blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: missie en zending

Drie lezingen over het erfgoed van de Fraters van Tilburg

In het kader van de jubileumexpositie Missie van Barmhartigheid nodigen de Fraters van Tilburg u uit voor een drietal lezingen over het erfgoed van de fraters.

read on…

De geschiedenis van de katholieke missionering op Curacao

Christine W.M. Schunck, Intolerante tolerantie; De geschiedenis van de katholieke missionering op Curacao. NijmegenValkhof Pers , 2019

Curaçao was van 1499 tot 1634 een onderdeel van Spaans-Amerika. Daar regeerde de koning met het koninklijk patronaatstelsel, waardoor de hele bevolking katholiek gemaakt moest worden; dus ook Curaçao, dat een onderdeel werd van het bisdom Coro/Caracas. read on…

Verjaardag Peerke Donders

Met een eucharistieviering in de kapel op het Peerke Donders Park in Tilburg Noord wordt op zaterdag 27 oktober de verjaardag van Peerke Donders gevierd. De voorganger is Denis Hendrickx, abt van de abdij van Berne en voormalig voorzitter van de Stichting Petrus Donders Tilburg. Peerke Donders werd op 27 oktober 1809 geboren. Een replica van zijn geboortehuisje staat naast de kapel waarin de eucharistieviering wordt gehouden. De mis begint om 14.30 uur en duurt een uur. read on…

Kritische respons: de actualiteit en maatschappelijke relevantie van ‘Nou koest, nou kalm’…..

Bespreking van ‘Nou koest, nou kalm’; De ontwikkeling van de Curaçaose samenleving, 1915-1973: van koloniaal en kerkelijk gezag naar zelfbestuur en burgerschap van Margo Groenewoud

door Paula Kibbelaar

Wat vond ik goed en interessant?
De aandacht voor dit onderwerp is relevant en actueel. Groenewoud onderzoekt de verwevenheid van missie en koloniaal gezag. Feitelijk is Groenewouds onderzoek een poging om deze verwevenheid te ontrafelen en de verschillende dimensies ervan te analyseren. read on…

Jacobus Putman. Godsdienst, taal en onderwijs op Curaçao in de negentiende eeuw

door Joop Vernooij

De University of Curaçao en de Fundashon pa Planifikashon di Idioma hebben in 2016 een publicatie uitgegeven over de priester Jacobus (Koos) Putman. De volledige titel is Jacobus Putman. Godsdienst, taal en onderwijs op Curaçao in de negentiende eeuw. De letterkundige en de ons bekende oud-docent op het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL), taalwetenschapper Wim Rutgers, is de hoofdverantwoordelijke, met bijdragen van Maritza Coomans-Eustatia, Henny Coomans, Elisabeth Echteld, Armando Lampe, Ronald Severing en Christa Weijer. Kortom: een keur aan deskundigen in taal, historie en religie op de Antillen. read on…

Boeken over Schabel en Putman gepresenteerd

Op 9 november 2016 werden aan de Dr Moises da Costa Gomez Universiteit van Curaçao twee nieuwe boeken gepresenteerd door de Algemene Faculteit van de Universiteit van Curaçao. De boeken zijn belangrijk voor de lokale geschiedenis: W. Rutgers, Michael Joannes Alexius Schabel S.J. – missionaris op Curaçao (1704-1713) en W. Rutgers (Red.), M. Coomans-Eustatia, H. Coomans, E. Echteld, A. Lampe, R. Severing, C. Weijer, Jacobus Putman Godsdienst, taal en onderwijs op Curaçao in de negentiende eeuw. Curaçao: FPI/UoC . read on…

Colonial ghosts haunt Belgium as Africa museum eyes change

by John O’Donnell

 (Reuters) – At the entrance to Belgium’s Museum for Central Africa stands a giant golden statue of a European missionary with an African boy clutching his robes, along with a plaque that reads: “Belgium brings civilisation to Congo”.
The statue and some of the exhibits inside anger many visitors for the way they portray African people and Belgium’s brutal colonial past.
Now Belgium wants to change that, at least a little. It is spending 66 million euro to modernise the museum, set in rolling gardens outside Brussels, and put a new face on the colonial experience.
Klik hier voor het hele artikel.
[van Reuters, 24 februari 2014]

Treasures in the Bibliotheca Surinamica

Tori vo da Santa Bybel-boekoe (1852)

Toe – tron feisitentin na toe. Tori vo da Santa Bybel – boekoe, vo gebruike dem na hoso en na skolo.  Nanga foeloe pikin printje. Calw: F. Steinkopf, 1852.

by Carl Haarnack

Beautiful contemporary red linen binding with rich gilt decoration. Very good condition. 16,5 x 11 cm. 284 pages. This is one of my favorite books. Partly because it was printed in Calw, not too far from Stuttgart where I spent a few years. Calw is also the birthplace of Hermann Hesse, the German writer and poet. Another reason why this book is special to me is because the antiquarian bookseller recommended it to me saying it was a translation of religious texts translated into ‘some sort of African language’. But, most importantly, books like these have played a major role in the emancipation of the Afro-Surinamese people.

Clearly this is a very early text (1852!) in Sranan Tongo, the lingua franca of Suriname. It contains 52 biblical stories from the Old Testament and 52 from the New Testament. With many woodcut illustrations. It is very very rare. It was published by F. Steinkopf  a well known bookseller and publisher in Stuttgart which still exists.
santa_bijbel2
Jan Voorhoeve and Antoon Donicie have described this book in their in Bibliographie du Negro-Anglais du Suriname (1963). They stated that this book was made By Cranz. I believe my claim that this is a rare book is also supported by that fact that Voorhoeve and Donicie have marked this book with ‘pas eu en mains’. They haven’t had this book in their hands, because it was impossible to find.
santa_bijbel
If you like this item please also have a look at :

André Pakosie scherp tegen Christendom; Marrontradities moeten hooggehouden worden

door Euritha Tjan A Way

Elk nadeel in een voordeel omzetten. Dat is wat kabiten André Pakosie zichzelf heeft aangeleerd. De natuurgeneeskundige en geschiedschrijver is in Suriname om de overleden granman Matodja Gazon te begeleiden naar zijn laatste rustplaats. “Ik was op Drietabbetje toen Pai Amatodya overleed. Ik heb al de ceremoniën toen genoteerd en ga mijn bijdrage nu leveren om zijn opvolger Matjodja Gazon, te begeleiden naar zijn laatste rustplaats.”

Pakosie werd in 1955 geboren op Drietabbetje. Hij was altijd bij de ouderen en speelde zelden met leeftijdsgenoten als hij in het dorp was. “Dat mocht als ik mijn mond maar hield. Dat vond ik nier erg, ik leerde veel. Ik was tot mijn vijfde jaar overwegend in Paramaribo met mijn vader, waar de kok van mijn vaders werkgever mij bezighield door mij het alfabet te leren. Maar terug in het dorp mocht ik niet naar school. Mijn moeder en vooral mijn oma wilden niet dat ik naar school ging. In de omgeving van de Tapanahonyrivier waren de EBG-scholen waar kinderen werden geslagen. Het onderwijs was gericht op het leren lezen en begrijpen van de Bijbel. Mijn moeder en oma wilden dat niet voor mij. Zij geloofden dat als ik het christendom zou leren, ik mijn cultuur en daarmee mezelf zou verliezen. Ook geloofden ze dat ik dan in de militaire dienst zou belanden en zou moorden. Iets dat absoluut niet met mij mocht gebeuren!” Dat de lessen van de kok effectief waren, bewees Pakosie op tienjarige leeftijd toen hij uiteindelijk toch naar school mocht in Albina in 1965. Hij doorliep in een jaar het eerste, tweede en derde leerjaar van de basisschool en mocht op dertienjarige leeftijd naar Paramaribo voor vervolgonderwijs.

Gaanman Matodja Gazon.
Collectie André Pakosie

Discriminatie
In Paramaribo werd Pakosie voor het eerst geconfronteerd met discriminatie tegen de marrons. “De onderwijzers en leerlingen plaagden ons vanwege ons accent en het gevolg was dat je als marron geen initiatieven meer durfde te nemen. Ik vond hun gedrag dom, want wie niet beseft dat iedereen gelijk is en alles aan kan leren, is in mijn ogen dom.” Pakosie ondernam actie tegen dit onrecht. Hij slaagde als enige van de Zuiderstadsschool voor de muloschool. “Daarmee heb ik een statement gemaakt. Ik ging daarna van huis naar huis in Paramaribo om marronjongeren op te roepen, om ze aan te leren hoe je in de stad kon presteren zonder je cultuur en de daarmee gepaard gaande tradities te grabbel te gooien. Zo richtte ik de Algemene Binnenlandse Jongeren Organisatie (Abjo) op. We hadden ons clubgebouw aan de Calcuttastraat met een ledental van bijna 3000.”

André Pakosie wordt ceremonieel ontvangen voor het geven van zijn keynote speech
over zwart leiderschap. Foto © Irvin Ngariman

Wis wasi
Pakosie stimuleerde ook het behoud van de marroncultuur door op zijn schooluniform een pangi te dragen en zelfs naar recepties op het Presidentieel paleis toog hij in traditionele kledij. “Na lang vragen kreeg ik ook zendtijd op de STVS en de SRS om de marroncultuur en tradities te promoten. Ik heb echt mijn best gedaan”, legt Pakosie kalm uit, terwijl zijn blik gericht is op het voormalige clubgebouw naast de Fatimakerk op Abra Broki. Op de vraag of Pakosie gezien zijn inzet toentertijd tevreden is met de ontwikkeling die de marrons nu doormaken, is het antwoord verbazingwekkend. “Ja en nee. Ja, omdat ik zie dat marrons en vooral vrouwelijke marrons hoge opleidingen en functies hebben en nee omdat ik zie dat de traditionele sociale structuur nu te grabbel is gegooid. De sociale controle van de familie die via de moederlijn (matrilineair) liep en die van de totale marrongemeenschap, is weg komen te vallen.” Pakosie meent dat de oom bijvoorbeeld niet meer de centrale figuur is in de families, mensen zijn individualistisch geworden. “Nu vindt niemand het erg als hij of zij een wis wasi man genoemd wordt. Dat was vroeger anders. Je hele familie maakte je te schande als je iets deed dat niet toegestaan was. Je dacht twee keer na omdat je wist wat de gevolgen zouden zijn.”

Kunu
Op de vraag of de kerk nu de sociale en controlerende rol van de gemeenschap heeft overgenomen is Pakosie keihard. “Nee, de kerk is in mijn ogen de brenger van alle kwaad. Ik heb op jonge leeftijd bijbelstudie gedaan bij zowel de Baptisten, de Rooms Katholieken als de EBG-ers. Daarbij kwam ik tot de conclusie dat de Bijbel een systeem is voor de blanken om onderdrukking te rechtvaardigen. De missionarissen kwamen met de Bijbel in één hand en met de zweep in de andere. Het christendom is in mijn ogen datgene wat de cultuur van de Afro-Surinamers vernietigt.” Als voorbeeld noemt Pakosie de giften die hij van de Baptisten gemeente kreeg toen hij tijdens de Binnenlandse Oorlog in Frans-Guyana was bij vrienden.

“We kregen voor de derde keer giften. Echter, deze keer zei de geestelijke mij dat Jezus ervoor gezorgd had dat ik de gift kon ontvangen en dat ik Jezus moest aanvaarden voordat hij me ze gaf. Hij zei dat Jezus voor mij aan het kruis was gestorven. Ik zei hem dat ik de kunu van Jezus niet wilde. Hij mocht alles weer wegbrengen. Dat soort godsdienst noem ik promotiegodsdienst. En dat deden ze ook in de vluchtelingenkamp. Weet jij hoeveel mensen daar toen het eten zo nodig hadden dat zij daarom alleen al bekeerden? Ik zie nu in de stad nog steeds hoe de kerk een splitsing brengt in familierelaties. De ene zuster gaat naar de kerk en bemoeit niet met de andere die niet naar de kerk gaat. Dat is toch verschrikkelijk”, zegt Pakosie mijmerend. De kabiten roemt de stadscreool voor het feit dat zij zich toentertijd uit noodzaak ook bekeerden, maar hun cultuur kibri kibri toch uitoefenden.” De marron echter gooit alles overboord. Zo zie ik deze mooie cultuur verdwijnen en dat vind ik erg.”

Biografie
Pakosie werd in Suriname vooral bekend om de biografie die hij schreef over het leven en werk van granman Matodja Gazon. Maar hoe kwam hij daarop? “Ik schreef mijn eerste boek, De dood van Boni, toen ik zeventien jaar was. Ik wilde het perspectief van de marrons vertellen. Ik verdeelde driehonderd van die boeken uit in het binnenland, want ik wilde aanpassingen horen. De granman was één van de mensen die aanpassingen voor mij had. Hij zei dat hij niemand anders had in het Tapanahonygebied met wie hij dit soort dingen kon bespreken.” Eenmaal in Nederland werd het contact met de granman frequenter. Dat gebeurde door ingesproken boodschappen. Pakosie wilde de granman al heel lang vragen om zijn biografie te schrijven. “Maar door mijn opvoeding die leerde respect te hebben voor ouderen, durfde ik het hem niet te vragen. In 1996 vroeg hij mij het zelf en in 1999 had ik het boek af.”

Foto © Nicolaas Porter, Aukaanse vrouw

Nederland
Pakosie heeft ook in het buitenland de achterstand van de marrons weten te keren in hun voordeel. Zo zette hij in Utrecht een fytotheek en het marroninstituut stichting Sabanapeti op dat een documentatiecentrum beheert voor marronculturen. Hij legde zich ook toe op het schrijven van artikelen in het blad Siboga [Wegwijzer]. In 1974 stelde hij in Nederland de Dag van de Marrons in waarop de Surinaamse marrons gezamenlijk de strijd van hun voorouders tegen slavernij en voor vrijheid, herdenken en vieren. Hij ontving als eerste de Gaanman Gazon Matodja Award en in 2000 werd André Pakosie door Gazon benoemd tot kabiten in Nederland. Dat is niet niks. De eerste kabiten in een land die geen in stamverband wonende marrons kent. Waarom dat instituut? “ Er is enorm veel behoefte aan dit liefdeswerk. Ik zal een tipje van de sluier lichten. Veel overledenen moesten in Suriname begraven worden en als een vrouw haar man had verloren, moest zij door de familie in Suriname in rouw gedompeld worden, om na zes maanden eruit gehaald te worden. Dat kostte veel op en neer reizen met als gevolg verlies van veel geld en in het uiterste geval je baan. Door het instituut van Kabiten in 2000 in te stellen, kunnen deze zaken op verzoek van familie in Suriname in Nederland afgehandeld worden door het aanwezig gezag aldaar.”

De cirkel is nu rond. Pakosie die toen ook de ceremoniën van de dood van Pai Amatodya meemaakte, mag nu middels zijn geschriften over die gebeurtenis, bijdragen aan de begrafenis van Matodja Gazon. Hij beschrijft zijn heengaan dan ook als het einde van een era voor de Aucaanse gemeenschap. Over de opvolging van Gazon wil Pakosie het traditiegetrouw niet hebben. “Daar praat je pas na de rouwperiode over”.

[uit de Ware Tijd, 24/02/2012]

Laatste drie fraters verlaten na 110 jaar Suriname

door Paul Spapens

De altijd blakerende Surinaamse zon heeft de letters op de grafzerk van apostolisch vicaris Wilhelmus Wulfingh (1839-1906) tot nauwelijks leesbaar gebleekt. Je moet er voor op je knieën om de belangrijkste levensfeiten te kunnen lezen van de bisschop die het voor elkaar kreeg dat de Fraters van Tilburg een aantal fraters naar Suriname stuurden. In augustus 1902 arriveerden ze in Paramaribo.


In totaal 101 fraters hebben sedertdien hun beste krachten aan Suriname gegeven. Nu zijn er nog drie over, drie mannen van een leeftijd waarvan gezegd wordt dat je een oude boom beter niet kunt verplanten. Toch staan ze op het punt om terug naar Nederland te komen, twee naar Tilburg en een naar Vught. Medio maart 2012, bijna 110 jaar na hun komst, vertrekken de fraters van Tilburg voorgoed uit Suriname. Op hetzelfde kerkhof als waar Wulfingh zijn laatste rustplaats heeft gevonden worden de knekels van enkele tientallen fraters bij elkaar gelegd. Zand erover, einde verhaal maar er is in Suriname veel méér dat het verhaal van de inzet van de fraters van Tilburg zal blijven vertellen.

Geconfronteerd met het niet te keren feit van de definitieve terugkeer naar Nederland wellen bij frater Laurenti Verhoeven de tranen in zijn ogen die in 1933 in Udenhout het eerste levenslicht zagen Udenhout, geboorteplaats van frater Andreas van den Boer, wiens zaligverklaring maar niet wil lukken. In de gezamenlijke ruimte van de drie laatste fraters in Suriname hangt een wandbordje van frater Andreas van den Boer. Het degelijk gebouwde, bijna Nederlands aandoend Fraterhuis herbergt wel meer bekenden. Meteen bij binnenkomst staat de bezoeker oog in oog met een smetteloos witte buste van bisschop Zwijsen, de man die de Fraters der Congregatie van Onze Lieve Vrouw, Moeder van barmhartigheid in 1844 heeft opgericht.


Frater-bouwvakker

Frater Laurenti Verhoeven, de laatste van de twaalf missionarissen die Udenhout ooit telde, kwam in 1947 bij de fraters en in 1960 vertrok hij naar Suriname. Zijn twee confraters hebben al even imposante staten van fraterstrouw. Laurentius Berkers werd in 1939 in Deurne geboren, meldde zich in 1952 bij de fraters en kwam in 1967 via Curacao in Suriname terecht. Frater Johannes van Berkel, in 1941 in Tilburg geboren en in zijn gedrag waarneembaar de jongste van het stel, noemt zichzelf ‘nen èchte Haajkantse’. In 1969 ging hij als frater-timmerman naar de Nederlandse kolonie. Heel zijn leven was hij frater-bouwvakker, geen twijfel mogelijk. Hij rijgt een ketting van sjèkskes waarvan hij de peuken de een na de ander wegspoelt in een draaiasbak die je vroeger op de kermis kon winnen. Hij zorgt ook dat de glazen goed gevuld blijven met Parbobier.

Toen frater Johannes in Suriname arriveerde, moest door hem de laatste hand nog worden gelegd aan het Fraterhuis. Het is gebouwd voor maximaal tien bewoners. Elke frater heeft een mooie zit-slaapkamer. De eenvoudige kapel stemt tot bidden. Het grootste gedeelte van het pand bestaat uit de bestuursvleugel. “Maar ja, wat valt er nog te besturen?”, zegt hij met een nuchterheid die je niet verwacht in het kokende Paramaribo. Voor het Fraterhuis heeft het bisdom straks zeker een goede bestemming, zoals alles wat door de fraters van Tilburg is gerealiseerd of wat met hen te maken heeft gehad, een nieuwe bestemming heeft gevonden. Ze hebben (onder meer) vijf basisscholen gebouwd en met frater-onderwijzers bemenst. Twee mulo’s: idem dito. En alles nog volop in gebruik. Twee florerende bedrijven, bouwbedrijf Rema en de ultramoderne drukkerij Leo Vector, zijn ooit door de fraters begonnen. Bij de drukkerij kwam frater Lambertus terecht nadat hij bij de befaamde RK Jongensweeshuis-drukkerij in Tilburg zijn fraterscarrière was begonnen. “Aan mij de taak om er een zelfstandig bedrijf van te maken”, aldus frater Lambertus.

Geen Surinaamse frater
In 1985 was dat zover; deze verzelfstandiging was een van de vooraankondigingen dat er een einde ging komen aan de Surinaamse tijd van de fraters van Tilburg. Toen in 2002 twee fraters vertrokken en de huidige drie alleen achterbleven, besloten zij om gezamenlijk te stoppen als de tijd daar was. En nu is die tijd daar. Reageert frater Laurenti bij tijd en wijle emotioneel, zijn twee confraters zijn meer gelaten, op het nuchtere af. “Een goeje missionaris komt met een kleine koffer en gaat met een kleine koffer”, antwoordt frater Lambertus op de vraag wat ze allemaal mee naar Nederland nemen: vrijwel niets dus.


Frater Johannes: “Er is in Suriname waardering voor ons werk. We hebben iets spiritueels aan de samenleving gegeven. Maar ik denk niet dat een volgende generatie nog weet dat er ooit fraters in Suriname zijn geweest.”

Frater Lambertus: “Niet één Surinamer is frater geworden. Dat doet pijn.”

[uit de Ware Tijd, 14/01/2012]

Foto‘s: Fotoarchief Fraters van Tilburg
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter