blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Levens Alphons

Nieuw boek Alphons Levens

Hij zegt het vaker: ‘Schrijvers moeten schrijven.’ En hij geeft het goede voorbeeld. Regelmatig kunnen we zijn gedichten lezen in de krant en op het internet. Zijn werk staat in verschillende bundels. Zeven boeken staan op zijn naam en nu volgt dan het achtste. Ik zal leren totdat ik moe ben. Het is een verhaal voor jong en oud. Veel meer wil hij er niet over kwijt. De mensen moeten het boek zelf lezen. Op woensdag 30 oktober zal hij in Tori Oso een exemplaar aanbieden aan Schrijversgroep ’77. Het boek is dan ook te koop en kan gesigneerd worden. Er zullen ook signeersessies zijn in VACO. Dag en tijd worden nog bekendgemaakt.

[Mededeling Schrijversgroep ’77]

Boeken Toptien Carifesta

Dank zij de nauwkeurige boekhouding van Alphons Levens zijn we in staat een boekentoptien samen te stellen van de meest verkochte boeken in de collectieve stand op de Carifesta XI Bookfair, die door Schrijversgroep ’77 werd beheerd. In deze stand lagen boeken van 40 schrijvers. Het aantal titels waarvan minstens 1 exemplaar is verkocht bedroeg 142. In totaal zijn er 506 boeken verkocht.

Het best verkochte boek was De fiets (36x) van Anne Huits. Daarna volgde Lees mee deel 1 (28x) van Ismene Krishnadath. Op de derde plaats stond Anansi redt de Zoo (19x), ook van Ismene Krishnadath. Een gedeelde 4/5e plaats gaat naar Anansi gaat naar de Wonotobovallen (16x) van Susan Leefmans en Cocosolie (16x) van Ans Lieveld. De 6e en 7e plaats werden gedeeld door Kook Mee (11x) van Ismene Krishnadath en Prodokaka (11x) van Carla Sanichar. Nummer 8/9/10 waren voor Lees mee deel 2 van Ismene Krishnadath, Wat een mop van Anne Huits en Vreemde dingen uit Mariënburg van R. Hazelhoef. Van de laatste drie titels werden elk 10 exemplaren verkocht.

Helaas hebben we geen verkoopcijfers van de stand van Stichting Projecten en van Uitgeverij Afaka. Het zou interessant zijn ook de boeken van die stands te betrekken bij de boekentoptien.
Tranen van Moeder Aarde
Een van de interessante boeken in de stand van Stichting projecten was Tranen van Moeder Aarde. Het boek is een mooi geïllustreerde, kleurige uitgave in het Nederlands en Engels over milieuvervuiling. Op kinderlijke manier leren kinderen waarom Moeder Aarde zo’n verdriet heeft en wat zij kunnen doen om Moeder Aarde weer blij te maken. Bij het boek hoort een dvd met de musicaluitgave van Tranen van Moeder Aarde. De musical is ook in het Engels. De schrijfster is Sylvana Resida, een muzieklerares. Het boek is een uitgave van Stichting Projecten en aan de cd heeft Lisibeti Music Performance meegewerkt. Het geheel mag dan er dan ook wezen.
[mededeling van Schrijversgroep ’77]

Schrijversgroep ’77 presenteert gedichtenbundel Fri

De gedichtenbundel Fri met 48 gedichten is een uitgave van de Schrijversgroep’77 in verband met de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij. Het idee voor de bundel ontstond in 2012. Een commissie onder leiding van Johan Roozer, waarvan verder Arlette Codfried en Sombra lid waren, riep dichters op hun emoties rond vrijheid te verwoorden.

Hein Eersel zal op uitnodiging van de Schrijversgroep’77 zijn licht laten schijnen op de bundel. Er zullen tien gedichten uit deze bundel worden voorgedragen. Naast bekende dichters zoals Sombra en Alphons Levens hebben ook nieuwe dichters werk aangedragen, zoals Cobi Pengel, Rose-Marie Maître, Hermien Wimpell, Josta Vaseur, Judith Ruimwijk, John Verwey, Patricia Rotgans, Raoel Doelahasori en Jennifer Lawson.

Alphons Levens

Ook is een uniek project opgenomen, waarbij het Nederlandstalig gedicht Vrijheid in vijf Surinaamse talen is vertaald door onder andere Dorus Vrede, Jit Narain en Kadi Kartokromo. Ook zal eindredacteur Robby Parabirsing (Rappa) vertellen hoe de productie van manuscript tot eindproduct is verlopen. Dit is vooral interessant voor opkomende dichters die meer willen weten over de mogelijkheden om hun werk te publiceren.

Op woensdag 26 juni 2013 zal de Schrijversgroep’77 de gedichtenbundel ‘Fri’ in Tori Oso aan de Frederik Derbystraat presenteren. Aanvangstijd: 20.00 uur.

Kinderboekenfestival Commewijne

Op woensdag 24 april wordt het Kinderboekenfestival te Nieuw Amsterdam, Commewijne geopend. Het thema van het festival is www.welzijn en de slogan luidt ‘Met mijn eigen idee werk ik goed mee, zodat ik zelf ook welzijn beleef!’ De officiële en feestelijke opening is van 17.00 – 19.00 in het openluchtmuseum te Nieuw Amsterdam. Het festival is open voor scholen en algemeen publiek op donderdag, vrijdag en zaterdag, zowel in de ochtend- als in de middaguren. Schrijversgroep ’77 heeft een stand op het festival en daar kunt u onder andere Irene Welles, Hilli Arduin, Sombra, Alphons Levens, Kadi Kartokromo kunnen ontmoeten.

Jong talent put uit ervaring oude schrijvers

door Audry Wajwakana

Paramaribo – Vijf jonge generatie schrijvers hebben dinsdagavond, tijdens de maandelijkse bijeenkomst van Schrijversgroep ’77, hun schrijverstalent in Tori Oso gepresenteerd. Dit middels rap, poëzie en voorleesverhalen. “Het is prettig te zien dat jongeren zich ook serieus met dicht- en vertelkunst bezighouden”, zegt kunstverteller Hilli Arduin. Als ervaren schrijfster vond zij het nodig naar ‘de ontmoeting tussen jonge en oude schrijvers’ te komen. “Dit om ook feedback te geven op hun presentaties, zodat ze kunnen werken aan hun groei”, zegt Arduin.
Sylvana Dankerlui interviewt Jeffrey Quartier over zijn ervaringen als jonge schrijver. (Foto: Irvin Ngariman)
Leerrijk
Onder het slecht opgekomen publiek bevond zich een groep jongeren die geïnspireerd werd door de presentaties van de oudere dichters. De achttienjarige Kevin Edo zegt altijd het idee te hebben gehad dat dichten voor oudere mensen is. Samen met zijn vriend Ditrich Renfrum, kwamen zij hun ‘maatje’ Emanuels Sanvisi (15 jaar) ondersteunen. Die beet het spits af met rap en een spoken word gedicht. Het drietal houdt zich voornamelijk bezig met rap, maar wil ook de andere vormen van dichten leren kennen. De jongens geven toe dat gedichten zonder muzikale begeleiding hen niet aanspreken. “Droge poëzie spreekt jongeren niet aan!”, zegt Renfrum. Toch zeggen ze wat opgestoken te hebben van de presentatie van dichter Alphons Levens. Volgens Renfrum zijn artiesten gauw tevreden met het maken van een goede beat, waardoor men geen aandacht besteedt aan het maken van goede en sterke teksten. De groep zegt een combinatie van beide in hun werken te willen hebben. Die is volgens hen terug te vinden in de poëzie. “Voor ons was het een leerrijke avond, want we hebben gehoord welke stijlen en vormen er zijn om te dichten. We gaan ze vergelijken en kijken wat bij ons past.”
Rose-Marie Maître
Celestine Raalte, winnares van de Henry Frans de Ziel Cultuurprijs, adviseerde de jonge kunstenaars, om kunstwerken van de dichters en schrijvers die hen zijn voorgegaan te lezen. Naast Raalte en Levens presenteerden de dichters Stanley ‘Sombra’ Slijngard en Irene Welles hun dichtstijlen. De jonge talenten werden verder vertegenwoordigd door Rose-Marie Maitre en Jeffrey Quartier, die elk drie korte gedichten voordroegen. Zerachiel van Mark, pseudoniem voor Reza Madari, en Hetty Amatodja namen de verantwoordelijkheid met het voorlezen van zelf geschreven verhalen. Renate Galdij sloot de avond af met twee krachtige gedichten over racisme en hoe zij in Suriname is beland. Dit deed zij middels spoken word poëzie.
[naar de Ware Tijd, 28/03/2013]

Vertellers inspireren vrijgevigheid

 Het publiek kijkt geboeid toe, terwijl toriman Guillaume Pool zijn verhaal vertelt. Woensdag hield de Schrijversgroep ’77 een tori neti die bedoeld was als benefiet. Foto: Irvin Ngariman.
door Charles Chang
 
Paramaribo – Het is lachen en nogmaals lachen op de schrijversavond van Schrijversgroep’77 in Tori Oso. Waar in de eerste helft nog sprake was van enige afwisseling, werd de tweede helft helemaal gevuld met fatu tori van Max Scholsberg. De stamgast en winnaar van de Tori Oso battle 2012 is ook de trekker van de avond. Op voorstel van Tori Oso werd Scholsberg in het programma van Schrijversgroep opgenomen, in de hoop meer publiek aan te trekken – wat ook gebeurt.
De avond is namelijk bedoeld als fundraising voor de publicatie van twee gedichtenbundels. Vorig jaar februari werd ‘Het Jaar van de Poëzie’ uitgeroepen door de Henri Frans de Ziel stichting en de Schrijversgroep 77. “Het thema was vrij en het aantal inzendingen boven verwachting,” zegt commissielid Arlette Codfried hierover. De twee bundels in de pijplijn krijgen de titels Uma en Fri en aan de hand hiervan zijn de gedichten geselecteerd. Ondertussen is het redigeerwerk (pro Deo) gedaan, alleen het drukwerk moet nog gedaan worden. “En daarvoor zoeken we nog fondsen”, aldus Codfried.
Josta Vasseur
Tori
De avond begint met twee voordrachten van Josta Vasseur over vrijheid, gevolgd door een liefdesverhaal van Ismene Krisnadath waarin nimfen mannen verleiden op een Caribisch eiland. Het gedicht ‘Kumba Té’ van Rose-Marie Maître proeft ook naar vrijheid en stonfutu puwemaman Alphons Levens heeft een soortgelijke inhoud met ‘Emancipatie’ uit 1997.
Daarna komen twee professional storytellers aan bod, Hilli Arduin en Guillaume Pool, die het publiek vermaken met hun verhalen, respectievelijk ‘Oom Tampa die verzot was op maagden’ en ‘De koning die van verhalen hield, maar altijd in slaap viel’. Pool wil de moraal van zijn verhaal pas kwijt in de pauze. “Gecompliceerd,” zegt hij eerst geheimzinnig en daarna “De moraal is: heb respect voor het verhaal!”
Albert Roessongh – Sopi tori
Geldbriefje
Na de pauze start Scholsberg met fosten tori over zijn oude woonbuurt Frimangron, een ware verhalenbron, waaruit hij vaker put op de avond. Familie Cederboom, Karel tip tip, oma Misman, maar ook de (verkeerde) radio-uitspraken zijn deze keer de lachonderwerpen. Het publiek dat hem beter kent, roept tussendoor ‘Pokai!’, ‘Kra trafa!’ en ‘Ijskast!’ Maar ‘Schollie’ reageert alleen op ‘Ijskast’ die de familie Cederboom gebruikte als klerenkast (…).
De toriman kent de etnische talen en toont een fotografisch geheugen door een ingewikkelde liefdesbrief van lang geleden uit het hoofd voor te dragen. Vlot als een trein brengt hij de ene fatu na de andere. “Hij kan zo de hele avond doorgaan!”, reageert een bezoeker enthousiast. Het effect was er wel naar, na afloop deden velen een geldbriefje in de donatiedoos.
[uit de Ware Tijd, 01/02/2013]

De avond bracht srd 600,- op.

Boekenactie in Nickerie

Martin Panday

In Nickerie (inclusief Wageningen) kunnen alle leerlingen momenteel Surinaamse kinder- en jeugdboeken bestellen via hun school. Via de school hebben de leerlingen gratis een informatieve krant gehad waarin interviews met 10 Surinaamse schrijvers en informatie over 53 boeken. De geïnterviewde schrijvers zijn: Rappa, Effendi Ketwaru, Alphons Levens, Susan Leefmans, Anne Huits, Frits Wols, Nelius Codrington, Carla Sanichar, Martin Panday en Ismene Krishnadath. De leerlingen kunnen ook meedoen met een prijsvraag. De prijsvraag is een samenwerking van Dagblad Suriname en Publishing Services Suriname. Leerlingen kunnen een boekenpakket en een geldprijs kunnen winnen. Dit schooljaar zullen twee keer tien winnaars worden uitgeroepen.

Levens, Rappa & het betere gedicht

Lucebert, Poëzie is kinderspel
 
De door Rappa te vuur en te zwaard verdedigde Surinaamse dichter Alphons Levens heeft met zijn gedicht “Prestaties” zowaar weer eens een plek(je) verworven in de Ware Tijd van vandaag, nog wel op zijn favoriete plaats, namelijk onder het hoofdredactioneel commentaar. Dat het gedicht geplaatst is is vermeldenswaard, want Rappa levert in een artikel op Caraïbisch Uitzicht, “Dichters in Surinaamse kranten”, van 8 augustus j.l. felle kritiek op de Surinaamse kranten over hun omgang met de Surinaamse dichters en hun poëzie. Rappa schroomt niet de kranten ervan te beschuldigen dat zij de dichter enkel gebruiken als “bladvulling” of als “tijdgebonden rijmelaar”. Ook roept hij pathetisch uit: “Redactieleden van onze dagbladen met minstens een middelbare schoolopleiding als basis moeten toch wel in staat geacht worden het betere gedicht te scheiden van het rijmpje?”
Nu heeft Rappa een paar jaar geleden naar aanleiding van Alphons Levens’ gedicht “Recreëren te Domburg” –naar ik aanneem uit verontwaardiging over de daarop geleverde kritieken– 41 reacties op dit gedicht gebundeld, waarmee hij in feite de verwarring over wát wij als gedicht en wát wij als rijmpje moeten aanmerken alleen nog maar groter wordt. Zonder mij aan een definitie van het begrip poëzie te wagen vond ik op Wikipediatwee uitspraken die mijn ideeën en opvattingen over poëzie erg dicht benaderen. De eerste uitspraak is van de dichter Robert Frost: “Poetry is the kind of thing poets write”, en de tweede is van Louis Armstrong, die gevraagd werd wat jazz is: “Man, if you have to ask what jazz is, you’ll never know!” Poëzie is voor mij een taalvorm of taalconventie in de meest ruime zin van het woord, die wordt gebruikt voor het op een zodanige manier tot uitdrukking brengen van gevoelens, gedachten, ideeën, etcetera, dat de lezer gedwongen wordt het gedicht meermalen en zeer zorgvuldig te lezen om te ontdekken welke bedoelde of onbedoelde boodschap zich in die verpakking bevindt.
Zojuist ontpakt
Als ik nu mijn opvattingen over poëzie loslaat op het gedicht “Prestaties” van Alphons Levens dan moet ik onmiddellijk constateren dat er aan dit gedicht niets te ontpakken valt, het is zo eenduidig en recht toe recht aan dat elk plezier van ontpakken, het ontdekken van het vooralsnog onbekende en onverwachte, de lezer bij voorbaat is ontnomen. Het gedicht luidt:
Prestaties
Hang in elke school in een lokaal
Een thermometer aan de wand
En meet het hele jaar door
Tussen tien en één uur de temperatuur.
Hang ik elke aircoruimte van een volwassene
Een thermometer aan de wand
En doe dezelfde meting het hele jaar door.
Zeg op oudjaar nou eerlijk wie beter presteerde.
Levens staat ons nauwelijks een andere interpretatie toe dan zijn eigen dwingende probleemstelling, namelijk de retorische vraag of studieprestaties afhankelijk zijn van de temperaratuur waarin gewerkt wordt. Daarvoor hoef je echter niet een jaar lang aan temperatuurmeting te doen en evenmin is het nodig om tot oudjaar te wachten. De enige (nauwelijks) verborgen gedachte van Levens is dat hij zou wensen dat alle klaslokalen aircoruimtes waren. Big deal.
Als ik dan denk aan Lucebert, die zijn gedicht  “Ik tracht op poëtische wijze” opent met de regels:
ik tracht op poëtische wijze
dat wil zeggen
eenvouds verlichte waters
de ruimte van het volledig leven
tot uitdrukking te brengen
dan is er bij Levens geen sprake van een poëtische wijze om zijn klaslokaal in Commewijne tot uitdrukking te brengen. Mijn vraag is derhalve of wij het gedicht “Prestaties” van Alphons Levens –en om dezelfde reden veel andere gedichten van hem– onder de noemer poëzie moeten rangschikken? Mijn antwoord is: nee! Maar ik ben dan ook geen “redactielid van een dagblad met minstens een middelbare schoolopleiding”.

Waar! Waar zijn de dichters gebleven?

door Els Moor
Schrijver Rappa ( Robby Parabirsing) hield op 27 juni een inleiding over nieuwe ontwikkelingen in de Surinaamse dichtkunst.  Hij begon met een gedicht van de jonge dichter Gianni Wip, waarvan de eerste regel de titel van Rappa’s  inleiding en ook van dit artikel is: ‘Waar! Waar zijn de dichters gebleven?’[zie de integrale tekst van Rappa’s lezing hieronder – red. CU]
Marlon Tjung Agnie, illustratie uit Rappa’s Fromoe Archie (1984)
Rappa begint met terug te kijken. Vanaf de zestiger jaren tot de periode rond de onafhankelijkheid, srefidensi’  bloeide de eigen poëzie in Suriname. De dichtkunst maakte deel uit van  de bewustwording van de eigenheid van Suriname wat betreft cultuur en kunst. De beweging ‘Wie Eegie Sanie’ is daar een duidelijk voorbeeld van. In 1970 verscheen de eerste druk van de door Shrinivasi samengestelde bundel  Wortoe d’e tan abra, waarin gedichten van zeventien dichters, geschreven vanaf 1957,  in het Sranan en in het Nederlands, staan. Als ik de bundel nu weer doorblader, begrijp ik de regel van  Gianni Wip steeds beter: ‘Waar! Waar zijn de dichters gebleven?’ In deze bundel staan veel  gedichten van hoge kwaliteit, die ‘klassiek’geworden zijn in de loop van de tijd, vooral ook in het Sranan. Iedereen kent toch ‘bro’ van Trefossa, ‘wan’ van Dobru, of  ‘orfeu negro’ (‘mi sa singi/a son/ opo kon) van Michael Slory? Eind jaren zeventig  behoorde de bundel tot het lesmateriaal van de kweekschool, het SPI. Wekelijks las ik een gedicht met de studenten en we spraken erover: wat is er zo bijzonder aan dit gedicht? Wat spreekt ons erin aan? Sommige studenten kenden al gauw gedichten uit het hoofd en droegen die voor. Dan genoten we van de mooie klankeffecten, vooral in het Sranan.
Rappa heeft het niet over over de kwaliteit van deze gedichten. Hij geeft aan hoe het verdergaat met de poëzie in Suriname tot en met de vele literaire festivals van de laatste jaren, waar  gedichten van nieuwe Surinaamse dichters, ook veel vrouwen,  klonken en  in bundels werden aangeboden, ook in het Engels. Suriname is dan deel geworden van  het Caraïbisch gebied, ook op het gebied van literatuur.
Rappa stelt een belangrijke vraag als hij het heeft over de vaak tijdgebonden ‘producten van dichtenden’ uit de jaren tachtig: konden die wel allemaal gerekend worden tot ‘poëzie’? Wat valt daar wel of niet onder? En de rijmpjes uit onze kleuter- en lagere schooltijd? Waar moet een dichter allemaal rekening mee houden? Is een dichter wel vrij? Dit houdt hem kennelijk bezig. In 2010 stelde hij een boekje samen met: 41 spontane reacties op het gedicht “Recreëren te Domburg” van  Alphons Levens. Individuele meningen komen erin voor over het gedicht van Levens en veel reacties van de inzenders op elkaars stukken.  Het is interessant om het boekje weer te lezen. Wat eruit naar voren komt is dat Levens gedichten maakt die een beeld geven van de maatschappij van alledag, informatieve poëzie dus, gericht op een algemeen publiek, vooral van krantenlezers. ‘Prozaïsche poëzie’, lezen we in een van de reacties. Het gedicht  heeft wel degelijk kenmerken van poëzie, zoals de vorm in strofen,  maar experimenten met klank, symboliek en woordkeus ontbreken, kenmerken van die poëzie die onder ‘literaire kunst’ valt.  De realistische inhoud  maakt de gedichten van Levens wel herkenbaar voor een groot leespubliek. 
Dat brengt ons bij een belangrijk punt: een gedicht wordt geschreven met een bepaald doel en voor een bepaald publiek. Daarnee hangen taal en vorm dan samen. Versjes voor jonge kinderen moeten aansluiten bij hun leefwereld, en speels en creatief zijn. ‘Een blie  bla  bloe blawki / zat op een tie ta toe takje/ dat tie ta toe takje/ brie bra broe brak […]’. Het staat in de bundel Popki Patu1 van  Orlando Emanuels en niet alleen kleine, maar ook grotere kinderen vinden het een leuk, ‘spel met de taal’, en ze zingen het en dansen erop. Een andere doelgroep kan het personeel en de relaties van een grote firma zijn in verband met  een jubileumboek, waarin ook een gedicht staat dat de oprichter, of directeur, eert. Zo’n gedicht zal niet spottend zijn, maar liefdevol en in keurige bewoordingen. 
Gedichten kunnen ook kunst zijn, literaire kunst. Literaire kunst en beeldende kunst zijn vergelijkbaar, maar beeldende kunst zie je echt voor je en literaire kunst moet je lezen en dan maar afwachten of de woorden beelden worden, hun materiaal is de taal en dat  is voor velen heel moeilijk. Dat is minder het geval met de mooie gedichten in het Sranan uit Wortoe d’e tan abra. Maar wat maakt een werk tot ‘kunst’?
Soekri Irodikromo – Wayang, verbeelding I, acryl op doek, 70 x 70 cm
‘Maskers’ heet een schilderij van Soeki Irodikromo uit 1992 dat afgedrukt staat in Talent; Uit de kunstcollectie van de Centrale Bank van Suriname (2007). Steve Ammersingh schrijft erbij: ‘De maskers staan voor het beeld dat mensen voor elkaar plegen op te houden, iets anders dan het ware gezicht. Mooie maskers om te bekoren, te verlokken, te verbloemen. Lelijke maskers om te intimideren, af  te schrikken, onverschillige maskers om te verhullen, te verbergen.’ In de wirwar van kleuren komen de maskers met zo verschillende uitdrukkingen helder over. Je kijkt ernaar, je geniet, je ontdekt de symboliek. Je kijkt er vaker naar en steeds ontdek je weer iets in de combinatie van vormen, kleuren en voorstelling. Het werk is gemaakt vanuit de javaanse cultuur, maar het is voor iedereen op de wereld, het is universeel. Dat is kunst.
Ron Flu – De Kwaadspreeksters

‘De kwaadspreeksters’ van Ron Flu is ook kunst. Geen ‘mooie’kunst, maar kunst die spot met een negatief aspect van iedere samenleving (waar ook ter wereld!). Het werk van Ron Flu groeide langzaam naar een geheel eigen stijl toe: sociale onrechtvaardigheden en  misstanden beeldt hij uit met een spottende humor  die je niet gauw vergeet. Het spel van vorm, kleur en uitbeelding van het thema maakt dit werk tot eenmeesterwerk. Mocht een dichter bij dit beeldend kunstwerk een gedicht willen maken, dan zal de taal fel moeten zijn, kwaadaardig en beslist niet fatsoenlijk, een gedicht met veel spot en een schokkend klankenspel. Een dichter hoeft, vooral als hij over de samenleving schrijft beslist niet altijd ‘netjes’ te zijn. Zo is de realiteit ook niet. Als ie er maar mee speelt!

Hetzelfde spel; dat met beelden in specifieke vormen en kleuren gespeeld wordt in de beeldende kunst  maakt ook gedichten tot kunst. Dan  zit er altijd meer in het gedicht  dan je bij eerste lezing denkt, het heeft diepte, door de creatieve  samenhang van inhoud vorm en taal, van beelden en werkelijkheid, van raadsel en herkenbaarheid.  Met goede poëzie blijf je bezig. Steeds weer nieuwe ontdekkingen! 

Waar zijn de dichters gebleven?

door Rappa

Rappa aan het woord, naast Abdelkader Benali. Caraïbische Letterendag, Amsterdam 2009

 

 

 

 

 

 

[Op woensdag 27 juni 2012 hield Rappa [ps. van Robby Parabirsing], neerlandicus, schrijver, voordrachtskunstenaar, uitgever en bibliotheekhouderin het kader van het Jaar van de Poëzie tijdens de reguliere laatste-woensdag-van-de-maandavond van de Schrijversgroep ’77 in Tori Oso (deze avond in samenwerking met de Henry Frans de Zielstichting en het Directoraat Cultuur), een inleiding over nieuwe ontwikkelingen in de Surinaamse dichtkunst. Hieronder de volledige tekst, die bij het uitspreken enigszins was bekort.]

Waar zijn de dichters gebleven? Dit vraagt een van onze jonge dichters, Gianni Wip, zich af. Een stukje uit zijn gelijknamig gedicht:

         […]
Waar!! Zijn de dichters gebleven
Want de schrijvers, die schrijven
Jij weet het, ik weet het, iedereen Weet…
Hoe duur…de…suiker…is

En daar is iets mis mee
Misschien niets mis mee
Punt is
Ik voel een gemis
En dat gemis….
Het maakt me ziek
Waar??
Waar?!
 
Waar!! Zijn de dichters gebleven…

Gianni Wip

Gianni Wip is 24 jaar, is studerende en is in zijn gedichten meestal op zoek naar paradigma’s oftewel het gemeenschappelijke gedachtegoed van de samenleving. Hij vindt dat de Surinaamse poëzie teveel wordt gebruikt als een hamer om mee te slaan. Met een hamer kan je ook ‘dingens uit dingens’ trekken; hij probeert niet tegen, maar vóór iets te zijn. Gianni deed mee aan de Schrijfwedstrijd van Write Now, waaraan Suriname dit jaar voor het eerst  meedeed, en eindigde tijdens de voorronde in Paramaribo op de vierde plaats met een minibundeltje, getiteld Panodrama.

Ja, waar zijn die dichters gebleven? Na de poëtische opleving in de zestiger jaren tot de climax rond onze staatkundige onafhankelijkheid, onze srefidensi (een woordvinding van onze grote dichter Trefossa) leek het inderdaad dat onze dichters verdwenen waren. Zie de indrukwekkende rij van poëten in de klassiek geworden bloemlezing samengesteld door Shrinivasi Wortoe d’e tan abra waarin gedichten vanaf 1957 tot 1973 (bij de verruimde derde druk) zijn verzameld. 

Dichters uit de ‘Wortoe-groep’ zijn o.a. Trefossa (Henri de Ziel), Eugène Rellum, Corly Verlooghen (Rudy Bedacht), Ashantenu Sangodare (Michael Slory), Bhai (James Ramlall), Bernardo Ashetu (H.G. van Ommeren), Johanna Schouten-Elsenhout, Shrinivasi (Martinus Lutchman), R. Dobru (Robin Ewald Raveles), Jozef Slagveer, Frits Wols (Eugène Wong Loi Sing), Orlando Emanuels, Edgar Cairo, Kwame Dandilo (George -Pieter- Polanen), Trudi Guda, Zamani (Astrid Roemer), Paul  Marlee (Paul Nijbroek), Thea Doelwijt, Glenn Sluisdom, Gerrit Barron en Afanti (John Doornkamp)1). De dichters uit de ‘Wortoe-groep’ debuteerden voor het merendeel aan het eind van de jaren ’50 en aan het begin van de jaren ’60, publiceerden vooral tussen 1965 en 1974 in Suriname, in Nederland en op de Nederlandse Antillen in bladen als Tongoni, Soela en Moeteteen hadden bijdragen in het (Surinaams-) Nederlands, het Sranan en het Sarnami.

Toen kwam de onafhankelijkheid en daarmee ook het scheiden van de markt. Om met Hans Breeveld mee te zingen:”Wie gaat weg en wie blijft hier, dat is de vraag van de kruidenier…” Vijf jaar na de staatkundige onafhankelijkheid volgde de militaire machtsovername, de coup. Beide gebeurtenissen inspireerden een grote groep dichtenden, maar konden hun producten, vaak zeer tijdgebonden, wel allemaal tot poëzie gerekend worden? Wat valt überhaupt nou wel of niet onder poëzie? Vallen daar ook de rijmpjes en gedichtjes uit onze kleuter- en lagere schooltijd onder die zó een belangrijk deel van onze taalverwerving vormen dat we die tot op hoge leeftijd foutloos kunnen opzeggen of zingen?
Het is wel opvallend dat de dichter dankzij die beroemde ‘dichterlijke vrijheid’ in feite alles op papier kan zetten en het predikaat ‘gedicht’ kan meegeven. Dat moet de schrijver, de prozaïst, maar eens durven! Is het misschien daarom dat vele creatief schrijvenden in ons land zich eerder tot de poëzie wenden als uitingsvorm (want daar mag toch alles), dan dat zij proza produceren, want daar moet je je aan allerlei conventies (spelling, zinsbouw, woordbetekenissen, perspectief, plot, thematiek, verhaaldraad, tijdstructuur, karakteruitbeelding, enz.) houden. Maar in de praktijk blijkt maar al te vaak dat dichters echt zo vrij niet zijn. Zij worden publiekelijk maar al te vaak aangesproken als zij zich niet houden aan bepaalde conventies. Zie bijvoorbeeld een aantal van 41 reacties die loskwamen naar aanleiding van het gedicht van Alphons Levens, getiteld Recreëren te Domburg. [Zie deze blogspot, 25 november 2010.]2 Zijn gedichten ‘…zouden meer lijken op proza, hij moest zich toch wat meer inspannen om in dichterlijke taal te schrijven en minder aan de oppervlakte te blijven. Poëzie gaat toch graag de diepte in, kent gevoel en noopt vaak tot nadenken?’ Een aantal van de reacties was gestoeld op de schoolse zienswijze op poëzie, maar er waren ook nuttige wenken, eigen ervaringen en zeer bruikbare achtergrondinformatie bij. 

   
Alphons Levens publiceerde zijn eerste bundel (Bezinning en strijd) in 1971 in Nederland en is vanaf toen een van onze productiefste dichters. In 1996 verscheen de bundel Mogelijk, in 1998 …want nooit wordt alles gezegd en in 2002 Wee het volk dat niet meer denkt. Regelmatig staan er gedichten van hem in de Ware Tijd (zie het bericht hieronder). In zijn werken staat de Mens (met hoofdletter) altijd centraal; niet alleen de Surinaamse mens, maar ook die totale mens, die bewoner van de planeet Aarde. Alphons Levens probeert zijn lezers aan het denken te zetten, aan het dóórdenken.

De vraag is nu: komt de beperking van die dichterlijke vrijheid, of misschien beter: wordt de aanmoediging dat dichters zich toch aan bepaalde conventies houden misschien niet door het traditionele poëzie-onderwijs veroorzaakt, dan wel sterk beïnvloed? Gelukkig is in de literatuurmethode voor het VWO Fa yu e tron leisibakru uit 19983) (volgens Surinaamse leerboekennormen nog vrij nieuw) wat meer ruimte aan de dichterlijke vrijheid en de typisch Surinaamse poëzievormen gegeven. Want poëzie moet toch in de eerste plaats een herkenbare gemoedsuitstorting zijn, al of niet rekening houdend met vormaspecten? Poëzie is toch niet eerst vorm dan inhoud, of spelen vorm en inhoud zowat gelijktijdig een rol bij het produceren van poëzie? De vraag is nu of er, gezien het huidige, zeer terechte streven van het MINOV om vooral de VOJ- en VOS-leermethoden voor de exacte vakken en leervakken te vernieuwen, ook een herziene tweede druk van Leisibakru komt, of als men weer overgaat op een poëzie- of literatuurmethode uit Nederland.

Maar om op dat poëzie-onderwijs terug te komen: in de leerfase waar die vernieuwing het hardst nodig is, op het VOJ (voorheen het MULO), worden poëziestencils uit de jaren zestig uit de hoofdakteperiode van de toentertijdse leerkrachten vaak nog steeds braaf ongewijzigd gekopieerd, waardoor vele leerlingen juist op dit aanvankelijk niveau een verouderd en achterhaald beeld van poëzie voorgeschoteld krijgen. De eigen creativiteit wordt daarbij nauwelijks geprikkeld. Is het dan geen wonder dat vele VOJ-jongeren vaak afkicken op de literatuurlessen poëzie? Terwijl zij juist met dit uitingsmiddel hun gevoelens beter kunnen uiten; iets waar velen in deze leeftijdsgroep hard behoefte aan hebben. En poëzie is tegenwoordig juist weer springlevend, mede als gevolg van de opmars van de raps. In hoeverre zijn raps erkend en opgenomen in vooral het aanvankelijk poëzie-onderwijs? 

Hoe dan ook, we kunnen er niet onderuit: ondanks die dichterlijke vrijheid gelden in de poëzie toch zeker conventies, denk maar bijvoorbeeld aan het rijm, de beeldspraak en de strofe-indeling. Zie ook de strenge eisen waaraan een sonnet moet voldoen. Trefossa heeft getoond dat hij in het Sranan ook sonnetten kon schrijven. Maar heeft hij op dit punt navolging gehad? Zo nee, waarom niet? Is het omdat deze vorm van poëzie bij de onzen niet als iets eigens wordt ervaren? Of is er hier sprake van gemakzucht, ‘het is wer’ede’, teveel gekunsteld, dus dan maar niet?

Terug naar de vraag van Gianni: Waar zijn de dichters gebleven? In 1983 verschijnt de eerste aflevering van het literaire tijdschrift Bro4), waarin ook poëziebijdragen van eigen bodem en van overzee zijn opgenomen. Uit de “Wortoe-groep” zien we terug in Bro: Dobru, Orlando Emanuels, Gerrit Barron en S. Sombra (Stanley Slijngard). Het tweede en laatste nummer van Bro verschijnt in 1990. Gerrit en S. Sombra komen terug en we zien een paar nieuwe namen zoals Dorothee Wong Loi Sing en Hans Breeveld5). Dan wordt het wat stil; van 1990 tot zeker 2000 maken we de periode van hyperinflatie mee en dat is een hoogst ongunstig klimaat voor de productie en verkoop van gedichtenbundels, die normaliter al moeilijk verkopen.

In het nieuwe millennium gaan we richting Caricom: deden we sinds de jaren ‘70 al mee met de Carifesta’s met onze Dobru als voortrekker en zijn  gedicht Wan als ons boegbeeld, nu worden we volwaardig lid van de Caricom. Voor schrijvers en dichters is dat een nieuwe uitdaging, namelijk: publiceren in het Engels om een markt binnen de Caricom te veroveren. Dit heeft zeker meegespeeld bij de verschijning van de bundel Considerations6)  in 2003, volledig in het Engels, waaraan deelnamen Brigitte Brown, Arlette Codfried, Farah-L (Lorraine Gallant), Andy Fernandes, Roway James (Roué Hupsel) en Deborah Pinas als nieuwe namen en als gevestigden Alphons Levens en Albert Mungroo. Uit deze bundel blijkt ook de opmars van de vrouwelijk dichters: Waren dat in de Wortoe-groep 4 van de 28, in de Bro-groep 8 van de 27; in Considerations waren dat 4 van de 8, dus 50%. Deze opmars bleek ook uit het feit dat Brigitte, Arlette en Lorraine deel uitmaakten van het bestuur van de Schrijversgroep ’77 dat in 2003 onder voorzitterschap van Ismene Krishnadath aantrad. Daar zijn de dichters gebleven! 

Annemarie Sanches

Dan breekt de periode van de internationale literaire festivals in Suriname aan; de rij wordt in 1997 geopend met de Conferentie Schrijverschap 2000, nationaal of internationaal die in Ons Erf werd gehouden, maar waar proza en geen poëzie aan de orde kwam. Het eerste internationaal literair festival waarbij poëzie ook aan de orde komt, vindt eind 2002 plaats in Paramaribo en in Nieuw-Nickerie onder de naam Woud der Verwachting. De gevestigde dichters Shrinivasi en Michael Slory doen hieraan mee; nog geen nieuwe poëten van eigen bodem. In 2004 volgt het festival 1001 Identiteiten en opvallend is het dat 5 van de 8 leden van de Considerations-groep hieraan meedoen, namelijk Arlette, Brigitte, Alphons, Lorraine en Albert. Van de gevestigde dichters zien we terug S. Sombra en Frits Wols en als nieuwelingen: Annemarie Sanches (vooral bekend om haar zaterdagochtend radioprogramma The Happy Family Show7a)) en Mireille Pinas.  

Jeffrey Quartier

Tijdens het Literair festival Werelden in Ontmoeting in 2006 komt er een nieuwe poëet naar voren, namelijk Jeffery Quartier. In 2003 deed Jeffrey Quartier mee aan een internationale gedichten-conventie van the International Society of Poets in Washington. Zijn gedichten verschenen in The Colours of Life en in een bloemlezing van IAERN. Intussen heeft hij twee gedichtenbundels in eigen beheer uitgebracht en dit jaar doet hij voor de derde keer mee aan het Suripop-componistenfestival, deze keer met de songtekst Hor’ pasensi (Heb geduld). (De tekst van deze compositie is hieronder als afzonderlijk bericht te lezen.) In zijn  gedichten laat Quartier zich vrijwel door alles en iedereen om zich heen inspireren. Hij dicht vooral in het Engels, maar ook in het Nederlands en Sranan over de liefde, de politiek, over uitdagingen en hij filosofeert graag. Hij ervaart de samenleving als zorgwekkend en hoopvol tegelijkertijd. Zorgwekkend vanwege de steeds grotere verzakelijking en het steeds weer inleveren van principes binnen die samenleving. Hoopvol, omdat er nog velen zijn die zich daartegen verzetten en hoopvol vanwege de toenemende mogelijkheden die de technologie ons biedt.

Tijdens het literair festival Diversity is Power, dat van 1 tot en met 9 augustus 2007 in Paramaribo werd gehouden, zien we dat naast de gevestigde dichters (Sombra, Dorus Vrede, Shrinivasi, Frits Wols en Alphons Levens)  de nieuwe poëten (zoals Jeff Quartier en Arlette Codfried) hun activiteiten uitbouwen. Enkele nieuwe poëten die in de bundel Diversity is power opduiken, zijn Kurt Nahar (beeldend kunstenaar), Tolin Alexander (podiumkunstenaar) en Soecy Gummels (ook schrijfster van romantisch proza in het Engels)7b) . Enkele schrijvers en poëten uit de Diversity-1 groep besluiten met anderen met Surinaamse roots uit Nederland mee te doen aan de publicatie8) rond het tegenbezoek aan Zuid-Afrika in het kader van uitwisselingsprogramma Writers in Exchange. Nieuwe poëten in deze bundel zijn Sherida Asinga die in 2006 als dichter debuteerde en in haar gedichten vooral zichzelf zoekt, en Karin Lachmising.

Karin Lachmising

Karin, van huis uit communicatie-deskundige, stelt dat poëzie het vinden van de vorm is om het pure te vervatten, om de kern uit de werkelijkheid te halen, die los te weken en zichtbaar te maken en die de vrijheid te geven. Karin dicht over de echte dingen in het leven, ontdaan van alle labels en vooroordelen. Ze vindt dat er nog te weinig Surinaamse dichters zijn die de grote menselijke emoties duidelijk een plek geven, maar dat is een proces: eerst het losworstelen van die knellende banden en dan het naar binnen kijken. Zij produceerde ook de documentaire van ons bezoek aan Zuid-Afrika in 2008. [Zie haar gedicht ‘Gekunsteld’ op deze blogspot, op 6 augustus 2012.]

Tijdens het internationaal literair confest Zoveel zinnen, zoveel talen; wan tru powema na wan skreki sani , dat van 1 – 5 november 2010 in ons land werd gehouden doen behalve de gevestigde dichters zoals Dorus Vrede, Alphons Levens en S. Sombra, ook Arlette, Jeff, Karin en Tolin Alexander mee. Het gedicht van Tolin, opgenomen in de publicatie9)  rond dit confest, valt op door de meertaligheid. 

Rose-Marie Maître

En tot slot: onder de inzendingen van de eerder dit jaar gehouden schrijfwedstrijd Write now! zijn zeker twee jonge dichters opgevallen: de eerder genoemde Gianni Wip en de nummer twee Rose-Marie Maître, die in Haïti is geboren en op tweejarige leeftijd naar Suriname kwam. Ze is bezig haar journalistieke opleiding af te ronden. In haar gedichten verwerkt ze graag zaken die niet zo goed te begrijpen zijn, zoals bepaalde gedragingen en gevoelens bij mensen om haar heen of bij zichzelf. Schrijven, dichten is voor haar ontdekken en doen ontdekken. Ze ziet onze samenleving als vrij tolerant en vriendelijk, maar nog in een ontwikkelingsproces naar volwassenheid: bepaalde zaken moeten nog bediscussieerd en geaccepteerd worden.10)

Aan het eind wil ik een lofwoord uitbrengen aan de dichters Alphons Levens en S. Sombra, die onverdroten aan de weg timmeren en zeer zeker op poëziegebied tot onze rolmodellen mogen worden gerekend, vooral brada S. Sombra die er vanaf de Wortoegroep en het begin van de Schrijversgroep bij is en nog steeds zijn bijdragen op velerlei gebied levert. Mag ik besluiten met zijn  typische zelftypering, afgedrukt op de achterflap van zijn jongste uitgave 11):

                                 Hij is de prins van Totness,
                                 Keizer van Friendship
                                 Beheerder van Coronie en
                                 Allochtoon in Paramaribo.

Ik dank u voor uw aandacht.
                                                                                       

S. Sombra; portret gemaakt in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren door Nicolaas Porter

[In de discussie die na bovenstaande voordracht volgde, werd vooral ingegaan op de noodzaak en wens van de dichters om zich meer te kunnen exposen. Een literair televisieprogramma werd als een goede mogelijkheid genoemd. Verder wenste men ook ondersteuning van de overheid voor scholenbezoeken. De avond werd opgeluisterd door poëtische voordrachten van Alphons Levens, Karin Lachmising, Jeffrey Quartier, S. Sombra, Rose-Marie Maitre, Evelien Brown, Arlette Codfried, Kadi Kartokromo en Ismene Krishnadath en een creatieve samenvatting van Hilde Neus over het gepresenteerde. Gianni Wip kon vanwege college niet aanwezig zijn. Hij diende op de valreep wel een gedicht voor de avond in dat hieronder als bijlage 3) is opgenomen.]

 

1) Shrinivasi [ps. van M. Lutchman](samenst.) Wortoe d’e tan abra; bloemlezing uit  de Surinaamse poëzie vanaf 1957, Paramaribo, Bureau Volkslectuur, 3euitgebr. dr. 1974; 120 blz. Het is hoog tijd dat Wortoe… een vierde, aangevulde druk ingaat, waarbij tot zeker 2010 kan worden gegaan. Of is hier geen geld en deskundigheid voor, zoals vaak vanuit de beleidsmakers als dooddoener wordt gebruikt?
2) Rappa [ps. van R. Parabirsing] (samenst.) 41 spontane reacties op het gedicht “Recreëren te Domburg, Paramaribo, 2011; Ralicon, 71 blz.Zie Caraïbisch Uitzicht van 25 november 2010.
3) Moor, E., J. Vaseur-Rellum en J. Brunings. Fa yu e tron leisibakru; literatuurmethode voor het Voortgezet Onderwijs op Seniorenniveau; 1e dr. Paramaribo. MINOV/OC en W, 1998. 204 blz. afbn.
Uit de discussie na bovenstaande inleiding bleek dat het niet in de bedoeling lag deze goed bruikbare eigen literatuurmethode na eventuele aanpassingen te herdrukken. Moet dan weer overgestapt worden naar een of andere oubollige Nederlandse poëziemethode, vol met theorie en voorbeeldgedichten die onze jongeren niet aanspreken, zoals een aantal jaren terug een verlopen taalmethode uit Nederland, bedoeld voor allochtone kindertjes aldaar, hier werd gedumpt, omdat dat goedkoper en sneller zou zijn, dan om een eigen taalmethode voor het VOJ samen te stellen. Daar zouden geen financiële middelen en eigen deskundigen voor zijn. Over gemakzucht, miskenning van het eigene en over neo-koloniale tendensen gesproken…
4) Bro; tijdschrift voor literatuur; onder redactie van  G. Barron en C. Lont. Paramaribo, Sorava, 1983, jrg. 1. no 1, 79 blz. afbn. Helaas was Bro na het tweede nummer hetzelfde lot beschoren als al onze literaire bladen daarvoor. Het zou een onderzoek waard zijn om na te gaan waarom dit lot onze literaire bladen (zoals Moetete) tot nu toe beschoren is.
5) Dit was niet Hans’ debuut. Zijn eerste publicatie was Overwinnen ondanks donkere wolken uit 1990, gevolgd door Meneer de voorzitter … mag het volk ook wat zeggen (1990), Wissele Mammie … (1992), Sap (1993) en Voorzitter, ik heb geen keus (1996), waarin gedichten afgewisseld met essays, vaak geïnspireerd op de actualiteit van dat moment.
6) Brown, B., A. Codfried en Farah-L (ps. van L. Gallant) e.a. Considerations; poems and short stories from Suriname.

Paramaribo, The Authors, 2003, 72 blz. Arlettes debuut als dichter was niet in Considerations, maar in de bundel Overpeinzingen, waarin ook verhalen zijn gepubliceerd. Een gedicht uit deze bundel vindt u op deze blogspot, 7 augustus 2012. De vraag is of naast de buitenlandse gedichten in het Engels, gedichten uit Considerations vooral op VOJ-niveau bij het vak Engels worden gebruikt. De kans is groot dat vele vakdocenten niet eens van het bestaan van deze bundel op de hoogte zijn. Moeten wij hiervoor misschien niet de hand in eigen boezem (Arlette Codfried maakte ervan:…in eigen bobi) steken? Aan de andere kant weet Alphons Levens te vertellen dat een bibjuf van een middelbare school Considerations niet bij hem wilde kopen voor de schoolbib, omdat een paar docenten haar dit hadden afgeraden. Het zou erg interessant zijn om na te gaan op grond van welke criteria dit advies is gegeven. Ook zou het verhelderend kunnen werken om na te gaan hoeveel titels van Surinaamse schrijvers en dichters in de schoolbibliotheken  (tegenwoordig is het mode om van mediatheken te spreken, misschien omdat er een computer in de ruimte staat en een paar plaatjes aan de muur hangen en waarbij de het boek en de leesbevordering vaak niet meer centraal staan) te vinden zijn en langs welke lijnen en op grond van welke criteria de inkoop geschiedt.

7a) Van juni 2011 biedt Anne-Marie (naast Sriefman taki, het reguliere radioprogramma van de Schrijversgroep ’77 via de SRS) op regelmatige basis onze eigen schrijvers en dichters een dankbaar podium in haar dichtbeluisterd programma op radio Apintie, waarlijk een lichtend voorbeeld voor presentatoren van andere media.
7b) Neus, H. (editor/samenst.), Diversity is power. Anthology of Poetry, Short Stories, Columns en Works of Art published to commemorate the 5thInternational Literature Festival Suriname.

1e dr. Paramaribo, Schrijversgroep ’77, 2007. 131 blz. Bevat kleurenfoto’s. Nagegaan mag worden of deze unieke literaire uitgave met prachtige kleurenfoto’s gebruikt wordt bij de literatuurlessen Engels op VOS-niveau. Gelukkig beginnen enkele VOJ-leerkrachten Engelse werken van Soecy Gummels op de literatuurlijsten toe te staan. Over het waarderen en uitdragen, ook binnen de Caricom, van de eigen cultuuruitingen gesproken… Waar is die gebleven?

8) Dido, EKM (editor), Diversity is Power. 1e dr. z.pl., Writers in Exchange, 2008. 300 blz.
9) Neus, H. (red.) en I. Krishnadath (samenst.), Zoveel zinnen zoveel talen; meertaligheid, bekeken vanuit de optiek van schrijvers, bijeen tijdens het confest WAN TRU POEWEMA NA WAN SKREKI SANI/TAAL EN LEVEN, 1-5 november 2010. 1edr. Paramaribo, Schrijversgroep ’77, 2011. 58 blz. Bevat kleurenfoto’s. Het valt op dat gaandeweg de jaren steeds meer poëten (en ook schrijvers) van eigen bodem (ook) in het Engels publiceren, zoals Arlette Codfried, Jeffery Quartier, Soecy Gummels, Ismene Krishnadath, Karin Lachmising en Gianni Wip.

10) Het gedicht dat Rosemarie Maître die avond voordroeg, is op deze blogspot op 8 augustus 2012 geplaatst

11) S. Sombra [ps. van Stanley Slijngard]. Boskopuspikri Boodschappenspiegel; gedichten in het Sranan met Nederlandse vertaling. 1e dr. Paramaribo, Slijngard, 2009. 44 blz. Sombra vroeg zich tijdens de discussie af, waarom Surinaamse schrijvers en dichters niet vanwege het MINOV langs de scholen kunnen gaan om voor te dragen. Zij moeten dat op eigen initiatief doen, uit eigen zak bekostigen en op en neer lopen voor allerlei toestemmingsbriefjes. Hij noemde een hooggeplaatste MINOV-functionaris (nu gepensioneerd) die hem ronduit had gezegd het nut van poëzie als vak op de scholen niet in te zien.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter