blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Leibbrand Joop

Ik ben niet ik

Trefossa, Shrinivási, Dobru – De stilte van het ongesproken woord / Tiri fu den wortu di no taki

door Joop Leibbrand

Geen uitgever die meer aandacht besteedt aan de literatuur uit wat vroeger ‘De West’ heette dan het Haarlemse In de Knipscheer. Daar verscheen onlangs onder de subtitel Drie Surinaamse dichters op muziek gezet een mooie dubbeluitgave – boek en dvd – rond het werk van Trefossa, Shrinivási en Dobru, dichters die, mede omdat ze in een sterke orale traditie staan, geworteld zijn in het collectieve geheugen van de Surinamers: De stilte van het ongesproken woord / Tiri fu den wortu di no taki. read on…

Bij de honing zo heerlijk

Over Michaël Slory – Torent een man hoog met zijn poëzie

door Joop Leibbrand
Bij In de Knipscheer (waar anders?) verscheen een mooi uitgegeven verzamelbundeltje met gedichten van de oude Surinaamse bard Michaël Slory (1935). Torent een man hoog met zijn poëzie bevat 46 Nederlandstalige gedichten uit de periode 1995-2005, aangevuld met zeven gedichten in het Sranantongo. Deze gedichten uit de jaren 1973-1975 werden vertaald door John Leefmans. De Spaanstalige gedichten die Slory ook schreef, ontbreken.
Michael Slory
Torent
een man hoog
met zijn poëzie,
des te lichter
de woorden
die stromen
uit zijn heelal.
Des te weidser
de verspreiding
van zijn gedachten
in het al.
In zijn nawoord benadrukt Michiel van Kempen de ‘paradijselijke ingesteldheid’ van deze dichter, die al in 1961 debuteerde met Sarka/Bittere strijd.
In alles ziet Slory het grotere, ‘de huif van de kosmos, noem het God’. Slory is een dichter die én de taal viert, én het leven, waardoor zijn werk vaak iets euforisch heeft.
Alsof er vlinders
fladderden uit je haren
en een licht ballet dansten
om je heen
van één twee drie
één twee drie
verrukking bewerkend
in mijn bloed.

Oh één stonde,
één stonde ik dan
tot hemel verheven!

Maar niet alles genereert dankbaarheid, want hij ziet ook scherp de grote en kleine inbreuken op de ‘aardsparadijselijkheid’, van de slavernij tot de rotzooi die mensen letterlijk en figuurlijk kunnen veroorzaken.
Veel gedichten hebben een ethische lading.
Foto @ Rudi Moeridjan

 

Bescheidenheid siert de mens

Vind je niet
dat jouw eigen maaksels
jouw handen al na één dag
zijn ontgroeid?

Vind je niet?
Vind je niet
dat ergens
zonder jou
iets anders broeit?

Vind je niet?

Korte regels, veel herhalingen, een overvloed aan vraagtekens en uitroeptekens. Dit is poëzie die wil communiceren, die uitgesproken moet worden en gehoord. De lezer moet ontvankelijk zijn voor de suggestieve kracht, hij moet met warmte kunnen lezen en luisteren, mee beleven.
Intellectueel valt er weinig aan te beleven, maar de gedichten hebben een sympathieke uitstraling. Ik denk dat je het land moet kennen, om de achterliggende mentaliteit op de juiste waarde te schatten. Eén kort gedicht trof ik aan dat je bijna als onvervalst Hollands zou kunnen bestempelen:
Bewogen door de wind als was ik riet
Gebogen, heen en weer, en zo om niet.
Alsof ik niks was in de dans der elementen.
Bewogen door een stilte die mij het antwoord liet.
Een enkele keer deed Slory me in zijn fijnzinnigheid aan Wilfred Smit denken. Maar die woonde dan ook tot zijn vijftiende in Nederlands-Indië!
Stilaan daar
onder de watervalletjes
van het woord,
vermaan de bloemen niet,
noch hun aroma,
en nog minder
hun droom van maan.
Hoewel het werk dus duidelijk in een orale traditie staat, zijn de gedichten niet neergezet in brede, epische streken. Slory blijkt in de eerste plaats een taalkunstenaar te zijn die de bijzondere facetten van de werkelijkheid die hij waarneemt, bijslijpt tot juweeltjes. Ieder gedicht een geschenk, ik denk dat hij het zo bedoelt.
Bij een bamboebos
Concierto de Aranjuez (Joaquín Rodrigo)Kan de bamboe
ook zo zingen en kraaien
Joaquín Rodrigo?

Alles dooreen:
de harp, de citer, de luit
en nog meer
in een juichlied
van vreugde.

O ik waan mij terug
tussen de kreeften
en de kreken die uitlopen
naar zee.
Bij de honing zo heerlijk:
van de parwabossen.

Michaël Slory
Torent een man hoog met zijn poëzie
Uitgever: In de Knipscheer
Jaar:
ISBN: 9789062658060
Prijs: € 17,50
80 blz.

[uit Meander, literair magazine, 25 september 2012]

 

Het eilandgevoel

door Joop Leibbrand

Op 10 oktober vorig jaar (10-10-’10) werd het Koninkrijk der Nederlanden vernieuwd. De Antillen werden als staatsvorm ontmanteld, Sint Maarten en Curaçao werden net als Aruba ‘landen’ binnen het koninkrijk en Bonaire, Sint Eustatius en Saba werden Nederlandse ‘Openbare Lichamen’. Eilanden bleven ze alle zes, en samen met de zes Waddeneilanden telt Nederland nu dus twaalf eilanden. Om dat voor een breed publiek zichtbaar te maken, ging Klaas de Groot voor In de Knipscheer, de uitgeverij die zoveel affiniteit heeft met het overzeese, in de literatuur op zoek naar gedichten over al deze eilanden. Het resultaat, mede te danken aan een flink aantal met name genoemde behulpzamen, is een kloeke bundel van 112 gedichten in de vier officiële talen van het Koninkrijk: Nederlands, Engels, Fries en Papiaments, waarbij die in de twee laatste talen ook in vertaling werden opgenomen.

In Vaar naar de vuurtoren [Eiland, Isla, Island, Eilân] zijn de gedichten alfabetisch op eiland geordend, zodat de bundel opent met gedichten over Ameland en Vlieland de eilandenrij sluit. In de afdeling Varia volgen dan nog wat teksten die niet specifiek over één eiland gaan.

De titel is ontleend aan een gedicht van Sjoerd Kuyper, ‘Texelse kermis’; het telt zeven strofen, hier volgen 1, 4 en 5:
Er is maar één manier
om werkelijk
op Texel aan te komen:

[…]

kijk naar het licht
dat als een mes
tussen de wolken
door gestoken wordt,

vaar naar de vuurtoren,
die je al bijna aan kunt raken,
nu je arm in deze helderheid
meer dan een half uur lang is,

[…]

De Groot bedacht Curaçao met de meeste gedichten, maar hij zorgde er ook voor dat de verhouding Nederlandse en Antilliaanse eilanden mooi in evenwicht is. Als het rijmpje van Driek van Wissen vooral aan die laatste wordt toegerekend, klopt het zelfs precies:

Uitverkoop

Dit aanbod mag u absoluut niet missen
Ons land is dit maal voordeelkruidenier
Koop zes Antillen voor de prijs van vier
En als u deze week nog kunt beslissen
Dan krijgt u voor een appel en een ei
Er ook nog de provincie Friesland bij.

Klaas de Groot wijst er in zijn uitvoerige nawoord zelf al op dat de Nederlandse bijdragen in het algemeen wat lichtvoetiger zijn dan de Antilliaanse. Die zijn vaak zo hooggestemd, dat De Groot ze zelfs hagiografisch noemt. Het lijkt een duidelijke mentaliteitskwestie, maar dat het Nederlandse aandeel nogal ‘licht’ is, is uiteraard vooral een gevolg van Groots keuze om naast dichters uit de categorie Slauerhoff, Bernlef, Otten ook Freek de Jonge, Driek van Wissen, Ivo de Wijs, Fetze Pijlma, John Schoorl, John O’Mill en Kees Stip op te nemen.

Een goede bloemlezing dient enerzijds altijd de evergreens van het genre te bevatten, maar anderzijds toch vooral nieuwe, verrassende vondsten te presenteren. Voor het Antilliaanse gedeelte is dat voor een niet goed in die literatuur ingevoerde lastig te bepalen, maar in het Nederlandse gedeelte maken veel dichters hun opwachting die je elders niet snel zult aantreffen en dat gaat zeker niet ten koste van het niveau. Aardig is dat van alle gebieden ook de ‘volksliederen’ zijn opgenomen, ook de apocriefe.

De Groot is dank verschuldigd voor het kiezen van een gedicht van Christiaan Terpstra. Achter deze vergeten dichter gaat Jan Christiaan Marius Kruisinga schuil, geboren 1895 te Den Helder, overleden 1971 te Vriezenveen en in zijn beroepsleven werkzaam als notaris. Hij publiceerde tussen 1939 en 1955 vijf bundels, waarvan de laatste, een keuze uit de eerdere, verscheen bij de Bezige Bij. In Vaar naar de vuurtoren werd van hem ‘Texel’ opgenomen, net als andere oudere gedichten in gemoderniseerde spelling en zonder de aanduiding ‘Den Hoorn, 7 april 1939′.

Texel

Dit eiland heeft zijn eigen lied;
de vogels, die de zomer duchten
gaan schreeuwend door de hoge luchten
en roepen om een vèr verschiet,

Dit eiland heeft zijn eigen licht.
Het glinstert boven verre stranden
en overstuift de vlakke landen,
gespreid achter het duingezicht.

De eigen zee omspoelt dit land.
Ze vloeit zo grijs rondom de dijken,
en spat, zover de banken reiken
haar schuim op een toekomstig strand.

Dit eiland heeft zijn eigen tijd.
Wie weet, wanneer die is gekomen?
Om ‘t kale graf staan scheve bomen;
de grond is open en bereid.

John Jansen van Galen, die in 1998 een bundel reisverhalen publiceerde onder de titel Het eilandgevoel en daarmee de term muntte, wijst in zijn voorwoord op een ernstige ‘omissie’: het ontbreken van gedichten over de eilanden Pampus en Tiengemeten. In een volgende druk moet dat dan maar worden goedgemaakt.

Klaas de Groot (sam.)
Vaar naar de vuurtoren [Eiland, Isla, Island, Eilân]
Uitgever: In de Knipscheer
Jaar: 2010
ISBN: 9789062656585
Prijs: € 17,50
256 blz.

[uit Meandermagazine, 20 januari 2011]

Loodzwaar lichten

door Joop Leibbrand

Aart G. Broeks poëziedebuut heeft slechts een bescheiden omvang van zeventien gedichten, maar door de wijze van presenteren krijgt het bundeltje iets loodzwaars. Vijf betitelde afdelingen zijn er liefst, vijf opdrachten, elf motto’s, drie bladzijden met aantekeningen en een ‘bio-en bibliografische voetnoot’ van twee volle pagina’s. Er is niets tegen inbedding en omkadering, maar dit maakt een wel erg pretentieuze indruk. Met dat epaterende randwerk dreigt Broek het zicht op zijn gedichten weg te nemen en dat zal toch niet zijn bedoeling zijn geweest.

De bundel opent met de vierdelige cyclus ‘Het onsterfelijke rif’, net als de meeste andere teksten geïnspireerd door een jarenlang verblijf op Curaçao. Dit is het eerste deel ervan:1.

En de golven, woest van onmacht, vraten de stranden
uit de gekartelde kust en kotsten het zielloze zand
over het wiegende koraal, dat stikkend stierf, verschoot
tot vale schijn van diepten die slechts het verlangen
naar het tijdloos strelen van het zilte zonlicht
uit onbereikbare hoogten koesterden. Versteend
de lust door de kolkende geseling die ooit ook leven
schonk, maar vrat en vretend verstikte wat waaide
in kleurig nijgen: een tintelend kussen zonder lippen.

De eerste drie regels zijn fenomenaal, zo beeldend, zo krachtig, maar daarna zakt het gedicht snel in, gaan de alliteraties en de vele bijvoeglijke naamwoorden storen en komt al dat strelen, koesteren en nijgen wat gezocht over.
Het wekt meteen wel het vermoeden dat Broek hier wording en afbraak van een koraalrif verbindt aan de opkomst en neergang van lustbeleving en dat wordt in het vervolg prompt bevestigd, waarbij het opvallend is hoe vaak dezelfde woorden uit het lust- en wellustveld herhaald worden. Het feit dat in delen van de cyclus een mannelijke G. en een vrouwelijke M. worden aangesproken, lijkt erop te wijzen dat de ik in deze gedichten – ‘redeloos tollend in vervaarlijk tij’ – voor een keuze staat in zijn seksualiteitsbeleving; dankzij de verstandige terughoudendheid van G. in het voordeel van M. beslecht. Zo eindigt het vierde gedicht:

M.- Jij wist het koraal onsterfelijk. Je liet het mij
zelf ontwarren en het kleurig nijgen wordt het buigen voor
een tintelend kussen en wordt – keer op keer – de vlekkeloos
aangereikte vlucht naar zinnelijke hoogten, ver voorbij
feilbare bezweringen, die schokkend het eigen handgeslagen
falen in jouw schoot schiet, waar het op de door millennia
gepolijste kust verstuift. Keer op keer even zo tijdloos.

Het is beslist interessant, intrigerend zelfs wat Broek hier aanbiedt, maar de zwakte van deze poëzie is ook duidelijk: het is te gewild, te hoog gegrepen, het is het benoemen van emotie, waardoor het geheel in tegenstelling tot wat Broek zal hebben nagestreefd, haast een belerend karakter krijgt.

Curaçao is prominent aanwezig in ‘Een eiland verzonken’, een afscheidsgedicht van het eiland, dat alleen de tweede afdeling vormt. Het kreeg een aan Tip Marugg ontleend Papiamentstalig motto mee: ‘een eiland verzonken/ dingen die nooit zijn gekomen’. Het begint sterk met ‘Je gleed geruisloos langs de cactuszuilen de nacht in./ Naalden scheurden flarden uit ons leven, die terstond/ verdroogden in de zilte wind.’, al doen dat ‘terstond’ en ‘zilte’ (een woord dat talloze keren in de bundel voorkomt) wel een beetje oubollig aan. Als Broek toe is aan de emotie bij het afscheid schrijft hij: ‘[…] De tranen verraadden/ dat niet alle verstreken belevingen over de kolkende golven/ van de noordkust in het schuim verdwenen.’ Stijf en geforceerd, geen poëzie aan te ontdekken.

Afdeling drie, een cyclus van zeven gedichten onder de titel ‘De kus’ is opgedragen aan een Katwijkse jeugdvriend. Zeker in het begin ervan is de stijl anders. In korte, bijna stamelende zinnetjes probeert hij het moment te bereiken van ‘[…] De schaamte/ ontraadseld en ontrafeld: vrij van vrees.’ Het is de geschiedenis van een verloren jongensliefde, ‘Wonderlijker liefde. Meer dan die van vrouwen/ dierbaar – ‘, sterk verbonden met gevoelens van angst en schaamte, maar gedragen door een op de geschiedenis van David en Jonathan geënte Bijbelse overtuiging van zuiverheid. Aan het eind van het gedicht schrijft hij: ‘De kus smeedt het afscheid en snijdt de scheiding,’ en dat is een regel die stáát. Helaas is de voortzetting dan meteen weer veel minder en komen er moeizame regels om uit te leggen dat de ander, die zich kennelijk definitief van hem heeft afgekeerd, in hem verloren mag gaan om in een nieuwe schepping (het gedicht) te herleven.

‘Istanbul of Het gemeenzaam helen’ beschrijft in twee gedichten gelijktijdig een dwaaltocht door de stad en een bezoek aan een badhuis, waarbij er steeds de suggestie is van een bepaalde erotische spanning, of toch tenminste van een invoelbare tedere (mannen)vriendschap.

De bundel eindigt met drie korte gedichten waarin de Caribische Zee centraal staat, met diverse verwijzingen naar historische feiten. De titel ervan, Het lichten van de jaren, werd ook de bundeltitel. Goed gekozen, want behalve dat het betekent dat vergane jaren als gezonken schepen worden gelicht en zo aan de vergetelheid worden ontrukt, wil het ook zeggen dat ze als het ware zelf licht geven, dus iets bezitten waardoor ze op eigen kracht kunnen bestaan. En dat geldt, ondanks alle bedenkingen, beslist ook voor een aantal gedichten uit deze opmerkelijke bundel.

******
Dr. Aart G. Broek (1954) studeerde communicatiewetenschappen en sociologie. Hij verbleef van 1981 tot 2001 op Curaçao waar hij o.a. werkte als adviseur ‘diversiteit & integratie’. In Nederland werkt hij sinds zijn terugkomst op het terrein van de criminologie. Zo adviseert hij bijvoorbeeld Reclassering Nederland. Broek is daarnaast parttime verbonden aan het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden, waar hij onderzoek doet naar de geschiedenis van de politie in Suriname en de Nederlandse Antillen en Aruba.
In 2000 publiceerde hij Het zilt van de passaten, een bundel essays over uiteenlopende eilandlijke cultuuruitingen en in 2006 de tweedelige geschiedschrijving/bloemlezing De kleur van mijn eiland. Ideologie en schrijven in het Papiamentu sinds 1863. In het essay The colour of my island van 2010 beschreef hij de geschiedenis in vogelvlucht. In 2007 verscheen De terreur van de schaamte; brandstof voor agressie, een essay over o.a. de gespannen verhouding allochtonen en criminaliteit en de nature/nurture-problematiek. In 2008 stelde hij Met liefde behandelen samen, een hommage aan Boeli van Leeuwen en in 2009 was hij mederedacteur van het verzameld werk van Tip Marugg, De hemel is van korte duur.
Broeks website geeft een compleet overzicht.

Aart G. Broek
Het lichten van de jaren
Uitgever: In de Knipscheer
Jaar: 2010
ISBN: 9789062656493
Prijs: € 13,50
48 blz.

[uit Meandermagazine, 18 januari 2011]

Foto van Aart Broek: @ Bert Nienhuis

Weg uit een schaduwtroebel land

door Joop Leibbrand

Aletta C. Beaujon (Curaçao 1933 – Aruba 2001) studeerde in Illinois en Utrecht psychologie en werkte als klinisch psychologe (met een speciale belangstelling voor criminologie en pediatrie) achtereenvolgens op Curaçao, in Leiden en op Aruba. Zij publiceerde als jonge vrouw van begin twintig en begeleid door haar oom Cola Debrot (1902-1981) een verzameling Nederlands- en Engelstalige poëzie, Gedichten aan de Baai en elders, waarmee zij in 1957 een dubbelnummer mocht vullen van het literaire tijdschrift Antilliaanse Cahiers: 67 Nederlandse gedichten, tien Engelse en een in het Papiamentu. De ontvangst was in het algemeen positief. Zo noemde Ed. Hoornik het werk ‘niet minder verrassend dan verblijdend’, sprak Pierre H. Dubois van ‘prille zuiverheid’, ‘dichterlijke trefzekerheid’ en van ‘visionaire landschappen’ die ontstegen aan de aardse werkelijkheid en schreef Frank Martinus Arion over de poëzie van zijn eilandgenote: ‘Aletta’s bundel is een grillige, fantastische reis: de reis die kinderen soms in hun dromen maken of waarvan heel blijde mensen soms spreken, als het leven hun goedgezind is.’
In 1959 verscheen in een keuze van Debrot in Antilliaanse Cahiers onder de titel ‘Poems while in Delos’ nog een veertiental Engelse gedichten. In 2008 werd in de collectie Antilliana van de Openbare Bibliotheek van Den Haag een kantooragenda uit het jaar 1957 gevonden met daarin onder de titel Words washed away / Weggespoelde woorden 78 met de hand geschreven gedichten van Beaujon (het overgrote deel in het Engels), waaronder de veertien ‘Poems while in Delos’. Beaujon bleek dus twee bundels van 78 gedichten geschreven te hebben, waarvan het merendeel uit de tweede bundel ongepubliceerd bleef.
In De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue worden nu door de ontdekker van het manuscript, neerlandicus Klaas de Groot, en zijn mederedacteur dr. Aart G. Broek beide bundels in één band uitgegeven, aangevuld met enkele verspreide gedichten gevonden tijdens bibliotheekonderzoek op Curaçao en met vertalingen van de Papiamentstalige gedichten. De twee zoons van Aletta Beaujon, beiden medisch specialist in de West, schreven gezamenlijk een levensbeschrijving van hun moeder, die daaruit naar voren komt als een veelzijdig begaafde vrouw met een zeer sterk gevoel van eigenwaarde en een sterke drang tot onafhankelijkheid.
.

 

Aletta Beaujon deelt haar geboortejaar met Hans Faverey, Cees Nooteboom, Wilfred Smit en Paul Snoek en is een jaar ouder dan Judith Herzberg, Rutger Kopland en Gerrit Krol. 1957 is het precieze jaar van verschijning van Uit slaapwandelen van Vroman, Weerszij van een wereld van Ellen Warmond, Amulet van Lucebert, Sonnetten van de kleine waanzin van Hans Andreus, maar ook van Achterbergs Spel van de wilde jacht. Guillaume van der Graft, Ida Gerhardt en Remco Campert hebben al volop gepubliceerd. Het innerlijk behang en andere gedichten van Lodeizen dateert al 1952, Vasalis’ Vergezichten en gezichten is van1954. Deze plaatsbepaling zegt veel over de grote diversiteit van de poëzie eind jaren vijftig van de vorige eeuw, maar wie in het Nederlandstalige werk van Beaujon zoekt naar invloeden of overeenkomsten komt er niet verder mee. Met geen van deze dichters blijkt Beaujon te vergelijken. Hoe zeer dit ook jeugdwerk is en de onderlinge stijlverschillen in de gedichten verraden dat zij duidelijk zoekende is en allerlei registers uitprobeert, van het soms bombastische gebruik van grote woorden voor grote gevoelens, tot eenvoudige, heldere onnadrukkelijkheid, daarachter klinkt wel degelijk een specifiek on-Hollands eigen geluid: zintuiglijk, picturaal, ongebonden, vrij. Kosmopolitisch ook, want in haar gedichten stapt zij moeiteloos over van de Antillen naar Amsterdam, en van daar naar Griekenland, met name het eiland Delos, waar veel gedichten, vooral ook de Engelstalige, gesitueerd zijn. In ‘Slagbaai’ (de familieplantage van de Beaujons op Bonaire) verwoordt zij op volstrekt natuurlijke wijze een arcadisch gevoel:
Slagbaai
We hebben
toen ’s middags de zon
wat minder fel werd
gezwommen
in zout helder water
over rode riffen
en wit zand
Pas toen het avond werd
zijn we ons gaan wassen
onder de pomp
tussen de twee huizen
in de reeds koele passaat
Wij zijn buiten gaan zitten
Ons haar is nog vochtig
van het wateren de avondbries
is strelend koel
ongelooflijk zoet
na de zoute hitte
van de dag
Ik voel mij
als Orpheus
in een delirium
van heerlijkheid
verheven zelfs boven de sterren
lichtjaren verwijderd
De zee ruist voortdurend
in ritmische rijmen
Zij heeft in de late middag
het strand verkracht
met geweldige golven
van schuim en zand
Als je beweegt
knarst de stoel
op de witte steentjes
om het huis
Wij begrijpen
dit oneindig ogenblik
van één zijn
door onmeetbare tijden
van zijn en worden
Het gedicht laat mooi Beaujons talent zien. De haast naïeve zuiverheid van de innemende eerste drie strofen, op een onnadrukkelijke manier vanzelfsprekend, wordt verbonden met een diepere filosofische laag, waarbij zij het grote gebaar niet schuwt. Sterren en lichtjaren, oneindige ogenblikken en vooral ‘onmeetbare tijden/ van zijn en worden’, vormen gevaarlijk materiaal voor een jonge dichter, maar door het te verbinden met de knarsende stoel op de witte steentjes – te vergelijken met die ene vlinderslag die de balans van het hele universum kan veranderen -, bereikt ze een geslaagd evenwicht. Er staan veel meer goede gedichten in deze bundel, en als een gedicht als geheel minder is, of ronduit onbeholpen, staan er altijd nog wel regels in die de moeite waard zijn. Zo verbeeldt zij in het gelijknamige gedicht het mythologische Griekenland: ‘In Griekenland/ wil ik beelden/ vangen in verf/ op perkamenten van vlezige stengels […]// Op nimfen loeren/ goden en /gouden stieren ontvoeren/ mooie maagden/ met/ masturbatie/ mania’. Na haar levenswijze in ‘Spel”, dat voortborduurt op het daaraan voorafgaande ‘Nocturne’, vergeleken te hebben met die van een vlinder, vervolgt zij met ‘Zo heb ik met het denken/ gespeeld/ waar ik bloemen blozen zag// Ik heb gestreeld/ de eenvoud/ van de eerste droom’. Beaujon moet in Nederland – ‘een grijs en/ schaduwtroebel land’ – niet haar beste jaren gehad hebben. ‘Het hele gore noorden/ sluipt koud en donker samen’, schrijft zij in ‘Tropenmensen’ en zo beleefde ze er soms de eerste uren van de dag:
Winterochtend
In de nacht is het koud
verlaten lichten van de stad
in de zwarte ochtendtram
huilende ramen gebroken kleuren
de hemel breekt open en nat
Werkende mensen hebben al
vochtige jassen en
scheve schouders
slapende grote hoofden
winter schreeuwt
elektrische vlagen buiten
adem vlekt de ruiten
Wie vervolgens de zevendelige cyclus ‘Symbolen aan de Baai’ leest (het hoogtepunt van het eerste deel), kan gemakkelijk vaststellen hoezeer Beaujon een kind was van die andere wereld, ‘waar in de vroege koele rilling van de wind/ alles weer ontwaken moet/ en vergeten doet het dromen van iets anders’.
Als jonge dichter zal Beaujon zeker ambities hebben gehad: ‘Hooghartig heersen/ wil je/ met je schrijven/ en je denkt/ het ware/ te hebben gezien/ met de eigen ogen/ van je denken’, schrijft zij immers in ‘De jonge dichter’. Dat ze die in de poëzie niet heeft kunnen of willen waarmaken, ‘het klare denken verraadt de eigendunk‘, is jammer. Aan de andere kant: zo is een belofte altijd een belofte gebleven, en dat heeft ook wel iets moois.
Aletta Beaujon, De schoonheid van blauw / The Beauty of Blue
Uitgever: In de KnipscheerJaar: 2009
ISBN: 9789062656462
Prijs: € 34,50
300 blz.
[Overgenomen uit Meander, literair e-zine; foto: @ Michiel van Kempen]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter