blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Maran René

Identiteit in een Caribisch perspectief

door Fred de Haas

Geen begrip is zo ongrijpbaar als het begrip ‘identiteit’. Menigeen weet wat je ermee bedoelt, maar niemand kan het nauwkeurig omschrijven. En vroeger was het al net zo ongrijpbaar als nu, getuige het verhaal van de twee Perzen van Montesquieu. read on…

Frans-Guyanese literatuur in een notendop

door Jerry Dewnarain en Els Moor

Tijdens de van 8 tot 11 mei gehouden 13de Internationale Conferentie van de Association of Caribbean Women Writers and Scholars (ACWWS) hield de Frans-Guyanese schrijfster Sylviane Vayabouri een presentatie over de literatuur van haar land. Ze is geboren te Cayenne in 1960 en is er grootgebracht door haar grootouders. Daarna heeft ze ook gewoond in Guadeloupe, Martinique en Frankrijk.

Sylvie Vayabouri

Vayabouri baseert haar presentatie op het boek met literatuurgeschiedenis en veel fragmenten, Introduction à la littérature guyanaise van Biringanine Ndagano, doctor in Franse literatuur, en Monique Blérald-Ndagano, docent in regionale talen en culturen aan de universiteit van de Franse Antillen en Frans-Guyana in Cayenne. Wij geven in dit artikel weer waarover Sylviane Vayabouri sprak, aangevuld met informatie en fragmenten uit het door haar genoemde boek, en andere werken over Franstalige Caraïbische literatuur, onder andere het in het Nederlands vertaalde De open plek; Bloemlezing uit het werk van 29 schrijvers van de Franse Cariben, door  Maryse Condé uit Guadeloupe.

betreft lijken Frans-Guyana en Suriname veel op elkaar, maar de status van beide landen is verschillend: Suriname is een onafhankelijke staat en Frans-Guyana een ‘overzees departement’ van Frankrijk. Het is interessant te zien hoe in het ‘Franse’ Guyana al meer dan een eeuw schrijvers in hun werk bezig zijn met de eigen Caraïbische identiteit.
Léon-Gontran Damas
Als er over Frans-Guyanese literatuur wordt gesproken dient volgens Vayabouri vooraf een vraag te worden gesteld: wie of wat is Frans-Guyanees? Deze vraag is sinds de jaren tachtig van de vorige eeuw actueel en zorgt nog steeds voor veel discussies. Hierbij speelt de kwestie van afstamming een belangrijke rol. Deze theorie wordt ondersteund door de volgelingen van Léon-Gontran Damas (1912-1978) die een belangrijke rol heeft gespeeld bij de ontwikkeling van authentieke literatuur in de Frans-Caraïbische eilanden en Frans-Guyana. Damas werd geboren in Cayenne en volgde middelbaar onderwijs in Martinique. Zijn universitaire studie deed hij in Frankrijk, waar hij met de Martiniquaan Aimé Césaire en de Afrikaan Léopold Senghor en anderen een blad publiceerde, L’étudiant noir (De zwarte student). Deze beweging groeide uit tot de ‘Négritude’, het streven naar bewustzijn van de positieve eigenheid van zwarte mensen. Terug in Guyana werd hij dichter en gedeputeerde. Zijn gedichten zijn zeer fel. Heel die westerse cultuur die men hem in zijn jeugd te slikken gegeven had, spuugde hij erin uit. ‘Hik’ is een meesterlijke spot met het Franse fatsoen dat kinderen aangeleerd werd door hun ouders, wat nu nog veel gebeurt, en echt niet alleen in Frans-Guyana. In Suriname is het de dichter Eugène Rellum (1896-1989) die beïnvloed werd door de Négritude. Bekend is zijn gedicht ‘negerschap is als bloeiende vanille…’.
Ook de band met de Frans-Guyanese grond werd een uitgangspunt om gerekend te worden tot Frans-Guyanees. De aanhangers hiervan zijn André Bonneton en Marie José Jolivet. Zij stellen dat iemand als Frans-Guyanees beschouwd kan worden wanneer die persoon geboren is in Frans-Guyana of opgevoed is door/tussen Frans-Guyanezen.
Wat literatuur betreft vindt Vayabouri echter dat er sprake moet zijn van een samenspel van allerlei factoren, dat maakt dat iemand tot de Frans-Guyanese literatuur gerekend kan worden. Belangrijk is de betrokkenheid van de schrijver bij de geschiedenis, gedachten, ontwikkelingen, gewoontes en tradities van Frans-Guyana. Als voorbeeld noemt zij een werk uit 1885 van ‘de vader van de créolité’ (creolisering), Alfred Parepou:  Atipa. De figuur Atipa is een enorme kletser en grappenmaker. Hij wordt Atipa genoemd omdat hij zoveel van die vis – bij ons kwikwi – houdt. Hij is een echte patriot, maar kan ook heel kritisch zijn, met name als het gaat over assimilatie, of over de run op goud die eind 19de eeuw speelde in Frans-Guyana. Ook  René Jadfar (1901-1947) wordt als voorbeeld van een gecreoliseerde auteur genoemd. Hij was geobsedeerd door het leven in het binnenland, van ‘botoman’, houthakkers en goudzoekers. Hij was zeer dynamisch, als mens en als schrijver, en in zijn werk is veel herkenbaar in verband ook met ons binnenland.
Veel orale literatuur is vastgelegd in Frans-Guyana. In dit opzicht is onze orale literatuur, vooral die van de verschillende volkeren in het binnenland, familie! Een veel gebruikte bundel is Contes et legendes folkloriques (1960 en 1980), samengesteld door Michel Lohier, maar ook Léon-Gontran Damas heeft veel orale vertellingen opgeschreven.
Elie Stephenson
Sylviane Vayabouri ging tijdens haar lezing ook in op de stromingen in de Frans-Guyanese literatuur. De nationalistische stroming die we hierboven gezien hebben, waarbij er wordt gestreden voor identiteit, met afkeuring van het kolonialisme, de slavernij en de Franse/westerse assimilatie. Het grote voorbeeld is en blijft Léon-Gontran Damas. Later komt Elie Stephenson (1944), die sterk beïnvloed is door Damas. Hij is de eerste Guyanese theaterman, dramaturg en ook schrijver van stukken. Stephensons werk wordt niet door iedereen gewaardeerd. Hij schrijft kritisch en revolutionair. Zelf zegt hij dat schrijven voor hem getuigen is, een eigen positie innemen en engagement in praktijk brengen. Stephenson heeft ook poëzie geschreven. Verschillende bundels van hem zijn gepubliceerd. Terres mêlées (Gemengde gebieden) is van 1984. Hierin staat een gedicht over Maripasoula, een marrondorp vlak bij de grens met Suriname in het Lawagebied. In de 18de eeuw tijdens de Boni-oorlogen vluchtten veel Boni de grens over. In Maripasoula wonen nu nog steeds veel Aluku en Boni.
De tweede stroming is de regionalistische stroming die het land, zijn rijkdommen, de flora en fauna, de folklore en de vrouwen ophemelt/verheft. Enkele schrijvers zijn: Ismael Urbain (1812-1884), Christian Rollé, Assunta Renau Ferrer (1959) en Tom Dinguiou (1965).
Overigens zijn er ook romanschrijvers die niet gerekend willen worden tot een van de twee stromingen. Een bekende van deze soort is René Maran, winnaar van de Goncourtprijs in 1921 voor zijn roman Batouala. Hierin vertelt hij het verhaal van het dorpshoofd Batouala. Aan het begin van de dag, bij het ochtendgloren, begint Batouala met zijn dagelijks ritueel: geeuwen, jeuken van zijn lichaam, wrijven van zijn ogen met de rug van zijn hand en het bedrijven van de liefde met een van zijn vrouwen die nog slaapt. Handelingen die hij dagelijks uitvoert. Zijn dagen bestaan uit het roken van sigaretten, zijn dagelijks tijdverdrijf. Hij ontbijt met Yassigui’ndja, zijn eerste en favoriete, maar kinderloze vrouw. Vaak reflecteert hij over zijn leven en hij minacht het rijke, zorgeloze leven van de blanken. Spot naar beide kanten toe, dus!
De werken van deze onafhankelijke romanschrijvers zijn echter wel in genres te verdelen, zoals sociaal-realistische, avonturen-, historische en regionalistische romans. Tot de laatste groep hoort Sylviane Vayabouri zelf. Haar debuutroman, Rue Lallouette prolongée, is autobiografisch en nodigt de lezer uit haar te vergezellen op de driesprong tussen La Guyane, Frankrijk en de Franse Antillen. Op die weg ontmoet men veranderende tradities, cultuurschokken, kostbare oude herinneringen en zeer pijnlijk verdriet. Haar tweede boek, La Crique, gaat over multiculturele diversiteit en de betekenis van het leven in een plaats als Cayenne, in een Frans overzees departement dat worstelt met het multiculturele vraagstuk. Ook interessant vergelijkingsmateriaal voor ons, maar deze romans zijn helaas niet vertaald, evenals de vele andere, zodat het weinig zin heeft al die werken hier te noemen. Ons gaat het erom te laten zien dat er veel overeenkomsten zijn tussen onze literatuur en die van Frans-Guyana, dat er goed geschreven werd en wordt, kritisch, vaak fel en spottend: ze nemen geen blad voor de mond. Ook zijn er prachtige, herkenbare verhalen uit de orale literatuur en beschrijvingen van het leven van de bosnegers en inheemsen in het binnenland die evengoed in Suriname zouden kunnen spelen. Zou het geen goed idee zijn om een bundel voor Suriname samen te stellen met werk van Frans-Guyanese auteurs, vertaald uiteraard? Op deze pagina doen we alvast een kleine poging! Sylviane Vayabouri heeft ons op dit spoor gezet! Grantangi! Grand merci! 
[Bronnen: De voordracht van Sylviane Vayabouri tijdens de Internationale Conferentie ACWWS; Biringanine Ndagano, Monique Blérald-Ndagano: Introduction à la litteratuur guyanaise. CDDP Guyane, 1996. ISBN 2-908931-16-8; La plume guyanaise, revue littéraire. IBIS Rouge Editions, 2003; Maryse Condé: De open plek. In de Knipscheer, 1996]

René Maran

door Paul Kerstens

Afrikaanse literaturen zijn grotendeels onbekend in Nederland en Vlaanderen, en er bestaan nogal wat misverstanden over. Zo zou Afrika hoofdzakelijk een ‘orale cultuur’ hebben. Maar laat het duidelijk zijn: Afrikanen groeien op in een ‘geletterde’ wereld, net als u en ik.

Die term “Afrikaanse literaturen” is natuurlijk erg verwarrend, je kan er alle kanten mee uit. In Frankrijk beschouwt men veelal de roman Batouala van René Maran als het beginpunt. Maar dat is relatief. In Ethiopië werden al in de dertiende eeuw teksten geschreven in het Ge’ez, en er is poëzie in het Swahili die dateert uit de vroege achttiende eeuw. De slaaf Olaudah Equiano schreef zijn autobiografie in het Engels, einde achttiende eeuw. Dat zijn maar enkele voorbeelden.

Overigens, René Maran was een schrijver uit Martinique. Is dat dan toch Afrikaanse literatuur? De ondertitel van het boek zegt veel: véritable roman nègre. In Frankrijk werd niet zozeer gesproken over Afrikaanse literatuur, maar over negerliteratuur, “littérature nègre”. Vanaf de late jaren twintig ontwikkelde zich in Parijs een culturele beweging, die Aimé Césaire (ook al uit Martinique) négritude zou noemen. Sterk gestimuleerd door de Amerikaanse “Harlem Renaissance” en in de schoot van de Parijse non-conformistische wereld van surrealisme, dadaïsme en existentialisme ontstond daar een eerste Panafrikaanse culturele beweging die gepaard ging met de sociale en politieke emancipatie van de door Frankrijk gekoloniseerden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de grote drie van de négritude (Aimé Césaire, Léon Damas en Léopold Senghor) ook politiek actief waren. Senghor zou later zelfs de eerste president van het onafhankelijke Senegal worden. Césaire’s poëtisch werk Cahier d’un retour au pays natal, zijn toneelstuk La tragédie du roi Christophe en zijn essay Discours sur le colonialisme zijn literaire mijlpalen die een halve eeuw later nog niets aan kracht ingeboet hebben.

[van Schwob.nl]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter