blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Menke Jack

Bij het heengaan van Frank Martinus Arion

Caribische intellectueel, literair kunstenaar, ontwikkelingswerker en vernieuwer

door Jack Menke en Jerome Egger

Frank Martinus Arion, een grote zoon van het Caribisch gebied, Curaçao en Suriname is op 28 september heengegaan. Frank was als intellectueel, literair kunstenaar en ontwikkelingswerker op diverse fronten actief. In Suriname heeft hij aan de wieg gestaan van diverse organisaties, waar onder de schrijversgroep 77 en de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI). Zijn gedrevenheid, intellectuele kwaliteiten en verbondenheid met onze regio blijken uit zijn betrokkenheid bij de Stichting Wetenschappelijke Informatie (SWI) waarvan hij mede oprichter was in 1977. read on…

Creolen, ontwaakt en ontwikkelt u!

Joop Vernooij: Creolenkerk en creools geloof

door Jerry Dewnarain
Schilderij van Johan Hermsen

 

Zijn bijdrage is het langste artikel (34 pagina’s) in Ontwaakt en ontwikkelt u…. Hij opent met te stellen dat het algemene beeld in Suriname is dat de creolen christen zijn. Een prachtige openingszin, die mij nieuwsgierig maakte. Lange essays lees ik in het algemeen niet graag, want vaak genoeg slaagt de essayist er niet in helder en concreet te formuleren. Geen probleem bij Vernooij. Het is een informatief en verhelderend artikel, omdat de auteur gebruik maakt van veel cijfermateriaal (tabellen). Al in de inleiding legt de theoloog uit dat in Suriname niet alleen creolen christen zijn. Na deze etnische groep is er onder de hindostanen een grote groep christenen. De onderwerpen ‘creolenkerk en creools geloof’ zijn overigens complexe objecten volgens de schrijver. Wat Vernooij met zijn artikel doet: hij legt de wortels bloot van wat tot op heden door- en meespeelt in het christendom van de creolen. Hij doet dit door eerst het begrip creolenkerk uit te leggen dat rond 1900 in gebruik werd genomen door de broedergemeente, toen de Aziatische contractarbeiders ook christen werden. Deze materie wordt historisch behandeld en er wordt verwezen naar andere christelijke kerken in Suriname. Daarnaast legt hij uit dat voor veel creolen het creools geloof vaak van levensbelang is, wat te maken heeft met hun etnische identiteit. Vernooij behandelt voorafgaand de begrippen geloof, religie en kerk die vaak door elkaar worden gebruikt. Hij zegt dat in het Sranan er geen aparte begrippen zijn voor geloof (individuele intuïtie), religie (de vormgeving en beleving van geloof) en kerk (de sociale dimensie van geloof en religie). De auteur stelt verder dat zelfs het begrip ‘bribi’ (in ’t Engels belief) een leenwoord is. Voor religie is geen woord en kerki is ook een leenwoord. Vervolgens geeft hij een schets van het kerkelijk leven op basis van de ‘Koloniale Verslagen’ en verslagen van de ebg en de rooms-katholieke kerk in Suriname. Daarna wordt ingegaan op de geschiedenis van de creolenkerk, met name van de ebg en elementen van het religieus erfgoed der creolen. Verrassend vind ik het gegeven dat een karakteristiek der christelijke kerken stamt uit de koloniale tijd en dat deze kerken erg verdeeld waren. Ik wist wel dat er een verdeeldheid was tussen protestanten en rooms-katholieken, maar niet dat de hervormden en luthersen tegen de ebg waren. Wist u ook dat de christelijke kerken tegen de vrijmetselarij en andere instituties zoals de loge Concordia van de vrijmetselaars, waren? Of tegen de foresters en mechanics, terwijl het bij al die instituten voornamelijk creolen betrof? Wat de creolen meebrachten als religieuze bagage uit West-Afrika leefde voort op de plantages en onder de mensen in Paramaribo. De volksopera’s, de doe-spelen zijn enkele voorbeelden. Evenwel was de expressie verboden. Dat leidde tot de strategie van de-voorkamer-met-de-bijbel en de-achterkamer-voor-de-eigen-zaken: de voorzaal- en de bakadyari-strategie. Deze situatie werd ook wel kruis en kalebas genoemd naar een gedicht van Trefossa die christendom (kruis) en het eigen religieus erfgoed (kalebas) bijeenbrengt. Het gedicht verwijst naar de nauwe verbondenheid tussen christendom en winti. Die verbinding werkte goed en de mensen raakten eraan gewend. De slaven en ex-slaven hadden moeite met het christendom en hebben pogingen tot creolisering van het christendom gedaan. Dit is mijns inziens niet vreemd. Vernooij legt dit op pagina 159 duidelijk uit. Hij schrijft, dat in de wereld van de creool er plaats is voor vele zichtbare en vooral onzichtbare entiteiten, krachten, bewegingen en intuïties. Alles was nabij en dichtbij, dus niet zoals bij de christenen, waarbij alles geconcentreerd was (is) rond het kerkgebouw en een nieuwe samenhang – gemeente – van mensen. Het leven is van vroeg tot laat, van geboorte tot dood, geritualiseerd. Daar voorzag het christendom niet goed in. Vandaar dat het rooms-katholicisme met zijn sacramenten, ceremonies en heiligen de creolen aanspreekt. Het is daarom inderdaad verbazingwekkend, zoals Vernooij dat zelf aangeeft in zijn conclusie, dat de leiding van de christelijke kerken niet veel van de ondergrondse bewegingen in de bevolkingsgroepen oppikte, maar doorging met hun traditionele geest van rivaliteit en vooroordelen. Al met al, pater Joop Vernooij levert een grote bijdrage met zijn essay dat goed aansluit bij de titel van het boek.

 

Lila Gobardhan-Rambocus: Creolen en onderwijs
Onderwijs als sleutel tot maatschappelijke vooruitgang. Een taal- en onderwijsgeschiedenis van Suriname, 1651-1975 (Zutphen: Walburg Pers, 2001) is het proefschrift waarop Lila Gobardhan-Rambocus promoveerde. Een belangrijk werk vol informatie over de geschiedenis van ons onderwijs. Logisch dat zij in Ontwaakt en ontwikkelt u… het essay over creolen en onderwijs heeft geschreven. Het is een artikel met veel gegevens uit haar proefschrift, en niet altijd hebben die alleen betrekking op de creoolse bevolkingsgroep. Ze schetst in haar artikel een duidelijk beeld van de sociaaleconomische ontwikkeling van de creolen middels het onderwijs. Onderwijs had voor deze groep een grote betekenis, vooral na het ‘Staatstoezicht’ in 1873. De basis voor deze ontwikkeling werd al in de slaventijd gelegd. Godsdienstonderwijs was in de 17de en 18de eeuw belangrijk, vooral lezen en schrijven van bijbelteksten. De voertaal was Negerengels. Slaven mochten het Nederlands niet leren. Deze teksten werden uit het hoofd geleerd. Gebeurt het van buiten leren van bijbelteksten op bepaalde schooltypen niet nog steeds? Rekenen werd in de zeventiende eeuw en tot ongeveer 1750 niet gegeven op de scholen, althans niet aan slaven. In 1760 kwam de eerste school voor vrije mulatten en negers. Het betekent dat al in de achttiende eeuw deze groep tot welstand kwam. Het onderwijspeil was echter laag. Zeelieden, avonturiers, dansmeesters waren de onderwijzers toentertijd. Geen bevoegde leerkrachten dus. Het was de ebg die in 1754 probeerde onderwijs te geven aan slavenkinderen. Het hoofddoel was bekering der negerslaven en hun ‘beschaving’ bijbrengen. Missie en zending hebben een grote rol gespeeld in de ontwikkeling van ons onderwijs. De zending begon rond 1831 en in 1844 mocht de ebg officieel scholen openen. Het doel was om jonge slaven op te leiden tot hulponderwijzer. Aan de slavenkinderen werden lezen, schrijven, bijbelkennis en godsdienstige beginselen onderwezen. De slaven werden in hun eigen taal opgeleid en ze mochten op hun plantage scholen openen, die de zending van tijd tot tijd inspecteerde. Vanaf 1854 kwam er een betere aanpak: de zusters van Roosendaal kwamen naar Suriname, speciaal voor het verzorgen van onderwijs. De voertaal was Nederlands. Na 1873 – de opheffing van het staatstoezicht – gingen mensen naar Paramaribo om zich daar te vestigen, maar velen hadden geen werk. Kinderen zwierven rond en veroorzaakten overlast. Om deze groep van de straat te houden werd vanuit de overheid in 1876 de leerplicht ingesteld. Als de ex-slaven niet massaal naar Paramaribo waren gekomen, was de leerplicht misschien nooit ingesteld of veel later, zoals dat onlangs op Aruba is gebeurd, pas in 2012. Gobardhan geeft in het artikel duidelijk de ontwikkeling van het onderwijs weer. De invloed die missie en zending erop hebben gehad wordt ook belicht, evenals de rol of bijdrage die de ebg heeft geleverd. Rond 1940 kende Paramaribo vier muloscholen en 26 lagere scholen. De scholen in de districten waren voor beperkt lager onderwijs en de scholen in het binnenland waren van het type blo en werden geëxploiteerd door de zending (15) en de missie (18). De voertaal was het Nederlands, maar op bijna alle scholen in het binnenland was de onderwijstaal het Negerengels. Hoewel er lang sprake is geweest van een negatieve beeldvorming, zegt Gobardhan in haar conclusie dat veel creolen het heft in eigen handen hebben genomen en hun eigen emancipatie hebben bewerkstelligd. Aanvankelijk vooral door het onderwijs.
Jack Menke: De wisselende betekenis van creool in Suriname

door Tessa Leuwsha

 Dat het begrip creool rekbaar is toont socioloog Jack Menke aan in zijn bijdrage. Het onderwerp is boeiend en beslist interessant voor een breed publiek. Jammer dat het wetenschappelijke taalgebruik en de soms storende herhalingen dit bemoeilijken.

Het woord creool duikt aan het begin van het kolonialisme op voor een in de kolonie geboren blanke ter onderscheiding van de ‘zuivere’ blanke in Europa. Ook op vee was de term van toepassing. In de 19de eeuw kwam in Europa het wetenschappelijk racisme in zwang. Grondlegger Linnaeus plaatste al in 1735 het blanke ras bovenaan zijn hiërarchische rassenladder. Onder ras vallen uiterlijke en erfelijk bepaalde eigenschappen, met huidskleur als meest zichtbare indicator. Huidskleur werd dan ook synoniem aan ras. Toebedachte rassenverschillen in temperament en intelligentie dienden vooral een sociale constructie. In Brazilië bijvoorbeeld keurden de koloniale machthebbers de ideologie van vermenging (‘mestiçagem’) van blank en zwart af. Een grote groep kleurlingen zou een bedreiging voor de raciale hiërarchie kunnen betekenen.
Etniciteit benadrukt de verbondenheid van een groep in cultuur, taal en historie. Bij volkstellingen in Suriname zijn ras- en etniciteitgegevens belangrijke peilinstrumenten gebleken. Vraagstelling en formulering rond deze kenmerken wisselden echter nogal. Tussen 1921 en 2004 vonden er zeven algemene volkstellingen plaats. Ras – ook aangeduid als landaard – vormde in 1921 en 1950 nog een basiskenmerk, in de jaren zestig verdween het begrip ten gunste van etniciteit. Onder sociale en politieke invloeden verbreedde de aanduiding creool met de opname van de groep gemengden. Hindostanen groeiden in aantal, wat een bedreiging vormde voor de positie van creolen in de ambtenarij en in de politiek. In ieder geval op papier diende de demografische balans in evenwicht te blijven. Gevraagd naar het doel van etniciteitgegevens in volkstellingen reageerde het Algemeen Bureau voor de Statistiek (ABS) in 1972 als volgt: ‘Steeds weer wordt de vraag opgeworpen waarom wij bij elke volkstelling de bevolking naar landaard (…) onderscheiden. Naar ons gevoelen verschillen wij in etnisch opzicht zo zeer van elkaar (…) dat zonder meer voorbijgaan aan dit aspect van onze samenleving zou neerkomen op het miskennen van de aanwezigheid van een wezenlijk spanningsveld in onze gemeenschap.’ Tegenwoordig wint binnen de eigen groep de term Afro-Surinamer het van creool.
Aukaanse jongeman. Foto © Nicolaas Porter

 

Eric Jagdew en Martina Amoksi: De marrons in Suriname in de post-emancipatieperiode
Dit artikel van twee historici over de inburgering van marrons in de plantagesamenleving staat nogal los van de andere bijdragen in de bundel. Marrons hadden zichzelf al langere tijd van slavernij bevrijd, wat hun positie aanzienlijk van die van creolen deed verschillen. Meerwaarde van het artikel is de heldere beschrijving van de eerste zakelijke contacten tussen stadsbewoners en marrons, en van de beeldvorming ten aanzien van marrons. Na de afschaffing van de slavernij richtte de koloniale politiek zich op de voortzetting van de Surinaamse plantagelandbouw. Van de overgebleven plantages verbeterde de productie, hoewel dat ook in andere koloniën gold. Onverkoopbaarheid en ziekten gaven de grootschalige landbouw uiteindelijk de nekslag.
De integratie met marrons bestond in de 18de eeuw uit vredesverdragen, maar met de naleving van bepalingen liep het niet altijd even soepel: bosbewoners leverden niet graag weggelopen slaven uit. Na de periode van het staatstoezicht in 1873 beschouwde het gouvernement de marrons als een noodzakelijk arbeidsreservoir. Pogingen hen te werven liepen echter spaak: in geregeld werk zagen marrons een verkapte vorm van slavernij. Naast houtkap boden zij hun diensten aan als gidsen en vrachtvaarders in de opkomende goud- en balata-industrie. Hiermee viel een hoger dagloon te verdienen dan dat van de plantage- of stadsarbeiders. Niet zelden ontstonden er vanwege de hoge prijzen conflicten met houtopkopers of met klanten. In een poging tot beïnvloeding van de marrons stemde het gouvernement in met missie en zending in hun leefgebied. Rond 1900 kwamen bovendien contacten tot stand met leden van wetenschappelijke expedities die de marrons maar lui en onwillig vonden. Omgekeerd bleek uit een koloniaal verslag van 1904 dat marrons blanken als gierig en kwaadaardig beschouwden. Ook stadsbewoners hadden zo hun mening over marrons. De antikolonialist Anton de Kom schreef: ‘Wij, als kinderen keken naar hen op met een zekere angstige nieuwsgierigheid, als naar wilden (…)’. Marrons op hun beurt voelden zich helden boven de creolen die de slavernij op de plantages hadden uitgezeten. Negatieve beeldvorming over en weer bestond toen. En nu nog!
Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

Nieuw boek documenteert historie zwarten

door Audry Wajwakana

Jerry Egger

 

Paramaribo – Het vastleggen van de Surinaamse geschiedenis wordt met Ontwaakt en ontwikkelt u, nog meer vervolmaakt. Dit nieuwe boek, uitgegeven door het Instituut voor Maatschappij en Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO), wordt vanavond uitgegeven. Onder redactie van Jerome Egger hebben zeven wetenschappers vanuit hun discipline de verschillende aspecten van creoolse nakomelingen laten optekenen in het boekwerk Ontwaakt en ontwikkelt u: creolen na de afschaffing van de slavernij 1863-1940.
 
 
 
Portret van drie marrons en een kind. Collectie Tropenmuseum Amsterdam
Creool

Het boek komt voort uit een samenwerking tussen het IMWO van de Anton de Kom Universiteit en het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam. “Het eerste plan om de geschiedenis van de Afro-Surinamers te onderzoeken en vast te leggen, is in 2008 opgevat”, herinnert Egger zich. Na een seminar in 2010 over de vastlegging van de geschiedenis van nazaten van de slavernij, is besloten om in artikelvorm onderzoek te doen naar het onderwerp. In het eerste artikel wijdt Jack Menke uitgebreid uit over het ontstaan van het woord creool en de wisselende betekenis ervan. “Spaanse veroveraars noemden alle nakomelingen van Europa, creool. Dit gold voor blanken, niet blanken en zelfs dieren”, weet Egger. Ook voor Suriname heeft het woord een bepaalde betekenis gehad. “Menke heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van de volkstelling statistieken vanaf 1921 tot de jaren zeventig, waarover hij vanavond een inleiding zal geven.”

Economisch actief
In het artikel ‘Langzaam ontwaken’ geeft Egger een overzichtvan een aantal sociaal-economische ontwikkelingen die plaatsvonden bij de creolen vanaf 1873. “Na het Staatstoezicht is er een duidelijk beeld gegeven in welke branches de creolen economisch actief waren. Van landbouw, goud, balata tot de ambtenarij en onderwijs in de twintigste eeuw.” De vijf andere onderzoekers zijn Lila Gobardhan-Rambocus over creolen en onderwijs, Joop Vernooij onderzocht creolen in de kerk en het creoolse geloof. Alex van Stipriaan onderzocht Paranen tussen stad en bos, een complexe Afro-Surinaamse ontwikkeling. Eric Jagdew en Martina Amoksi onderzochten de Marrons in Suriname in de post-Surinaamse periode; de moeizame integratie in de plantage-samenleving.

Stimulans
“Dit boek moet een stimulans zijn voor andere groepen om hun eigen geschiedenis vast te leggen”, zegt Egger. Op den duur zal er van alle losse stukjes van de geschiedenis één geheel gevormd kunnen worden. Het boek telt 280 bladzijden en zal volgend week in de boekhandels verkrijgbaar zijn. Tijdens de presentatie die gehouden wordt in het IGRS-gebouw op het universiteitsterrein, zal het boek voor een gereduceerd tarief worden aangeboden.

[uit de Ware Tijd, 21/06/2013]

9de Caribbean-Latin American Encounter

Caribbean Reality Studies Center (Aruba) o.l.v. Dr. Glenn Sankatsing, Stichting Wetenschappelijke Informatie (Suriname) o.l.v. Prof. Jack Menke en Institute for Graduate Studies & Research of the University of Suriname o.l.v. Prof. Marten Schalkwijk organiseren van 4-8 augustus in Brownsberg Suriname de negende Caribbean-Latin American Encounter. Intellectuelen en activisten uit verschillende landen komen in Browsberg bij elkaar om een kritisch alternatief te ontwikkelen voor de Eurocentrische benadering in de wetenschap. Uitgebreide informatie is hier te vinden.

The Positive Branding of Islam

Angelic Alihusain–del Castilho Bsc. MA. heeft het onderzoek voor het behalen van haar Mastergraad in moderne diplomatie nu uitgebracht in de vorm van een boek. De titel is: The positive branding of Islam; A case study of Islamic countries their Public Diplomacy Efforts and Effectiveness. Het is gepubliceerd door Lambert Academic Publishing in Duitsland. De presentatie aan het Surinaamse lezerspubliek is gepland voor woensdag 9 november a.s. in Ons Erf in Paramaribo. Hierbij zullen prof. dr Jack Menke en drs Maurits Hassankhan het boek becommentariëren.

De activiteit begint om 19.00u.

Kritische reflectie over wetenschapsbeoefening in Suriname

door Els Moor
Op 20 augustus 2010 werd er op de Anton de Kom Universiteit van Suriname een seminar gehouden onder de titel: Het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname: problemen en alternatieven. Het seminar werd georganiseerd door het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR) en de leerstoel ‘Sociale Wetenschappen in technieken van onderzoek’. Docenten, promovendi en andere onderzoekers en geïnteresseerden namen deel. De inleidingen, discussies en evaluatie zijn nu vastgelegd in boekvorm onder redactie van Jack Menke (foto rechts), wat een goed initiatief is. Het is de eerste publicatie in een serie Occasional Papers, die door IGSR gepubliceerd zal worden. Deze eerste publicatie effent de weg voor kritische discussie binnen de samenleving over wetenschappelijk onderzoek aan onze universiteit.Jack Menke is de auteur van de ‘Introductie’. Hij geeft de drie lijnen aan waaruit de bundel is voortgekomen. De eerste is meteen al raak: een wetenschappelijke methode is altijd een instrument en functioneert dus binnen een groter verband. Dat betekent dat elke methode eerst getoetst moet worden aan de bruikbaarheid binnen de eigen samenleving. De tweede lijn is het onderzoeksklimaat dat zich binnen ISGR begint af te tekenen, vooral door kritische discussies onder studenten over de context en de grondslagen van wetenschappelijke kennis. De derde lijn is die van de presentaties en discussies tijdens het seminar.Jack Menke heeft het in zijn inleiding over het traditionele westerse standaardbeeld van de wetenschap tegenover de waarden, kaders en benaderingen binnen bepaalde tradities. Zo is het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname voornamelijk het universele beeld van wetenschap, gebaseerd op logica en realiteit, dus wat met de zinnen kan worden waargenomen. Positivisme heet dat in wetenschappelijke taal. Dit standaardbeeld is nauw verbonden met de ontwikkelingen van logica en wiskunde in Europa rond 1900, de basis van de huidige wetenschapsbeoefening. Binnen de traditionele wetenschapsbeoefening zijn twee factoren essentieel: dat het resultaat alleen gebaseerd is op ervaringen binnen het onderzoek en dat wetenschap gevrijwaard moet zijn van waardeoordelen, dus alleen berust op logische, rationele oordelen.

Een probleem binnen de wetenschapsbeoefening via ADEK is dat er vaak onderzoek gedaan wordt door buitenlanders. Dat kan tot grote misverstanden leiden. Jack Menke geeft een leuk voorbeeld: onderzoek naar natievorming. Maar dat woord heeft in Suriname een geheel andere betekenis gekregen dan het had in de koloniale tijd. Toen betekende het: een natie inrichten volgens eurocentrische opvattingen, dus één gemeenschappelijke taal en cultuur (godsdienst wordt niet genoemd, maar hoort er uiteraard bij). In Suriname ging het echter net andersom: er werden steeds nieuwe bevolkingsgroepen geïmporteerd en aan de samenleving geplakt. Het begrip ‘natie’ is dus eigenlijk verwarrend als we ‘de Surinaamse natie’ moeten typeren. Het komt ook nog steeds voor dat een buitenlandse onderzoeker onderzoek doet naar een aspect van een inheemse samenleving en op grond van de positivistische werkwijze tot een verkeerd resultaat komt, omdat de doelgroep zelf geen controle op de juistheid heeft kunnen uitoefenen.

De wetenschapsbeoefening in Suriname is aanvankelijk gebaseerd op positivistische principes en nog steeds speelt dat sterk. Gelukkig komt er nu langzaam maar zeker een benadering vanuit de eigen situatie. Er wordt steeds meer gepleit voor alternatieve benaderingen die ruimte geven aan kritische reflectie en die openstaan voor participatie van de doelgroep. Sociale wetenschappers laten tegenwoordig steeds meer van zich horen en behalve strikt wetenschappelijke doelen zijn er vaker ook sociale doelen, bijvoorbeeld gericht op emancipatie van groepen uit de samenleving. Dit is bijvoorbeeld meestal het geval binnen de feministische wetenschap. Net als de ‘Filosofie van de Derde Wereld’ geeft deze benadering een andere draai aan het begrip ‘objectiviteit’ dan binnen de positivistische visie. Als wegbereider van de filosofen van de derde wereld noemt Jack Menke uiteraard Frantz Fanon (1925-1961). Deze arts en activist is geboren op Martinique, studeerde medicijnen in Frankrijk en werkte van 1952-1956 als psychiater in een ziekenhuis in Algerije. Hij sloot zich aan bij het Front de Libération Nationale en werkte toen als arts in het Algerijnse bevrijdingsleger. Bekende werken van hem zijn Zwarte huid, blanke maskers (1952) en De verworpenen der aarde dat uitkwam in 1961, toen de auteur stervende was aan leukemie. De kern van deze ‘filosofie’ is de eenheid van theorie en praktijk, treffend verwoord door de Afrikaanse dichter Sékou Touré: ‘Het schrijven van een revolutionair lied is niet voldoende om deel te nemen aan de Afrikaanse revolutie; men moet deze revolutie maken met het volk. Met het volk, en de liederen komen dan vanzelf wel.’ Conclusies van Menke zijn dat de scheiding tussen de verwerving en de toepassing van kennis opgeheven moet worden. Wetenschap is veel maatschappelijker dan het positivisme doet voorkomen. Wetenschap wordt in de derde wereld vaak gezien als een instrument tot bevrijding waarbij waarden zoals emancipatie en humanisering centraal staan. In Suriname is het standaardbeeld van het positivisme, ook in andere vormen van onderwijs, nog te veel vastgeroest. Er is grote behoefte aan alternatieve benaderingen.

Kees van der Wolf bespreekt in ‘Mixed methoden in onderwijsstudies’ waartoe we kennis ontwikkelen, wat we ermee willen bereiken. Het beeld van objectiviteit, herhaalbaarheid en controleerbaarheid (positivisme) is nog te sterk aan onze faculteit van Maatschappijwetenschappen. Het is belangrijk dat we in de wetenschap speculaties en vooroordelen voorkomen. We kunnen om problemen op te lossen kennis van elders zeker gebruiken, maar we kunnen hier ook samen kennis ontwikkelen in de context van probleemoplossing.

Julia Terborg (foto links) heeft het in haar inleiding over feministische wetenschapsbeoefening. In de tachtiger jaren vond er in de wetenschapsbeoefening rondom het feminisme een verschuiving plaats van het ‘concept vrouw’ naar het ‘concept gender’. Dit begrip staat voor de gedrags- en identiteitsaspecten van een sekse. Dus niet de lichamelijke aspecten. Hierbij krijgen bij onderzoek de onderzochte personen de ruimte om mee te praten over de onderzoeksdoelstelling. De onderzoeksmethode wordt gekozen op grond van het onderwerp van onderzoek. Daarbij is het van essentieel belang dat de onderzoeker het echte probleem ziet, niet kijkt vanuit een beperkte visie. Wie veroorzaken de problemen van overbevolking? De vrouwen? Zij gebruiken toch geen voorbehoedsmiddelen (vaak vanuit hun cultuur)? Of de scherpe sociaal-economische ongelijkheid in de wereld? Op de wereldconferentie over dit onderwerp in 1994 zijn feministen als collectief erin geslaagd om een andere wending te geven aan de discussie over bevolking en ontwikkeling, meer vanuit de erkenning en bescherming van de rechten van vrouwen en worden bevolkingsvraagstukken meer in verband gebracht met sociale vraagstukken, zoals armoede.

De derde inleiding van Monique Veira (foto rechts) gaat over rechten en samenleving: moet de juridische manier van denken onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen gewijzigd worden? Dit onderwerp roept vaak weerstanden op bij juristen. Monique Veira bespreekt Surinaamse gevallen om de aanpak te beoordelen. Zij besluit dat de typisch wetenschappelijke juristerij verrijkt moet worden door ook open te staan voor andere disciplines, wanneer de casus erom vraagt.

Er waren twee discussierondes tijdens het seminar. Veel vragen en opmerkingen maakten duidelijk dat het onderwerp aanslaat en dat is prima. Ook de evaluatie was grondig. Jack Menke kwam met een treffer: moet ook academisch onderwijs niet creatiever zijn, in een meer ongedwongen sfeer? En werken al die typisch academische termen niet vervreemdend, vooral naar een algemener publiek toe? Hiermee ben ik het roerend eens. Wat een moeite heb ik gehad om dit boekje te begrijpen, terwijl de stof me zeer na aan het hart ligt. Soms vier moeilijke wetenschappelijke woorden in één zin! En creatiever onderwijs: dat is mijn stokpaardje, voor alle leeftijdsklassen en niveaus!

Toen ik het boekje eindelijk uit had en klaar was met een overzicht voor dit artikel, pakte ik mijn ‘lijfblad’, het weekblad De Groene Amsterdammer, van 14 juli. Is het toeval dat daar net nu een artikel van Caspar Thomas en Yvonne Zonderop in staat over wat drie planbureaudirecteuren, tevens hoogleraren aan universiteiten, vinden van de wetenschap in Nederland? Een van de drie begint met een voorbeeld: ‘Ik had laatst iemand die wilde promoveren op werkloosheid. Mooi onderzoek, maar de cijfers waren twintig jaar oud. Je kunt daarop promoveren, maar de maatschappelijke relevantie is nul komma niks’. En zo gaat het door: de universiteiten worden zelfs ‘ivoren torens’ genoemd. Er wordt ook gepleit voor een intensievere samenwerking tussen wetenschap en beleid. Het einde van het artikel is aldus: ‘Als de overheid zegt: wij moeten een alternatief vinden voor accu’s, dan moet de TU Delft toch zeggen: wij doen mee, we gaan ervoor? Als wetenschappers dan nog steeds klagen dat ze niet gehoord worden, ach ja…’
In onze kleine samenleving met maar één universiteit kunnen we de handen toch makkelijker ineenslaan? Kunnen we toch verder komen met de ontwikkeling van aan ons land en de tijd aangepaste wetenschap, die wel wetenschappelijk blijft?

Institute for graduate Studies and Research. Occasional paper 1. Het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname: problemen en alternatieven. Redactie: Jack Menke. Anton de Kom Universiteit van Suriname, 2011
De Groene Amsterdammer. Onafhankelijk weekblad sedert 1877. 14 juli 2011.

De titelgeilheid van Surinaamse academici

Wie de schoen past

door Gracia Nelson

Parlementariër Ronny Asabina heeft de heren en dames academici een spiegel voorgehouden in het parlement. Titelgeil en cv-geil is de groep Surinaamse hoogopgeleiden. Er wordt veel te weinig aan onderzoek gedaan. Wie de schoen past, trekke hem aan? Professor Jack Menke en Ricky Stutgard allerminst. “Maar wie niet mentaal sterk is, zal zeer waarschijnlijk niet volharden.”

Suriname telt bijkans 17.000 hoogopgeleiden. Van dit aantal is 9.760 universitair geschoold, dus wetenschapper. Ofschoon het grote aantal hooggeschoolden zijn de wetenschappelijke publicaties die per jaar uitkomen op een hand te tellen.
Daar heeft Ronny Asabina scherpe kritiek op. Hij trok fel van leer bij zijn spreekbeurt in het parlement. “Waarin we koning zijn, is om onze titel te vermelden.” Er wordt veel te weinig aan onderzoek gedaan in dit land, oreerde hij. “We zijn doctorandus maar de meeste van ons hebben niet eens een boek geschreven of wetenschappelijk onderzoek gedaan. Ons wetenschappelijk onderzoek is beperkt tot onze afstudeerscriptie of proefschrift.”

Surinaamse wetenschappers zijn titel- en cv-geil volgens parlementariër Ronny Asabina. Daarmee worden alle academici over één kam geschoren. De waarheid is florissanter, er zijn wel degelijk hooggeschoolden die hun hart stoppen in het werk en degelijk onderzoek doen. Foto: Claudio Balker

Asabina ziet graag dat maatschappij relevant onderzoek wordt gedaan. “Alleen door onderzoek kan je doen aan verantwoord ondernemerschap. En als we ons niet focussen op onderzoek, zullen we gedoemd zijn leverancier te zijn van ruwe grondstoffen.” De ontwikkeling van het land is afhankelijk van onze onderzoeksdrift, zegt hij min of meer. Onderwijs zonder innovatie is een consumptie-uitgave. “Hoe lang praat men al over de Brazilianen in ons land; we hebben een probleem met de Chinese invasie; er zijn voldoende studieonderwerpen.”
Met zijn redevoering in de assemblee stak hij eigenlijk ook de hand ook in eigen boezem, want Asabina is van huis uit bedrijfseconoom gespecialiseerd in het belastingsysteem, maar van een publicatie van zijn hand is het nooit gekomen. “Ik maak ook deel uit van de groep.” Toch vond hij het nodig zich kritisch te uiten over zijn collega-academici. “Ik kan me voorstellen dat ik mensen tegen de schenen heb geschopt.” Zijn motief: “Ik vind dat een maatschappelijke discussie op gang moet komen hierover. Want wat gebeurt er nadat we zijn afgestudeerd? De bul verdwijnt in onze boekenkast en verder wil men blad maken.”

Niet aangesproken
Professor Jack Menke en voedingstechnoloog Ricky Stutgard, die wel de drive van onderzoeken en publiceren hebben, voelen zich allerminst aangesproken. Menke vindt: “Nee, er is niks aan de hand. Het is allemaal zo lang bekend. Voor mij heeft hij een open deur ingetrapt.” Maar hij wil hetgeen Asabina stelt wel nuanceren, “want er zijn wel mensen – de stille werkers – die veel professionaliteit aan de dag leggen en heel creatief zijn.”

Stutgard aan de andere kant, wijst Asabina’s betoog categorisch naar het rijk der politieke uitspraken. “Je kan van alles zeggen in de politiek; deze uitspraken zijn voor de wetenschap irrelevant. Ze krijgen pas betekenis als er gedegen onderzoek is gedaan.” Hij waarschuwt ervoor om iedereen over een kam te scheren. Je schiet hiermee mensen tekort. Je doet ze onrecht aan.”
Menke ziet het probleem in een bredere context. Hij legt daarbij een link met de geschiedenis: de kolonisatie en dekolonisatie. “Iedere samenleving heeft mensen die leadershipskwaliteiten en de creativiteit hebben. Maar wanneer je in het proces van kolonisatie en dekolonisatie zit dan krijgen deze aspecten een verschrikkelijk grote deuk. Daarvoor krijg je in de plaats: een samenleving waar een deel hard werkt om te overleven en een ander deel zoekt naar glitter en status en dat geldt ook voor de groter geworden groep academici. Statuszoekers heb je op alle niveaus van de samenleving waar het kolonialisme is geweest en een nieuwe orde de macht overneemt. En wanneer we overnemen beginnen we dezelfde gekke dingen te doen van die bakra. Zij kregen in de jaren ‘40 overal waar ze kwamen een voorkeursbehandeling. Wat we zien anno 2011 is dat bijvoorbeeld sommige Surinamers die uit Holland komen met een groot vermogen – vanwege de hoge koers – dezelfde apenkuren vertonen. Komen ze uit de supermarkt dan willen ze het tasje dat nog geen kilo weegt niet zelf naar de auto dragen. Overigens doen sommige Surinaamse Surinmers dat nu ook. Die auto wordt bovendien nog net niet in de winkel geparkeerd. Dit verschijnsel van de statuszoekers komt op een heleboel niveaus terug. Ook bijvoorbeeld onder sommige diplomaten en politici.”

Eigenlijk bedoelt Stutgard hetzelfde wanneer hij het heeft over: “de werkpaarden en sierpaarden op de universiteit.” “Wat Asabina misschien niet weet”, zegt Stutgard, “is dat het werk van de universiteit op drie poten gestoeld is: onderwijs, dienstverlening en onderzoek. Bovendien worden halfjaarlijks studenten afgeleverd aan de maatschappij. Het probleem met onderzoek is dat het duur en tijdrovend is. Soms duurt het jaren voordat resultaten bekend zijn. Een andere keer zijn de resultaten teleurstellend. Vandaar dat de universiteit eerder in de dienstverlening en onderwijs investeert. Bij de richtingen infrastructuur en werktuigbouwkunde wordt vooral sterk aan dienstverlening gedaan.”
De derde poot, onderzoek heeft enorm te lijden onder motivatie, faciliteiten en geld, zegt Stutgard. Asabina geeft toe dat er weinig geld wordt vrijgemaakt voor onderzoek. Hij pleit daarom voor een fonds voor de financiering van dergelijke projecten.


Menke ontkracht dit gebrek-aan-geld-verhaal. “Er is geld, maar de bronnen worden niet aangesproken. Er worden bijvoorbeeld heel weinig projecten ingediend bij het Research Development Fonds. Ik ben er zeker van dat als ik een goed project schrijf en het indien bij Staatsolie of Self Reliance minstens de helft wordt gefinancierd.”
Hij haalt nog een voorbeeld aan: “Suriname heeft in de beginjaren negentig een tijd gekend waarin 155 miljoenen aan Nederlandse ontwikkelingsgelden vrij waren voor onder andere het boosteren van het onderwijs. Het resultaat: nada.” Er werd gehold achter voornamelijk donorgedreven projecten die werden opgelegd van buiten. “Dit werkt negatief op een positieve cultuur om vanuit onze eigen werkelijkheid met onderzoek als basis de wetenschap van binnen uit te ontwikkelen. Wat je kreeg was het gevecht om reisjes.”

Teleurstelling
Hoewel Menke minder last heeft van het financieringstekort op de Universiteit – omdat hoewel er weinig onderzoeksfondsen beschikbaar zijn een groot deel blijft liggen vanwege de geringe onderzoeksoutput van de meerderheid van de docenten – zegt Stutgard wel gefrustreerd te worden door het geldspook. Hij is teleurgesteld dat het vakantiemicrobiologieproject vorig jaar is afgelast vanwege geldgebrek. De bedoeling van deze vakantiecursus is om jeugdigen te interesseren om in hun latere schoolloopbaan de universiteit te bezoeken en onderzoek te doen.
In het land waar hij zijn masters behaalde, België, wordt zwaar geïnvesteerd in onderzoek, weet hij. Niet alleen door de overheid maar vooral ook door het bedrijfsleven. De Agrarische richting op de universiteit kent nauwelijks opdrachten van het bedrijfsleven. “Ik vind het soms goed frustrerend. Docenten raken gedemotiveerd en als je niet tot de mentaal sterken behoort, zal je waarschijnlijk niet volharden.”

[uit de Ware Tijd, 28/05/2011]

Promovenda Cynthia Abrahams: ‘Dobru is de dichter des vaderlands’

door Stuart Rahan

“Met zijn gedicht Wan bon heeft Robin “Dobru” Raveles voor mij zijn stempel gedrukt als dichter des vaderlands. Het feit dat hij Suriname deelgenoot heeft gemaakt van de Caraïbische kunst-, literatuur- en cultuurgemeenschap zie ik als zijn grootste nalatenschap. Dobru is één van de grondleggers van Carifesta.”

Dit zijn enkele conclusies van promovenda Cynthia Abrahams, die vorige week promoveerde aan de UvA, de Universiteit van Amsterdam, met haar proefschrift Wan bon, wan Sranan, wan pipel, Robin “Dobru” Raveles, Surinamer, dichter, politicus (1935 – 1983). Maar bovenal was Dobru nationalist tot zijn dood en heeft hij zich altijd ingezet voor de bestrijding van armoede in zijn vaderland. “Het nationalisme heeft geen hoger doel dan gezamenlijke verbondenheid met en de liefde voor hetzelfde stuk grond en het besef gezamenlijk het eigendom van deze natie te hebben en gezamenlijk tot deze natie te behoren.” Een citaat van Dobru, die door promovenda Abrahams gezien wordt als een product van zijn tijd, het dekolonisatieproces.

Een lachende Dr. Cynthia Abrahams heeft net haar bul ontvangen uit handen van prof. Jack Menke, een van de opposanten tijdens de verdediging.

Carifesta
De belangstelling voor de persoon van Robin Raveles ontstond eind jaren negentig van de vorige eeuw toen Abrahams Engels doceerde aan de Hogeschool Holland in Nederland. In een Caraïbische bloemlezing bleek Dobru namelijk de enige Surinaamse dichter en schrijver te zijn die er in vermeld stond. Van weduwe Wonny Raveles – Resida kreeg Abrahams pas in december 2002 toestemming om in de persoonlijke archieven van Dobru te mogen duiken. Er was een aantal biografen haar voor geweest maar die hebben nooit toestemming gekregen. Volgens weduwe Raveles was het de wens van Dobru om door een Surinamer geportretteerd te worden. De meest interessante ontdekking over het leven van Dobru door Abrahams is dat Suriname bij het Caraïbisch gebied werd betrokken.

In februari 1970 was Robin Raveles aanwezig bij de proclamatie van de socialistische Coöperatieve Republiek van Guyana door de People’s Progressive Party van Cheddi Jagan toen hij hoorde dat er een writers conference werd gehouden. In een punt van orde vroeg hij waarom Suriname en andere Caraïbische, niet-Engelssprekende landen niet waren uitgenodigd. Het bleek dat men er toen nooit anders over had nagedacht. Dobru vond dat Suriname en andere Caraïbische landen ook tot die gemeenschap behoorden en als zodanig betrokken moesten worden. In 1971, werd het idee uitgevoerd onder de naam Recommendation for the planning of Caribbean arts festival. Het jaar daarop werd het eerste Carifesta, zoals wij die nu kennen, gehouden.

Terminaal ziek terug
Dat Dobru doordrenkt was van het Surinaams nationalisme blijkt ook uit zijn vertrek in 1983 uit Cuba. Hij was er voor medische behandeling van een terminale ziekte. De politieke relaties met het communistische eiland waren begin dat jaar verbroken en de toenmalige Surinaamse regeringsleiding onder legerleider Desi Bouterse had besloten dat alle Surinaamse militairen en studenten, die toen daar aanwezig waren, terug moesten. Er werd een vliegtuig gecharterd om de hele groep op te halen. Zijn Cubaanse artsen vonden dat Robin Raveles niet terug moest. Maar Dobru vond dat zijn land hem terugriep en dus ook terugging met het oog op de gewijzigde relatie. In een toespraak tot de aanwezige Surinaamse studenten stelde Dobru zich als voorbeeld. “Als je land je terugroept, ga je terug. Neem mij als voorbeeld, ik ben doodziek maar ik neem toch de beslissing om terug te gaan.” (Eén van de studenten, die weigerde terug te gaan, is Gilmore Hoefdraad, de huidige governor van de Centrale Bank van Suriname…red dWT). Op 17 november 1983 stierf Robin Raveles.

Dobru was heel consequent in zijn keuze. Hij heeft de militaire revolutie altijd gesteund, ook na de decembermoorden. In een gedicht zegt Dobru: “Onze revolutie heeft een ziekte, er is al drie jaar een virus dat alles vernietigde vanwege ondermeer de machtstrijd en het individualisme. Het proces is onomkeerbaar.” In haar onderzoek zegt Cynthia Abrahams niks op schrift gevonden te hebben over goed- of afkeuring van de decembermoorden of personen in zijn directe omgeving die wisten hoe hij over de situatie dacht. “Hij is wel loyaal gebleven en daaruit zou je zijn goedkeuring kunnen concluderen en dat hij zijn invloed ten goede zou kunnen aanwenden”, concludeert promovenda Cynthia Abrahams, die met haar proefschrift de titel van Doctor in de Letteren verkreeg. Zij is ook de eerste Surinaamse die promoveert aan de Universiteit van Amsterdam op een Surinaams onderwerp.

[Uit de Ware Tijd, 29/11/2010]

Cynthia Abrahams promoveert op R. Dobru

Op woensdag 24 november 2010 hoopt Cynthia Abrahams-Devid haar proefschrift over R. Dobru te verdedigen aan de Universiteit van Amsterdam. De titel van haar dissertatie luidt Wan bon ˗ Wan Sranan ˗ Wan Pipel; Robin ‘Dobru’ Raveles, Surinamer, dichter, politicus, 1935-1983. Promotor is prof. dr Michiel van Kempen, copromotor prof. dr em. Bert Paasman. De andere leden van de promotiecommissie zijn prof. dr Ena Jansen (Vrije Universiteit en UvA), prof. dr em. Humphrey Lamur (UvA), dr Peter Meel (Universiteit Leiden), prof. dr Jack Menke (Anton de Kom-Universiteit van Suriname), prof. dr Ieme van der Poel (UvA), prof. dr Wim Rutgers (Universiteit van de Nederlandse Antillen) en prof. dr Gloria Wekker (Universiteit Utrecht).

Cynthia Abrahams gaat uitvoerig in op het leven van R. Dobru, diens ontwikkeling als nationalistisch politicus en dichter, en de vele internationale – en dan met name Caraïbische ˗ contacten die hij in de loop der jaren ontwikkelde. De handelseditie van haar proefschrift zal in de loop van 2011 verschijnen bij Rozenberg Publishers.

De openbare promotieplechtigheid vindt plaats in de aula van de Universiteit van Amsterdam,
Singel 411
1012 WN Amsterdam
Aanvangstijd: 13.00 uur precies.
In de directe omgeving van de aula is geen parkeergelegenheid. Vanaf CS komen trams 1, 2 en 5 langs de aula.
.

Cynthia Abrahams, eerste rij in het midden, temidden van haar collega-promovendi in de West-Indische letteren; staand derde van links promotor Van Kempen.

Wikipedia meldt over R. Dobru:
R. Dobru (Paramaribo, 29 maart 1935 – aldaar, 17 november 1983), pseudoniem van Robin Ewald Raveles, was een Surinaams dichter, schrijver en politicus (Statenlid voor de PNR en na 1980 een half jaar onderminister voor Cultuur). Zijn pseudoniem betekent: dubbele R, een verwijzing naar de initialen van zijn voor- en achternaam.

Als dichter en voordrachtskunstenaar was R. Dobru dé representant van het nationalisme, met name met het gedicht ‘Wan’ (de meeste mensen noemen het ‘Wan bon’ – Eén boom) uit zijn debuutbundel Matapi [Cassavepers] (1965), een gedicht dat door zijn eenvoudige woordkeus en structuur gemakkelijk gememoriseerd kan worden en dat veel Surinamers dan ook van buiten kennen. Het werd in veel talen vertaald. Dobru stimuleerde velen tot schrijven in het Sranan en Surinaams-Nederlands en werd door velen nagevolgd. Hij was redactielid van het tijdschrift Moetete (1968-69). Zijn proza in Wasoema [Wasvrouw] verzamelde schetsen uit het leven op een erf van Paramaribo (1967), De plee (wc) en andere verhalen (1968) en de korte roman Oema soso [Enkel de vrouw] (1968) is levendig, maar lijdt aan een teveel aan gepreek. Zijn politieke mémoires verschenen in 1969: Wan monki fri [Een stukje bevrijding]. Hij schreef voorts twee Surinaamse keukenmeidenromans zoals Bos mi esesi [Omhels me snel] die vooral belangrijk zijn om hun levendig Surinaams-Nederlands en een bundel Anansi-Tori [Spinvertellingen] (1979). Zijn poëzie heeft in de vroege jaren enkele zuivere gedichten opgeleverd, maar verviel meer en meer in het afwikkelen van een recept. Hij speelde in op de politieke actualiteit, bijvoorbeeld met het gedicht ‘Gooi een stoel’ toen er op 11 juni 1979 in de Staten van Suriname een vechtpartij uitbrak waarbij er met stoelen werd gesmeten. De invloed van Cuba, Mao en Kim Il Sung leverden de laatste jaren enkel nog politiek getinte publicaties op.

Dobru schreef altijd over twee vaste thema’s: liefde en revolutie. Met de coup van 1980 ging hij enthousiast mee en hij werd op handen gedragen. Van militaire wandaden nam hij nooit afstand. Zijn beste gedichten werden bijeengebracht in Boodschappen uit de zon (1982). Postuum werd hem in 1989 de Gouden Ster van de Revolutie toegekend. In 2006 kreeg hij, eveneens postuum, de Gaanman Gazon Matodja Award.

De R. Dobru-stichting die zijn gedachtegoed levend wil houden, publiceerde een kalender met zijn gedichten, maar liet verder zelden iets van zich horen. In 2006 liet Yvonne Raveles-Resida, weduwe van R. Dobru en voorzitter van de stichting, aan de Nederlandse ambassade weten dat hun verzoek om een gedicht van R. Dobru ter verfraaiing op het hek te mogen aanbrengen niet werd gehonoreerd vanwege de slechte behandeling van Surinaamse staatsburgers in Nederland.
.

De Dobrustraat in de Paramaribose wijk Tourtonne, foto @ Michiel van Kempen

Natiecreatie

Natiecreatie. Ik houd van het woord. Van de open vocalen, de speelse opeenstapeling van lettergrepen en het rijm van de zelfstandige naamwoorden waaruit het begrip is opgebouwd. In het Nederlandse woord komen de welluidende klanken nog beter tot hun recht dan in het Engelse equivalent.

Ook de associaties die het begrip omgeven, bevallen mij. Hier wordt naar een activiteit verwezen, die mensen mobiliseert, motiveert en het beste in hen naar boven haalt. Het gaat om een gezamenlijke inspanning, gericht op een hoger doel, namelijk het ontwikkelen van een samenlevingsvorm waarmee mensen zich kunnen identificeren, waar ze de noodzaak, het nut en de waarde van onderkennen en waar ze bereid zijn een bijdrage aan te leveren. Niet alleen ten behoeve van het hier en nu, maar vooral met het oog op de toekomst. Het begrip natiecreatie spoort aan tot het verrichten van handelingen, die zin en betekenis geven aan individueel leven, juist omdat deze handelingen verricht worden ten dienste van de gemeenschap waar deze individuen deel van uitmaken.

Een van de voornaamste pleitbezorgers van het begrip natiecreatie is Jack Menke. Het woord staat centraal in de inaugurele rede die hij eerder dit jaar hield aan de Anton de Kom Universiteit van Suriname bij zijn aanvaarding van het ambt van hoogleraar in de sociale wetenschappen. Volgens Menke verwijst natiecreatie in Suriname naar het proces om ‘één natie te creëren op basis van solidariteit, onderling respect en een harmonische afstemming tussen de etnische groepen en hun culturen.’ Naar zijn zeggen kent de Surinaamse samenleving een ‘complexe, maar harmonische culturele diversiteit’, die op ‘relatief natuurlijke wijze’ is gegroeid en waarvan elementen onder andere zijn terug te vinden in het domein van de taal, de muziek en de religie.

Menke maakt een onderscheid tussen natiecreatie en natievorming. Het eerste begrip kan volgens hem worden beschouwd als een Surinaams concept, neemt de culturele groepen in de samenleving tot uitgangspunt en laat deze groepen, zijnde de samenstellende delen van de natie, vanuit het ideaal van culturele diversiteit de ontwikkeling van de natie bepalen. Het laatste begrip heeft volgens hem betrekking op een Eurocentrisch concept, gaat uit van het ideaal van culturele homogenisering en laat de staat de natie van bovenaf inrichten volgens de beginselen van eenheid en uniformiteit.

Het ideaal van culturele homogenisering verbindt Menke met het begrip plurale samenleving. Aanhangers van dit begrip vatten culturele diversiteit a priori op als problematisch en een obstakel voor het ontwikkelen van een harmonische samenleving. Menke verwerpt het model van de plurale samenleving. Dit model houdt naar zijn oordeel niet alleen een miskenning in van de kracht van culturele diversiteit, maar veronachtzaamt ook de gelijkgerichtheid in waarden die de Surinaamse samenleving volgens hem kenmerkt.

Als pleitbezorger van natiecreatie neemt Menke met andere woorden duidelijk stelling en kiest hij voor een aansprekend perspectief waarin politiek-ideologische en wetenschappelijke opvattingen een plaats hebben. Hij geeft zich rekenschap van de fase van onafhankelijkheid waarin Suriname al ruim drie decennia verkeert, sluit aan bij critici die (op grond van overtuigende argumenten) het model van de plurale samenleving al eerder hebben afgezworen en heeft een open oog voor de potenties van het maatschappelijk middenveld.

Het lijkt erop dat bij Menke de staat in het proces van natiecreatie geen rol van betekenis is toebedeeld. Hij stelt dat door de aanhoudende invloed van de (koloniale) staat Suriname strikt genomen een staat-natie en geen natie-staat is. Dat is een interessante observatie die beslist hout snijdt, maar rechtvaardigt deze constatering het buitensluiten van de staat in het proces van natiecreatie? Wordt de postkoloniale staat Suriname daarmee niet te gemakkelijk vereenzelvigd met het ideaal van culturele homogenisering? Bovendien: kan natiecreatie aan het vrije spel van bottom up krachten worden overgelaten? Zijn checks and balances daarbij overbodig?

Een andere vraag: welke invloed heeft de veranderende positie van Suriname in de wereld op het proces van natiecreatie? Vindt de schepping van een Surinaamse natie in een isolement plaats, losgezongen van de processen van regionale integratie en globalisering? De interactie van Suriname met Europa, Afrika en Azië heeft de afgelopen twee decennia juist in cultureel opzicht noemenswaardige impulsen gekregen, die naar verwachting hun weerslag zullen hebben op de vorm en het karakter van de Surinaamse natie. Zeker als we bedenken dat volgens Menke ‘etnische groepen en hun culturen’ een natie gestalte geven. Maar over de middelpuntzoekende en middelpuntvliedende krachten in het proces van natiecreatie bewaart de auteur jammer genoeg het stilzwijgen.Bovengenoemde notities adresseren natiecreatie als maatschappelijk verschijnsel. Een verschijnsel dat historische wortels heeft, maar door Menke vooral vanuit een sociaal-wetenschappelijke invalshoek wordt beschouwd. Een begrijpelijke keuze gelet op zijn disciplinaire achtergrond. Deze invalshoek roept niettemin de vraag op of natiecreatie ook in methodologische zin van betekenis kan zijn. Menke suggereert in zijn oratie dat dit het geval is, maar werkt deze dimensie niet verder uit. Dit wekt enige bevreemding, omdat zijn betoog juist over methoden van onderzoek gaat. Concreet: kan natiecreatie worden aangemerkt als een onderzoeksinstrument of een onderzoeksmethode? Sterker: kan het begrip als zodanig het model van de plurale samenleving serieuze concurrentie aandoen?

Menke heeft ons een mooi en tot de verbeelding sprekend woord aangereikt en een waardevol uitgangspunt gepresenteerd. Het concept van natiecreatie lijkt hij echter nog niet tot in zijn finesses te hebben doordacht. Hopelijk verrijkt hij zijn beschouwing spoedig met een nadere analyse van de omgevingsfactoren van natiecreatie en met een systematische reflectie op de methodologische aspecten van dit concept. Een dergelijke verkenning zal meer licht werpen op de praktische bruikbaarheid van het begrip voor wetenschappelijk onderzoek.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter