het probleem is nu dat we 30 jaren verder zijn en statistieken, die Schalkwijk graag gebruikt, niet meer actueel zijn. Bovendien zijn er in de Hindostaanse zending in Suriname in die afgelopen 30 jaren interessante zaken gebeurd. Het materiaal is dus niet actueel gedateerd, maar is wel goed bruikbaar. Dus daar moeten we het mee doen: niet erg want er is een heleboel te vinden in deze publicatie.

Schalkwijk kiest voor de geschiedenis van de zending (kerk) in de regio en heeft veel te melden. Hij doet dat min of meer chronologisch, gebruikt perioden en fasen. Deze geschiedenis zou ook thematisch behandeld kunnen worden, zoals lidmaatschap en alles er omheen, kerkkeuze en alles er omheen, kerkorde en alles er omheen en andere belangrijke zaken in kerk en wereld. Er zou nog wel een discussie mogelijk zijn over zijn methode van (historisch) kritisch onderzoek.

Schalkwijk heeft drie grote delen: de zendingsgeschiedenis in de regio, de hindostaanse zending, christenen en gemeenten en de Noord-Atlantische voortzetting (in Europa), conclusies en perspectieven. Vele mensen van de Caribbean zijn verhuisd naar Europa, naar de voormalige moederlanden. Daar zijn groepen tot leven gekomen of hebben onderdak gevonden bij bestaande religieuze instituties. Er zijn migrantenkerken ontstaan. In elk geval de moeite waard er aandacht aan te geven. Schalkwijk zelf was later betrokken bij het werk van de Evangelische Broedergemeente in Nederland, ook al doordat hij studieleider was van het Broedergemeente-seminarie te Zeist.

Kader
Schalkwijk plaatst zijn onderwerp in het vereiste kader, in de historie van de Caribbean en Southern Caribbean, toegespitst op Trinidad, Guyana en Suriname. Er is natuurlijk heel wat te melden vanuit de koloniale tijd en de tijd van de slavernij in die landen en over de christelijke kerken die meekwamen met de overheersers. Ook kwam mee de verscheidenheid aan talen en religieuze richtingen. De regio werd gefragmenteerd, gesegmenteerd, door de Europese machten en de aanmaak van de diverse gebieden (die nog al eens van eigenaar verwisselden). De regio werd een religieuze lappendeken (mamyo) en de nieuwe lokale volken moesten het daar dan maar mee doen. De onderlinge verbindingen via cultuur, talen en arbeid leverden contacten, ondersteuning en uitwisseling in de regio op.

Plaatselijk
Na 1838 als in de Engelse gebieden mensen uit Brits-Indië op de plantages komen werken, begint de evangelisatie of de zending van de kerken. Dat wil zeggen: waar komen deze contractarbeiders religieus aan bod? Welke kerken laten zich met hen in? De contractarbeiders brachten vormen van hindoeïsme mee, vertegenwoordigden diverse richtingen van de islam en een enkeling was christen. Schalkwijk gaat dan haarfijn na waar de nieuwelingen terecht gekomen zijn en welk soort kerken zich op hen gericht hebben/ zich ervoor ingezet hebben. En dat waren allereerst niet de traditionele koloniale kerken, maar zendingsgroepen uit bij voorbeeld Canada, India, de Verenigde Staten van Amerika en Europa. Ook weer een lappendeken. Soms zijn de gegevens van Schalkwijk erg gedetailleerd en een beetje overbodig: niettemin weet hij het een en ander als geen ander te melden. Van de andere kant is hij juist te snel omdat hij dan wel wijst op conflicten en fricties (tussen zendelingen en zendingsbesturen), maar daar hoor je het fijne niet van. Ook niet wat de Hindostaanse Zending in Suriname betreft, waar zich ook wel ernstige tegenstellingen voordeden, naar ik me heb laten vertellen en ook nog een beetje heb meegemaakt. Daar hoor je dan juist weer te weinig over.

Hij behandelt in het zevende hoofdstuk de historie van de Hindostaanze Zending in Suriname. Dat is eigenlijk al gepubliceerd in het bovenvermelde gedenkboek over 100 jaar Hindostaanse Zending 1901-2001. In dit hoofdstuk behandelt Schalkwijk ook de Hindostaanse missie van de katholieken en de activiteiten van andere christelijke kerkgenootschappen of geloofszendingen.

Dit uitgebreide blok sluit Schalkwijk af met de behandeling van inter-Caribische zending en zendingssamenwerking. Een leuk thema omdat er op kleine schaal veel uitwisseling en ondersteuning plaatsvond. Dat was het voordeel omdat men bijna op elkaars schoot zat met de vele nabije eilanden.

Stand
Het geheel overziend komt Schalkwijk tot conclusies en perspectieven. Hij is daarin niet kinderachtig en schetst enkele grootse perspectieven. Althans hij wijst op fundamentele karakteristieken, zoals de positie van de Zuid-Caribische mens te midden van andere volken en groepen, of de Afro-Caribische zending tussen culten en kerken, tussen tempel en moskee, tussen volksreligies en ideologieën.

Het geheel vat hij samen in de twee begrippen micro-kosmos en macro-kosmos. De Hindostanen die christen werden, waren onderdeel van een groter verband, hun etnische verbondenheid en identiteit. De kleine groepen binnen kleine groepen en binnen etnische minderheden schiepen aparte problemen maar ook aparte handvatten om te strijden voor identiteit en grotere verbanden. In het gedachtegoed van de Evangelische Broedergemeente is zending iets anders dan kerk: zo bestond de Hindostaanse zending binnen de creoolse kerk (van de creolen). Om te ontsnappen aan het enge van de zending op weg naar het grootse van kerk liggen vele valkuilen maar ook mogelijkheden om van gesloten groep tot een open groep te groeien of van exclusief naar inclusief.

Dat levert processen van behoud en verandering op, ook bij kerkelijk leidinggevenden die echter nog wel eens bekrompen konden omgaan met deze veranderingsprocessen, te midden van de diaconie, het onderwijs, de media, de opleidingen en de toerusting.

Momenteel – na 1980 – staan eveneens belangrijke thema’s op de agenda: de Surinaamse Broedergemeente als een kerk, de aandacht voor mensenrechten en vrijheid, de positie van vrouwen en kinderen, de dialoog van de godsdiensten. Intussen is het Surinaams religieus panorama veranderd (nogal wat nationale religieuze feesten) met gunstige en minder gunstige effecten. Dat is uitdagend.

Tenslotte wil deze studie een bijdrage leveren aan de groei van de universele zendingswetenschappen. Natuurlijk is een van de grootste kwesties die in het boek naar voren komen, hoe het nu eigenlijk zit met bekering (collectief of individueel), kerklidmaatschap, de moraal en de kerkelijke of religieuze tucht.

Er is ook heel wat veranderd in groepen van hindoes en moslims (ook in Suriname en India) en in groepen die volksreligieuze zaken aanhangen (inderdaad, winti). Het is goed dat onderzoek en discussie naar aanleiding hiervan, goed voortgaan. Het kan de zaak van rol en betekenis van religie alleen maar verhelderen en uitzuiveren.

span style=”font-weight: bold;”>Project

Deze studie heeft een uitgebreide literatuuropgave (bronnen, tijdschriften archieven), een lijst van gebruikte afkortingen en een lijst van hindostaanse woorden. Jammer genoeg is er geen index op plaatsen en personen aan toegevoegd. Enige slordigheden zijner natuurlijk ingeslopen: bijvoorbeeld soms kom je nog het woord hindoestaan tegen, maar ook toevallig Vernooy en Vernooij. Austermoller moet Austermöller zijn (487). Erné in plaats van Erne (213)..

Vorig jaar heeft Kirtie Algoe in Suriname een masterscriptie gemaakt over de institutionalisering van hindoeïsme in Suriname en Trinidad en Eric Roosken in Rotterdam over Caught between Christianization, assimilation and religious independency bij de Hindostanen in Suriname. De kwestie blijft gelukkig aandacht trekken.

Jan Schalkwijk heeft zijn onderzoek niet voor niets gedaan en het is goed dat zijn zoon er werk van gemaakt heeft (en er veel werk aan gehad heeft). Het vele is ook goed.

 

Jan Schalkwijk
Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied – in het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980
Aantal pagina’s: 700
Prijs: 25.00 euro
ISBN: 978-90-74897-61-7
Bestellen: 06-41.28.37.86 of per email info@amcon.nl

The life and letters of Philip Quaque, the first African Anglican missionary

by John Pinfold

The life of Philip Quaque (ca.1740-1816) was an extraordinary one. Born on the Cape Coast of West Africa, he was brought, with two other boys, to England in 1754 by the Society for the Propagation for the Gospel to be educated here and then returned to Africa as Anglican missionaries. One of the boys died in England, the second was confined in a mental asylum, but Quaque successfully completed his education, was ordained in 1765, and, after marrying an Englishwomen, returned to the Cape Coast in February 1766.

Read more: click here
The life and letters of Philip Quaque, the first African Anglican missionary; edited by Vincent Carretta and Ty M. Reese. Athens, GA: University of Georgia Press, 2010. xii + 219 pp. ISBN 13-978-0-8203-3319-9. US$39.95.

Dialoogbijeenkomst over kerk, mandir en masdjid

Naar aanleiding van de verschijning van het boek van Jan Schalkwijk over de Hindostaanse zending (zie het bericht hieronder van vandaag) wordt er op zaterdag 16 april in Den Haag een dialoogbijeenkomst gehouden over kerk, mandir en masdjid. Daar komen vragen aan de orde als;

Hoe beleven Hindostaanse Christenen hun godsdienst in de Hindostaanse gemeenschap?
Hoe kijken Hindostaanse Christenen naar het Hindoeïsme en de Islam?
Hoe kijken Hindoes en Moslims naar het Christendom?
Hoe willen de verschillende geloofsgemeenschappen met elkaar omgaan. Welke uitgangspunten kunnen daarbij gehanteerd worden?

IISR, SIN en de EBG organiseren deze dialoogbijeenkomst over de relatie tussen Christendom, Hindoeisme en Islam naar aanleiding van het verschijnen van het boek van Jan Schalkwijk over de geschiedenis van de EBG, en met name de Hindostaanse christenen.

Op de bijeenkomst zal een panel ingaan op deze vragen.
Het panel van de dialoog-bijeenkomst bestaat uit:
– Erik-Jan Stam, predikant van de EBG onder de Hindostanen in Nederland.
– Pandit Attry Ramdhani, voorzitter van de Rammandir in Den Haag.
– Hikmat Mahawatkhan, oud-voorzitter van de Ahmadiyya moskee in Den Haag.
– Joop Vernooij, priester en theoloog.
De bijeenkomst begint met een presentatie van Prof. Dr. Marten Schalkwijk over de studie van zijn vader en van Usha Schalkwijk-Doerga over de persoon van Jan Schalkwijk. Beide sprekers nemen deel aan het panel.
Meer informatie over het boek en de bijeenkomst vindt u hier
De flyer voor de bijeenkomst kunt u hier downloaden.
U kunt zich hier aanmelden voor de bijeenkomst.

Datum: zaterdag 16 april
Aanvang: 19.00 uur (inloop 18.30)
Locatie: Theater Concordia
Adres: Hoge Zand 42, 2512 EM Den Haag
Informatie: 06-41.28.37.85

De zending onder de Hindostanen

Voor het eerst is er een studie verschenen die uitgebreid aandacht schenkt aan een groep Hindostanen die nauwelijks aan bod komen in de geschiedschrijving: de Christenen, en vooral de stroming van de Evangelische Broeder Gemeente (EBG).

Jan Schalkwijk is de auteur van het boek Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied – In het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980.
Schalkwijk put uit bronnen van het EBG-archief. Hij beschrijft het dagelijkse leven van de zendelingen en het contact met Hindostanen. De verslagen van dat contact geven ons een beeld van hoe Hindostaanse voorlieden aankeken tegen de zendelingsdrift.

Zijn boek zit vol van detailbeschrijvingen die een levendig beeld geven van het leven van Hindostanen in de verschillende fasen van de geschiedenis. Het is een geschiedenis van Hindostanen bekeken vanuit de bril van de zending, maar daardoor niet minder relevant. De feiten die vermeld worden over dit leven zijn vaak niet te vinden in andere archiefbronnen.

Schalkwijk is geen wetenschapper die van buiten kijkt naar de EBG-zending. Hij zat er midden in. Hij beschrijft alle aspecten van die zending: de filosofie, de financiering, de organisatie, de onderlinge verhoudingen, de reactie van de omgeving, het beleid van kerkelijke instituten en dat alles in een historisch perspectief. Schalkwijk heeft een diepgaande vergelijking gemaakt tussen Suriname, Guyana en Trinidad en met name hoe de Christelijke zending in de verschillende landen tewerk is gegaan. Daaruit blijkt enerzijds hoe sterk de Christelijke kerken in de koloniën werden aangestuurd door de organisaties buiten de koloniën en anderzijds hoe groot de verschillen tussen de Engelse en Nederlandse koloniën waren.

Jan Schalkwijk
Ontwikkeling van de zending in het Zuid-Caraïbisch gebied – in het bijzonder onder de Hindostanen 1850-1980
Aantal pagina’s: 700
Prijs: 25.00 euro
ISBN: 978-90-74897-61-7
Bestellen: 06-41.28.37.86 of per email info@amcon.nl

Het boek is eind mei in Suriname beschikbaar.

Foto links: de zendeling P.M. Legêne (foto uit diens boek Land mijner dromen)

Bewaren, vergeten en betekenen

door Gerard Boon
“Voor wie ik liefheb, wil ik heten”Neeltje Maria Min

De gouden koets waarin het staatshoofd jaarlijks in september door Den Haag rijdt werd in 1901 in gebruik genomen. Een beschilderd paneel aan de zijkant toont de Koningin als heerseres van ‘de West en de Oost’. Zo werden onze koloniën toen genoemd. Nederland had drie eeuwen lang ‘overzeese gebiedsdelen’, als onderdeel van een Europese expansie die later, in andere vormen, door de VS en China werd overgenomen.

Susan Legêne werkte tussen 1997 en 2008 als hoofd Museale Zaken van het Tropenmuseum (KIT) in Amsterdam. Haar elegant geschreven, erudiete boek Spiegelreflex is een coherente reflectie op dat werk. Naast verzamelen, bewaren en interpreteren gaat het ook over vergeten. De stelling van de schrijfster is dat de Nederlandse cultuur zich in veel opzichten ontwikkelde als een koloniale cultuur en dat de sporen daarvan in de huidige samenleving doorwerken. Aan de hand van honderden bewaarde voorwerpen schildert ze verhalen die daaraan vastzitten tegen het decor van die geschiedenis. Ik vind dit een interessant onderwerp omdat ik me als semiotisch econoom altijd heb afgevraagd wat die spullen van ons nou eigenlijk betekenen.

Verzamelen

Verzamelen is menselijk maar had voor de uitvinding van de landbouw een heel ander karakter dan na de industriële revolutie. Sinds 1800 was er een explosie van waren en rijkdom wat tot een zich steeds wijder verbreidende verzamelcultuur leidde. Met de toename van het overschot boven het noodzakelijke, zien we bij spullen een verschuiving van het belang van het gebruik naar de betekenis, van de gebruikswaarde naar de vertoning, van denotatie naar connotatie. U draagt die bontjas toch niet alleen tegen de kou, mevrouw?

Carry van Bruggen (rechts een portret van Annie de Meester) onderscheidt in Modern Fetisjisme (1925) wat betreft de aankoop van niet noodzakelijke spullen twee redenen. Ten eerste de kuddedrift: “Elk ding is goed, als het maar zichtbaar is, als men het maar iemand kan aan-zien, zodat het hem aan-zienlijk maakt … Het hoeft niet redelijk, niet verstandig, niet mooi, niet gezond, niet aangenaam, niet gemakkelijk te zijn, maar liefst wel duur, zeldzaam en gecompliceerd, dat wil zeggen heel moeilijk na te apen … De glorie van de door anderen vervaardigde schilderijen, door anderen geweven tapijten, door anderen gebouwde huizen, vertoont zich als een aureool om het hoofd van de toevallige bezitter .. Het verborgen doelwit is altijd zelfophemeling en zelfrechtvaardiging”. Naast deze drift om te laten zien dat je kan meedoen met je stand, je kudde en klasse, onderscheidde Carry van Bruggen nog een andere reden om geld uit te geven aan dingen die niet echt nodig zijn voor het fysieke overleven: “De distinctiedrift, de drift om je te onderscheiden … Aan deze nimmer aflatende dorst danken we de dolzinnige luxe, de mode-mallemolen van onze tijd.” Ze noemt als voorbeelden kunstschatten, parelsnoeren en het toerisme. ”Eerst hebben we de afgod zelf gemaakt, daarna zijn we hem gaan aanbidden!”

Volkenkundige collecties werden eerst grotendeels door particulieren bijeengebracht. In de negentiende eeuw kwamen er veel musea, voor een deel gewijd aan de koloniën. De collecties groeiden mee met de ontwikkeling van de Nederlandse overzeese relaties. Ze vormen een geschiedenis van uitwisseling, classificatie, interpretatie en toe-eigening, een selectief proces, zowel ten aanzien van wat werd verzameld als hoe de collecties werden geïnterpreteerd. Daarbij wisselde voortdurend het perspectief.

Bewaarde voorwerpen zijn een bron van contact met het verleden. Dingen uit de natuur, archeologische vondsten, antiquiteiten, rituele objecten, gebruiksvoorwerpen, souvenirs, schilderijen, batik, kwartetspelletjes, standbeelden. Ook officiële documenten, reisverslagen, romans en foto’s zijn historische bronnen. De liefdevol verzamelde en zorgvuldig bewaarde dingen zijn echter niet eenduidig. Integendeel, hun betekenis wisselt per groep en per tijdperk. Wie voor de tweede maal in een rivier stapt, stapt niet in dezelfde rivier; wie voor de tweede maal naar een gebouw of foto kijkt, ziet iets anders dan de eerste keer. Een feit is alleen een feit in het licht van een theorie en betekenis bestaat slechts binnen een interpretatiekader, een code.
Bovendien, als je het over het herinneren hebt, mag je het vergeten niet overslaan. Zelfs bij schriftelijke bronnen staat er niet alleen wat er staat. Men kan drie vormen van vergeten, van stilte, onderscheiden. Zo gaan archiefstukken niet over zaken die de opsteller onbekend waren. Ze gaan evenmin over zaken die hij niet kon opschrijven omdat hij er geen woorden voor had, bijvoorbeeld omdat het schaamtevol was, of geheim. En ze gaan niet over het volstrekt vanzelfsprekende, waarvan de auteur vindt dat hij het niet hoeft uit te leggen omdat hij denkt dat iedereen het wel weet.

Borduren

De geschiedenis van de slavernij is een voorbeeld van dit zwijgen en verzwijgen, van taboe en ontkenning. Dat komt naar voren in het woord ‘stille’ in de titel van de roman van Albert Helman uit 1931: De Stille Plantage. Praten over de slavernij was in Nederland tot 1850 grotendeels taboe. Maar in 1794 borduurde Louise van Ommeren-Hengevelt een tafereeltje, met daarbij een gedicht en haar handtekening. De afbeelding toont drie personen aan een tafel waarop een muis in een kooi zit. Uit het gedicht blijkt dat met die muis een slaaf bedoeld werd. Het borduurwerk is een protestprent tegen de slavernij.

.


Mevrouw van Ommeren was getrouwd met een geslaagd zakenman en verkeerde in de meest verlichte en vooruitstrevende kringen, geïnspireerd door de Franse revolutie met de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Maar zelfs zulke dames zaten als het ware zelf ook in een kooitje en werden zich daarvan meer bewust. Ze mochten niet stemmen, geen verzoekschriften ondertekenen en geen functies bekleden in comités. Maar wat je ook over vrouwen zou willen of kunnen beweren, borduren mochten ze meestal overal wel. Zo vond een deel van de Nederlandse beweging voor de afschaffing van de slavernij plaats in de privésfeer, binnen het huishouden. Zoals met dit borduurwerk. Vrouwen morrelden voorzichtig aan de beperkingen die hen in het maatschappelijk leven waren opgelegd. Ze toonden hun eigen mening door sinds 1789 in huis affiches op te hangen tegen de slavernij, ze droegen armbanden, haarspelden of kettingen met beelden van geketende, knielende slaven, aten van borden met christelijke teksten tegen de slavernij en dronken uit kopjes waarop een slaaf werd gegeseld. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 verdwenen in musea dingen die daaraan herinnerden naar de depots.

Zending en fotografie

Bewaarde voorwerpen kunnen naast hun gebruik ook andere betekenissen dragen. Maar bij schilderijen of foto’s zit het gebruik alleen in de vertoning. Toch staat de betekenis van afbeeldingen net zo min vast; het is maar hoe je ernaar kijkt. Wat was de relatie tussen de fotograaf en de gefotografeerde, wat werd gekozen (en wat werd weggelaten), wat was het moment van de opname, wat gebeurde er later met de foto? Net als andere dingen verandert een foto vaak van plaats en kan hij worden meegenomen door de tijd. Een afbeelding van een groep Surinaamse vrouwen op een expositie uit 1895 vertelt een heel ander verhaal dan dezelfde foto in een hedendaags overzicht van de Surinaamse literatuur.

Tussen 1873 en 1916 werden 34.000 contractarbeiders uit India naar Suriname overgebracht. Hun komst viel samen met het begin van de fotografie Voor 1945 had vrijwel iedereen in Nederland een familielid die in de koloniën werkte. De Deense grootvader van de schrijfster was zendeling, hij probeerde in Suriname Hindoestaanse (in het boek steeds Hindustaanse genoemd) contractarbeiders tot het protestantisme te bekeren en stichtte het tehuis voor Hindoestaanse kinderen in het Surinaamse Alkmaar. Ter voorbereiding op zijn taak als zendeling maakte hij in 1913/4 een studiereis van zes maanden naar India. De reis en zijn eerste verblijf in Suriname, van 1917 tot 1923, resulteerden in twee fotoalbums. De foto’s werden gebruikt in het kader van de zending. Dat ging door toen Legêne in Nederland als secretaris van het Zeister Zendingsgenootschap tussen 1931 en 1954 tientallen preken, reisverslagen, kinderboeken en romans publiceerde. Ze werden in hoge oplagen door Protestanten gelezen. Dezelfde foto’s werden vele malen gebruikt in steeds andere verhalen, een foto van een naamloze man kon in het ene verhaal een Moslim, en in een ander betoog een Hindoe voorstellen. De beelden werden natuurlijk wel vooral gebruikt om te preken over de eigen beschaving.

Batik
Batik is de bekendste Indonesische decoratietechniek Tegenwoordig exporteert het Helmondse bedrijf Vlisco het op grote schaal naar Afrika. Zoals bij het Nederlandse borduren rond 1800 al bleek, kan ook textiel een drager van koloniale geschiedenis zijn. De oosterlingen op het zijpaneel van de gouden koets zijn gekleed in batik. Batik heeft altijd vele betekenissen gehad, verbonden aan de techniek, de afgebeelde motieven en patronen, of wie het doek maakte, droeg of bewaarde. Met de veranderingen van de economische verhoudingen tussen Nederland en Indonesië en het daarmee veranderde personenverkeer tussen het moederland en de kolonie, veranderde na 1815 ook de waardering van batik een keer of vijf. Batik stond achtereenvolgens symbool voor een techniek, een kledingstuk, een waar, een sociaal gegeven en een collector‘s item. Zo wordt in een standaardwerk uit 1898 het batikambacht ten voorbeeld gesteld voor het Nederlandse borduren. “Wie de losse gemakkelijkheid waarneemt waarmee die lenige inlandsche arm alles regeert, zonder aarzelen, zonder peuteren, half onder het praten met de gezellinnen door, moet erkennen dat het arbeiden van deze eenvoudige Javaansche vrouw in verre in gehalte wint van het Europese handwerk: dat priegelende geprik, wat geketend is aan zijn eigen teuterige techniek.“
In 2009 werd door de Unesco batik op de lijst van mondiale immateriële erfgoederen geplaatst. Uitgangspunt was daarbij de erkenning van de betekenis van batik voor Indonesië: als cultuur, als ambacht, als mode, als levensbeschouwing, als ‘economisch goed’, toeristische attractie en als geschiedenis.

Kwartetten

En toen was er lesmateriaal. Zoals Helman in 1925 opmerkte, een plaatje in een aardrijkskundeboek kan een kind levenslang op het foute been zetten. Als onderdeel van een educatieve reeks gaf het Koloniaal Instituut, de voorloper van het KIT, in 1942 (!) een kwartetspel uit. Kwartetten is een kaartspel dat vroeger vaak in de huiselijke omgeving gespeeld werd. De bedoeling van het spel is om door onderling ruilen vier kaarten van een serie bij elkaar te krijgen. Bij dit “Insulindekwartet” waren er bijvoorbeeld series over nijverheid, woningen, wapens, schepen en de natuur. Wie het spelletje speelde kreeg zo steeds een selectie, een canon, van plaatjes over Indië onder ogen. Het was een soort kolonialisme als spel, op afstand.
Wat daarbij achteraf opvalt is dat er op geen enkel plaatje een verwijzing naar de Europese aanwezigheid voorkomt. De gekozen beelden zijn traditioneel en ‘tijdloos’. Bij de wapens geen geweer, bij de boten geen stoomschip, bij de transportmiddelen zelfs geen fiets. Ogenschijnlijk actueel presenteerden de kaarten met elkaar een apolitiek heden dat buiten de ontwikkeling stond. Iedere keer als een gezin in de moeilijke bezettingsjaren en later met het invallen van de schemer rond de tafel zat en de kaarten geschud en rondgedeeld werden, lag er een samenhangend beeld op tafel van de traditionele Indonesische cultuur. Men had deze miniatuurversie van de kolonie, een vorm van propaganda, eigenlijk een dagdroom, in eigen hand.
Afbeeldingen van mensen in het spel zijn vier ‘volkstypen’ die trouwens als onderdeel van de afdeling ‘natuur’ worden opgevoerd. Het zijn vier momentopnames van contact tussen de betrokkenen en hun fotografen, gemaakt in geheel verschillende tijden en streken. Het is en was bekend wie deze personen waren, maar hun naam en hun uiteenlopende historische en persoonlijke achtergronden worden bij het spel niet vermeld. Hun individualiteit werd veranderd in een generaliserend beeld. Dit viertal doet de enorme verscheidenheid van culturen en volkeren in het eilandenrijk tekort. De verscheidenheid paste zo beter in ons doosje.
Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 verdwenen herinneringen aan Indië in musea naar de depots. Er veranderde veel, men zegt wel: “Indië verloren, ontwikkelingshulp geboren”.

Uitburgeren

Het is met de verwerking van dragers van betekenis en herinneringen -net als met de bevolking van een gebied of het personeelsbeleid in organisaties- altijd een kwestie van instroom, doorstroom en uitstroom. Maar bij de koloniale erfenis gaat het niet alleen over souvenirs en hun geschiedenis van betekenissen, maar ook over mensen.
Jan (Jean Theodoor) Toorop (1858 – 1928) werd geboren in een Indisch milieu in Purworedjo op Java. Hij had Javaanse, Chinese, Brits-Indische en Noorse voorouders. Toen hij 14 was ging hij naar Nederland en hij ging nooit terug. Hij werd een beroemd schilder en illustrator. Vanwege zijn reclameplaat voor sla-olie heet de Jugendstil (Art Nouveau, Secession, Arts and Crafts) in Nederland sla-oliestijl. Ook maakte hij het omslagontwerp van de roman Metamorfoze van Couperus, een boek dat zelf ook vol verwijzingen staat naar voorwerpen, geuren, omgangsvormen en gewoontes in Nederlands-Indië. De receptie van het werk van Toorop is een voorbeeld van de stelling dat men in verschillende tijden dezelfde dingen heel anders kan waarderen. In vijftien tentoonstellingen van zijn werk tussen 2001 en 2009 wordt zijn Indische achtergrond en eventuele Indische invloeden op zijn werk nauwelijks vermeld. Dat is vroeger wel anders geweest.
Maar Toorop is ook een vroeg voorbeeld van de bekende stelling: “Wij zijn hier omdat jullie daar waren.” Voor de tweede wereldoorlog werden sommige koloniale onderdanen, zoals de Javaan Sewardi Soerjaningrat en de Surinamer Anton de Kom, vanwege hun antikoloniale opvattingen naar Nederland verdreven. Maar Europeanen in de tropen hebben daar toen niet alleen de economie van zichzelf en het Moederland bevorderd, of souvenirs verzameld. Mannen hebben ook nageslacht veroorzaakt: halfbloeden, Indo’s, Creolen, in het boek Afro-Surinamers genoemd.
De staatkundige onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 en van Suriname in 1975 leidde tot een grote exodus naar het moederland, voor een deel gedwongen, voor een deel gewild. Deze landgenoten hebben de koloniale geschiedenis anders beleefd en wensen vaak niet mee te doen aan gangbaar pijnlijk zwijgen. Zo wordt ons opnieuw een spiegel voorgehouden. Het viel bijvoorbeeld op dat de geschiedenis van de slavernij tot voor kort geen plaats had in het historisch debat of het onderwijs. In de laatste tien jaren werden er verschillende nieuwe gedenktekens en standbeelden opgericht, voor Gandhi bijvoorbeeld. In Den Haag worden jaarlijks Indische studiedagen gehouden. Daar spraken in 2004 jongeren van de derde generatie over “uitburgeren”. Men zag wel wat in het eigene van de Indische groep, als een internationaal profiel dat niet louter met Nederland verbonden hoeft te zijn. Wellicht, zo werd gesteld, is ‘de drang tot uitburgeren … een teken dat men is ingeburgerd’. In dezelfde maand viel bij Indische Nederlanders in Amsterdam een officiële uitnodiging in de bus om Nederlandse taalcursussen te komen volgen. De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie verklaarde verder dat Nederlanders in de openbare ruimte uitsluitend Nederlands behoren te spreken.

Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring
Susan Legêne
2010 uitgeverij Bakker
ISBN 978 90 351 33556
294 bladzijden

[ook verschenen in het winternummer van Oerdigitaalvrouwenblad]
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter