blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Martinique

Édouard Glissant – Afrika

Ik zag de verre aarde, mijn licht. Maar ze behoort enkel toe aan diegenen die haar vruchtbaar maken; in mij, niet ik in haar.
Stammen voerden oorlog voor de hoede over het zout; volkeren verrijzen om de smaak te leren kennen. Mogen ook de akkerlieden die de nacht bewerken drinken aan de bron van deze morgen. B Een andere aarde roept mij.
Het is Afrika, en het is haar niet. Ze was zwijgende aarde voor mij. Luister. Iedereen danst, in de gerechtigheid van zijn lichaam en stem, ter ere van het eeuwige vuur.

Oho jij Vrouw die werd ontkneveld hier ga je spatten
Tot slot ken ik het vermoeide kind dat in jou jammert
Ik herkende de man die je van zee voorzag, naast hem
Stapt de Vrouw van Afrika, gehuld in zee, durft hij haar naam
Uit te spreken, zij geeft antwoord, hij ziet zijn koningin

Oho Dienares zo lang was je ballingschap en groots
Verlangen maar verlangen als gemis en gelofte
Als droom van een koningin zonder koninkrijk, maar nu
Huilt de mens in zijn slaap, de avondzon aan zijn voeten
Verstrengelt dood en kale boom zonder vrucht of altaar

En je waakte o verre onmooie Vrouw, maar je schoonheid
Schoot op onder de schors vreselijker dan een schreeuw
Je maakte misbaar van zo veel gebroed je schoonheid zwalkte
Vormloos in de vloed en dreef zuiver met de wolken mee
Jij schaduw jij furie jij zo traag verebbend water

De geur verkondigen, de daad roemen, de toom meten
De pracht van je hoogten onderstrepen is niet mijn doel
Noch raken aan de geuren die je maakten tot zwoele stoet
Op mijn lijf is niet de spreuk van je wouden gebrandmerkt
Noch in mijn ogen je zout of het is zout dat ik droomde

Oho naamloze Moeder van werken genoemd door mijn hart,
Jij verborgen hart van deze stem, hoor ik roep en zie
Niet of de zon naar de avond helt, en overleg
Niet of nu het woord van zijn kwelling is gezuiverd, zie
Nu heb ik vlam riten en pracht achter mij gelaten

En ze zeiden: Hoor, deze zang is geen poëzie, zij
Is parabel en iets in die trant. Telden ze de strofen
Die de dood vóór ons uit zingt? Keken deze landloze
Heren dit sidderende vuur in het gezicht? Ze zeiden
Hij is bedrog, en het trieste heelal beliegt hen

Ik oogst deze rivier waar je voor mij bent aangeslibd
Je bent rivier voor mij sinds ik de rivieren samenvoeg
Als een ruiker stekende vlammen, als een hoeveelheid
Uiteengevallen tranen, door geen ongeduld gedroogd
En ik zag de enorme deining van je schreeuw huiveren

Ver vóór ons zag ik de dageraad die je werd. De nacht
Hoedde over de wereld in grijsgroene kudden, toen
Verweefde de wind onze ogen. Voor jou groeiden wij,
Moeder. En paart de nacht haar naakt aan de wind, moeten we dan
Bloemen snijden, wolken slijpen, kermen zoals honden blaffen

En al dit kabaal van een ontwakende wereld, wild
Na een lang bloedbad en een nog langere slaap, het woeste
Vuur dat in liefde ontsteekt voor je dageraad, de hemel
Misdaad na misdaad naar je onwerkelijke hoogten
Geslingerd, kindhemel, een immens lichaam afgetoomd

Door het gesternte oho moeder o regentes, in
Je geheime gloed die zo lang werd gedroomd zo lang verheeld
Open je nu de boom waarin de verlangens sluimeren
In jou staat de koningin op, zie, in je roep vertrek ik
En als zeewier meer ik mijn roepen aan je wortel

Je bent duistere tijd en verblind licht oho je doet
Me dorsten naar jou die ik nooit proefde je was veraf
En verduisterd door woorden de wachter in mij, tekens
Gevend, schreeuwde zijn honger uit naar de lofloze dagen
Riep de humus toe en de honden die er dronken sliepen

Ik hoor hoe het jaar zijn hese kreet hamert in je sporen
Hoor de trage tamboer der velden de uitgerukte tronken
Hoor de aarde in de mond en het opengereten woord
Als weer ten oorlog samengetrommelde stammen, en daar
Broeit het zout op de heidense handen van de vijand. Voel

Hoe bittere nood vergeefs je lichaam verwringt, honger
Waarin wind oprukt assegaai zee en razernij, verraste
Wouden, de windmazen likken de vuurgloed, kinderen
Schreeuwen, een hut brandt, een krijger sterft, weilanden roken
In de verbrande hemel honger, en honger in je kracht

In het verzegelde eentonige woord hoor ik honger
Oho woorden van ons bloed hier hamerend op de tijd
Met de veertien keer in het barre vuur geworpen dagen
Ik zie dit omijzerde hart, gekroesde dagen, bloed
En als buit een vingergreep zout dat smaakt naar verbrand gras

Diegenen die op zout afkwamen als honden op wild
Je had geen hemel geen nacht als aanmaakhout geen speer
Zelfs de nacht liet je staan, de nacht zelf, en je verbrandde
Wouden zonnen en winden op de punt van je assegaai
Ze verscheepten het naakte vlees van je kinderen als vracht

Zo lang nam de wolk je op in haar loofwerk, zoutte dit
Lichaam in waaraan versteld de jaren dronken, waterbron
Je zette je schrap in de verwoesting je riep, ontworteld
Leven, je riep, sterrenloze hemel, en wij in zee,
Onzuivere kadasters, door eilanden gekneveld

Voor dit glansloze zout je toebedeeld door Paladijnen
Bloedridders onder hun door wijn aangevreten schilden
Voor deze buit las jij aren op het veld der geschiedenis
Nadat zij eerst hun eerloze eer hadden geoogst oho
Zo veel branden kale plekken zoveel nacht, en geen pardon

O je bent Stem, en hun hoogmoed zal verdrogen. Ze zijn
Voor de kale pracht en met de rode bessen, de wind
Van op koralen afstormende zeeën en de ravijnen
Waar de volken ploegden in schoonheid en de hoogten
Sprakeloos verloren slachtoffers nachten huiverende verlangens

O kaardster de tijd is gekomen, ontknevel de tijd,
Neem de zee als weegschaal en als gewicht het zwarte zout
Ingezaaid door het bloed der volken die alle omkwamen,
Jouw ene moeder is op jou de schoonheid aangehaald
Uit verzengende zeeën en blauwe lentekou. Hoor

Schip! Die de nachten knevelde en hovaardig voor ons
Noemt de tijd in alle vlees, de stek in iedere aar
De velden bezweken onder de stem, het is poëzie
En van de zee werd naar ons de weg getrokken, naar jou
Gewijd aan de tijd en de stem die smeekt voor iedereen

Je legt geweren speren en zeeën voor de deur neer
Op de plek waar je van zout werd beroofd, je zingt met de zee
De geduldige ruimte en het overleven voor iedereen
Een wereld en een rank waarin tot slot de tijd opengaat
De ruimte in ons is zwaar, vrouw, de zee is woelig

Afrika O blijder dan ooit o strofe forse schone
Ik droomde, in jou versloot de mens zijn zware verbanning
Nu liet ik de diepten achter mij voor het effen gezicht
Pleistersteen voor ijzer en koraal voor vis, zie, de fuik
Ligt bloot, o zie op het zand ligt de Vrouw van Afrika

En zij neemt het zout in heur haar mooie gaai mooie vrucht
En wie weet plukken we haar tot slot allemaal, wie weet.

Vertaling: Jan H. Mysjkin

Uit Le sel,noir (1960), vertaling verschenen in Armada, tijdschrift voor wereldliteratuur

 

Fikkie in de Caraïben (2)

door Fred de Haas


Eenzaam maar niet alleen

Het waren niet alleen de kinderen van de ABC eilanden die niet begrepen wat er met hen aan de hand was. Dezelfde problemen werden, bijvoorbeeld, ondervonden door de kinderen in de Frans-Caribische gebieden die in 1947 departementen van Frankrijk zouden worden. Van huis uit spraken die kinderen Krèyol (Frans Creools), maar op school kregen zij les in het Frans, dat voor hen praktisch een vreemde taal was. Alleen de allerbeste leerlingen begrepen de taal van de schoolboeken, haalden het eindexamen en konden in Frankrijk gaan studeren. Pas in 1984 was het wettelijk mogelijk om wat plaats in te ruimen voor onderwijs in het Creools, maar het bleef een keuzevak en het ‘normale’, door Frankrijk gedicteerde onderwijs mocht er in geen geval door worden ‘verstoord’. De meeste ouders gaven bovendien de voorkeur aan Engels boven het Creools als vreemde taal. Immers, net als het Nederlands op de ‘Nederlandse Antillen’ bood het Engels, net als het officiële Frans, een weg die naar een beter leven zou leiden.

Op het Franse eiland Guadeloupe ging het al niet veel anders. Je vond daar, net als op Curaçao, óók mensen die zich inspanden voor onderwijs in de moedertaal en die in dit streven door ‘hogerhand’ danig werden gefrustreerd. In 1957 werd Gérard Lauriette (foto links) door de Franse regering op non-actief gesteld en voor niet goed wijs verklaard omdat hij ernaar streefde het Creools officieel erkend te krijgen door het onderwijssysteem. Lauriette begon later zijn eigen school, dertig jaar vóór Frank Martinus op Curaçao.

In 1992 stelde het Europees Handvest de erkenning van minderheidstalen en regionale talen verplicht. ‘Regionale talen en culturen’ werd een ‘vak’ op de middelbare school en kon ook deel uitmaken van het eindexamen. Docenten konden officieel examen doen in het Creools. De resultaten van de leerkrachten waren bedroevend. Zij beschikten niet over voldoende creools vocabulaire en vercreoliseerden naar hartenlust dan maar bestaande Franse woorden.

Na de sociale onlusten van 2009 in de Caribische departementen (de ‘Franse’ eilanden verkeren op dit moment in een diepe sociale en geestelijke crisis, ook het Franse deel van Sint-Maarten) werd Frankrijk ineens wakker en begreep men dat er nodig iets moest worden gedaan aan de sociale, economische en taalkundige behoeften van de lokale Caribische bevolking. Overal in de Franse Départements en Collectivités (in het Caribische gebied waren dit Guyane, Martinique, St. Martin en Guadeloupe) werden er onder deskundige leiding workshops gehouden waar de deelnemers (specialisten en niet-specialisten) de balans op konden maken van wat er mis was en wat er moest worden gedaan om de situatie te verbeteren. Tal van plannen werden in de steigers gezet en verschenen, verpakt in de bekende, gezwollen Franse bewoordingen, in allerlei rapporten. De voorgestelde hervormingen waren voor een eiland als Martinique echter veel minder vergaand dan, bijvoorbeeld, de hervormingen die de Curaçaose regering – te snel en te onnadenkend – had doorgevoerd. In een officiële circulaire d.d. 24 juni 2010 van de Directeur van de Departementale diensten voor het Nationale Onderwijs stond dat volgens de (Franse) Wet op het Onderwijs ‘les kan worden gegeven in de regionale talen en culturen tijdens de hele schoolopleiding volgens modaliteiten die gemeenschappelijk zijn vastgesteld tussen de (Franse) Staat en de territoriale gemeenschappen waar die talen worden gebruikt’. Fraaie taal, maar de praktijk was dat het onderwijs in het Creools facultatief was en er per week voor de Creoolse taal of een andere (vreemde) taal maar drie lesuren beschikbaar waren. Creools werd geen taal van instructie. Het werd een ‘vak’. Het ‘normale’ onderwijs werd er niet door ‘verstoord’.

We moeten hierbij wel bedenken dat Martinique, net als de andere Frans-Caribische gebieden – bij Frankrijk horen en dat de Franse regering als een terriër het Frans als officiële onderwijstaal bewaakt en bevoordeelt. Voor Curaçao en Aruba is deze situatie anders. Nederland kan zich nauwelijks meer met het Onderwijs daar bemoeien. Beleid voeren en verantwoordelijkheid nemen voor dat beleid is daar de taak van de autonome regering. Voor de BES-eilanden gelden andere spelregels.

[Voor vervolg, klik hier]

René Maran

door Paul Kerstens

Afrikaanse literaturen zijn grotendeels onbekend in Nederland en Vlaanderen, en er bestaan nogal wat misverstanden over. Zo zou Afrika hoofdzakelijk een ‘orale cultuur’ hebben. Maar laat het duidelijk zijn: Afrikanen groeien op in een ‘geletterde’ wereld, net als u en ik.

Die term “Afrikaanse literaturen” is natuurlijk erg verwarrend, je kan er alle kanten mee uit. In Frankrijk beschouwt men veelal de roman Batouala van René Maran als het beginpunt. Maar dat is relatief. In Ethiopië werden al in de dertiende eeuw teksten geschreven in het Ge’ez, en er is poëzie in het Swahili die dateert uit de vroege achttiende eeuw. De slaaf Olaudah Equiano schreef zijn autobiografie in het Engels, einde achttiende eeuw. Dat zijn maar enkele voorbeelden.

Overigens, René Maran was een schrijver uit Martinique. Is dat dan toch Afrikaanse literatuur? De ondertitel van het boek zegt veel: véritable roman nègre. In Frankrijk werd niet zozeer gesproken over Afrikaanse literatuur, maar over negerliteratuur, “littérature nègre”. Vanaf de late jaren twintig ontwikkelde zich in Parijs een culturele beweging, die Aimé Césaire (ook al uit Martinique) négritude zou noemen. Sterk gestimuleerd door de Amerikaanse “Harlem Renaissance” en in de schoot van de Parijse non-conformistische wereld van surrealisme, dadaïsme en existentialisme ontstond daar een eerste Panafrikaanse culturele beweging die gepaard ging met de sociale en politieke emancipatie van de door Frankrijk gekoloniseerden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de grote drie van de négritude (Aimé Césaire, Léon Damas en Léopold Senghor) ook politiek actief waren. Senghor zou later zelfs de eerste president van het onafhankelijke Senegal worden. Césaire’s poëtisch werk Cahier d’un retour au pays natal, zijn toneelstuk La tragédie du roi Christophe en zijn essay Discours sur le colonialisme zijn literaire mijlpalen die een halve eeuw later nog niets aan kracht ingeboet hebben.

[van Schwob.nl]

Edouard Glissant – De ogen de stem

Enkele dagen geleden verscheen op De Contrabas na het overlijden van Edouard Glissant (1928-2011) een van de vier gedichten die Jan H. Myskjin in 1999 vertaalde voor Poetry International. Onderstaand gedicht verscheen voor het eerst op De Contrabas, dankzij de welwillende medewerking van de vertaler. Wij nemen het hier over.

De ogen de stem

De fakkels namen de zwarte vijverkleur van de nacht aan
Onze oplosbare handen onze liederen van bosgeuzen
het vlammende stro van onze ogen!
Zeeën, door u heen wordt mijn stilte geduldig herboren
Door u heen zomen door u heen slijk
En de ontmoeting van vorst en dooi.

Vroeger vroeger
Ach, rotsig geheugen verzet je als kreupelbos!
Achter elke herinneringsstruik ligt een schutter.

Boven onze hoofden het klapperen van de molen
In onze nachten hoesten de vleesrekken
De mens kan doen wat hij wil de schreeuw schiet wortel.

Uit: Le sang rivé (1961); vertaald uit het Frans door Jan H. Mysjkin

Edouard Glissant; une âme inquiète du monde!

par Ernest Pépin

A l’annonce de la mort d’Edouard Glissant tant d’images me viennent qui témoignent d’un long et fécond compagnonnage. Edouard Glissant en Martinique, fondateur de l’Institut martiniquais d’études (IME), auteur du Discours antillais, du Quatrième siècle, de Malemort. Edouard Glissant, Joël Girard et moi dans l’éblouissement de Carifesta à Cuba, rencontrant (grâce à Edouard) des sommités comme Nicolas Guillén, René Depestre et même Fidel Castro! Edouard Glissant à l’Unesco, fier d’avoir fait paraître un numéro du courrier en créole. Edouard Glissant, avec Patrick Chamoiseau, Gérard Delver, à Strasbourg à l’occasion de la rencontre organisée dans le cadre du Parlement des écrivains persécutés (avec comme invités : Salman Rushdie, Tony Morrison!).
Edouard Glissant dans des colloques!
Edouard Glissant au Diamant!
Glissant et le Prix Carbet!
Etc.…Etc.…

Tant d’images, de moments partagés, d’aventures intellectuelles, de présence au monde qui m’amènent à considérer qu’il demeurera l’un des penseurs fondamentaux du XXIème siècle !

[de gens de la caraïbe, 5-2-2011]

Édouard Glissant – Les Indes

Sur Gênes va s’ouvrir le pré des cloches d’aventures.
Ô lyre d’airain et de vent, dans l’air lyrique de départs,
L’ancre est à jour !… Et la très douce hébétude,
Qu’on la tarisse ! Au loin d’une autre salaison.
Ô le sel de la mer est plus propice ici que l’eau bénite de l’évêque,
Cependant que la foule fait silence ; et elle entend la suite de l’histoire…
Ville, écoute ; et sois pieuse ! Religion te sera faite dans nos coeurs,
Qui avons su l’émoi et la boussole, et d’autres oeuvres sur la voile.

II

L’homme arrête le geste, il dit, gardant l’écume : « Ce combat
« Fut d’écumes, de foi, de soleils et de sangs,
« Où l’or taché de sang, avait sa part essentielle ; et la folie, sa part ! »
Et quelqu’un dit : « Nous sommes plage de l’écume, ô fils. »
Il dit… Nous, sur la plage, il nous est fait licence de nous assembler à la proue de la voix, de crier,
Sur la plage, l’Éclair, seule raison des Écumeurs.

III

Il dit ; et la plage ne sait, à ce début, de quelle écume se fera
Sacre ou ravage ? Nul ne sait, pieds nus sur le sable nu,
De quelles Indes voici l’approche et la louange, ou quel ce capitaine
(Aveuglé de vents ou de diamants ?)
Que la voix sur la plage somme encore de partir, libérant la boucle d’amarre ?
Mais cette science est plus profonde.

IV

Comme le nègre, sur les mornes, qui prédit
Le vol proche d’un bateau porteur de femmes nouvelles et de casseroles,
(Femme de La Rochelle et casseroles de fer-blanc, dit-il),
Et qui souffrit d’un prêtre la saumure et les piments — écorché vif !
Mais le bateau ne vint-il pas à quai, caressant de sa toile humide
Le pays de carne et de mort !

[…]

VI

Indes ! ce fut ainsi, par votre nom cloué sur la folie, que commença la mer.
Avait-elle pris forme ou pris naissance, dites-le, jusqu’à ce jour
Quand les vieillards de ce côté que verdit le soleil, se levèrent
Et dirent, balbutiant : « Où va le souffle, sont les Indes » ?
Ils priaient. Et faisaient lance de leur dieu pour le planter sur la première grève.
Puis ils partirent.

VII

Qu’était la mer, et son écume ? Savait-on si sa parole ne se mourait
En quelque gouffre, au loin des routes révélées ?
Longtemps ainsi la voix de l’homme se perdit aux temples
Pour obscure qu’était la route jusqu’au temple ! Et cette mer,
Croyait-on pas qu’elle coulait dans l’infini, goulue qui bée, jusqu’à tarir ?
— Puis, l’autre rive fut saluée !

VIII

Chacun vit que l’océan faisait commerce de soi-même, à l’autre plage de la vie.
Qu’il était riche de manguiers, de soies, d’épices, de venelles
(Mais où était l’épice, et où était la soie, tu le demandes maintenant ?)
Et chacun s’écria que l’océan est force dure, qui s’éprouve, impure,
Et se nourrit de sa chair même !

[Uit Les Indes van Édouard Glissant, Éditions Le Seuil, Paris, 1965, pp. 67-73.

Édouard Glissant vandaag overleden

Vandaag, donderdag 3 februari 2011, overleed in Parijs een van de grootste theoretici van de Caraïbische cultuur, de Martiniquaan Édouard Glissant. Geboren in 1928 op Martinique was hij een dichter, essayist, romanschrijver, toneelschrijver, maar bovenal een van de meest vooraanstaande exponenten van de idee van de creolisatie.

De blogspot Repeating Islands herdenkt hem als volgt:

Although I knew that he was ailing, I was still stunned to learn that another great mind of the 20th century was extinguished today. Many thanks to Kevin Meehan for this obituary from Le Monde.

Eloquent defender of diversity and métissage, the great Caribbean writer Edouard Glissant died on February 3 in Paris, at the age of 82. Poet, novelist, essayist, playwright, thinker, [and exponent of the concept of] creolization, he was born in Sainte-Marie (Martinique) on September 21, 1928 and conducted studies in Philosophy and Ethnology in Paris.

His success upon winning the Prix Renaudot in 1958 for his novel La Lézarde made the general public aware of this intellectual, who never separated his literary creation from a militant reflection. Influenced by the philosophy of Gilles Deleuze and Félix Guattari, he construed the history and geography of the Caribbean politically, demonstrating his revolt against racisms of any type and evoking the indelible mark of slavery on the relationship between France and Africa and all overseas territories.

Opposing any imposed systems and any rejection of the other, Edouard Glissant has been champion of métissage and exchange, formulating in his essays gathered in the Poétique-series his theses on Philosophie de la relation [Philosophy of relation] and Poétique du divers [Poetics of the diverse]. He refused to be constrained by single genre, moving constantly between the novel, essay, and poetry, even within a single work.

Novels Directed towards the Imaginary

Edouard Glissant, who shared at once a respectful and conflicting relationship with Aimé Césaire, the other great personality of the Caribbean world, also expressed his concern for literary parentage, through writers and “disciples” [I would rather translate this as supporting scholars] such as Patrick Chamoiseau, Raphaël Confiant, or Ernest Pépin.

His novels, from Quatrième siècle (Seuil 1965) to Ormerod (Gallimard 2003), are geared towards a mythical and imaginary world, far from any naturalism, but also imbued with picturesque elements specific to certain Caribbean novelists.

After having created a center for research and teaching in Martinique, as well as a review named Acoma, Edouard Glissant founded in Paris the Institut du Tout-monde, aimed at putting into practice his humanistic principles and to allowing for the dissemination of “the extraordinary diversity of the imaginaries of the people.”

Voor het In memoriam in Le Monde klik hier

Een biografie klik hier

Meer over zijn poëtica klik hier

Slavernijconferentie Martinique

The association “Dodine” announces a Conference to be held April, 19, 20, 21 2011 in Martinique. The purpose of this conference is to investigate the following fields in which the creativity of slaves developed itself: religions, music, dance, painting, carving, literature, technical inventions. Though they may explore their African origin, studies should focus upon the creative contribution of Africans, in countries of the American continent.

read on…

Kassav’ op Amsterdam Roots Festival

Creoolse partymuziek van het zuiverste water

De band Kassav bestaat ruim dertig jaar, maakte evenveel albums en komt oorspronkelijk van de Frans-Antilliaanse eilandjes Martinique en Guadeloupe. Oprichters George Decimus, Jacob Desvarieux en zangeres Jocelyne Beroard moderniseerden hun favoriete cadencedansstijl door er salsa, Haitiaanse kompa, soca en zelfs rockgitaarinvloeden aan toe te voegen.

Op het hoogtepunt van hun mondiale bekendheid scoren ze de wereldhit Zouk la sé sèl medikaman nou ni. In 2010 blijkt hun partymusic nog steeds springlevend en weet de groep wereldwijd de heupen in de juiste kadans te krijgen, zoals te horen op de driedubbelaar Saga. Daar hoor je ook dat ze voortdurend hun snelle ‘beton-’ en zouk-love-stijl blijven aanpassen en er andere ritmes, zoals reggae, dancehall en synthi-funk doorheenmengen.

DJ Gringo draait voor en na het concert.

Kaarten geven ook toegang tot het Amsterdam Roots Festival programma in de Oude Zaal op deze avond!

Zaterdag 19 juni / Melkweg, The Max / € 32,50 + lidm daarna alles vrij toegankelijk/ Aanvang 21.00 u

http://kassav30ans.com/

http://www.myspace.com/kassav

Fabienne Kanors roman Anticorps

Fabienne Kanor’s 2010 novel Anticorps [Antibody] is the story of a woman’s life told after forty years of marriage and forty years of stifled rebellion. After four decades of an unhappy marriage, Louise finally decides to disobey. Anticorps is a funny and cruel account of suppressed insurgences. Born in Orléans, France of Martinican parents, Fabienne Kanor is an award-winning writer. After completing graduate studies in comparative literature and semiology, Kanor pursued a career in journalism as a reporter for Radio France International and Canal France International, and journalist for Nova and FR3. In 2003, she returned to her first loves: writing and documentary/short filmmaking (for example, La Noiraude in 2005). She lived in Senegal before returning to Martinique. Kanor is also the author of D’eaux douces (Prix Fetkann 2004), Humus (Prix RFO 2006), and Les chiens ne font pas des chats (2008).

For summary and purchasing information, see here

For a full biography of Kanor, see here

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter