blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Lotens Walter

Twee Bouterse-biografieën

door Walter Lotens

In de Belgische pers bestaat Suriname amper, tenzij een voor drugshandel veroordeelde Surinamer president wordt en dat op 25 mei van dit jaar opnieuw kan worden. Dan wordt de ex-Nederlandse kolonie ineens wereldnieuws. Wie is toch die Bouterse? Een opportunist, een demagoog, een machtswellusteling, een wolf in presidentskleren, een Latijns-Amerikaanse caudillo of een bekeerde drugshandelaar, een verkondiger van Gods Bazuin en een Messias voor Suriname? Dat proberen journaliste Nina Jurna en historicus Pepijn Reeser elk op hun eigen manier te doorgronden. Twee zeer verschillende biografieën over de meest omstreden figuur van het post-koloniale Suriname, een land dat in 2015 jaar precies 40 jaar onafhankelijk is. read on…

Mallemolen van Surinaamse personages en hun namen (1)

door William L. Man A Hing

Aangenomen kan worden dat de verrommeling van Surinaamse namen en persoonsgegevens door een vloed van publicaties op gang is gekomen na de opstand van 1980. Dat daarbij niet steeds zorgvuldig wordt omgesprongen met gegevens van bekende actoren laat een kleine bloemlezing zien. read on…

‘De nieuwe coöperatie tussen realiteit & utopie’

Foto © Haidy Bissasar
 

door Joop Vernooij

De Vlaamse journalist Walter Lotens, die een zwak heeft voor Suriname en twee publicaties over land en volk op zijn naam heeft staan, Suriname in stukjes (2002) en Omkijken naar een revolutie (2004), heeft vorig jaar gepubliceerd over de coöperatie en alles wat ermee te maken heeft. De Nieuwe Coöperatie. Tussen realiteit & utopie heet zijn boek. Hij heeft all over the world veel vormen van coöperatie ontdekt, meegemaakt en bewonderd. En heeft er systeem in gebracht, er een rode draad in gevonden of gebracht. In de continenten van Zuid tot Noord en van Oost tot West, heeft hij gereisd en is tot een bewonderenswaardige hoeveelheid gegevens gekomen, die hij wil delen. Hij noemt de publicatie niet wetenschappelijk, maar intussen… . Hij draagt een massa kennisbronnen aan.
Nieuw
Lotens is naar de nieuwe coöperatie op zoek gegaan – naar nieuwe vormen van samenwerken tussen mensen – die veel verder gaat dan de oude idee van coöperatie. De oude idee kunnen we deels terugvinden in wat genoemd wordt het coöperatiewezen van ons ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij. Het gaat dan voornamelijk over de samenwerking van mensen in de agrarische sector, omdat die manier van werken profijt oplevert. Lotens gaat verder en vindt nieuwe vormen van coöperatie, waar ook ter wereld. Ook in Suriname.
Lotens is in zijn boek helder van taal met soms een Vlaamse uitdrukking zoals ‘bollekens’ (p. 23), ‘ik stap af aan het stationnetje’ (p. 84) of ‘met een hoek af’ (p. 235). Hij geeft zijn Inleiding de titel: ‘anders gaan werken als concrete utopie’, het thema van zijn verhaal.
Indeling
Het boek heeft hoofdstukken met een theoretische invalshoek en met vijfendertig ‘Stopplaatsen’ in de verschillende hoofdstukken. Dit zijn concrete stukjes tekst van schrijvers uit de hele wereld over dit onderwerp. Ze zijn geografisch bedoeld maar ook betreffende plaatsen waar anders gedacht wordt en waar mensen anders in het leven zijn gaan staan. Belgiё is als het ware de basisstandplaats. Hij heeft er drie Belgische experts bij gehaald: Rik Pinxten met het ‘Voorwoord’, Bob Docx met het ‘Nawoord’ en Wim van Opstal heeft een bijdrage met een analytisch verhaal over de coöperaties in Belgiё.
Nieuwe wereld
Lotens ontdekte in zijn woonplaats Borgerhout (bij Antwerpen) en elders in de wereld een veelheid aan georganiseerde activiteiten die veel verder reiken dan het vroegere begrip van coöperatie oproept, als een samenwerkingsverband van spaarders, mensen met bankzaken. Tegenwoordig gaat het over een nieuwe benadering van vaak gedwongen samenwerking rond landeigendom, productie van ‘gron nnyan’, nutsvoorzieningen, huizenbouw, buurtbelangen. Ik zelf doe mijn boodschappen bij ‘de Coöp’. In dit verband noemt de schrijver wat Suriname betreft, de kasmoni (pp. 201-204): het proefschrift van Aspha Bijnaar, de activiteiten van Godo en de initiatiefnemer CarlhoWijdh (pp. 196-201), het aloude en zeer bruikbare gotong royong-systeem of mechanisme en de gedachten van ontwikkelingswetenschapper Maureen Silos (pp. 254-258). Vanuit wereldwijd perspectief is er dus wat dat betreft best wat te doen hier zonder tekort te doen aan de bestaande goed functionerende coöperaties als die van Kwatta, de Agro Coöperatie Corantijnpolder, de Cawovan Lelydorp en de andere organisaties van het ministerie van Landbouw, Veeteelt en Visserij. En menigeen kan zich de Algemene Vereniging van Krediet Coöperaties nog voor de geest halen.
Guyana. Foto Marina Caf
Buurland
Guyana heet officieel de Coöperatieve Republiek Guyana. Leuker kunnen we het niet maken. We kennen als vorm van samenwerking de crowdfunding en recentelijk de bitcointoestanden. Een interessante en recente coöperatie is die van prostituees die van hun plaats verdreven werden en de strijdvaardige coöperatie Macha’s oprichtten.
Nieuwe visie
In de huidige wereld komen allerlei vormen van samenwerking boven om het hoofd te bieden aan nood, aan machtsobstakels en aan de behoefte zaken echt anders dan voorheen te organiseren. De coöperatie heeft alles te maken met democratie, het volk van de basis aan de macht. Dat heeft weer te maken met een gezonde vorm van bewustwording en de kracht van bundeling van mensen en doelen. Wel op kleine, te overziene schaal met duidelijke, tastbare doelstellingen.

Lotens ziet dus in de wereld een nieuwe beweging, die hij op goede gronden heilzaam vindt. Bij zijn reizen over de wereld, twittert hij als het ware over hetgeen hij aantreft en gaat op zoek naar de achtergronden en wat de mensen beweegt. Hij heeft oog voor de rol van de economie, de plaats van de overheid, de aanpak van maatschappelijke problemen, de maatschappijverandering, de arbeidersbeweging en de positie van de geldbanken. Hij en de schrijvers van de ‘Stopplaatsen’ gebruiken daarbij min of meer spannende titels als ‘Griekse aardappelbeweging wint aan kracht’, ‘Coöperaties in de overgangs-economieën’, ‘Wrikkers en krikkers in de marge’, ‘Kuidenthee uit Potosi’, ‘Alternatieve buurtmunt kent groot succes’, ‘Spanjaarden gaan crisis te lijf met gemeenschappelijke moestuin’ of ‘Bruto Nationaal Geluk van Bhutan’.

Het boek geeft geen saaie opsomming van feiten; die worden steeds geplaatst in de context van mensenlevens. Walter Lotens ziet het voordeel van samenwerking duidelijk in en geeft voorbeelden, niet alleen omdat de nood erom vraagt maar ook omdat samenwerking een nieuwe vorm van economie kan en moet zijn. Hij toetst dat aan de realiteit en aan de verwachtingen die mensen van samenwerking hebben. Dus op weg naar een nieuwe levenswijze, een nieuwe stijl van leven met goede papieren. De Belgische experts ondersteunen zijn visie en zelf beveelt hij deze nieuwe kijk op leven en samenleven van harte aan. Het is zoals een bord bij de Palmentuin en ’t Vat aangeeft, uitschreeuwt: ‘Success comes through collaboration’ (=coöperation). Dus niemand hoeft meer met een bord voor haar/zijn kop te lopen.
Kortom: een visie die het ook hier goed zou kunnen doen nu er allerwege gezocht wordt naar een andere levensorde of -ordening. En Lotens heeft het verwoord op een aangename manier. Hij is alweer aan een volgend boek bezig.
Walter Lotens: De Nieuwe Coöperatie. Tussen realiteit & utopie, 288 pp.. Leuven: LannooCampus, 2013. ISBN 978 94 014 1326 8

Bikkel & Kagie: een stukje onverwerkt verleden temmen

door Walter Lotens

De jonge Nederlandse journalist Rudie Kagie vertrekt naar Suriname op een ogenblik dat geen enkele Nederlandse krant zit te wachten op een correspondent in de West. Dat was net voor de militaire coup van 25 februari 1980 waardoor 16 sergeanten onder leiding van een zekere Desi Bouterse de macht overnamen. Vanaf toen ging de aandacht van de wereld, en zeker van Nederland, uit naar dat landje waar nooit iets gebeurde en toch zeker geen staatsgreep. Kagie krijgt een opdracht van NRC-Handelsblad en beschrijft wat er gebeurt in dat gewezen wingewest van Nederland.
Fred Ormskerk in TRIS-uniform met echtgenote Silvy (l.) in de haven van Paramaribo, 1962.
Privébezit Henk Doorn
Een gewezen wingewest, Suriname voor en na de staatsgreep is ook de titel van het werk dat hij in 1980 schreef op basis van zijn dagbladreportages. Het is een goed geschreven boek van een journalist – hij bedankt de linkse Surinamer Sandew Hira voor zijn speurwerk en kritische zin – die niet onsympathiek stond ten aanzien van ‘onze jongens’ die op dat ogenblik van velen het voordeel van de twijfel kregen. Zijn verhouding met de militairen krijgt echter een heel andere wending wanneer hij verneemt dat Fred Ormskerk, een oud-militair van Surinaamse origine die net terug was in het land, in zeer verdachte omstandigheden om het leven was gekomen in de grootste kazerne van Paramaribo. Op een nacht in 1980 wordt hij onzacht van zijn bed geplukt en voor ondervraging overgebracht naar de Memre Boekoe-kazerne waar hij door leden van de Nationale Militaire Raad (Desi Bouterse, Chas Mijnals, Roy Horb en Stanley Joeman) aan een zeer hardhandig kruisverhoor wordt  onderworpen. De militairen verwijten hem een handlanger te zijn van het koloniale Nederland en verbieden hem, op gevaar van erger, om nog over het geval-Ormskerk te publiceren. Na die dreigementen pakt de Nederlandse journalist zijn koffer en verlaat via een sluipweg het land.

Fred Ormskerk op patrouille met het 3de Peloton A-compagnie in 1971. Foto Ger Loeffen

 

De dood van Fred Ormskerk werd afgedaan als een ‘incident’, ook door een voorzichtig Nederland dat het voordeel van de twijfel gaf aan de militairen. Door de Surinaamse ziekenhuisarts Albert Vrede die als patholoog-anatoom optrad werd een hersenoedeem als gevolg van inwerking van stomp geweld geconstateerd. Het stoffelijk overschot werd naar Nederland overgebracht, waar het op 19 mei 1980 opnieuw werd onderzocht, nu door dr. Jan Zeldenrust. Deze constateerde onderhuidse bloeduitstortingen en diverse versplinterde ribben. Ormskerk was Nederlands staatsburger, maar het toenmalige kabinet-Van Agt reageerde zeer omzichtig. In zijn antwoord op schriftelijke vragen van PvdA-kamerleden verzweeg minister van Justitie Job De Ruiter het door Vrede geconstateerde hersenoedeem en meldde hij slechts dat door Zeldenrust de doodsoorzaak niet definitief kon worden vastgesteld omdat deze nog op het sectierapport van Vrede wachtte, dat uiteindelijk slechts een zeer summier A4’tje bleek te zijn.
Als op 8 december 1982 vijftien prominente Surinamers worden doodgeschoten in het militaire cellencomplex van Fort Zeelandia, verliest het Bouterse-regime echter heel veel krediet en vervalt het voordeel van de twijfel ten aanzien van het militaire bewind in Suriname voor Nederland. ‘Op de vlucht neergeschoten,’ luidde het officieel en weinig vindingrijk. De toedracht van de zogenaamde decembermoorden werd gedurende vijf jaar diepgaand door de Surinaamse justitie onderzocht, maar nadat de hoofdverdachte Desi Bouterse Surinaams president is geworden, werd een  amnestiewet uitgevaardigd waardoor hij en de andere verdachten waarschijnlijk verder buiten schot zullen blijven. Ook de daders van de moord op Fred Ormskerk werden nooit opgespoord.
Daarom trekt Rudie Kagie, meer dan dertig jaar na de feiten en nu werkzaam voor Vrij Nederland – volop in het Bouterse-tijdperk -, opnieuw naar Suriname om meer te vernemen over wat hij in de ondertitel van zijn boek als de eerste politieke moord van het Bouterse-regime bestempeld.
Bikkel is het journalistieke onderzoek naar de dood van Fred Ormskerk, naar de omstandigheden van zijn overlijden, maar ook naar zijn drijfveren om in het Suriname na de militaire staatsgreep op te duiken en tevens naar de persoonlijkheid van deze bikkelharde militair, die vandaar de roepnaam ‘bikkel’ kreeg.
Ormskerk wordt omschreven als ijzervreter, driftkop, bloedfanatiek, streng maar rechtvaardig, keihard voor zichzelf (en zijn negen kinderen…), Spartaans, militair in het kwadraat en bovendien uitzonderlijk sterk. Iedereen, zo merkt Kagie op, sprak met veel respect over deze volbloed militair. Na het vertrek van de TRIS (Troepenmacht in Suriname) in 1975 treedt Ormskerk in dienst van de gloednieuwe Surinaamse KrijgsMacht (SKM), maar hij vindt dat de bevelhebber, kolonel Elstak, er een potje van maakt. En hij is niet de enige. Dat vinden Bouterse en zijn kompanen ook. Elstak wordt door velen een verwaande grappenmaker genoemd. De verhouding tussen Elstak en de (onder)officieren verslechtert al snel en is zeker een van de belangrijke redenen geweest die geleid hebben tot de militaire coup van 25 februari 1980. Op dat ogenblik was Ormskerk al uit dienst. Om persoonlijke redenen vertrekt hij in 1979 – hij is dan 56 jaar – met pensioen naar zijn gezin in Nederland. Maar deze militair-in-hart-en-nieren kan niet wennen in een keurige rijtjeswoning en zijn opvoedingsmethoden worden hem door zijn vrouw ook niet in dank afgenomen. Zij noemt hem ‘totaal verslaafd’ aan het leger en zó streng voor de kinderen dat die blij waren als hij er niet was (p. 54).

In Nederland hoort de gepensioneerde militair dat er een coup heeft plaatsgevonden in Suriname. Hij is in het geheel niet verbaasd, want al sinds 1979 circuleerden er verschillende initiatieven voor een staatsgreep. Ormskerk is integendeel zeer enthousiast. Zijn ‘jongens’ hebben het toch maar voor elkaar gekregen! En is hij niet een god voor die ‘jongens’? Hij belt met Suriname in de veronderstelling dat ze hem daar goed kunnen gebruiken, maar Bouterse zit niet op hem te wachten. Volgens auteur Kagie moet er toen iets in Ormskerk geknapt zijn en wordt hij van medestander tegenstander. Als hij na een aantal geheimzinnige besprekingen met andere tegenstanders van de NMR in Nederland plotseling zijn gezin meldt dat hij er even ‘tussenuit’ moet naar Parijs, is zijn vrouw blij. Ze heeft hem niet meer levend gezien. Een paar dagen later duikt hij op in Frans-Guyana, reist via Albina naar Paramaribo en wordt gearresteerd met al zijn coupplannen in zijn bagage.

Ormskerk wordt tijdens zijn verhoor op 1 mei geslagen en zodanig mishandeld dat hij overlijdt. De volgende ochtend wordt hij dood in zijn cel aangetroffen, waarna het militaire regime van Suriname meldde dat Ormskerk was omgekomen bij een vluchtpoging. Van een feitelijke couppoging is later niets gebleken.

Begrafenis Ormskerk; zijn weduw strooit
bloemen over de kist

 

Rudie Kagie probeert aan de hand van zeer vele gesprekken met betrokkenen, zowel in Suriname als in Nederland, de gebeurtenissen van toen te reconstrueren – waarschijnlijk wilden de militairen hun vroegere instructeur niet doden en is de hardhandige ondervraging waaraan hij onderworpen werd uit de hand gelopen. De zwart-witte militaire logica waarvan Fred Ormskerk de vertolker was, is door zijn ‘jongens’ zeer goed toegepast en heeft hem zelf – o ironie – het leven gekost.
Rudie Kagie stond voor een zeer moeilijke opdracht. Hij geeft trouwens zeer eerlijk toe dat hij zich details van dertig jaar geleden niet goed meer herinnert. En er is niet alleen de slijtage van het geheugen, maar ook de ‘blinde muren’ waartegen je in Suriname als onderzoeker voortdurend aanbotst, zeker dan als je Nederlander bent. Het zou echter zeer onheus zijn om het werk van Kagie af te doen als het zoveelste betweterige boek van de zoveelste Nederlandse journalist die zijn licht laat schijnen over Suriname. Rudie Kagie is trouwens ook zeer kritisch voor het Nederlandse beleid dat om staatsredenen het vieze potje van de affaire-Ormskerk liever niet wilde openen. “Nederland had op zijn minst bij Suriname moeten aandringen op een grondiger onderzoek dan het simpele A4’tje waarmee de zaak werd afgedaan.” (p. 199)

Bikkel is een boeiend boek en tevens een uitzonderlijk document omdat in een land als Suriname onderzoeksjournalistiek nog steeds als een vies woord beschouwd. Het is een van de weinige publicaties over de zwarte bladzijden van de recente Surinaamse geschiedenis. “De zwartste bladzijden uit de geschiedenis zijn meestal de leerzaamste,” besluit Kagie. Kan een boek als Bikkel ook nu nog een maatschappelijk effect hebben, wetende dat de zaak uit 1980 is verjaard en dat het te laat is om de vermoedelijke daders nog voor het gerecht te slepen? In Nederland stelde het Kamerlid Harry van Bommel van de Socialistische Partij naar aanleiding van het boek schriftelijke vragen over onder andere de betrokkenheid van Hardjoprajitno. In Bikkel verklaren drie getuigen dat John Hardjoprajitno, één van de zestien onderofficieren van de militaire coup, betrokken was bij de dood op Ormskerk. Paul Bhagwandas en Roy Horb, allebei intussen overleden, zouden ook betrokken geweest zijn bij het verhoor dat Ormskerk fataal werd.

 

En in Suriname onder president Bouterse? Hoe werd daar het boek onthaald? Kagie trok in april 2013 naar Paramaribo om het boek te promoten. Er verscheen onder meer een positieve bespreking in de toonaangevende krant de Ware Tijd en de auteur werd ook geïnterviewd door Apintie-televisie en gaf diezelfde avond ook een lezing in literair café Tori Oso. Een lezing over een van die zwarte bladzijden uit de Nederlandse geschiedenis waarbij de huidige president betrokken was. Zou ze indruk gemaakt hebben in het nieuwe Bouterse-tijdperk? Ik weet het niet, maar ik hoop dat het boek kringen maakt en dat het meer in Suriname dan in Nederland zal worden gelezen. “Alles gaat voorbij, behalve het verleden,” schreef de socioloog Luc Huyse in een boek over omgaan met een traumatisch verleden van geweld en burgeroorlog, zoals in Zuid-Afrika en Rwanda. “Het verleden temmen, daar gaat het steeds weer om. En, als het kan, rust brengen in het hoofd en hart van wie vandaag en morgen leeft. Maar wat voorbij lijkt, wijkt niet.” Dat gaat ook op voor Suriname, ook al probeert de huidige regering-Bouterse alle sporen van dat verleden uit te wissen.
Bikkel is de zeer lovenswaardige poging van een betrokken en zoekende einzelgänger om een stukje onverwerkt Surinaams verleden te helpen temmen en daarnaast is het ook nog een spannend boek geworden.
Rudie Kagie, Bikkel, Het verhaal van de eerste politieke moord van het Bouterse-regime, Bert Bakker, Amsterdam, 2012, 216 blz. ISBN 9789035137561

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

door Walter Lotens
.
Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniëngeschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.
John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname(een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).
“Een neger uit Zuremane!”
Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep – Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)
Journalistiek onderzoek
Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht?
Drie lijvige delen
Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden – minder dan een half miljoen inwoners – waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.
In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.
In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West – in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben – die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.
Geen eenduidige conclusie
Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)
Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.
John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95.

Gevoelens op de grens – de mentale worsteling die migraties meebrengt

door Koen Stuyck
.
In zijn laatste boek Het vacuüm van de kosmopoliet analyseert Walter Lotens de verschillende statuten die mensen innemen in een samenleving wanneer ze daar om één of andere reden niet geworteld zijn. Dat kan gaan over nieuwe of oude immigranten maar evengoed over mensen die geboren en getogen zijn in hun ‘nieuwe’ samenleving.
Lotens praat met migranten in Antwerpen maar ook in het Caraïbische Suriname en Curaçao. De motieven van deze zeer verschillende mensen blijken opmerkelijke overeenkomsten te vertonen. Daarna legt hij deze getuigenissen voor aan o.m. Ludo Abicht, Rik Pinxten, Ronald Commers en Eric Corijn.
Het spreekt voor zich dat dit geen af verhaal is, wel een zeer verdienstelijke poging om het scala aan menselijke gevoelens die horen bij migratie te inventariseren. Walter Lotens spreekt over zijn gesprekspartners als “tussenfiguren.” Wanneer hij de gesprekken die hij heeft met verschillende migranten analyseert blijken al deze mensen tegelijk ‘insider’ en ‘outsider,’ het product van een vermenging die echter nooit helemaal oplost. Ook immigranten van de tweede en zelfs derde generatie kunnen zich ‘vreemdeling in een vreemd land’ voelen.
Foto Hemant Kerkrade
In de inleiding luidt het al: “ieder van ons heeft in zijn hoofd een eigen aardrijkskunde.” Een migrant verhuist niet alleen met zijn familie en heel zijn hebben en houden, maar ook met zijn geheugen. Lotens beschrijft zijn boek als een zoektocht naar de aardrijkskunde van de ziel. Via uitvoerige gesprekken probeert hij de mentale worsteling in kaart te brengen van mensen die zich in een tussenpositie bevinden. En dat levert heel wat stof tot nadenken op. Zo heeft Pepe Correa het over de haast archetypische situatie waarbij hij door iemand wordt voorgesteld en dat zijn ‘anderszijn’ er uitdrukkelijk aan wordt toegevoegd: “hier is Pepe, de Chileen.” Alsof het een waarschuwing betreft. Deze Chileense Antwerpenaar houdt er een bescheiden zelfbeeld op na. Een kosmopoliet vind hij een te groot en te rijk woord om zichzelf te beschrijven. “Ik voel mij geen wereldburger, ik ben een beetje Chileen en een beetje Belg.” Correa heeft met andere woorden ambiguë gevoelens.
En die ambiguïteit, daarover gaat dit boek. Want mensen leven met concrete gevoelens die geënt zijn op reële contexten, in het land waar ze vandaag wonen en werken of in landen waar ze ervoor gewoond hebben. Dat alles in tegenstelling tot het containerbegrip ‘de kosmopoliet,’ waarover je na lezing van dit en de auteurs eerdere boeken alleen maar kan besluiten dat het over een fictie gaat. Wellicht zijn alle zelfverklaarde kosmopolieten die vanuit onze westerse wereld met haar hedendaagse hedonistische moraal de wereld afreizen enkel zelf overtuigd van hun ‘wereldburgerschap.’ Maar hebben ze daarvoor steekhoudende argumenten? Ludo Abicht vindt alvast van niet. Hij heeft geen hoge pet op van wie zich met een kosmopolitische verwaandheid boven de alledaagse problemen van de mensen meent te kunnen plaatsen. Hij beschuldigt ze zelfs van “intentionele steriliteit.”
Het kosmopolitisme is anders gezegd een abstract product van het modernisme (en niet het enige) dat van nature voluntaristisch en universalistisch wordt ingevuld door haar grootste supporters. De meeste mensen kunnen er zich eigenlijk niets bij voorstellen. Natuurlijk is er niets mis met dromen van een betere wereld. Het probleem ontstaat wanneer een bepaalde dominante cultuur, ondersteund door een reële economische en politieke macht, het kosmopolitisme claimt als zijnde de universele oplossing voor de menselijke samenlevingsproblemen. En dat is een syndroom dat vooral mensen in het Westen parten speelt.
Terug naar de tussenervaringen van Lotens’ gesprekspartners. Dezelfde Pepe Correa zegt dat zijn land van herkomst hem (“ons”) nog steeds toebehoort. “Zijn geografie, zijn landschap, zijn klimaat, zijn keuken, zijn volkstradities…” Hij is een contamineerde persoon geworden want op reis in Chili kan hij evengoed heimwee krijgen naar België.
Door de gesprekken komen ook echte universele patronen naar boven. Zoals het verhaal van de Surinaamse spin Anansi, dat overal in de Caraïbische wereld terugkomt. Anansi is een fabeldiertje dat meereisde met de slaven van de Afrikaanse kusten naar de plantages. Een sympathiek underdog beestje dat via allerlei ongeoorloofde praktijken vrij en vrolijk weet te overleven. De pendant dus van Reinaert de Vos bij ons, of oompje Duivel in Bolivia of Kantjil in Indonesië. Universele overlevingsstrategieën. De verzetcultuur van het volk.
Met dit boek komt Lotens steeds dichter bij wat hij wil zeggen lijkt het wel. De verbondenheid van mensen met hun land, hun geschiedenis, hun familie, maar ook met de nieuwe verhalen die ze leren wanneer ze andere horizonten opzoeken, die verbondenheid is een wezenskenmerk van onze soort. En dat heeft wellicht te maken met het feit dat we over een geheugen beschikken waarmee we onze identiteit niet op een biologische maar wel op een virtuele manier kunnen construeren. Het “vacuüm van de kosmopoliet” is wat mij betreft Lotens interessantste boek tot nog toe.
Walter Lotens, Het vacuüm van de kosmopoliet, uitg. Pelckmans Kapellen, (2008), ISBN 978-90-289-4233-2
[van Uitpers, nr. 107, 10de jrg., maart 2009]

Nieuwkomers beschrijven Bouterse aan de macht

door Walter Lotens
 
Op 25 mei 2010 ging ongeveer zeventig procent van de Surinaamse kiezers in een feestelijke sfeer naar de stembus. Dat moet voor Paramaribo zeker meer dan tachtig procent geweest zijn omdat door de grote afstanden de opkomst in het verre binnenland veel lager lag. Die zeer hoge opkomst is waarschijnlijk een wereldrecord. De Surinaamse kiezers mogen dus zeker gefeliciteerd worden, maar de politici zijn jammer genoeg niet eerbiedig omgesprongen met zoveel enthousiaste burgerzin. Toen bleek dat de Megacombinatie, en dan vooral de NDP van Desi Bouterse, een ruime overwinning had behaald, dacht iedereen dat de kaarten geschud waren. President Venetiaan (NPS) en het Nieuw Front werden na tien jaar onophoudelijk regeren teruggefloten en dus was het logisch dat de NDP aan zet kwam voor de nieuwe regeringssamenstelling. De politici van een aantal partijen dachten er echter anders over. In achterkamers en via allerlei geheime afspraken ontstond een politieke koehandel van jewelste waardoor in eerste instantie Bouterse en de NDP uit het machtscentrum werden gehouden. Na een weinig smakelijke vertoning waarin woordbreuk en verdachtmakingen hoogtij vierden, vonden de drie onverzoenlijke vijanden Desi Bouterse, Ronnie Brunswijk van de Marronpartijen en Paul Somohardjo van de Volksalliantie elkaar. Na een stevig partijtje arm worstelen om ministersposten en andere hoge functies kwamen zij tot een vergelijk. Op die manier kwam de noodzakelijke twee derde meerderheid tot stand die nodig was voor de verkiezing van de nieuwe Surinaamse president. Bouterse die zich tot dan toe min of meer op de achtergrond had gehouden, zag zijn kans schoon en zei dat hij ready was voor het presidentschap.
 
De sergeant die met een aantal kompanen in 1980 een militaire staatsgreep pleegde en uitgroeide tot ‘Bevel’ en die einde 1982 vijftien vooraanstaande opposanten van het militaire regime liet ombrengen, de man die als drugssmokkelaar veroordeeld werd door de Nederlandse justitie en die in Suriname terecht stond voor de decembermoorden werd president van zijn land. Hoe heeft hij dat aangepakt? 
 
Iets meer dan twee jaar later verschijnt Bouterse aan de macht. Het is een kanjer van een boek geworden, geschreven door twee jonge journalisten – een Nederlander en een Belg – die proberen antwoord te geven op de vraag waarom Desi Bouterse, ondanks zijn verleden, in Suriname nog steeds zo populair is en hoe hij het er als president vanaf brengt. Ivo Evers (1983) en Pieter Van Maele (1986) zijn relatief nieuwkomers in Suriname. Evers werkte anderhalf jaar in Suriname onder andere bij de Ware Tijd en als correspondent van Trouw. Van Maele is op dit ogenblik correspondent in Paramaribo voor onder meer Radio Nederland Wereldomroep, Het Parool, De Morgenen Trouw. Ook hij werkte voor de Ware Tijd. Met hun eerder geringe staat van dienst slagen zij erin een uitstekend boek te schrijven over twee van de meest controversiële jaren in de recente Surinaamse geschiedenis. Zij doen dat met heel veel lef, deskundigheid, kritische zin én overgave, en daarmee slagen zij erin niet alleen hun Surinaamse, maar ook hun Nederlandse collega’s de loef af te steken. Van Surinaamse kant kan je op dit ogenblik geen journalistieke hoogstandjes verwachten – de slechte verloning en het eerder dociele karakter van de pers zijn daar niet vreemd aan -, maar Nederland beschikt wél over Surinamekenners in de persoon van Hans Buddingh’, Gerard van Westerloo, Jan Janssen van Galen, Jeroen Trommelen, Ellen De Vries, Joost Oranje en Harmen Boerboom, die dat waarschijnlijk zouden kunnen. Ik vermoed dat Nederland, en misschien ook deze heren en dame zich na de machtsovername door Bouterse minder zijn gaan inlaten met Suriname. Suriname is al lang geen ‘binnenlands nieuws’ meer.
De Ware Tijd. Foto @ Herman Dulder
 
De ‘nieuwkomers’ Evers en Van Maele zijn in dat gat gesprongen en hebben zich vastgebeten in een Suriname dat almaar meer uit de Nederlandse kranten dreigt te verdwijnen. Zij hebben waarschijnlijk het voordeel dat zij minder bezoedeld zijn door het verleden – zeker de Belg Van Maele – waardoor zij gemakkelijker toegang hebben gevonden tot hun Surinaamse gesprekspartners. Het resultaat is een genuanceerd, maar kritisch beeld van twee jaar regering-Bouterse, geschreven door goed geïnformeerde outsiders die ook van binnenuit die periode op de voet gevolgd hebben.  
 
Het lijvige boek bestaat uit niet minder dan dertig hoofdstukken. Ongeveer de helft ervan behandelen de aanloop naar de verkiezingen van 2010, de formatie en de eerste dagen van Bouterses presidentschap. Welke partijen streden mee om de gunst van de kiezer? Hoe verliep de regeringsformatie? Welke cruciale momenten waren er vooraleer Bouterse werd geïnstalleerd? Aan de orde komt ook de belangrijke vraag  hoe de Nederlandse oud-kolonie er sinds de onafhankelijkheid van 1975 politiek, sociaal-maatschappelijk en economisch voorstaat. In de tweede helft van het boek wordt voornamelijk ingezoomd op de grote verkiezingsbeloftes die niet of nauwelijks worden waargemaakt, op de relatie met Nederland die almaar meer onderkoeld raakt en op de interne ruzies van de Bouterse-regering.
 
De auteurs beschrijven zeer uitvoerig hoe Bouterse steeds meer macht naar zich toe begint te  trekken ten koste van het parlement en de eigen ministers en na anderhalf jaar is het voor hen duidelijk dat oude gewoontes weer bij hem bovenkomen. Zo weet de president een omstreden amnestiewet voor de Decembermoorden door het parlement te jagen.
 
De twee auteurs noemen Bouterse op het einde van hun inleiding ‘de man die onder de schaduw vaan zijn eigen verleden uit wil komen’, maar dat doet hij op een niet zo fraaie manier schrijven zij in een epiloog: “De president herschrijft momenteel zijn eigen geschiedenis, hij zet de gebeurtenissen op Fort Zeelandia naar zijn hand, hij censureert hem onwelgevallige schoolboeken en richt musea in die zijn versie van het verhaal vertellen. Daarin zijn de Decembermoorden een pijnlijke, doch noodzakelijke voetnoot en is de staatsgreep een waarachtige revolutie. Maar die zelfgeschreven historie is slechts tijdelijk en ruim interpreteerbaar. Net als er zijn die hem verafgoden, zullen veel Surinamers hem herinneren als de persoon die een staatsgreep pleegde, verantwoordelijk was voor de moord op vijftien tegenstanders en vervolgens als democratisch gekozen president niet in staat was het land bijeen te brengen, maar zichzelf wel vrijwaarde van een gerechtelijk vonnis.” (p. 421) 
 
Het boek gaat voornamelijk over de laatste twee jaar, maar doet eigenlijk veel meer: naast de zeer levendige journalistieke benadering waarmee de twee auteur bijna van dag  op dag beschrijven wat er onder Bouterse gebeurt, reconstrueren ze ook, en passant, een stuk Surinaamse geschiedenis zodat de lezer niet alleen twee jaar Bouterse, maar op een drafje ook een heel land en haar geschiedenis gepresenteerd krijgt. De auteurs slagen erin om naadloos over te springen van de dagelijkse politieke realiteit naar boeiende expliciterende passages, zoals het grensconflict met Guyana en met Frans-Guyana dat al dateert uit de negentiende eeuw. Vooral in die passages bewijzen zij dat ze veel meer dan oppervlakkige waarnemers van de actualiteit zijn. Hun voetnotenapparaat en literatuurverwijzingen illustreren dat trouwens. Het boek geeft ook een zeer goed inzicht – het is bij momenten zelfs gênant om te lezen hoe figuren als Somohardjo en Brunswijk aan politiek pro domo doen – in het hoge gehalte van dorpspolitiek die in Suriname bedreven wordt.
 
De  twee auteurs zijn kritisch in hun benadering, maar niet blind zoals sommige Nederlanders en Surinamers die Bouterse rauw lusten. Zij constateren en vermelden dat na één jaar Bouterse het internationale isolement verder weg is dan ooit. “Er gebeurt iets in het voorheen doodse Paramaribo”. Zowel de Amerikaanse als de Franse ambassadeur hebben lovende woorden over voor de regering-Bouterse, voornamelijk dan voor het internationale optreden. Het is maar zeer de vraag of ze dat ook vinden van de binnenlandse politiek van Bouterse. De auteurs schrijven: “Intern gekrakeel en hoog oplopende partijruzies  maken Bouterses regering instabiel. Halverwege zijn termijn stuurde Bouterse al zeven ministers de laan uit. Bovendien worden net als onder de vorige president Venetiaan op de vele ministeries aan de lopende band ambtenaren ontslagen om plaats te maken voor regeringsgetrouwen.” (p. 415). Er doet zich een NDP-isatie voor. Uit zeer goede bron weet ik dat niet-partijpolitieke bewegingen van onderuit, zoals in het district Para bijvoorbeeld, monddood worden gemaakt.  Dat is jammer en onbegrijpelijk, te meer omdat de grondwet van 1987, geschreven door NDP’ers, participatief democratische principes vooropstelde.
In hun besluit drukken de twee auteurs uit dat Bouterse pas uit de politieke arena zal verdwijnen op het moment dat hij zijn laatste adem uitblaast – en dan laat hij naar verwachting een loodzware erfenis na. Ik vrees dat zij gelijk hebben. Bouterses aanwezigheid drijft een wig doorheen de Surinaamse samenleving. Hij is nu 67 jaar …
 
Hoe moet het nu verder volgens hen met Suriname? “Er moet een leider opstaan die tegelijk het paternalisme, het cliëntelisme en het nepotisme doorbreekt en een streep trekt onder de jaren tachtig. Een leider die erin slaagt het ambtelijk apparaat af te slanken, het onderwijs te vernieuwen en een bloeiende industrie te creëren. Maar alleen al het voornemen om af te rekenen met het accommoderen van partijgetrouwen staat in Suriname gelijk aan politieke zelfmoord. Bovendien vertrok de afgelopen decennia zo goed als het complete intellectuele kader uit het land, ligt het onderwijs op apegapen en lijdt de rechtsstaat onder dezelfde groeipijnen als waarmee andere jonge democratieën te kampen hebben.”
Een pessimistisch besluit? Ja en nee, zeggen de auteurs. “Suriname is verre van een failed state, zoals Haïti of Congo dat zijn. De Surinamer heeft het stukken beter dan een inwoner van Guyana, Bolivia, Cuba of Jamaica. Maar de grondstoffen zijn eindig. En wat dan?  Maar liefst 60 procent van de bevolking werkt bij de overheid of in semi-overheidsbedrijven. De braindrain blijft hoog.”
De laatste zin is tekenend voor de houding van beide auteurs: “In ons rommelt de wanhoop maar we zetten tegelijkertijd een monter gezicht op, uit onwil en onvermogen volslagen pessimistisch te zijn. We zien zo’n prachtig land met zulke prachtige mensen liever niet naar de verdoemenis gaan.”  
“Bouterse aan de macht” is een goed én belangrijk boek. Ik hoop dat het een ruim lezerspubliek mag vinden, zowel in Nederland als in Suriname, en vooral dat het gelezen mag worden zoals het bedoeld is: als een genuanceerd kritische schets van een periode en een figuur waarvoor de meeste journalisten zich wegstopten, deels omdat zij (de Surinamers dan) vinden dat je op een eerbiedige manier moet omspringen met de machtshebbers van welke origine ze ook zijn, deels omdat zij (de Nederlanders dan) menen dat Suriname onder Bouterse een vogel voor de kat is. Beide auteurs hebben een ‘derde weg’ proberen te bewandelen en dat lijkt mij de enig valabele.
Ivo Evers en Pieter Van Maele, Bouterse aan de macht, De Bezige Bij, Amsterdam, 2012, 464 blz., ISBN 9789023472933

Pijnen van een Pachakuti; Bolivia onder Evo Morales

door Els Moor

Walter Lotens (links)

De Belg Walter Lotens is geen onbekende in Suriname. Hij heeft hier enkele jaren gewoond en schreef boeken over ons land. Zo’n relatie heeft hij ook met Bolivia. Onlangs verscheen een boek van hem over dat land op ons continent onder de titel Pijnen van een Pachakuti. Bolivia onder Evo Morales. Wat is dat, een Pachakuti, denk je als je de titel leest. In de ‘Noten’ op pagina 19 staat de uitleg van dit woord uit een inheemse taal – het Quechua – die nogal ingewikkeld is. Het komt erop neer dat het gaat om een verandering in de loop van de tijd. Een nieuw begin dus dat altijd twee kanten heeft. Iets meer dan vijfhonderd jaar geleden begon er een Pachakuti met de verovering door de Spanjaarden. En nu? Zo’n titel maakt nieuwsgierig.

Aymara

 

Bolivia

Bolivia ligt in het midden van Zuid-Amerika, in het westen van het continent. Het is omgeven door vijf andere landen en heeft geen zeehaven. De oostelijke kant bestaat uit hete, tropische laagvlaktes en het westelijk deel ligt in het hooggebergte, de Andes, waar inheemse volkeren wonen met zelfs grote steden, Cochabamba en El Alto (de naam zegt het al!), voornamelijk bewoond door inheemsen. In Bolivia leven veel verschillende volkeren, inheemse, van wie de Aymara’s en de Quechua’s de bekendste zijn, uit Europa afkomstige en ‘moksi’. Spaans is de officiële taal. Daarnaast worden er vierendertig inheemse talen gesproken. Bolivia is ongeveer tweemaal zo groot als Suriname, heeft grote steden en ongeveer tien miljoen inwoners. Cochabamba ligt op een hoogte van 2600 meter. Er wonen daar voornamelijk Aymara’s en de stad kende heel veel opstanden.

Bolivia is een ontwikkelingsland. Het armoedeniveau is ongeveer 50%. In 1825 werd het onafhankelijk van Spanje. Sindsdien heeft het land niet minder dan honderdtachtig staatsgrepen meegemaakt. Het werd meestal geregeerd door afstammelingen van Europeanen. De inheemse volken werden achtergehouden en vaak zelfs gediscrimineerd. In 1952 vond een linkse revolutie plaats. De tinmijnen werden genationaliseerd en landbouwgronden herverdeeld op basis van een eerlijke verdeling. In 1964 was er een militaire staatsgreep, waarna alles weer in negatieve zin veranderde, tot de macht in 1982 werd overgedragen aan een burgerregering. In 1997 werd Hugo Banzer tot president gekozen, een van de militaire leiders die zijn ‘groene jasje’ had uitgetrokken om als burger mee te doen aan de ‘democratie’. We kennen dat!
De huidige president is Evo Morales (1956). Eind 2005 werd hij gekozen en in 2006 geïnstalleerd. Er werd toen ook een inheemse ceremonie gehouden. Hij is de eerste inheemse president, een Aymara, en hij kleedt zich ook vaak als zodanig! Zijn partij is de MAS (Beweging voor Socialisme), een oppositiepartij, niet voor stakingen, wel voor protestdemonstraties. Die waren er vaak, bijvoorbeeld tegen het feit dat internationale bedrijven de watervoorziening hadden overgenomen. Morales wilde niet dat buitenlanders er veel aan verdienden, maar dat de Bolivianen op een goede en goedkope manier hun water hadden. Ook was er een ‘gasoorlog’ met dezelfde argumenten. Morales was de populaire leider van de ‘Cocalero’, een progressieve federatie van cocatelers. Coca is namelijk iets anders dan cocaïne. Coca wordt door de meeste Bolivianen dagelijks gebruikt. Ze kauwen op de blaadjes en drinken er thee van. Er zijn veel cocaverbouwers die vaak tegengewerkt werden, met name onder invloed van de Verenigde Staten! Er zijn veel opstanden van cocatelers geweest.

 

Nieuw denken
Aan dit stukje geschiedenis van Bolivia zien we dat er sprake is van een ‘nieuw denken’, dat sterk beïnvloed wordt door de nieuwe kracht van de inheemse volken. Tegenover traditionele politieke en vooral economische systemen stellen zij hun harmonie met de natuur, de rechten van de natuur en het respect voor Moeder Aarde. We begrijpen dat er vanuit westers denkenden binnen de economie en vanuit de Verenigde Staten verzet kwam. Vanuit de inheemsen moet het nieuwe denken niet gezien worden als het opleggen van een nieuw systeem, maar vooral als het verwerpen van de eeuwenlange onderdrukking. Het uit zich onder andere ook in een onderwijssysteem voor Aymara en andere inheemse leerlingen vanuit de eigen cultuur en taal naar de wereld toe! Binnen de visie van Morales en de inheemse denkers geldt ook dat van Europa overgenomen staatsstructuren en godsdiensten de eigenheid en vrijheid van Bolivia tegenhouden!
De Boliviaanse muziekgroep Pachakuti

 

Pachakuti
Hoe zal het aflopen met het presidentschap van Evo Morales? Veel positieve zaken gebeurden onder zijn bewind (in 2009 werd hij herkozen). De salarissen van ministers en ‘hoge’ ambtenaren gingen fors omlaag, buitenlandse maatschappijen werden genationaliseerd, kinderbijslag kwam en de pensioenleeftijd ging omlaag. Heel belangrijk is tevens de nieuwe grondwet die na jarenlang werken eraan door velen in 2009 officieel werd en waarin de rechten van alle Bolivianen, ook de inheemsen, duidelijk zijn vastgelegd. Die grondwet is als boek overal te koop. Iedereen kent zijn rechten. Maar ook tijdens het bewind van Morales zijn er veel fouten gemaakt en corruptie binnen regering en ministeries was niet uit te bannen. Cliëntelisme, het principe van ‘voor wat hoort wat’ speelt eveneens een rol, zelfs bij Morales. Pachakuti, het op weg zijn naar vernieuwing, blijft altijd die twee kanten houden, de oude en de nieuwe en het is een lang proces om werkelijk tot vernieuwing te komen. Daarom slaat de titel van het boek de spijker zo precies op zijn kop!

 

Het boek
Pijnen van een Pachakuti  is, zoals u hebt kunnen lezen, een boek waarin Surinamers veel kunnen herkennen. We zien weer eens dat ons land toch echt ook Zuid-Amerikaans is. Bolivia is groter, met veel meer mensen en daardoor zijn de reacties van tegenstanders bij ons niet zo heftig, hoewel de ‘stille tochten’ tegen de amnestiewet er niet om logen!
Jammer is het dat er veel in het boek staat dat Lotens ook weg had kunnen laten om deze kern sterker over te laten komen. Hij springt erg van de hak op de tak. Veel over Belgische oblaten die de kant van de ‘Andinistos’ kozen. Dat is goed, maar waarom al die privébijzonderheden, ook met betrekking tot schrijvers over Bolivia, over inheemsen in België, enzovoort? De kern is heel sterk, maar je moet het allemaal bij elkaar zoeken. Behalve het allerlaatste deel, waarin Lotens zich houdt aan het bewind van Evo Morales. ‘In de beperking toont zich de meester!’
Walter Lotens: Pijnen van een Pachakuti. Bolivia onder Evo Morales. Brussel: ASP, 2012. ISBN 978 90 7028 917 1

Pijnen van een Pachakuti

Walter Lotens over Bolovia onder Evo Morales

Bolivia is een maatschappelijk laboratorium waarin oud en nieuw aan het gisten zijn. Moeder Aarde én moderniteit, buen vivir én productiviteit, platteland én verstedelijking, culturele eigenheid én pluraliteit, traditionele politiek én nieuwe sociale bewegingen, fundamentalisme én realpolitiek, centralisme én regionalisme, (neo)liberalisme én (neo)socialisme. Dat veranderingsproces verloopt niet zonder slag of stoot. Daar komen groeipijnen bij te pas. In dit inspirerende maatschappelijke proefveld gaat auteur, reiziger en Boliviakenner Walter Lotens op zoek naar constructieve elementen voor een nieuwe grammatica van links.

Pijnen van een Pachakuti. Bolivia onder Evo Morales is ook een reis door het land van Evo Morales waarin de auteur zijn dagelijkse contacten met de gewone Boliviaan beschrijft. Het geeft tevens een inkijk in het werk en het engagement van de Belgische oblaten, die al meer dan vijftig jaar actief zijn in Bolivia.

“(Een boek) over het heden en het verleden van een land op zoek naar een ‘socialisme van de 21ste eeuw’, naar een nieuw ontwikkelingsparadigma, naar een ‘buen vivir’ of ‘het goede leven’, met lessen voor de linkerzijde in Europa.” (Francine Mestrum)

Walter Lotens is een kosmopoliet met speciale aandacht voor Latijns-Amerika. Hij schreef Abya-Yala (1993), De pijn van Pachamama (1997) over Bolivia en Deuken in Sandino’s hoed (1998). Over Suriname, waar hij jaren gewoond heeft, verschenen Gesprekken aan de waterkant (2000), Suriname in stukjes (2002) en Omkijken naar een “revolutie” (2004). Ticket naar Shangri-la, (2006) en De ziel reist te voet (2008) zijn beschouwingen over reizen. Voor Het vacuüm van de kosmopoliet (2008) en Groeten uit Borgerhout (2010) bleef hij dichter bij huis. Lotens houdt lezingen rond de thema’s die hij in zijn boeken aansnijdt (www.walterlotens.net).

Uitgeverij: ASP editions
Prijs € 25,00
ISBN: 9789070289171
309 pagina’s

Badal: tandenknarsend lezen

door Walter Lotens

De Nederlandse auteur van Surinaamse origine Anil Ramdas is een zeer productief man. De papegaai, de stier en de klimmende bougainvillea (1992). Het besluit van Mai (1994), De beroepsherinneraar (1996), Zonder liefde valt best te leven (2004) en Het geheugen van een stad (2000) zijn maar enkele titels van hem. Paramaribo, de vrolijkste stad in de jungle, een kritische blik op zijn geboorteland, verscheen twee jaar geleden en nu ligt er alweer een vuistdik boek van hem klaar. De eigenzinnige essayist maakt met Badal de overstap van literaire non-fictie naar het terrein van de literatuur tout court. Badal is zijn eerste roman. Tussen het verschijnen van de verhalenbundel Het geheugen van de stad en Badal ligt een decennium en een wereld van verschil en kwaliteit.

Voor het contrast grijp ik eerst terug op Het geheugen van de stad. ‘Plotseling doemden dan die grote koplampen van de pick-up op, je kon dat van heel ver al zien. Geluidloos. Pas na een hele tijd hoorde je de motor.’ (p.13). Hij woonde toen aan de Kwattaweg. Met zijn grootvader trok de kleine Koemar ’s morgens heel vroeg naar de markt in Paramaribo om groenten te verkopen. Dat Surinaams beeld staat scherp in het geheugen gegrift van de Rotterdammer Koemar Khargi.
‘Het geluidloze licht van Suriname’ is één van de tien verhalen die tot het geheugen van Rotterdam behoren. Anil Ramdas schreef dit boek naar aanleiding van de tentoonstelling Rotterdammers, die tot 2010 te zien was in het Wereldmuseum in Rotterdam. In deze multiculturele havenstad van 600.000 inwoners werken en wonen ongeveer 180 verschillende nationaliteiten. De nieuwe Rotterdammers met wie Ramdas sprak, komen uit Marokko, China, Kaapverdië, Suriname, Curaçao, Bosnië, Turkije en Italië. Hij wilde weten hoe zij hun gloednieuwe plek op aarde hadden veroverd. Volgens hem heeft Rotterdam zich niet tot een wereldstad gemaakt door de skyline, maar door de herinneringen van zijn inwoners. Voortdurend kampt de verteller met dubbele gevoelens wanneer hij of zij het heeft over ‘hier’ en ‘daar’. De oudere geinterviewden balanceren tussen ‘toen’ en ‘nu’, de jongeren tussen hun Nederlandse omgeving en hun migrantenstamboom. De migrant verhuist niet alleen met zijn familie en heel zijn hebben en houden, maar ook met zijn geheugen. De Nederlandse baksteen krijgt daardoor een ander karakter.
Het geheugen van de stad is een zeer intimistisch en poëtisch tijdsdocument, waarin meer gesproken wordt over de bergen van Marokko, de haven van Hongkong of het Surinaamse platteland dan over Zuidplein of Feijenoord. De litereraire zwerfkat Anil Ramdas speelt met dit thema op zijn geliefkoosd terrein. ‘Met deze verhalen,’ schrijft hij, ‘kan ik aantonen dat Turken en Italianen en Zeeuwen en Antillianen niet dezelfde mensen zijn, maar misschien wel dezelfde levensmotieven hebben.’ (p.9). Ramdas doet dat op een sublieme manier. Dit boek is niet alleen een schitterend staaltje van orale geschiedschrijving, maar tevens een literair pareltje. De sociaal-geograaf of stadsantropoloog Ramdas slaagt erin om met zijn vaardige pen tien getuigenissen van mensen op te tillen tot een niveau dat ergens op de literatuurpagina’s thuis hoort. Vooral het verhaal ‘Elk vlokje is een ziel’ waarin hij de levensgeschiedenis van Sasa uit Serajevo die aan ongeneeslijke kanker lijdt, te boek stelt, kleeft aan de ribben. Niet alleen de tekst, maar ook het fotomateriaal maken deze uitgave tot een juweeltje. Elk verhaal opent met een kleurenfoto van de verteller(s) in zijn(hun) familiekring. Pas op het einde van de tekst volgen de historische zwart-wit foto’s. Het is de visuele bekroning van een prachtige leeservaring en dus een boek om te koesteren.

En nu een bespreking van Badal. Hoofdpersoon in deze roman is de ouder wordende Harry Badal die zich heeft teruggetrokken in Zandvoort aan de Nederlandse kust. Het is zeker niet de meest vrolijke plek van Nederland waar hij zijn dagen doorbrengt en informatie verzamelt voor een essay over white trash. Dat zijn voor hem de kansarme autochtone Wildersstemmers. Met dat onderzoek wil Badal zijn leven en zijn werk opnieuw op het spoor krijgen. Hij was ooit een ‘beroemde Hindoestaan’, een Nederlandse Surinamer van Indische afkomst. Badal had invloed als opiniemaker over thema’s als racisme, kolonialisme en multiculturaliteit, maar door zijn alcoholisme is hij aan lagerwal geraakt en volledig vervreemd van zijn vrouw en kinderen. Hij wordt een nukkige geheelonthouder − seven up is zijn enige drank − en leeft zeer teruggetrokken.
S., een Surinaamse vrouw, is de enige met wie hij in Zandvoort echt veel contacten onderhoudt. Met haar houdt hij diepzinnige gesprekken, die zeer geregeld afgewisseld worden met chronologische flashbacks over zijn kosmopolitische carrière, die hem van Suriname, over Nederland, naar de Caraïben en India brengt. Tijdens zijn reizen ontmoet hij ook een zekere Anh, een geheimzinnige Vietnamese journaliste met wie hij een platonische verhouding heeft en die op verschillende plaatsen van de wereldbol ontmoet. Harry Badal kikt niet op vrouwen, maar wel op hun intellectuele capaciteiten.
Dat blijkt ook uit de slotbladzijden als hij, de niet meer drinker, opnieuw in de drank vliegt en dronken met S. op het strand van Zandvoort belandt. Een poging tot fysiek contact mislukt en uiteindelijk vlucht hij in het water – zijn het dronkenman hallucinaties of gaat hij zelfmoord plegen? – en in de muziek. Hij hoort Santa Maria van Gotan project. Badal laat ‘zich zachtjes wiegen op een zesachtstemaat’ van deze Parijse muziekband en verdwijnt (p.412).

Na dat slotzinnetje heeft de lezer 412 bladzijden achter de kiezen. Ik heb er een groot aantal tandenknarsend van gelezen. Misschien is het mijn handicap dat ik te veel werken van Anil Ramdas heb gelezen, maar voor mij is Harry Badal een slecht vermomd romanpersonage. Je kijkt er los doorheen en dan blijft er alleen maar Ramdas over. De auteur doet ook geen enkele moeite om dit te ontkennen, want wat Badal doet is exact een chronologische afdruk van Ramdas’ carrière. Op het arbeidsbureau wordt hij ingeschreven als invalkracht aardrijkskunde (Ramdas is sociaal geograaf). De Groene Amsterdammer waarvoor Ramdas werkte, wordt ‘het Weekblad’, de bijlage van NRC/Handelsblad wordt ‘het Bijvoegsel’. Ramdas zat in 1992 bij Zomergasten, dus Badal ook. Ramdas trekt als journalist naar India, Badal ook en ga zo maar door. Dat is ongetwijfeld voor Ramdas een uitgelezen positie om het, schaars vermomd als Badal, over eigen winkel te hebben, zoals op p. 340 waar hij een redacteur laat zeggen: ‘Er zijn nog altijd redacteuren die vinden dat je niet aan journalistiek doet, maar egodocumenten produceert’. Ook zijn geliefkoosde auteurs die hij uitvoerig in zijn essays behandelt zoals Stuart Hall, Pico Iyer, Joseph Conrad, Salman Rushdie en V.S. Naipaul (erudiet, briljant en chagrijnig zoals Badal?) mogen niet ontbreken. Badal blijkt ook een meer dan gewone filmkenner te zijn en die kennis weet hij in zijn gesprekken met zijn intellectuele vriendinnen breeduit te smeren. Er is een hoofdstuk dat Under the Volcano heet en dat is een subtiele verwijzing naar de schitterende roman van Malcolm Lowry waarin het hoofdpersonage een tragische zuipschuit is. In de meeste gevallen blijft het echter niet bij een subtiele verwijzing, maar gaat het om een opeenstapeling van weetjes die op zich misschien interessant zijn, maar alleszins niet functioneel in het kader van een roman. Wanneer hij bijvoorbeeld Chindler’s list in ‘de roman’ binnenhaalt, begint Badal of een van zijn vriendinnen aan een uitvoerig nummertje kennisetalage waardoor hij misschien wel in aanmerking zou kunnen komen voor een onderscheiding in een quiz als ‘de slimste mens ter wereld’, maar zeker niet voor een prijs als de beste romancier. Wanneer het boek weer de richting van de ‘omgevallen boekenkast’ opging, voelde ik mij terechtkomen in een heel ander leesregister waar eerder encyclopedieën thuishoren.

Ramdas slaagt er bij momenten in om Badal een gecomplexeerd Woody Allen-achtig karakter mee te geven, maar ook in een aantal films van deze kineast stuit ik op het intellectualisme dat het artistieke karakter van het geheel te niet doet. Het is niet voldoende om te strooien met bons mots zoals ‘een migrant word je pas als je bij je moeder weg wil’ (p.40) of te weten dat er tijdens de Tweede Wereldoorlog Indiase soldaten in Zandvoort op olifanten over het strand banjerden om een goede roman te schrijven. Dat is de reden van mijn veelvuldig tandengeknars tijdens de lectuur van dit boek. Badal is naar mijn smaak een slechte roman van iemand met een zeer goede pen. Anil Ramdas zou zich misschien beter houden aan literaire non-fictie zoals in het prachtige Geheugen van een stad of aan tegendraadse essays met een zeer persoonlijke stempel. Over white trash bijvoorbeeld.

Anil Ramdas, Badal. Amsterdam: De Bezige Bij, 2011. 412 p. ISBN 9789023459040, prijs € 19,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter