blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: migrantenliteratuur

Eerste Sarnámi Cultuurprijs uitgereikt aan Jit Narain

Op vrijdag 31 augustus j.l. mocht de dichter Jit Narain uit handen van de Haagse burgemeester de eerste Sarnámi Cultuurprijs ontvangen. Deze prijs is ook naar hem vernoemd: de Jit Narain Cultuurprijs. De prijs omvatte een bronzen beeldje van een Brits-Indische contractarbeiders, een oorkonde en een bedrag van 5.000 euro. Voorafgaand aan de uitreiking in de volle en sfeerrijke Nieuwe Kerk aan het Spui in Den Haag, hield prof. dr Michiel van Kempen de eerste Jit Narain Lezing. read on…

Doekhie ontvangt schrijver roman Hindostaanse immigratie

De schrijver van de roman over Hindostaanse immigratie, Safdar Zaidi, is van plan om aanwezig te zijn bij de boekpresentatie in november in Suriname. Dit deelde hij vandaag mee aan de zaakgelastigde Chantal Doekhie op de Surinaamse ambassade in Den Haag. read on…

Hindostaanse nachtmerrie

door Freek L. Bakker
De roman De suiker die niet zoet was van Safdar Zaidi is de Nederlandse bewerking van het eerder in 2005 in het Urdu geschreven toneelstuk Desh-Pardesh. Van dat Urdu toneelstuk is in 2008 een filmscript gemaakt en in 2013 een Nederlandse roman.
Het boek gaat over een Hindostaanse man, Radj, die met zijn eveneens Hindostaanse vrouw Lakshmi in Den Haag woont en sinds kort bij het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking werkt. Zijn leven verloopt voorspoedig. Lakshmi en hij hebben een goede baan en een gelukkig huwelijk. Maar sinds kort heeft hij last van een telkens terugkerende nachtmerrie. Die brengt hem van zijn stuk en ontwricht zijn leven uiteindelijk zeer grondig. Verderop in het boek wordt duidelijk dat de nachtmerrie zijn oorsprong vindt in het Hindostaanse verleden waarin talloze mensen vanuit India naar Suriname trokken in de hoop daar een beter leven te kunnen leiden.
Het is niet mijn bedoeling de clou van de roman prijs te geven. Maar ik wil wel iets opmerken over de indruk die hij op mij maakte en die het de moeite waard maakt dit boek te lezen. Het boek is spannend en soms zeer verrassend, ook op het einde: het is geen eind goed al goed verhaal. Daar komt bij dat de lezer die niet zo vertrouwd is met het Hindostaanse familieleven en met de rol van de hindoereligie daarin, op een heel vanzelfsprekende manier hiermee bekend wordt gemaakt. Dat gebeurt bovendien niet kritiekloos. Ook de minder fraaie kanten van deze religie komen in dit boek naar voren. Desondanks is het geen antireligieus boek geworden. Integendeel, het laat weliswaar de bekrompenheid van veel religieuze overtuigingen en gebruiken zien en hoe mensen deze religie gebruiken om zichzelf te bevoordelen, maar ook hoe de religie – en vooral de wijsheid en inspiratie die daarin verborgen ligt – mensen verder kan helpen.
En dan aan het eind, als de lezer denkt dat hij aanvoelt hoe het boek gaat aflopen, is daar opeens een nieuwe wending.
Helaas wordt het boek ontsierd door het relatief grote aantal spelfouten. Verder is hier en daar te veel vastgehouden aan de Nederlandse spreektaal. Een voorbeeld is ‘Radj zijn moeder’. Dat wordt gezegd, maar in een boek schrijft men dan ‘Radjs moeder’ of eventueel ‘Radj’ moeder’. Een extra redactionele controle door een Nederlandse native speaker zou het boek zonder meer ten goede gekomen zijn.
Iets anders dat afbreuk doet aan deze publicatie is de passage van p. 89 waarin een bezoek wordt beschreven van de Nederlandse vertegenwoordiger van de West-Indische Compagnie, Peter, aan Calcutta met daarbij de opmerking ‘Peter was vaker naar Nederlands-Indië gevaren met de VOC schepen en was nu met een WIC schip in Brits-Indië aangekomen.’ Dit speelt in de jaren zestig of zeventig van de negentiende eeuw. De VOC is in 1795 opgeheven, en de WIC al eerder. Het had de roman goed gedaan als de auteur op dit punt zijn research iets grondiger had aangepakt.
Ondanks deze kritiek is het een interessant boek, vooral omdat men van binnen uit kennis maakt met de wereld van de Nederlandse en Surinaamse Hindostanen. In geval van een tweede druk wordt een extra redactionele controle sterk aanbevolen.
Safdar Zaidi, De suiker die niet zoet was. Voorburg: Uitgeverij U2pi bv, 2013. 199 p., ISBN 978 90 8759 356 8, prijs € 17,50.
[uit Oso 2013, nr. 2]

 

Surinaamse versie De suiker die niet zoet was

Mitra Rambaran overhandigt een exemplaar van de Nederlandse versie ‘De suiker die niet zoet was’ aan Radjen Baldew, voorzitter van Stichting Hindoe Media Suriname. professor Chan Choeni (l) is ingenomen met deze aanwinst.  Foto:  Claudio Barker.
door Sabitrie Gangapersad
Paramaribo – Er komt een Surinaamse versie van de historische roman De suiker die niet zoet was. Het boek, dat gaat over de emigratie van India naar Suriname, is door de Indiase schrijver Zafdar Zaidi in het Urdu geschreven en door Mitra Rambaran in het Nederlands vertaald. Schrijver Robby Parabirsing zal zorgen voor de Surinaamse editie.
Aanpassingen
“Er zijn bepaalde delen die gevoelig zijn voor Suriname. Die moeten worden aangepast. Een voorbeeld is het gebruik van het woordje ‘neger’. Dat komt in bepaalde culturen als een scheldwoord over. De moeder van de hoofdpersoon Radj is in Suriname geboren en op latere leeftijd naar Nederland vertrokken. In haar dialoog moet het typische Surinaamse Sarnami herkenbaar zijn. Woorden als ‘eend’ en ‘kerrie’ uit de Nederlandse versie zullen dan worden vervangen door ‘doksa’ en ‘massala’. Hetzelfde geldt voor het woordje roti. Dat hoeft in de Surinaamse versie geen verdere uitleg”, geeft Parabirsing aan. Volgens hem kloppen niet alle feitelijkheden in de roman met de realiteit, maar dat is toegestaan in dit genre. “We plaatsen bij die specifieke gebeurtenissen een noot, dat die afwijkt van de historische feiten. Zo zijn de eerste immigranten die met de Lalla Rookh kwamen niet naar plantage Waterloo in Nickerie gebracht. Er zijn op de eerste boot ook geen kinderen geboren. De reis naar Waterloo ging niet via de zee, maar via Uitkijk”, geeft Parabirsing als voorbeelden aan. Als alles goed verloopt, komt de Surinaamse versie eind dit jaar uit. Een passage die de Surinaamse uitgever erg ontroert, is de beschrijving van hoe de immigranten op de boot naar elkaar toegroeiden en scheidslijnen vervaagden. “Kaste, religie en status deden er niet meer toe. Alleen de regels van het hart telden op de boot.”

Plantage Waterloo, Nickerie
Het verhaal
Rambaran laat een kort filmpje het verhaal van het boek vertellen. Dit gaat over het echtpaar Raj en Lakshmi. Hun huwelijk lijdt onder de depressie van Radj, die uiteindelijk op zoek gaat naar zijn verleden. Het boek speelt zich af in het hedendaagse Den Haag met terugblikken naar India en Suriname. “Het boek bevat ook eigen geschreven klaagzangen waarin over instrumenten worden gesproken die wij niet meer kennen”, vertelt Rambaran en speelt een nummer af.
“De schrijver is nooit naar Suriname geweest, maar heeft het land heel mooi beschreven”, zegt professor Chan Choeni. Hij is vooral onder de indruk van een scène waarbij een creoolse roeier tijdens de overtocht van Paramaribo naar plantage Waterloo een kindje redt uit de rivier en de vrouwelijke immigrant uit dankbaarheid zijn voeten raakt. Choenni: “Ik moest een traantje wegpinken.” De suiker die niet zoet was is dinsdagavond in restaurant Khazana gepresenteerd.
[uit de Ware Tijd,13/06/2013]

Vreemdelingen in het paradijs (4)

door Willem van Lit

[Dit is deel vier van het feuilleton over de Nederlands Caribische eilanden. Het is het vervolg op het 4e hoofdstuk uit mijn boek.]

Later wordt de verschuiving van het perspectief duidelijk. De schrijver verplaatst zich steeds minder naar het gezichtsveld van de ver-weg-lezer; hij schrijft van binnen uit het eigene naar de lezer buiten, de vreemde. Hierbij probeert de auteur de lezer als het ware te dwingen de binnenkant vanaf het standpunt van die auteur waar te nemen. Van Kempen noemt in deze rij van auteurs onder andere Dobru, Lauffer, Trefossa, Garmers, Henriquez en Gajadin. Maar het blijft voortdurend om migratie draaien, zoals ook Rutgers bedoelde omdat men de ander toch rond moet leiden in de eigen wereld om die begrijpelijk te maken. De onrust groeit naarmate de ontvoogding en de emancipatie vordert. Er gaan andere dingen meespelen. Kinderen gaan als student naar Nederland. Ze emigreren dus en vernederlandsen. Het Papiamentu als cultuurtaal groeit intussen op de Antillen, maar de landskinderen in Nederland spreken steeds meer en beter Nederlands, waardoor de achtergeblevenen hun kinderen als vervreemd gaan ervaren, “… die hun bloed verloochenen” . Op deze manier ontwikkelen de verhoudingen in het koninkrijk zich op complexe wijze. Aan de ene kant wordt de vervlechting inniger onder andere door meer mogelijkheden voor onderlinge uitwisseling en migratie; aan de andere kant groeit de kloof en lijken we elkaar steeds minder te begrijpen. De generatie auteurs die alleen nog maar in het Papiamentu schrijven, ontwikkelt de gidsfunctie voor specifiek de eigen mensen, maar de externe functie blijft bestaan voor buitenstaanders. Zo schetst Van Kempen de in complexiteit groeiende tweedeling tussen reisleiders en toeristen op verschillende gemeenplaatsen in de literatuur en dus ook op divers cultureel en algemeen maatschappelijk gebied. Hij noemt thema’s als “ontmoeting der culturen als interraciale vermenging, als uitdrukking van begrip, misverstand en onbegrip, meervoudige lokaliteit, nationale identificatie en individuele zelfidentificatie” . Op al die terreinen ontstaat dezelfde of soortgelijke onrust die wordt gevoed door zinsbegoocheling en beloften die voortdurend wisselen. De vreemde zal de gids nooit helemaal kunnen volgen, al doet hij nog zo zijn best. Zelfs de Antilliaanse auteurs worstelen met het eigene, zoals het voorbeeld van Van Leeuwen eerder in dit stuk aangeeft, hoe het “eiland grenzen stelt aan zijn schreden”.

Rechts: Michiel van Kempen, foto @ Serge Warbowsky

De motor hiervoor is de voortdurende migratie, het ontheemde bestaan dat op zichzelf al een bron is voor verdriet. Tegelijkertijd draagt het de kiem in zich van het meest menselijke, zegt Van Kempen weer: “het reiken naar de ander, het begrijpen van de ander en uiteindelijk dat waar alles om begonnen is: de liefde” . Dit laatste – de liefde – is dan nog een andere gemeenplaats in de literatuur, waaruit weer een belofte ontstaat. Maar zover is het nog lang niet; de toerist is nog steeds niet in staat het geheel eigene van de Antillen of Suriname te doorgronden, zo veronderstelt de gids. En dat gegeven is nog altijd wrang aanwezig. Haard van onbehagen. Voorlopig is de kracht van beschaming nog groter, zoals bij Van Kempen in een andere publicatie naar voren komt.

In die andere beschouwing over de literatuur in de voormalige koloniën – Rigoletto in de tropen uit 2004 – beschrijft hij het probleem of het raadsel van de onleesbaarheid . Dit fenomeen treedt op in de literatuurwetenschap die zich bezig houdt met teksten uit de voormalige koloniën. Van Kempen constateert dat er sprake is van een cultuurkloof tussen de Nederlandse schrijvers en recensenten enerzijds en de auteurs uit de voormalige koloniën anderzijds. De Nederlanders zien zich altijd geplaatst voor de ondoorgrondelijkheid van het kunstwerk van de schrijvers uit die gebieden en de “ondoorgrondelijkheid van het kunstwerk van de Ander wordt toegeschreven aan de cultuurkloof, niet van de aard van het kunstwerk op zich. Jij hoort niet tot de groep en dus kun je het onmogelijk doorgronden” . Hij noemt vier uitdrukkingen van onbehagen: “We zijn nu eenmaal andere mensen”, het “jullie tegenover ik”, de “fatale driehoek” (in dit geval gaat het om Oost-Indië, waarbij de Totoks, de Indo’s en de Belanda’s tegenover elkaar staan) en “Jij kunt deze werkelijkheid niet kennen”. Hij illustreert dit aan de hand van verschillende voorbeelden waarbij Nederlandse schrijvers en recensenten de wind volop van voren krijgen. Het dilemma wordt nog versterkt door het feit dat juist die auteurs ook niet zonder de beschouwingen en recensies kunnen en er kennelijk geen mogelijkheden zijn criteria te stellen voor reflectie. De gids verwacht geen kritisch weerwoord.

Hier heerst de veronderstelling dat de cultuur van de gekolonialiseerden (die tegelijkertijd gids zijn) voor mensen van buiten niet invoelbaar en onkenbaar is. Als je dit zegt, ga je er vanuit dat er culturen zijn die hermetisch gesloten zijn. Culturen zijn allesbehalve hermetisch gesloten, zoals Van Kempen terecht opmerkt. Men zou dan geen uitspraak kunnen doen over de waarde van culturen. Het cultuurrelativisme is een mythe, de mythe van de cultuurkloof, die onoverbrugbaar zou zijn. De pathetische omhelzing laat zich op deze manier kenschetsen als de paradox tussen de mythe en de hoop “de Ander ten diepste wel (te) kunnen begrijpen”. En ook willen begrijpen. Men wíl doordringen tot de kern van het geheim van de verleiding, de Caribische verrukking zelf. En beide – zowel de mythe als de hoop – zijn illusoir, zijn zinsbegoocheling of zelfbedrog: “de mythe omdat het niet de cultuurkloof op zich is die de principiële onkenbaarheid van het kunstwerk uitmaakt, de hoop omdat de aard van het kunstwerk met zich meebrengt dat het diepst ervan zich niet ontsluieren laat” . Het is de patstelling in de volledigheid van de verwarring. We kunnen dan niet meer de kennis toepassen, alleen nog naast elkaar bestaan binnen het geheel van zelfde uitdrukkingsmogelijkheden zonder ooit tot elkaar te kunnen komen, waarbij men hoe dan ook toch aan elkaar verbonden blijft. Hoe men overeind kan blijven met bedrog?

Maar ook de fascinatie blijft: men (de toerist) wil de verrukking blijven begrijpen en men (de gids) wil zichzelf bijzonder verklaren, ten diepste onkenbaar, onverklaarbaar. De verzoening is alleen mogelijk in het merkwaardige guichelspel zelf, dat ondoorgrondelijk door passie wordt bestuurd en dát lijkt pathetisch van aard te zijn. Het eindresultaat van deze patstelling lijkt – niet verstandig – beschaming en wederbeschaming te zijn, zoals ook in de oplaaiende emoties bij dit onderwerp – de literatuurkritieken – duidelijk wordt.

Als ik bij mezelf ga kijken, hoef ik niet ver te zoeken om flarden van die passievolle begoocheling te vinden. Ik citeer hieronder een lang fragment uit mijn weekboekaflevering “De voortdurende belofte”

“De bibliotheek van Willemstad bevat een grote afdeling die gaat over reizen, volkenkunde en vreemde culturen. Ik vind dat opvallend. Het is net alsof mensen hier – meer dan elders – nieuwsgierig zijn naar hoe het anderen vergaat, alsof alles buiten het eiland exotisch is. Ik heb er series boeken gevonden die me met een instant opgejaagde interesse langs de rijen deed wandelen, de wijs- en middelvinger dolend over de ruggen. Prevelend. Ik zocht langs het rijtje dat ging over de Caribische cirkel en ik vond V.S. Naipaul. Hij schrijft over zoektochten. In dit boek gaat het over het speuren naar de basis van de wonderlijke eigenheid waar hij onthutst naar kijkt. Toen ik bij dat rek stond en door Het verlies van Eldorado bladerde, kwam er een vreemde zin bij mij op: “… waaraan we zijn ontleend”. Zo’n flard fleemt als een fragment van rafelend besef. Ik noem het maar even zo omdat ik er geen andere betekenis voor weet. De lezer begrijpt misschien dat ik nu over de randen van intuïtie schrijf en dat ik denk over de legenden, waaruit mijn eigen realiteit is samengesteld. Zo’n fragment blijft hangen.

Van gemis te kunnen schrijven, zo, dwalend langs geruchten die vaak vergissingen bleken te zijn of een herontdekking van uitdrukkingen, die steeds weer bedoelingen waren, maar die lang niet als zodanig herkenbaar waren: een gewaarwording die met het loskomen van de wielen van het asfalt van onze herinnering ongewis achterblijft. Hoe ging het ook alweer met dat land van goud? Alsof er steeds iets overblijft… van St. Eustatius bijvoorbeeld waar de gedachte – zoals het was in de 18e eeuw – nog steeds speelt dat het een “Gouden Rots” kan zijn of ook van Aruba waar eind 19e eeuw kortstondig een echte goudkoorts op gang kwam. Maar dat is het niet alleen. Het gaat ook om teloorgang van andere dingen.

SEen geheel ander temperament. Barche Baromeo vertelt over zijn jeugd op Curaçao, over zijn schoolgang bij de nonnen en hoe hij daarna los probeerde te komen: “Datzelfde gevoel van machteloosheid deed mij van Koningin Zingha (een geïdealiseerde schoolvriendin, WvL), die zich uitleefde in de Tambu, dromen en zo mijn hartstocht bevredigen, terwijl de maatschappij hamerde op een lichte huid om je ras te verbeteren en hogerop te komen. Je vrat jezelf van binnen op, gefrustreerd als je was door het gemis dat je voelde je niet in je eigen taal te kunnen uiten. Om voor eens en altijd, voor de eeuwen en eeuwen die nog moeten komen, vanuit het diepst van je zijn, het uit te gillen en je te ontdoen van al wat het onderwijs in het opgelegde Nederlands, zonder de basis van Moeder Papiaments, je heeft aangedaan” (“de nieuwe Antilliaan”). Hier roept iemand die verwacht lelijk terecht te komen in de vijzel van de geschiedenis, zoals zo velen voor hem in deze archipel met V.S. Naipaul als referentie van deze mogelijkheid, teneinde alweer onthutst herontdekt te worden in de teloorgankelijke realiteit. Het Papiaments staat momenteel opnieuw onder druk, terwijl men eerder niet eens de kans heeft gekregen de werkelijkheid in eigen taal te vertolken. Er ontrolt zich reeds een nieuwe geschiedenis, die van de globalisering en in deze beweging sneven nu weer kleinoden. Het heden is nu al een legende, klaar om herontdekt te worden. Zo groeit de verbijstering weer aan in deze ring van de Cariben.

Rechts: Barche Baromeo. Foto @ Serge Ligtenberg

Om heel wat redenen volgen we veelal niet onze hartstocht, de oorsprong “… waaraan we zijn ontleend”, zoals Baromeo vertelt en zoals ik plots dacht bij die boekenkast. We blijven achter, de taal ontbreekt, de verhalen zijn vergeten, de archieven zitten overvol, men overstelpt elkaar, hele volkeren vergaan, we zinken weg in moed, we ontsnappen aan elkaars bewustzijn, we verbergen onszelf. Dat is een kwestie van niet willen of niet kunnen natuurlijk en daarvoor is dan – parhttp://www.blogger.com/img/blank.gifadoxaal vermogen – de passie toegerust op hart en ziel; we mogen gissen naar vermogen: zo is het in het atelier van onze autonomie. Over een aantal weken gaan we trachten te ontsnappen. Weg van hier. Ik denk niet dat dat lukt – het ontsnappen met de opzet alles onachtzaam achter ons te laten, bedoel ik – , want er dienen zich in onze nieuwe situatie weer andere dingen aan terwijl de oude dingen blijven; hetgeen we zullen missen”.

[wordt vervolgd, klik hier voor deel 5]

Klik hier voor deel 1 , voor deel 2 en deel 3.

Herlezen: Delft blues van Denis Henriquez

Vandaag begint Caraïbisch Uitzicht een nieuwe rubriek: Herlezen. De nieuwe rubriek vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres.

*****

Verzet tegen ideologieën

door Wim Rutgers

Om twee redenen is de roman van Denis Henriquez van belang. In Delft blues bepaalt de in 1945 op Aruba geboren auteur, die inmiddels al jarenlang docent op een Rotterdams gymnasium is, zijn houding ten opzichte van enkele dominante thema’s in enerzijds de Nederlandse en anderzijds de Caraïbische literatuur.

Delft blues zou je een ‘mei-boek’ kunnen noemen omdat elk van de drie delen in drie opeenvolgende mei-maanden van 1967 tot en met 1969 speek. Het verhaal gaat over een centrale hoofdfiguur, de Arubaanse student Bernardo Rincones, en begint als deze op de dag van de dodenherdenking het joodse meisje Katinka Roos ontmoet. Dat betrekt hem persoonlijk bij een oorlog waarmee hij eigenlijk helemaal niets te maken wil hebben: ‘De oorlog was het privé-domein van Nederland, dat verleden hoorde bij het land net als de klompen en de bollen, het had met zijn eigen leven niets te maken. Het gebied waar hij vandaan kwam was door die oorlog hoogstens licht geschampt. Op school was die oorlog droge leerstof uit een boek, snel geleerd en snel vergeten; de ernst ervan was niet bestand tegen de lichtheid van een jeugd die zich voltrok onder de tropenzon. De joden die hij op zijn eiland kende waren stuk voor stuk geslaagde zakenlieden die in grote huizen woonden; oorlogsleed had hij achter zulke mensen nooit vermoed.’

De Nederlandse Katinka Roos heet eigenlijk Wacjberg. Zij raakt haar verleden niet kwijt, waarmee ze op vijftienjarige leeftijd door haar pleegouders werd geconfronteerd toen die haar de waarheid vertelden dat haar joodse ouders in de oorlog zijn omgekomen. Ze vertrekt na de Zesdaagse Israëlisch-Arabische Oorlog naar een kibboets, kan daar evenmin aarden, keert naar Nederland terug, maar kan het leven niet meer aan. Katinka is het slachtoffer van een verleden dat ze niet van zich kan afschudden.

Ten opzichte van de Caraïbische literatuur verzet Denis Henriquez zich in Delft blues tegen ideologieën die individuen de baas worden. Daarvan wil ik een paar voorbeelden geven uit de vele die voorkomen. Bernardo’s Curaçaose vriend Ito Gums is van een Delfts corpslid in driedelig grijs onder invloed van de geest van de jaren zestig een echte linkse activist geworden die tegen de Vietnam-oorlog protesteert, die tegen Israël is, die zich met de Cubaanse Revolutie identificeert en tenslotte een werkgroep ‘Kambio’ (Verandering) opricht om tegen de koloniale en imperialistische uitbuiting van zijn geboorte-eiland te protesteren: ‘Als ze hier [in Nederland op 4 mei] bezig zijn te weeklagen over hun doden zal ik een minuut stilte houden voor de slaven op Curaçao die gevallen zijn onder het racisme van de Hollanders.’ Zodra hem het nieuws van de Curaçaose opstand op dertig mei 1969 bereikt, vertrekt hij onmiddellijk naar zijn geboorte-eiland.

 

Daar raakt hij echter al spoedig compleet ingekapseld in een streven naar geld en macht. Weg ideologie! Een andere vriend, de op Curaçao geboren Rakish Assang, zoon van een rijke handelaar, die zich meer voor zijn studie wiskunde dan voor politiek interesseert, wordt met heel wat meer sympathie beschreven: ‘Ik ben op Curaçao geboren en opgegroeid, maar daar vinden ze me een vreemdeling; in Nederland hoor ik ook niet thuis. Ik hoor nergens bij, lullig, ik kan me daar niet druk om maken. Je hechten aan een stukje grond vind ik banaal, beter gezegd: ik kan het niet. Mensen als ik zullen hun gezicht zelf moeten bepalen.’ Denis Henriquez verzet zich in Delft blues steeds weer tegen alle eenzijdig gedweep zonder nuchter verstand. De Nederlandse onderwijzeres Janine wordt verliefd op een Ecuadoriaan, raakt zwanger, maar heeft geen schijn van kans op een huwelijk. Vanuit die persoonlijke ervaring slaat ze van bewondering voor alles wat des Derde Werelds is, helemaal door naar een even eenzijdige anti-buitenlanderhouding: ‘Ik wil niks meer met buitenlanders te maken hebben! Jullie buitenlanders zijn geil. Jullie zijn allemaal hetzelfde.’

Tussen de personages die zich op een of andere wijze ideologisch vastzetten, beweegt Bernardo Rincones zich als een individu dat vooral ook graag individu wil blijven: ‘Hij was te veel een eenling om idolen te aanbidden, om bedwelmd te raken door het gregoriaans van welk geloof dan ook.’ Hij gelooft niet in De Mens maar wel in mensen met al hun goede en slechte eigenschappen: ‘Ik heb schijt aan het volk, ik heb schijt aan de massa; de mens is een individu of hij is niks!’ In een discussie zegt vriendin Janine: ‘Je bent gewoon een ongelovige Thomas, dat is alles. Weet je wat er aan jou schort? Je bent van nature een pessimist, je vertrouwt de mensen niet.’ Bernardo antwoordt op die aantijging: ‘Iemand zei eens tegen me: ik ben geen pessimist, ook geen optimist, want beide hebben “mist” gemeen en in een mist kan je de werkelijkheid niet onderscheiden.’

Terwijl Denis Henriquez’ Nederlandstalige debuut Zuidstraat (1992) vol was van melancholieke herinnering aan een voorbije jeugd, is de tweede roman Delft blues een veel harder en kritischer verhaal dat afrekent met de geest van verzet van de jaren zestig in Nederland en met ideologisch gedweep over ‘roots’, verleden en uitbuiting zoals dat in veel Caraïbische literatuur nog steeds in zwang is. Denis Henriquez zweert de ‘held’ – of die nu negatief is of positief – compleet af en stelt daar een nuchter individu tegenover.

Delft blues bevat veel aspecten die in het verhaal uitwaaieren en mooie fragmenten opleveren. Terwijl Zuidstraat nog sterk de kenmerken van een aantal aan elkaar geplakte verhalen vertoonde, toont de auteur zich in zijn tweede boek een echte romancier, die niet alleen de personages goed in de hand heeft, maar ook een uitgebalanceerde compositie weet te construeren. Het verhaal leest bovendien heel plezierig wegens een ongewoon beeldgebruik.

Denis Henriquez: Delft blues, De Bezige Bij, Amsterdam, 1995, 213 p.

[bespreking verschenen in Ons Erfdeel, 1997]

Verhalensalon over migratie

Bent u recentelijk of langer geleden als expat, studie- of kennismigrant of om andere
redenen naar Nederland gekomen? Of hebt u ooit (als expat) in het buitenland gewoond en bent u weer teruggekeerd naar Nederland? Neem dan deel aan een inspirerende verhalensalon!

Op zaterdag 5 februari 2011 verzorgt Yvette Kopijn in het kader van de tentoonstelling The Unwanted Land een Verhalensalon. Deze vindt plaats in het Museum Beelden aan Zee in
Scheveningen, Den Haag en is vanaf Den Haag Centraal en Den Haag Hollands Spoor goed te bereiken met de tram. De verhalensalon duurt van 11.00-14.00 uur. Deelname is gratis. (zie http://www.beeldenaanzee.nl/). En natuurlijk kunt u ook de prachtige collectie van het Museum Beelden aan Zee bewonderen.

In de Verhalensalon staat het migratieverhaal centraal. Aan de hand van foto’s en meegebrachte voorwerpen praten we over het vertrek uit het geboorteland en de aankomst en het settelen in Nederland. Ook staan we stil bij thuiskomen en belonging: waar hoor ik thuis? wat zie ik als mijn thuis? en wat heb ik gedaan om voor mijzelf (en mijn kinderen) een nieuw thuis te creëren? Er is plaats voor maximaal 15 personen, dus wacht niet en meld u nu aan! Neem foto’s mee naar de Verhalensalon, het liefst van de dagen voor vertrek, de aankomst en de eerste periode in het nieuwe land. En/of een persoonlijk, dierbaar voorwerp dat u mee wilde nemen toen u uit uw geboorteland vertrok. Voertaal Nederlands en Engels.

Hoe kunt u zich aanmelden?
Per e-mail naar sumterprojecten@gmail.com met daarin de volgende gegevens: uw/jouw persoonlijke gegevens (naam, adres, woonplaats, telefoonnummer, e-mail). Yvette Kopijn zal u vervolgens persoonlijk benaderen.

Wie is Yvette Kopijn?
Yvette Kopijn werd in 1966 geboren uit een Indische vader en een Nederlandse moeder. Ze werd geboren op Aruba (Nederlandse Antillen) en kwam als 4-jarig meisje naar Nederland. Inmiddels is ze moeder van twee prachtige jongens. Als oral historian verzamelt ze al meer dan 10 jaar levensverhalen van migrantenouderen en hun (klein)kinderen. In 2006 werkte ze samen met Helen Sumter aan de website http://www.haargeschiedenis.nl/: een website met levensverhalen van migrantenvrouwen en hun (klein)dochters. In 2008 verscheen van haar hand Stille Passanten (KIT publ.), een boek met levensverhalen van Javaans-Surinaamse ouderen in Nederland. Op 27 november 2010 werden verscheen een nieuw boek Migratie en Cultureel erfgoed: Javaanse Verhalen in Diaspora (uitg. KITLV) en een website(http://www.javanenindiaspora.nl/) met levensverhalen van Javanen, dit keer verzameld in Suriname, Indonesie en Nederland. Naast deze verhalenprojecten en de verhalensalons werkt Yvette aan de afronding van een proefschrift met levensverhalen van drie generaties Javaans-Surinaamse vrouwen in Nederland. Dit boek wordt medio 2012 verwacht.

Bovenste foto: aankomst Antilliaanse migranten in Nederland

Herinnering aan Holland

[De 14-jarige Afghaanse Sahar blijft vooralsnog in Nederland. Onze medewerker Hendrik Marsman houdt haar de navolgende beschouwing voor.]

Denkend aan Holland
zie ik breede rivieren
traag door oneindig
laagland gaan,
rijen ondenkbaar
ijle populieren
als hooge pluimen
aan den einder staan;
en in de geweldige
ruimte verzonken
de boerderijen
verspreid door het land,
boomgroepen, dorpen,
geknotte torens,
kerken en olmen
in een grootsch verband.
de lucht hangt er laag
en de zon wordt er langzaam
in grijze veelkleurige
dampen gesmoord,
en in alle gewesten
wordt de stem van het water
met zijn eeuwige rampen
gevreesd en gehoord.

‘Spelen kan alleen in je moedertaal’

Fouad Laroui – vijf romans in de ramsj – over zijn twee Goncourt-nominaties in Frankrijk

door Birgit Donker

Fouad Laroui schrijft in het Frans, maar is Nederlander, vertelt hij Birgit Donker. „Toen ik als jongetje naar school ging in Casablanca, was mijn vader verdwenen en had mijn moeder drempelvrees.”.

De Nederlandse schrijver Fouad Laroui werd afgelopen jaar twee keer genomineerd voor de Prix Goncourt, de hoogste literaire onderscheiding in Frankrijk. Met zijn novelle Le jour où Malika ne s’est pas mariée (vertaald als De dag dat Malika niet trouwde) en met de roman Une année chez les Français (Een jaar onder de Fransen), die volgend jaar in het Nederlands verschijnt. Nooit eerder werd iemand twee keer in één jaar genomineerd voor de prestigieuze prijs. Nooit eerder werd een Nederlander genomineerd.

„Fantastisch!” vindt Laroui de nominaties. „Des te fantastischer omdat ik geen lobby of netwerk heb in Frankrijk. Ik zit gewoon thuis in de Sarphatistraat vier hoog, ik werk aan de Universiteit van Amsterdam, en dan twee keer genomineerd in Parijs.” Laroui vermoedt dat Fransen zijn stijl interessant vinden omdat die humanistisch is en warm, zeker vergeleken bij het nihilisme van Michel Houellebecq die uiteindelijk won. „Veel commentatoren zeiden dat ik de prijs had moeten winnen en niet Houellebecq met zijn kille, ‘deprimistische’ standpunt. Het is te gemakkelijk om te zeggen ‘het leven heeft geen zin’.”

Afgelopen jaar gingen eveneens de Nederlandse vertalingen van Laroui’s eerste vijf boeken in de ramsj. De reden is dat hij zijn uitgever Van Oorschot inruilde voor De Geus. Dat deed hij omdat Van Oorschot zijn boeken niet wilde uitbrengen als goedkope pocket. „Mensen konden daarom mijn romans niet vinden. En mijn studenten konden ze niet betalen.” Prompt deed Van Oorschot zijn resterende romans in de uitverkoop. Laroui begrijpt het wel. „Wouter [van Oorschot] was heel eerlijk. Hij zei: wat gaan we doen met je boeken?” De schrijver kan er om lachen: nu zijn zijn romans eindelijk voor 5 euro te verkrijgen.

Fouad Laroui praat met evenveel passie als hij schrijft. Hij zwaait met zijn handen en zet een lage stem op als hij iets wil benadrukken. Bijvoorbeeld als hij vertelt hoezeer hij zich verbonden voelt met Nederland. We spreken elkaar in Parijs, waar Laroui is voor een reünie met vrienden. Maar hij wil absoluut niet de indruk wekken dat hij voortdurend in Frankrijk is. Hij zegt: „Ik ben een Ne-der-land-se schrijver, die toevallig in het Frans schrijft. Ik ben betrokken bij Nederland, ik zit in het bestuur van de Erasmusprijs.” En hij herhaalt nog maar eens: „Ik woon in de Sarphatistraat, de mooiste straat ter wereld.”

In 1990 kwam Laroui, 32 jaar oud, naar Nederland om te promoveren. Hij leerde zichzelf Nederlands door iedere ochtend de Volkskrant te lezen met een woordenboek ernaast. En door iedere avond soaps te kijken en die hardop te herhalen. „Ik hou van je, schreeuwde ik de televisie na. En ik niet van jou!” Mensen die jarenlang hier wonen en geen woord Nederlands leren verwijt hij minachting voor de taal.

Dichtbundels
Zijn romans schrijft Laroui in het Frans. Hij kan zich niet anders voorstellen. „Als je met een taal wilt spelen, dan moet dat toch je moedertaal zijn.” Uitdrukkingen bijvoorbeeld blijven lastig in het Nederlands. „Ik heb lang gezegd: de boom uit de kat kijken.” Zijn wetenschappelijk werk schrijft hij in het Engels. In het Nederlands verschenen twee dichtbundels. „Het blijkt wel mogelijk dingen te beschouwen in een taal die niet je moedertaal is.”

Sinds in 1996 zijn eerste roman verscheen, publiceert Laroui ongeveer een boek per jaar. Zijn nieuwste manuscript, een verhandeling over ‘het linguïstieke drama van Marokko’, is alweer af. „Ik schrijf snel”, verklaart hij. „En ik ben laat begonnen, op mijn 36ste.” Zijn stijl is een combinatie van directheid, verwondering en magie. In een verhaal kan zo maar een wandelstok in het niets oplossen. Terugkerend thema is het leven tussen twee culturen. „Daar heb ik zelf van kindsaf ervaring mee. Ik ging op mijn tiende naar het Franse lyceum in Casablanca, maar ik woonde in een volksbuurt.”

Wordt hij in Frankrijk genomineerd voor de hoogste prijzen, in Nederland is Fouad Laroui minder bekend dan Marokkaans-Nederlandse schrijvers als Abdelkader Benali, Hafid Bouazza en Naima El Bezaz. Hij is niet jaloers. „Het zijn allemaal vrienden van me. Ik beschouw me ook niet als lid van die groep, omdat ik in het Frans schrijf. In Nederland kan ik niet meedingen naar de grote prijzen. Daarom blijft erkenning uit. Natuurlijk zou ik graag het succes hebben van Abdelkader en het hoge aanzien van Bouazza. Maar ik vind het ook niet erg, dat ik dat hier niet heb.”

In de tijd dat hij in Nederland woont, zag Laroui de houding ten aanzien van Marokkanen veranderen. „In 1990 was het interessant en hip om Marokkaan te zijn, nu niet meer.” Die verschuiving zie je volgens hem terug in de kaften van de boeken van Marokkaans-Nederlandse schrijvers. „Toen Marokkanen nog werden gezien als verrijking, waren die boekomslagen een beetje oriëntaals. Maar kijk nu naar de omslag van Vinexvrouwen van Naima El Bezaz, daar is niets oriëntaals meer aan!”

Laroui schreef in 2006 een essay over het islamisme. Hij maakt een verschil tussen godsdienst, die altijd met anderen te maken heeft en die mensen uitsluit, en geloof, dat particulier is. Zijn boek is een aanval op ouderwetse godsdienstaanhangers, die niet het individu centraal stellen. Laroui heeft spijt dat hij niet duidelijker heeft gemaakt dat zijn redenering geldt voor iedere religie. „Als ik in discussies kritiek had op de islam, zeiden ze ‘dat is zo waar, je bent zo moedig’. Mijn grote desillusie was dat als ik het wilde hebben over de status van vrouwen bij de SGP of bij ultraorthodoxe joden, iedereen verstijfde, en zei: ‘Dat is niet hetzelfde. Het joods-christelijke geloof is anders want wij hebben de Verlichting meegemaakt’.’’ Hij verheft zijn stem: „Maar dat klopt niet, want de Verlichting was juist tégen religies.”

Wat hem overkwam lijkt op het ontroerende verhaal ‘De antenne van Belbal’, waarin Laroui beschrijft hoe de Marokkaanse hoogleraar Belbal, die is uitgenodigd in een Nederlands praatprogramma, wil vertellen waarom zijn ouders als eersten in hun dorp een televisie kochten. De interviewer trekt onmiddellijk de conclusie dat Belbals ouders hem verre wilden houden van de verderfelijke invloed van tv, terwijl dat helemaal niet is wat de wetenschapper wil vertellen. Zo wordt Laroui zelf ook vaak in een hoek gedrongen. „Het grote misverstand is dat je Fouad heet en daarom geen wetenschappelijke benadering van religie zou kunnen hebben.”

Leerstoel
Op de vraag of hij in de eerste plaats wetenschapper is of schrijver, barst Laroui uit: „Allebei evenzeer. Maar het speelt me parten. Als ik op een leuke baan solliciteer, zeggen ze ‘u doet zoveel verschillende dingen, dat kan niet!’ Enerzijds wordt gezegd dat er meer interdisciplinariteit moet zijn, maar het hoogleraarschap interdisciplinariteit is er nog steeds niet. Die leerstoel zou ik graag bekleden.”

Laroui’s boeken worden ook in Marokko gelezen, hoewel dat erom heeft gespannen. Zijn eerste roman lag in 1996 een paar maanden bij de censuur. „Ze wisten niet of ik voor of tegen het regime was. Toen zei mijn Franse uitgever tegen de censuur: als intelligente mensen als u het al niet weten, dan weet de massa het zeker niet. Daarop mocht het boek verkocht worden.” Zijn moeder leest alles: „Dan zegt ze, Fouad, dat en dat klopt niet, zo ging het niet. Dan antwoord ik: moeder, het is een roman.”

Zijn vader, die actief was bij de vakbond, verdween toen Laroui negen was – een gegeven dat hij verwerkte in zijn debuutroman De tanden van de topograaf (1998). Laroui was de laatste die zijn vader zag. „Zijn bruine sandalen, dat herinner ik me nog.” Het heeft hem geleerd, zegt hij, dat het geen leuke wereld is, waarin mensen zo maar kunnen verdwijnen. „Pas toen ik in Nederland kwam, vond ik weer het gevoel van rust: hier kan me niets gebeuren.” De Marokkaanse overheid heeft later compensatie aangeboden, maar die wilde hij niet accepteren.

Zijn moeder, vertelt hij, kon het verlies van haar man nauwelijks aan. Ze durfde een jaar lang haar huis niet uit. „Dat was mijn verhaal, toen ik als jongetje van tien naar de Franse school in Casablanca ging: een vader die verdwenen was en een moeder met drempelvrees. School gaf me houvast, vooral de getallen. Ik verloor me in de geometrie, want daarin is alles voorspelbaar en op zijn plek. Daar gaat Une année chez les Français over. Daarom vind ik het ook zo aangrijpend dat ik voor dat boek ben genomineerd voor de Prix Goncourt. Dat jongetje van tien met dat rare verhaal, dat ben ik.”

Fouad Laroui’s Het tragische einde van Philomene Tralala, Kijk uit voor parachutisten, De uitvinding van God en andere verhalen, Judith en Jamal en De tanden van de topograaf kosten 5 euro bij diverse ramsjboekhandels.

Fouad Laroui (1958, Oujda) studeerde wis-, en natuur- en daarna bouwkunde in Parijs. In 1990 kwam hij naar Nederland om te promoveren in de econometrie, in 1995 werd hij Nederlander. Laroui doceerde milieu-economie aan de Vrije Universiteit en Arabische cultuur aan de Universiteit van Amsterdam. Nu doceert hij Franse letterkunde aan de UvA. „Maar ik probeer nog steeds alles bij te houden op het terrein van wis- en natuurkunde.” In 1996 debuteerde hij met de roman De tanden van de topograaf. Er volgden vijf romans en een paar verhalenbundels en essays, waaronder het humoristische Vreemdeling: aangenaam. Laroui schreef twee dichtbundels en twee kinderboeken. „Met die kinderboeken voel ik me een kleine bedrieger, want ik heb geen kinderen. Ik moest zelfs bij vrienden informeren of kinderen van vijf al kunnen praten.”

[uit NRC Boeken, vrijdag 31 december 2010]

 

Website Vijf Eeuwen Migratie in Nederland

De feestelijke lancering van de website Vijf eeuwen migratie in Nederland vindt plaats op zondag 28 november 2010 in het Spoorwegmuseum in Utrecht.

De laatste vijfhonderd jaar hebben vele migranten een nieuw bestaan opgebouwd in Nederland. Deze migratiegeschiedenis is nu vastgelegd op een even informatieve en persoonlijke als spannende website, getiteld www.vijfeeuwenmigratie.nl. Op 28 november a.s. wordt de site gelanceerd tijdens een wervende bijeenkomst over migratie, geschiedenis en erfgoed. De website is een gezamenlijk project van het Centrum voor de Geschiedenis van Migranten (CGM), de Samenwerkingsverbanden van het Landelijk Overleg Minderheden (LOM) en het Internationaal Instituut voor Sociale Geschiedenis (IISG). Projectcoördinator is Mila Ernst, het project is verder opgezet door Annemarie Cottaar (CGM), Leo Lucassen (Universiteit Leiden), Susan Leclercq en Erhan Tuskan.
.

Programma

13.30-15.00 Workshop Migratierecht door Betty de Hart en Kees Groenendijk van Centrum voor Migratierecht Radboud Universiteit Nijmegen. U bent welkom in de Bedrijfsschool van het Spoorwegmuseum, waar twee experts u alles uitleggen over het omstreden fenomeen van de dubbele nationaliteit en over de relatie tussen integratie en naturalisatiebeleid. De workshop is toegankelijk voor iedereen die meer wil weten over de grenzen van het beleid. Voor aanmelding: Astrid Verburg: ave@iisg.nl (graag vermelden ‘workshop’) of telefoon 020 66 85 866.

Vanaf 15.30 vindt de feestelijke lancering van de nieuwe landelijke website over de geschiedenis van migratie naar Nederland plaats
15.30 Inloop in de Bedrijfsschool
16.00 Welkom door Aydin Akkaya, coördinerend voorzitter van de LOM-samenwerkingsverbanden
Prof.dr. Leo Lucassen, voorzitter Centrum voor de Geschiedenis van Migranten, over de feiten en fictie rond het thema migratie
Sladjana Labovic en Fidan Ekiz, beiden programmamaakster en journalist, interviewen Lucia Lameiro, directeur stichting Lize, en journaliste Naeeda Aurangzeb aan de hand van persoonlijke foto’s over hun familiegeschiedenis
Gesproken column van journalist Will Tinnemans over 30 jaar Migratiedebat

17.30 Lancering website door CDA Tweede Kamerlid Kathleen Ferrier

Presentatie: Naima Azough

Aansluitend is er gelegenheid tot het nuttigen van een drankje – met mediterrane hapjes – begeleid door de klanken van DJ Ishtar. Neem zelf een (digitale) oude foto mee of een foto van een voorwerp rond de migratiegeschiedenis van uw familie en voeg dat ter plekke toe aan de website.

Aanmelden is absoluut noodzakelijk: info@vijfeeuwenmigratie.nl of telefoon 020 66 858 66 (Astrid Verburg).
Voor de route naar het Spoorwegmuseum, zie http://www.spoorwegmuseum.nl/.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter