blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Levens Alphons

Schrijvers en het internet

In de nasleep van onze onafhankelijkheidsviering organiseert Schrijversgroep ’77 een avond over de mogelijkheden van het internet voor schrijvers. Op het internet kunnen schrijvers op allerlei sites gratis informatie krijgen over schrijftechnieken. Daarnaast is het mogelijk het eigen werk te publiceren en te verkopen via het internet. De sociale media zijn ideaal om gratis naamsbekendheid te krijgen en produkten te promoten. Hiermee is het internet een medium dat emanciperend werkt. Schrijvers hoeven zich niet langer te houden aan eisen van uitgevers, die vaak voortvloeien uit hun commerciële doelstellingen. read on…

S’77: Meet the Writers

Op woensdag 24 september 2014 organiseert de Schrijversgroep ’77 in Tori Oso een ‘Meet the Writers-avond’. Op deze avond zullen dichters, kinderboekenschrijvers, columnisten en verhalenschrijvers elk aan een tafel zitten om het publiek te ontmoeten. read on…

Opening Kinderboekenfestival met musical

Kinderboekenfestival 2013

Het Kinderboekenfestival  Paramaribo opent op maandag 3 maart om 17.00u op het KKF Beursterrein. Ingang  Borretstraat. Hoofdattractie van de opening is een kindermusical onder leiding van Sandra Purperhart. In de musical komt o.a. een stuk voor uit het verhaal Carolinda en de heder.  Dit is één van de eerste drie verhalen die kinderboekenschrijfster Ismene Krishnadath publiceerde. Het komt voor in de bundel Flaporen van Amar, die onlangs is herdrukt. Ook de Stichting Projekten heeft het verhaal opgenomen in een verhalenbundel. Het KBF duurt van 3 tot en met 8 maart. In de ochtenduren bezoeken scholen het festival. ‘s Middags is het terrein open voor algemeen publiek van 17.00 – 20.00u.

Alphons Levens in de stand van Schrijversgroep ’77
S77 ook aanwezig
Stand  68 is de stand van S77 op het Kinderboekenfestival Paramaribo dat van 1 tot en met 8 maart duurt. In de ochtenduren houden wij schoolkinderen bezig met onze literatuur en in de middaguren verkopen we boeken aan de bezoekers. In de stand kunt u o.a. de volgende S77 leden tegenkomen: Alphons Levens, Irene Welles, Carla Rees, Carla Sanichar, S. Sombra, Shirley Watchman, Ismene Krishnadath, Hilli Arduin, Audrey Liauw, Kadi Kartokromo, Sylva Koemar en CAT. Ook onze trouwe sympathisant Deborah Gobardhan zal er zijn. Schrijvers die hun boeken willen laten verkopen door S’77 kunnen contact maken met Alphons Levens: tel nr. 8504362  Email alphlevens@hotmail.com

Ingekomen reacties

door Christine F. Samsom

 
Dat er op een uitgesproken mening in de Ware Tijd Literair reacties komen is niet ongewoon. Daar zijn we altijd blij mee. Het betekent dat de literaire pagina goed wordt gelezen. Discussies kunnen tot meer diepgang leiden. Dat er op de ‘Srefidensi/Zelfdenken’-special van zaterdag 25 januari 2014 drie reacties kwamen was toch een verrassing.
Eva Essed-Fruin
Erg blij zijn we met de verduidelijking van Eva Essed-Fruin over Trefossa’s betrokkenheid bij ons volkslied in zijn huidige vorm, waarbij zij putte uit haar rijke ervaring. Hieronder haar reactie:
‘Jammer dat je niet even de pagina’s 101-104 van Ala poewema foe Trefossa (1977) hebt opgeslagen, waarin de totstandkoming van het volkslied wordt beschreven. Aan Henny de Ziel is nooit verzocht een Nederlandstalige strofe te dichten. De toenmalige Raad van Ministers wilde de tweede strofe van het door dominee Hoekstra geschreven volkslied als eerste gebruiken en vroeg via Frank Essed aan Henny om een strofe in het Sranan te maken, wat hij binnen enkele dagen deed. Deze door hem geschreven tekst is de officiële geworden. Omdat De Ziel de Nederlandse tekst erg negatief vond heeft hij enkele regels gewijzigd. De twee eerste en de laatste regel heeft hij gehandhaafd, de regels “Doch dat elk zich dan ook schame/ Die zijn ere maakt te schand!/ Recht en waarheid te betrachten,/ Zeed’lijk rein en vroom en vrij,/ Al wat slecht is te verachten,”, verving hij door “Hoe wij hier ook samen kwamen/ Aan zijn grond zijn wij verpand./ Strijdend houden we in gedachten:/ Recht en waarheid maken vrij:/ Al wat goed is te betrachten,”. Het woordje “strijdend” heeft de Raad van Ministers vervangen door “werkend”. De eerste strofe is hoogstens een bewerking van de traditionele tekst, waarbij de stijl van Hoekstra zoveel mogelijk is gehandhaafd. Het is beslist onjuist om Trefossa op grond hiervan stijfheid in het Nederlands te verwijten. Deze strofe is ook niet opgenomen in Ala poewema…, alleen in de commentaar.’ Tot zover Eva Essed-Fruin…
Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen
Neerlandicus Hilde Neus heeft zich de kritiek op de lezing van Lila Gobardhan erg aangetrokken:
‘Soms ga je naar een activiteit met bepaalde verwachtingen, maar je kunt je ook laten verrassen. Ik was dan ook teleurgesteld over de bespreking van Lila Gobardhans lezing door Els Moor. Haar bespreking bestaat uit opmerkingen over wat ze aan kwaliteit van het Sranan binnen de Trefossa-poëzie had verwacht, maar tegelijkertijd is haar artikel voornamelijk een opsomming van zaken die al eerder besproken zijn, vooral door Hein Eersel. De opdracht aan de verzorger van de Trefossa-lezing is niet uitsluitend een analyse van het werk van Trefossa. Vene zijn lezing (2011) bijvoorbeeld ging daar niet uitsluitend over en Eddy van der Hilst (2010) analyseerde werk van Johanna Schouten-Elsenhout. Aan de inleidster was gevraagd om over Trefossa en taal te praten; een brede opdracht. Mijns inziens heeft ze dat op zeer indringende wijze gedaan door vooral de dagboeken als bron te gebruiken, geheel in de traditie van haar werk als onderzoekster van archieven. Al eerder is daar kort uit geciteerd in het Mutyama-nummer over Trefossa (1990), maar die citaten werden niet binnen zo’n uitgebreide context geplaatst. Cynthia Abrahams heeft in 2010 het Trefossa-archief waartoe de dagboeken behoren mogen overdragen aan het Nationaal Archief van Suriname (NAS).
Het sterke van de lezing van Gobardhan was vooral dat ze liet zien hoe Trefossa zich als persoon al op jonge leeftijd uitdrukte op een nadenkende en zelfs poëtische wijze, die duidelijk de voorbode was van de verbinding tussen zijn levenshouding, het benaderen van talen en hoe hij daarmee omging in zijn kunst. Iemand met een andere dispositie en minder introspectie had geen sonnetten van zulke kwaliteit kunnen produceren. Zijn zwakke gesteldheid maakte dat hij alles overdacht en zijn leven zag in uitdagingen. Die is hij ook aangegaan met taal. Door het lezen van de dagboeken en de inbeddingen van citaten in Gobardhans lezing, blijkt dat hij al vanaf zijn jonge jaren worstelde en zijn producten niet uit zijn mouw schudde. Hij heeft veel moeite gehad om over kleine dingen heen te stappen, dingen die later heel wat groter bleken te zijn (zijn hartproblemen). We hebben een breder beeld gekregen van de mens achter deze grote kunstenaar. Misschien was een aantal zaken reeds bekend, maar de precaire wijze waarop de dichter daar zelf mee omging was dat beslist niet. Er zijn stromingen binnen de literatuur die een literair werk als autonoom gegeven willen zien, zonder welke biografische gegevens van de auteur dan ook daarbij te betrekken. Maar uit deze lezing bleek duidelijk hoe het leven van de man en de levenslust waarmee hij zijn problemen oppakte en er kleine dingen van maakte, zijn werk heeft getekend.’
Alphons Levens
Alphons Levens, actief lid van de Schrijversgroep ’77 en publicist, is niet blij met de opmerking van Johan Roozer tijdens de zesde Trefossa-lezing, dat er ‘weinig is gebeurd op literair gebied’ en stelt zich op achter het artikel ‘Van de redactie’: ‘Ik ben het volkomen eens met “Van de redactie. Srefidensi in de literatuur” in de Ware Tijd Literair. Ik zat namelijk op woensdagavond 15 januari 2014 (…) in het auditorium van Self Reliance en wist ook niet wat ik hoorde toen Johan Roozer dat zei.’ Waarvan akte…

Alphons Levens’ ego en gebrek aan zorgvuldigheid spelen hem parten

door Armand Snijders

Alphons Levens

Alphons Levens kennen we vooral als dichter, maar soms brengt hij ook verhalen op de markt. Zijn jongste pennenvrucht bevat het nogal warrige verhaal van Servin, die ooit president van Suriname wil worden. Daarom verzamelt hij alle krantenknipsels over presidenten en duikt hij liever in boeken en op het internet, dan dat hij computerspelletjes speelt. Een mooie insteek natuurlijk, alleen is het jammer dat er soms geen touw aan vast te knopen is. Zo moet de lezer vooralsnog maar gissen hoe oud Servin is, pas na enkele pagina’s wordt duidelijk dat hij waarschijnlijk in de eerste klas van de middelbare school zit. Waar hij woont, is ook een raadsel. Hij verkoopt aan het begin van het verhaal knippa’s op de hoek van de Stoelman- en de Henck Arronstraat, waardoor je een beetje op het verkeerde been wordt gezet. Tien pagina’s later wordt opeens helder dat hij geen ‘kind van de stad’ is en daarna duurt het nog vijf pagina’s om te weten te komen dat hij vermoedelijk in Commewijne woont. Levens slaat daarnaast een paar keer de plank behoorlijk mis. Zo stelt hij onterecht dat in Nederlandse coffeeshops harddrugs worden verkocht. Marihuana valt toch echt niet onder die noemer. Nog kwalijker is dat hij aan geschiedvervalsing doet. Hij beweert op pagina negentien dat de partij van Bouterse de verkiezingen niet gewonnen heeft en die dus eigenlijk geen president had kunnen worden. De Megacombinatie sleepte welgeteld 95.543 stemmen binnen, op gepaste afstand gevolgd door het Nieuw Front (75.190 stemmen). Dus hoezo niet gewonnen? Pijnlijk als je bedenkt dat de moraal van zijn verhaal is dat je, om het ver te schoppen, je eigen geschiedenis moet kennen. Bovendien bekruipt je het gevoel dat Levens het boekje vooral heeft geschreven om zijn eigen drang naar eer en glorie te bevredigen. Van de 48 pagina’s zijn er maar 31 besteed aan het verhaal en één aan een ‘Vertaling Sranantongo-Nederlandse taal’ (waarin overigens geen enkele paginaverwijzing klopt).

Acht pagina’s heeft hij nodig voor zijn eigen ‘Levensbeschrijving en bibliografie’, waarin we zelfs kunnen lezen welk boek hij wanneer en waar heeft gesigneerd. Alsof dat nog niet genoeg is, laat hij in het verhaal zelf hoofdpersoon Servin tot tweemaal toe enthousiast lezen uit eerder gepubliceerd werk van de schrijver. De intentie van Levens was ongetwijfeld goed toen hij aan dit boek begon. Alleen speelden zijn ego en een gebrek aan zorgvuldigheid hem behoorlijk parten.

Alphons Levens, Ik zal leren totdat ik moe ben. Verhaal voor jong en oud, 2013, eigen beheer, ISBN 9789991472300

[uit Parbode, 15 januari 2014]

Kinderboekenfestival Nickerie

Nowilia Tawjoeram tijdens het Kinderboekenfestival van 2012

Het kinderboekenfestival Nickerie vindt plaats van 3-5 februari 2014. De kinderboekenfestivals van 2014-2016 hebben als thema ‘groeien’. De slogan van dit jaar is ‘Opgroeien kan je niet alleen, denk aan de wereld om je heen’. De organisatie verwacht duizenden bezoekers, waarvan een groot deel in schoolverband zal komen. Schrijversgroep ’77 heeft een stand, die bemand zal worden door Irene Welles, Sombra, Ismene Krishnadath en Charles Chang. Natuurlijk zijn ook andere leden welkom om te participeren. Verder zal ook het lid Nowilia Tawjoeram aanwezig zijn. Zij heeft een eigen stand, waar zij naast haar boeken sieraden verkoopt die ze heeft vervaardigd van natuurmaterialen. De contactpersoon voor deelname van S’77 aan het KBF is Alphons Levens, tel. 8504362

[Mededeling Schrijversgroep ’77]

Jeugdboek Alphons Levens: slappe maatschappijkritische visie

door Marja Themen-Sliggers
Ik zal leren totdat ik moe ben… is een Surinaams verhaal voor jong en oud, door Alphons Levens geschreven naar aanleiding van uitspraken van kinderen.
Het boekje ziet er aantrekkelijk uit met een kleurige omslag, leuk getekend door Winston van der Bok met een tafereel van hengelende jongens, die nog wat vangen ook. Jong en oud zullen het mooi vinden. Maar ‘jong’ had deze keer niet zo’n zin om mee te lezen. Die titel hè, misschien zijn ze nu al moe van het leren? ‘Oud’ herkende de gedachtegang en de episoden uit de levensbeschrijving van de auteur en uit de lijst van eerdere publicaties, waarvan sommige gelezen, ook met levensbeschrijving. Zelfde leeftijd hè.
Servin, de hoofdfiguur, verkoopt knippa’s om zijn moeder te helpen. Interessant dat Vinay, zijn schoolvriend, eerst niet in de gaten had dat knippa’s verkopen een manier is om je moeder te helpen. Aan de andere kant, juist knippa’s verkopen bij een stoplicht langs de weg kan eigenlijk best buiten schooltijd. Een leergierige jongen als Servin, en een intellectualistische moeder, die haar zoon helpt met zijn moeilijke woordenschrift, konden dat toch ook bedenken? Vinay helpt Servin niettemin met wiskunde en ze gaan ook samen hengelen. Servin heeft een schrift, als plakboek voor artikelen en foto’s van presidenten. Hij is dol op geschiedenis en vergelijkt de verschillende presidenten over wie hij leest: ‘Je hebt presidenten in soorten’ (p. 24). Servin gaat zelfs naar de cyber om meer op te zoeken en hij neemt ook informatie van Starnieuws. Hij heeft verschillende jurismappen waarin hij de artikelen bewaart. De auteur heeft een groot aantal krantenkoppen en -knipsels leuk met elkaar in verband gebracht. Servin maakt de indruk een beetje een brave Hendrik te zijn en het boek gaat heel langzaam in de richting van maatschappelijke kritiek. Pas bijna aan het eind komt ‘onze nieuwe president Bouterse’ aan bod (p. 29), de amnestiewet en de behandeling daarvan in de Assemblee. Als ik lees wat er allemaal on line voor ongezouten kritiek en krachtig commentaar wordt gegeven op de regering, in casu de president, vind ik het hier in dit boek wat slap. Inderdaad, er is een tijd geweest onder verschillende regeringen, dat niet alles gezegd en geschreven mocht worden, maar dat is kennelijk nu gelukkig verleden tijd. En die corruptie, ja, corruptie vooral op het gebied van gronduitgifte, ik kan ervan mee praten, maar die is ook niet exclusief voor deze regering, helaas.
Mooi vind ik de lijn van de elkaar zogenaamd doodschietende kinderen in de cyber, naar president Obama en de echte gebeurtenissen in de Verenigde Staten, met hun schietincidenten op middelbare scholen, de Amerikaanse wet op wapenbezit. Al met al heb ik het boek gelezen met de verwachting, dat er een maatschappijkritische visie duidelijk uit naar voren zou komen, maar hierin voelde ik me wel teleurgesteld toen ik het uit had.
Alphons Levens: Ik zal leren totdat ik moe ben. Verhaal voor jong en oud, omslagillustratie: Winston van der Bok. Uitgegeven door de auteur, 2013. ISBN 978-99914-7-230-0

 

Alphons Levens: Meer hosselaar dan schrijver

door Nikki Mulder

 Van alle schrijvers die Suriname rijk is, is Alphons Levens misschien wel degene die er het meest op gebrand is zijn gedichten en verhalen gelezen te krijgen. Zijn nieuwste boek Ik zal leren totdat ik moe ben ligt sinds vorige week in de schappen. Tijd voor een gesprek, over de auteur achter de [sic] proza met de bittere nasmaak.
Alphons Levens. Foto @ Claudio Barker.
Hij noemt zichzelf meer hosselaar dan schrijver. Niet dat hij twijfelt aan zijn schrijfkunsten. Het is meer dat het schrijverschap in het kleine Suriname met zoveel extra werk komt. Levens houdt het niet bij het creëren van verhalen en gedichten. Hij neemt bijna de gehele keten van literaire schepping en correctie tot aan de bevoorrading van boekwinkels en bibliotheken en de promotie op zijn schouders.
De meeste van zijn boeken geeft hij in eigen beheer uit – hij betaalt dus persoonlijk voor de drukkosten. Vervolgens bezorgt hij ze vers van de pers met zijn bromfiets bij de boekwinkels. Ook de aankondigingen in de media doet hij zelf, evenals het maken van afspraken en het bijhouden van de boekhouding. “Ik zorg er wel altijd voor dat de boeken in de winkels liggen voordat ik begin te kraaien.” Mensen moeten zijn gedichtenbundel of kort verhaal namelijk kunnen kopen zodra er advertenties in de kranten staan.
Control freak
Maar daar houdt Levens niet op. De boekhandels stellen een schrijver namelijk niet op de hoogte zodra een boek is uitverkocht. Elke zaterdagmorgen steekt de ex-onderwijzer op zijn Yamamoto – al sinds 1987 rijdt hij geen auto meer – de Wijdenboschbrug over en legt een vast traject af langs de boekwinkels. Om te kijken hoe de zaken ervoor staan, en soms zelfs, in de minder georganiseerde zaken, om een gedichtenbundel uit het rek met pornografische tijdschriften te vissen. Mocht een pennenvrucht van een collega ook misplaatst zijn, dan schroomt Levens niet om het op de juiste plek terug te zetten.
Hij is wel een beetje een control freak, dat geeft hij zelf toe. Het doet hem terugdenken aan de tijd dat hij nog werkte als journalist voor het weekblad Pipel, na zijn terugkomst naar Suriname in 1977 tot aan de censuur in 1982. “Als ik iemand ging interviewen, zeker als dat een belangrijk persoon was, nam ik naast mijn notitieblok nog twee cassetterecorders mee. Voor het geval dat één me in de steek zou laten.” Ook voor reportages in de districten nam hij altijd het zekere voor het onzekere. Dan liep hij te sjouwen met twee cassetterecorders en twee fototoestellen. Alles deed hij dubbelop, voor het geval dat.
Verkoopcijfers
Nu nog steeds kan hij moeilijk loslaten. Levens bemoeit zich met elke stap die zijn geschreven woord aflegt. Dat levert hem wel verkoopcijfers op waar zelfs Nederlandse dichters alleen maar van kunnen dromen. “Toen ik mijn eerste dichtbundel wilde uitgeven, zeiden een paar schrijvers tegen me: ‘Begin 500 te drukken. Meer zal je er in Suriname niet kwijt kunnen.’ Maar dat vond ik te weinig, dus ik liet duizend exemplaren drukken.” Die eigenwijsheid loonde: hij verkocht ze allemaal. Als hij nu een nieuw verhaal uitbrengt, begint hij meestal met een oplage van tweeduizend. Dichtbundels starten bij duizend exemplaren. Veel verdient hij echter niet aan zijn schrijversbestaan. Misschien net genoeg om zijn volgende boek te kunnen uitgeven. Toen hij in de jaren negentig eens een boek overhandigde aan de toenmalige directeur van Cultuur, Elfriede Alexander- Vanenburg, maakte zij snel een rekensommetje bij het horen van de verkoopprijs.
“Maar daar houdt u geen droog brood aan over!” luidde haar verbaasde conclusie. Maar Levens denkt er niet aan om de prijs van zijn pennenvruchten te verhogen. “Ik schrijf om gelezen te worden. Als ik ze duurder maak, dan blijf ik ermee zitten.” Vanuit die simpele drijfveer – schrijven om gelezen te worden – praat hij ook tegen beginnende schrijvers die advies komen inwinnen. Die schrikken namelijk vaak van de offerte van de drukkerij en laten het er dan bij zitten. “Begin je auto te verkopen, zeg ik dan. Ik zeg niet dat je op straat moet slapen. Maar je hebt gewerkt en gezweet op dat boek en als je niet gefrustreerd wilt raken omdat het niet is uitgegeven, dan moet je er iets voor opgeven”, is zijn nuchtere commentaar.
Pessimist
Diezelfde nuchterheid ligt aan de basis van Levens’ gedichten en verhalen. Zonder uitzondering zijn die doorspekt met maatschappijkritiek. “Ik bejubel geen dingen die fout zijn. Als iets zwart is, kan ik niet schrijven dat het wit is”, is zijn stelling. Hij staat niet pessimistisch in het leven, beweert de ex-onderwijzer. Levens observeert dagelijkse gebeurtenissen en schrijft over die realiteit. “Sommige mensen zeggen dat het zo negatief is, maar het gebeurt.”
Als voorbeeld grijpt hij naar een dichtbundel met daarin het gedicht ‘Twee vlechtjes’ uit 1992. “Ik was onderweg van school naar de Ware Tijd en kocht onderweg een broodje pom tegenover Krasnapolsky. Plots hoorde ik achter me iets graaien in de vuilnisbak. Eerst dacht ik dat het een hond was, maar toen ik me omdraaide, zag ik een klein meisje in lagere-schooluniform met twee vlechtjes wegrennen met een stukje brood dat ze snel in haar mond stopte. Dat was de eerste keer dat ik een Surinamer zag eten uit een vuilnisbak.”
Of die keer dat hij in 1991 in aanloop naar de verkiezingen huis aan huis ging voor de Volkspartij. Het was tegen het einde van de Binnenlandse Oorlog en voor het eerst zag Levens met eigen ogen wat er van de vluchtelingen was geworden. “Ik kwam in een groot woonhuis en ging van kamer tot kamer; in elke kamer woonde een gezin”, zegt hij alsof hij er nog steeds van schrikt. “Toen ik dacht dat ik klaar was, werd ik naar achterop geleid. Daar waren van het huis naar de muur van het erf zeilen gespannen en daar woonde nóg een gezin.”
Al die persoonlijke observaties giet Levens in verhalen en gedichten, waardoor ze soms een bittere nasmaak hebben. Zelf vindt de schrijver die negatieve lading wel meevallen. “Als je wijst op de dingen die anders kunnen, ben je dan negatief?” Stil herkauwt hij die vraag. “Nee”, klinkt zijn voorzichtige antwoord, “als je kritisch bent in het belang van het land, dan ben je niet negatief.” Levens grijpt naar een voorbeeld vanuit de klas. “Als een leerling drie keer een onvoldoende haalt en je zegt hem dat hij beter kan, ben je niet bezig hem te treiteren. Dan ben je niet negatief. Die jongen kan beter. Suriname kan beter.”.-.
[uit de Ware Tijd, 03/11/2013]

Chinese verhalen op Tori Oso-avond 30 oktober

Op 30 oktober is er in Tori Oso aandacht voor Chinees/Surinaamse verhalen. Heel toepasselijk in het licht van 160 jaar Chinese immigratie. Voor de pauze presenteert Irene Welles haar boek over de geschiedenis van een maatschappelijk werkster die jarenlang twee verwaarloosde Chinese jongetjes opving. Na de pauze vertellen Walther Donner, Willy Alberga en Ismene Krishnadath Chinees/Surinaamse verhalen. Verder is er op het programma ruimte ingeruimd voor Alphons Levens die zijn boek Ik zal leren totdat ik moe ben aan S’77 zal aanbieden. Ook de nieuwe flyer van Publishing Services Suriname voor de scholenactie 2013/2014 wordt gelauncht. De scholenactie wordt jaarlijks gehouden. Dit jaar staan er 61 titels van lokaal geproduceerde boeken op de lijst. De boeken zullen ook op de avond te koop zijn en kopers kunnen dan profiteren van een speciale korting van 10%. In de pauze signeren Alphons Levens, Irene Welles en andere aanwezige schrijvers hun boeken. Ceremoniemeester van de avond is Sombra.

Plaats: Tori Oso, Frederik Derbystraat 76.
Inloop: 19:30u. Tijd: 20.00 – 22.00u. Info 8784120.

[Mededeling Schrijversgroep ’77]

Levens vindt inspiratie in samenleving

door Donovan Mijnals

Paramaribo – Alphons Levens zijn nieuwste pennenvrucht is boomrijp en ligt voor het plukken. Ik zal leren totdat ik moe ben is een verhaal voor jong en oud, verzekert hij. Levens wil echter niet diep ingaan op de inhoud van het boek en houdt zich daarover angstvallig op de vlakte. “Fanatieke lezers worden boos als een schrijver teveel loslaat over een boek dat nog niet uit is”, verklaart hij. Zijn emoties daarbij zijn niet gespeeld; de kaken blijven op elkaar.
Maar de schrijver wil wel een klein beetje vertellen waar de inspiratie vandaan komt. Het verhaal is namelijk om twee uitspraken heen gebouwd. “Ik hoorde een kind op de radio een merkwaardige uitspraak doen en dat was de inspiratie. Toen ik al begonnen was met schrijven zei een ander kind: “Ik zal leren totdat ik moe ben.” De eerste uitspraak die de vonk deed overspringen en het vuur van de bevlogenheid aanwakkerde, verklapt hij toch niet. Lachend: “Daar begint het boek mee, mensen moeten het nog willen lezen.”
Alphons Levens
Maatschappijbetrokken
Vreemd is het niet dat Levens gebeurtenissen uit de dagelijkse beslommeringen aangrijpt om daarover te schrijven. Immers hij beweert altijd vanuit dezelfde optiek te creëren, of dat nu om zijn gedichten of korte verhalen gaat. “Ik ben een maatschappij betrokken schrijver. Wat ik waarneem verwerk ik tot gedichten en verhalen.” Hij is er trouwens bijna zeker van dat hij de twee jongens die onwetend eigenlijk een wezenlijke bijdrage leverden aan het boek eens tegenkomt. “Ze zullen zichzelf herkennen.”
De illustraties in het boek zijn van Winston van der Bok. Voor al Levens zijn uitgaven werken die twee samen. Hoewel de schrijver er prat op gaat dat de tekeningen eerst door hem worden uitgeschetst. Zaterdagmorgen signeert de schrijver zijn nieuwste uitgave in boekhandel Vaco en de woensdag daarop in Tori Oso. ‘Ik zal leren totdat ik moe ben’ zal zowel in Suriname als Nederland te verkrijgen zijn.
Luid, luider
Toen ik een uur daarvoor naar binnen ging
Huilde zij reeds, ik hoorde haar al bij de poort.
Zij hing net als nu rechts uit de rolstoel,
Die oude vrouw met een beperking.

Links van haar, ‘t is bij de uitgang van ‘t A.Z.,
Zit een begeleidster in ‘t wit die belt; luid:
“Die vrouw zit hier maar te huilen, ik denk,
dat ik een bus pak en haar hier achterlaat.”

De oude vrouw huilt nog luider,
ik hoor haar nu voorbij de poort.

AlphonsLevens,
17 oktober 2013.

[uit de Ware Tijd, 22/10/2013]
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter