blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Legêne Susan

Het verleden is een vreemd land

door Susan Legêne

Verslagen vanwege de dood van Anil Ramdas op 16 februari 2012 wil ik hem in deze column in OER gedenken met een bespreking van een artikel dat op 28 april 2001 verscheen in NRC-Handelsblad. “Het verleden is een vreemd land – Waarom ging iedereen weg uit Bihar?” gaat over een bezoek aan het dorp Kulharia, nabij Patna, in de Indiase deelstaat Bihar. Ik heb het altijd onthouden omdat het verscheen toen we in Allahabad juist een begin maakten met het zogeheten “Bidesiaproject”, een Indiaas onderzoeksinitiatief over de cultuur van de migratie in India (Uttar Pradesh en Bihar), Suriname en Nederland. Bides, (vreemdeling), is een affectieve benaming voor verwanten die zonder bericht vertrokken blijken te zijn. In India vond de gemeenschap voor de onbeantwoorde vragen over hun lot een specifieke theater- en dichtvorm, Bidesia genaamd. Ook in de Hindustaanse gemeenschap overzee wordt de herinnering verwoord in gedichten en verhalen die, zoals in het geval van het Sarnámi (het Surinaams-Hindustaans) in Bihar verstaanbaar zijn gebleven. Anil Ramdas schreef over die migratiegeschiedenis als Indiacorrespondent voor NRC-Handelsblad. Hij vervulde dit correspondentschap, zoals die krant in het herdenkingsartikel op 19 februari 2012 met recht stelt, als een antropoloog die achter het nieuws kijkt en, kritisch op zijn eigen wijze van nieuwsgaring, daarbij ook zichzelf niet spaart.

 

Met het bezoek aan Kulharia in 2001 bezegelde Anil Ramdas zijn besluit om eindelijk toch eens zijn land van herkomst te bezoeken, een verwijzing naar Het land van herkomst, de beroemde autobiografische roman van E. du Perron uit 1935. Met overpeinzingen, brieven en dialogen roept Du Perron erin zijn jeugd in Nederlands-Indië op tegen de achtergrond van de toenemende politieke spanningen in Europa waar hij op dat moment verkeert. Ramdas leende van Du Perron de titel voor zijn reportage over Bihar, het land van waaruit ooit zijn grootouders naar Suriname vertrokken. In het volgende citaat legt hij uit waarom:

“Door heel India heb ik gereisd, maar Bihar sloeg ik met een grote bocht over. Bihar was op de een of andere manier te ernstig. Te zwaar. En ik zou niet eens kunnen uitleggen waarom.

Heimelijk rootsgevoel? Ik heb daar een officieel antwoord op: nee, ik ben niet op zoek naar mijn roots. Ik heb een hekel aan de term en als vrienden dachten dat ik naar India verhuisde omdat daar nu eenmaal mijn wortels lagen, raakte ik hogelijk geïrriteerd. India is voor mij gemakkelijk, zei ik altijd, omdat ik de taal beheers en door mijn voorkomen kan opgaan in de massa. Dat is alles, beste mensen, dat is echt alles!
Maar je merkt soms dat je jezelf overschreeuwt. Dat de stem waarmee je spreekt niet helemaal samenvalt met de stem waarin je denkt. Dat je aan het bluffen bent, terwijl iedereen kan zien dat er iets scheelt.
Ik wil niet beweren dat het ernstig is, het is misschien zelfs een luxeprobleem. Mijn grootouders zaten er niet mee, dat ze hun land hadden verlaten, als ze al het idee hadden dát ze iets verlieten en dat het inderdaad hún land was. Mijn ouders waren te druk met studeren en vooruitkomen om gehinderd te worden door vragen over verbondenheid en identiteit. Ik zette die trend nog even voort, door het verleden als afgesloten te beschouwen en mezelf afwisselend Surinamer en Nederlander te noemen.”

De reis naar Bihar had niet tot doel om voor zichzelf precies dat ene dorp te zoeken waar zijn grootouders uit vertrokken, maar om antwoord te zoeken op de vraag waarom zij weggingen. Ramdas ziet tal van mogelijke antwoorden om zich heen, zoals de armoede, de hiërarchische verhoudingen van het kastenstelsel, de achtergestelde positie van vrouwen, de zware arbeid in de landbouw. In Kulharia wordt hij echter hartelijk ontvangen en treft hem de herinnering aan zijn grootouders, opgeroepen door de smaak van de chai, de geur van houtvuurtjes, de toon van de taal.

“Ik probeer de sensatie vast te houden, het tintelende gevoel wanneer je merkt dat het verleden echt bestaat. “Het verleden is een vreemd land”, zei Rushdie in Imaginary Homelands, “maar het verrassende is dat je er door kunt wandelen”.”

Tegelijk constateert Ramdas dat de ervaring van afstand in de tijd – verbonden aan herinneringen aan zijn jeugd in Suriname – ook een daadwerkelijke afstand betekent ten opzichte van de mensen die hem daar in Bihar ontvangen.

Deze historische vervreemding culmineert in een twistgesprek met de zamindaar, de landheer van Kulharia. Ramdas vraagt waarom de contractarbeiders met achterlating van alles en iedereen zijn weggegaan. Hij wil horen dat ze een betere toekomst zochten voor zichzelf en hun nageslacht, en dat ze daarin ook geslaagd zijn: zie hemzelf. De landheer geeft echter geen ruimte voor deze visie op de migratiegeschiedenis. De contractarbeiders vertrokken volgens hem omdat ze met valse beloften werden misleid. Het bezoek aan zijn dorp is voor de landheer een bevestiging van zijn gelijk. “Je zoekt de grond waar je toe behoort. Dat is goed jongen. Zoek maar”, laat Ramdas hem zeggen. De dorpelingen zijn opgelucht dat het gesprek daarmee goed afloopt, maar Ramdas kan niet delen in die ontspanning van de situatie, hij wil weg. “Uit het verleden kan je beter vluchten”, luidt de laatste zin van de reportage.

Dat geschiedenis en herinnering pijnlijk kunnen botsen spreekt ook uit Het land van herkomst, dat speelt in 1935. Aan het einde legt de schrijver in een brief aan een vriend (Menno ter Braak) uit dat, hoewel niemand aan zijn noodlot ontkomt, hij toch een keuze moet maken in de hoop niet te eindigen “onder de hakken van onverschillig welk sociaal beest met laarzen”. De schrijver ziet twee opties:

“Ik kan mij voorstellen dat ik naar het land van herkomst terugkeer, niet alleen om er te worden opgeruimd door ‘de krissen van de bevrijding’. Ik kan ook dat verleden afzweren en denken dat ik nooit meer van hier wegkom, maar door de gevaren heen zal glippen met wat het sterkste is geworden in mijn leven.”

Hij concludeert dat het wijs is “te leven volgens de eigen aard en alsof men nog alle ruimte vóór zich had, met alle nieuwsgierigheid en hoop waar men nog mee behept is, maar ook met een voldoend quantum pessimisme om ons in één minuut te verzoenen met het einde van alles wat het leven mogelijk maakte, mogelijk in iedere betekenis.” Hij noemt het een oude wijsheid, maar een nieuw besef, en vraagt zijn vriend om, als die iets reëlers weet, hem dat dan zonder uitstel te laten weten. Dan eindigt het boek, en kan de vriend geen antwoord meer geven.

Buiten het gedrukte boek om, weten we uit de geschiedenis dat Du Perron op dat moment koos voor een terugkeer naar zijn land van herkomst. Uit zijn twee opties gaf hij het verleden aldus een nieuwe kans. Die zelfde keuze heeft Anil Ramdas ook vaak gemaakt, en schrijvend heeft hij ons lezers daarover laten meedenken. Dat blijft, ook nu hij zelf voorgoed is vertrokken.


Citaten van E. du Perron uit Het land van herkomst.(1935) Uitgave Van Oorschot Amsterdam 1962.
Artikel Anil Ramdas, zie: http://archief.nrc.nl/?modus=l&text=&hit=10&set=2
Over het Bidesiaproject: http://www.iias.nl/iiasn/30/iiasnl30_12.pdf

[overgenomen uit Oer digitaalvrouwenblad, lente/zomernummer 2012]

Culturele sporen van de koloniale ervaring

door Angelie Sens

Hoe vaak lopen we niet door een museum en bekijken de objecten die er hangen, staan of liggen, lezen de tekstbordjes of luisteren naar de uitleg via de audiotour, en vinden het doorgaans allemaal machtig interessant of op zijn hoogst informatief. In de meeste musea zijn de verhalen achter de objecten veelal summier weergegeven – men wil de bezoeker niet overladen met grote hoeveelheden tekstuele informatie – en wordt de context meestal eendimensionaal verteld.

Ogenschijnlijk min of meer vanzelfsprekende (kunst)historische voorwerpen – een eind-achttiende-eeuws borduurwerk, een gegraveerd drinkglas, een batikdoek, een foto, een schilderij, een Surinaamse ‘bezem’ (‘obia’) – kunnen we aantreffen in de zalen van historische en kunstmusea. Bezoekers trekken eraan voorbij, kijken ernaar, lezen de summiere teksten en vormen zich een beeld, soms ook een mening, over de objecten die conservatoren en tentoonstellingsmakers voor het publiek bijeen gebracht hebben. Is er een catalogus voorhanden, dan kan wie wil thuis verder kijken en lezen, om zich te verdiepen in de museale opstelling, de objecten en hun onderlinge samenhang.

In haar boek Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring duikt historicus Susan Legêne echter nog veel verder in de verhalen, de wisselende context(en) en betekenissen achter ‘koloniale’ museale objecten en de weg die deze soms eeuwen hebben afgelegd. Ze beschrijft haar wetenschappelijke zoektocht naar de betekenis van het kolonialisme vanuit, in haar woorden, het ‘denken over erfgoed, nationale identiteit en de ervaring van culturele diversiteit in Nederland’ (p. 11). Legêne, momenteel hoogleraar Politieke geschiedenis aan de Vrije Universiteit (VU), was in de periode 1997-2008 hoofd Museale Zaken van het Tropenmuseum in Amsterdam en van 2004 tot 2008 tevens bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam (UvA). In beide hoedanigheden hield zij zich bezig met ‘de hedendaagse dynamiek van de koloniale geschiedenis, met als centraal thema de culturele doorwerking van het koloniale denken over verschil’ (p. 18). Legêne hanteert een breed cultuurbegrip: zowel materiële als immateriële cultuur en zowel de uitingen zelf als de historische en hedendaagse reflectie erop en de (museaal)historische context en dynamiek ervan.

Zoals bekend is het – Surinaamse – slavernijverleden in Nederland tot voor kort niet als onlosmakelijk onderdeel van ‘onze’ nationale geschiedenis beschouwd; het hoorde overzee thuis, ver weg van het moederland. Legêne haalt in het eerste hoofdstuk, getiteld ‘Natuur en godsdienst’, onder andere Albert Helmans De Stille Plantage (1931) aan om die lange stilte rondom slavenhandel en slavernij te benadrukken.

Die stilte omgeeft ook het gegraveerde achttiende-eeuwse glas dat Legêne ten tonele voert, waarop, onder de titel ”t Welvaren van Surename’, slavenarbeid wordt verbeeld. Dergelijke glazen en bekers zijn in de loop der tijd in museale collecties terecht gekomen en bijvoorbeeld geregistreerd onder ‘glaswerk’, rococco (naar de stijl), maar niet onder (geschiedenis van de) ‘slavernij’. De aldus ontstane ‘onzichtbaarheid’ van dit soort objecten, die vaak ook nog eens jarenlang daadwerkelijk in de depots van musea lagen te verstoffen, draagt bij aan die stilte.

Een ander voorbeeld van een object dat wél in een museale opstelling een plek heeft gekregen, is een borduurwerk tegen de slavernij uit 1794 dat op de voormalige geschiedenisafdeling van het Rijksmuseum hing en dat tussen 1999 en 2002 in het NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis) een plaats kreeg. Kwetsbaar als het is voor exposure, ligt het inmiddels al weer jaren in de donkere, geklimatiseerde depots van het Rijksmuseum opgeborgen. In haar beschrijving van het borduurwerk snijdt Legêne meerdere lagen aan, waarbij het genderaspect een prominente plaats heeft. In een periode – einde achttiende eeuw – dat vrouwen (nog) geen significante rol speelden in het publiek-politieke debat, bedienden zij zich van andere middelen om hun stem te laten horen. Het borduurwerk is daar een uiting van. Het was, in de woorden van Legêne, ‘een openlijk politiek statement om een einde te maken aan de misstand van slavernij’ (p. 39).

In de negentiende eeuw, de eeuw van de oprichting van musea en het verwerven van collecties, vinden vele voorwerpen uit Oost en West hun weg naar Nederlandse (particuliere) verzamelaars. Met het aanleggen van deze ‘koloniale’ collecties wilden de verzamelaars vooral de diverse culturen laten zien door middel van ‘typische’ objecten, zoals de kris, de batikdoek en andere voorwerpen uit Nederlands-Indië, en bijvoorbeeld de ‘obia’ uit Suriname, waarvan het Tropenmuseum enkele exemplaren in de collectie heeft. De ‘obia’ of ‘magische bezem’ is een ritueel voorwerp gebruikt door wintipriesters en kent een lange geschiedenis die teruggaat naar slaven in het achttiende-eeuwse Suriname, uiteraard met wortels in de Afrikaanse geschiedenis. In de loop van de negentiende en twintigste eeuw raakt de connotatie met slavernij – bewust – op de achtergrond en verdwijnt zelfs geheel uit het slavernijverhaal. Wederom stilte dus. De ‘obia’s’ worden voortaan toegeschreven aan vrije Marrons die ver van de ‘beschaafde’ wereld hun eigen cultuur in stand houden. Door ze weg te halen uit het domein van de slavernij wordt het signaal afgegeven dat (voormalige) slaven de weldadige invloed hebben ondergaan van het blanke kolonialisme, dat beschaving heeft gebracht en de zwarte medemens bevrijd heeft van bijgeloof.

Legêne ontrafelt de intrigerende geschiedenis van dit en andere objecten en uitingen uit Oost en West op overtuigende wijze. Zo besteedt ze aan de hand van negentiende- en twintigste-eeuwse foto’s aandacht aan de (im)migratie van Hindostanen naar Suriname. Ze vertelt de geschiedenis van de batiktechniek op Java met speciale aandacht voor de patronen, motieven en betekenissen die in de batikdoeken verwerkt zijn en de koloniale stereotiepe beeldvorming die deze nijverheid en haar culturele betekenis omgaf en omgeeft.

De twintigste eeuw is een periode van transities, migraties, emancipatoire bewegingen en de reacties daarop, die het denken over (post)kolonialisme complexe extra dimensies hebben gegeven. Nederlanders, Indische en Surinaamse Nederlanders, Indonesiërs, Surinamers en wat dies al niet meer zij, allen zijn ze op zoek gegaan naar hun eigen, veelal nieuwe identiteit en positie in de samenleving waar ze deel van uitmaken of uit zijn gaan maken. De individuele zoektocht en inburgering van de in Indië geboren beeldend kunstenaar Jan Toorop (1858-1928) en de collectieve zoektocht en inburgering van de naoorlogse generaties ‘Indischgasten’ en Surinamers staan centraal in de laatste hoofdstukken. Hun omgang met het en hun verleden, met hun tradities van herinneren, is, evenals de geschiedenis zelf, een dynamisch proces, dat deels ‘versteend’ is in fysieke monumenten die als bakens van collectief herinneren fungeren.
Legêne besluit haar – zeer lezenswaardig en aan te raden – boek met de oproep ‘het niet te laten bij deze hedendaagse – veelal gemusealiseerde, geritualiseerde of gepolitiseerde – omgang met het verleden, maar om in de geschiedenis te blijven graven, geschiedenis te blijven schrijven’ (p. 228), met behulp van álle tot onze beschikking staande bronnen; naast de geijkte tekstuele (archief)bronnen zijn dit museale voorwerpen, verhalen van mensen en de het hele scala aan materieel en immaterieel erfgoed. Uw recensent sluit zich hier van harte bij aan.

Susan Legêne, Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring. Amsterdam: Uitgeverij Bert Bakker, 2010. 294 p., ISBN 978 90 351 3355 6, prijs € 29,95.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Symposium over religie en slavernij

Het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) organiseert het jaarlijkse internationale symposium Trajectories of Emancipation met dit jaar het thema, Religion and Slavery.

Datum: 29 en 30 juni 2011
Locatie: Vrije Universiteit Amsterdam, Hoofdgebouw
Gelieve uw aanwezigheid per e-mail te bevestigen aan Amy Abdou: a.abdou@ninsee.nl

Programme
Tuesday 28 June 2011
17.00- 19.00 Arrival of participants, registration, and reception at NiNsee. Welcome Address- Artwell Cain, NiNsee
Wednesday 29 June 2011: Day 1
Location: Vrije Universiteit, hoofdgebouw room 14 A-05
10.00-10.30 Coffee/Tea
10.30-10.45 Opening Remarks- Susan Legêne
10.45-12.30 Morning Session
Keynote Speaker- Lewis Gordon
“Afro-Jewish Reflections from Passover: Religion, Enslavement, and Memorializing the Reparation of the World”
Theme: Church and State
Speakers: Susan Legêne, Kwame Nimako
12.30-14.00 Lunch
14.00-16.30 Afternoon Session
Theme: Inclusion of Multiple Perspectives
Speakers Hilary Beckles, Tiffany Ruby Patterson, Stephen Small
Wednesday 30 June 2010
Location: Vrije Universiteit, hoofdgebouw room 16 A-00 (Kerkzaal)
10.00-10.30 Coffee/Tea
10.30-12.30 Morning Session
Keynote Speaker – Ramon Grosfoguel
“Reflections on Bartolomé Las Casas’s famous debate with Gines de Sepúlveda on the status and suitability of indigenous peoples for slavery ”
Theme: Christianity and Slavery
Speakers Humphrey Lamur & Ruth Dors, Dienke Hondius
12.30-14.00 Lunch
14.00-16.30 Afternoon Session
Debate: Social and Moral responsibility within organized religions to address the legacy of slavery
Chair Kwame Nimako
Speakers: Stephen Small, Dienke Hondius, Lewis Gordon
16.45-

Bewaren, vergeten en betekenen

door Gerard Boon
“Voor wie ik liefheb, wil ik heten”Neeltje Maria Min

De gouden koets waarin het staatshoofd jaarlijks in september door Den Haag rijdt werd in 1901 in gebruik genomen. Een beschilderd paneel aan de zijkant toont de Koningin als heerseres van ‘de West en de Oost’. Zo werden onze koloniën toen genoemd. Nederland had drie eeuwen lang ‘overzeese gebiedsdelen’, als onderdeel van een Europese expansie die later, in andere vormen, door de VS en China werd overgenomen.

Susan Legêne werkte tussen 1997 en 2008 als hoofd Museale Zaken van het Tropenmuseum (KIT) in Amsterdam. Haar elegant geschreven, erudiete boek Spiegelreflex is een coherente reflectie op dat werk. Naast verzamelen, bewaren en interpreteren gaat het ook over vergeten. De stelling van de schrijfster is dat de Nederlandse cultuur zich in veel opzichten ontwikkelde als een koloniale cultuur en dat de sporen daarvan in de huidige samenleving doorwerken. Aan de hand van honderden bewaarde voorwerpen schildert ze verhalen die daaraan vastzitten tegen het decor van die geschiedenis. Ik vind dit een interessant onderwerp omdat ik me als semiotisch econoom altijd heb afgevraagd wat die spullen van ons nou eigenlijk betekenen.

Verzamelen

Verzamelen is menselijk maar had voor de uitvinding van de landbouw een heel ander karakter dan na de industriële revolutie. Sinds 1800 was er een explosie van waren en rijkdom wat tot een zich steeds wijder verbreidende verzamelcultuur leidde. Met de toename van het overschot boven het noodzakelijke, zien we bij spullen een verschuiving van het belang van het gebruik naar de betekenis, van de gebruikswaarde naar de vertoning, van denotatie naar connotatie. U draagt die bontjas toch niet alleen tegen de kou, mevrouw?

Carry van Bruggen (rechts een portret van Annie de Meester) onderscheidt in Modern Fetisjisme (1925) wat betreft de aankoop van niet noodzakelijke spullen twee redenen. Ten eerste de kuddedrift: “Elk ding is goed, als het maar zichtbaar is, als men het maar iemand kan aan-zien, zodat het hem aan-zienlijk maakt … Het hoeft niet redelijk, niet verstandig, niet mooi, niet gezond, niet aangenaam, niet gemakkelijk te zijn, maar liefst wel duur, zeldzaam en gecompliceerd, dat wil zeggen heel moeilijk na te apen … De glorie van de door anderen vervaardigde schilderijen, door anderen geweven tapijten, door anderen gebouwde huizen, vertoont zich als een aureool om het hoofd van de toevallige bezitter .. Het verborgen doelwit is altijd zelfophemeling en zelfrechtvaardiging”. Naast deze drift om te laten zien dat je kan meedoen met je stand, je kudde en klasse, onderscheidde Carry van Bruggen nog een andere reden om geld uit te geven aan dingen die niet echt nodig zijn voor het fysieke overleven: “De distinctiedrift, de drift om je te onderscheiden … Aan deze nimmer aflatende dorst danken we de dolzinnige luxe, de mode-mallemolen van onze tijd.” Ze noemt als voorbeelden kunstschatten, parelsnoeren en het toerisme. ”Eerst hebben we de afgod zelf gemaakt, daarna zijn we hem gaan aanbidden!”

Volkenkundige collecties werden eerst grotendeels door particulieren bijeengebracht. In de negentiende eeuw kwamen er veel musea, voor een deel gewijd aan de koloniën. De collecties groeiden mee met de ontwikkeling van de Nederlandse overzeese relaties. Ze vormen een geschiedenis van uitwisseling, classificatie, interpretatie en toe-eigening, een selectief proces, zowel ten aanzien van wat werd verzameld als hoe de collecties werden geïnterpreteerd. Daarbij wisselde voortdurend het perspectief.

Bewaarde voorwerpen zijn een bron van contact met het verleden. Dingen uit de natuur, archeologische vondsten, antiquiteiten, rituele objecten, gebruiksvoorwerpen, souvenirs, schilderijen, batik, kwartetspelletjes, standbeelden. Ook officiële documenten, reisverslagen, romans en foto’s zijn historische bronnen. De liefdevol verzamelde en zorgvuldig bewaarde dingen zijn echter niet eenduidig. Integendeel, hun betekenis wisselt per groep en per tijdperk. Wie voor de tweede maal in een rivier stapt, stapt niet in dezelfde rivier; wie voor de tweede maal naar een gebouw of foto kijkt, ziet iets anders dan de eerste keer. Een feit is alleen een feit in het licht van een theorie en betekenis bestaat slechts binnen een interpretatiekader, een code.
Bovendien, als je het over het herinneren hebt, mag je het vergeten niet overslaan. Zelfs bij schriftelijke bronnen staat er niet alleen wat er staat. Men kan drie vormen van vergeten, van stilte, onderscheiden. Zo gaan archiefstukken niet over zaken die de opsteller onbekend waren. Ze gaan evenmin over zaken die hij niet kon opschrijven omdat hij er geen woorden voor had, bijvoorbeeld omdat het schaamtevol was, of geheim. En ze gaan niet over het volstrekt vanzelfsprekende, waarvan de auteur vindt dat hij het niet hoeft uit te leggen omdat hij denkt dat iedereen het wel weet.

Borduren

De geschiedenis van de slavernij is een voorbeeld van dit zwijgen en verzwijgen, van taboe en ontkenning. Dat komt naar voren in het woord ‘stille’ in de titel van de roman van Albert Helman uit 1931: De Stille Plantage. Praten over de slavernij was in Nederland tot 1850 grotendeels taboe. Maar in 1794 borduurde Louise van Ommeren-Hengevelt een tafereeltje, met daarbij een gedicht en haar handtekening. De afbeelding toont drie personen aan een tafel waarop een muis in een kooi zit. Uit het gedicht blijkt dat met die muis een slaaf bedoeld werd. Het borduurwerk is een protestprent tegen de slavernij.

.


Mevrouw van Ommeren was getrouwd met een geslaagd zakenman en verkeerde in de meest verlichte en vooruitstrevende kringen, geïnspireerd door de Franse revolutie met de idealen van vrijheid, gelijkheid en broederschap. Maar zelfs zulke dames zaten als het ware zelf ook in een kooitje en werden zich daarvan meer bewust. Ze mochten niet stemmen, geen verzoekschriften ondertekenen en geen functies bekleden in comités. Maar wat je ook over vrouwen zou willen of kunnen beweren, borduren mochten ze meestal overal wel. Zo vond een deel van de Nederlandse beweging voor de afschaffing van de slavernij plaats in de privésfeer, binnen het huishouden. Zoals met dit borduurwerk. Vrouwen morrelden voorzichtig aan de beperkingen die hen in het maatschappelijk leven waren opgelegd. Ze toonden hun eigen mening door sinds 1789 in huis affiches op te hangen tegen de slavernij, ze droegen armbanden, haarspelden of kettingen met beelden van geketende, knielende slaven, aten van borden met christelijke teksten tegen de slavernij en dronken uit kopjes waarop een slaaf werd gegeseld. Na de afschaffing van de slavernij in 1863 verdwenen in musea dingen die daaraan herinnerden naar de depots.

Zending en fotografie

Bewaarde voorwerpen kunnen naast hun gebruik ook andere betekenissen dragen. Maar bij schilderijen of foto’s zit het gebruik alleen in de vertoning. Toch staat de betekenis van afbeeldingen net zo min vast; het is maar hoe je ernaar kijkt. Wat was de relatie tussen de fotograaf en de gefotografeerde, wat werd gekozen (en wat werd weggelaten), wat was het moment van de opname, wat gebeurde er later met de foto? Net als andere dingen verandert een foto vaak van plaats en kan hij worden meegenomen door de tijd. Een afbeelding van een groep Surinaamse vrouwen op een expositie uit 1895 vertelt een heel ander verhaal dan dezelfde foto in een hedendaags overzicht van de Surinaamse literatuur.

Tussen 1873 en 1916 werden 34.000 contractarbeiders uit India naar Suriname overgebracht. Hun komst viel samen met het begin van de fotografie Voor 1945 had vrijwel iedereen in Nederland een familielid die in de koloniën werkte. De Deense grootvader van de schrijfster was zendeling, hij probeerde in Suriname Hindoestaanse (in het boek steeds Hindustaanse genoemd) contractarbeiders tot het protestantisme te bekeren en stichtte het tehuis voor Hindoestaanse kinderen in het Surinaamse Alkmaar. Ter voorbereiding op zijn taak als zendeling maakte hij in 1913/4 een studiereis van zes maanden naar India. De reis en zijn eerste verblijf in Suriname, van 1917 tot 1923, resulteerden in twee fotoalbums. De foto’s werden gebruikt in het kader van de zending. Dat ging door toen Legêne in Nederland als secretaris van het Zeister Zendingsgenootschap tussen 1931 en 1954 tientallen preken, reisverslagen, kinderboeken en romans publiceerde. Ze werden in hoge oplagen door Protestanten gelezen. Dezelfde foto’s werden vele malen gebruikt in steeds andere verhalen, een foto van een naamloze man kon in het ene verhaal een Moslim, en in een ander betoog een Hindoe voorstellen. De beelden werden natuurlijk wel vooral gebruikt om te preken over de eigen beschaving.

Batik
Batik is de bekendste Indonesische decoratietechniek Tegenwoordig exporteert het Helmondse bedrijf Vlisco het op grote schaal naar Afrika. Zoals bij het Nederlandse borduren rond 1800 al bleek, kan ook textiel een drager van koloniale geschiedenis zijn. De oosterlingen op het zijpaneel van de gouden koets zijn gekleed in batik. Batik heeft altijd vele betekenissen gehad, verbonden aan de techniek, de afgebeelde motieven en patronen, of wie het doek maakte, droeg of bewaarde. Met de veranderingen van de economische verhoudingen tussen Nederland en Indonesië en het daarmee veranderde personenverkeer tussen het moederland en de kolonie, veranderde na 1815 ook de waardering van batik een keer of vijf. Batik stond achtereenvolgens symbool voor een techniek, een kledingstuk, een waar, een sociaal gegeven en een collector‘s item. Zo wordt in een standaardwerk uit 1898 het batikambacht ten voorbeeld gesteld voor het Nederlandse borduren. “Wie de losse gemakkelijkheid waarneemt waarmee die lenige inlandsche arm alles regeert, zonder aarzelen, zonder peuteren, half onder het praten met de gezellinnen door, moet erkennen dat het arbeiden van deze eenvoudige Javaansche vrouw in verre in gehalte wint van het Europese handwerk: dat priegelende geprik, wat geketend is aan zijn eigen teuterige techniek.“
In 2009 werd door de Unesco batik op de lijst van mondiale immateriële erfgoederen geplaatst. Uitgangspunt was daarbij de erkenning van de betekenis van batik voor Indonesië: als cultuur, als ambacht, als mode, als levensbeschouwing, als ‘economisch goed’, toeristische attractie en als geschiedenis.

Kwartetten

En toen was er lesmateriaal. Zoals Helman in 1925 opmerkte, een plaatje in een aardrijkskundeboek kan een kind levenslang op het foute been zetten. Als onderdeel van een educatieve reeks gaf het Koloniaal Instituut, de voorloper van het KIT, in 1942 (!) een kwartetspel uit. Kwartetten is een kaartspel dat vroeger vaak in de huiselijke omgeving gespeeld werd. De bedoeling van het spel is om door onderling ruilen vier kaarten van een serie bij elkaar te krijgen. Bij dit “Insulindekwartet” waren er bijvoorbeeld series over nijverheid, woningen, wapens, schepen en de natuur. Wie het spelletje speelde kreeg zo steeds een selectie, een canon, van plaatjes over Indië onder ogen. Het was een soort kolonialisme als spel, op afstand.
Wat daarbij achteraf opvalt is dat er op geen enkel plaatje een verwijzing naar de Europese aanwezigheid voorkomt. De gekozen beelden zijn traditioneel en ‘tijdloos’. Bij de wapens geen geweer, bij de boten geen stoomschip, bij de transportmiddelen zelfs geen fiets. Ogenschijnlijk actueel presenteerden de kaarten met elkaar een apolitiek heden dat buiten de ontwikkeling stond. Iedere keer als een gezin in de moeilijke bezettingsjaren en later met het invallen van de schemer rond de tafel zat en de kaarten geschud en rondgedeeld werden, lag er een samenhangend beeld op tafel van de traditionele Indonesische cultuur. Men had deze miniatuurversie van de kolonie, een vorm van propaganda, eigenlijk een dagdroom, in eigen hand.
Afbeeldingen van mensen in het spel zijn vier ‘volkstypen’ die trouwens als onderdeel van de afdeling ‘natuur’ worden opgevoerd. Het zijn vier momentopnames van contact tussen de betrokkenen en hun fotografen, gemaakt in geheel verschillende tijden en streken. Het is en was bekend wie deze personen waren, maar hun naam en hun uiteenlopende historische en persoonlijke achtergronden worden bij het spel niet vermeld. Hun individualiteit werd veranderd in een generaliserend beeld. Dit viertal doet de enorme verscheidenheid van culturen en volkeren in het eilandenrijk tekort. De verscheidenheid paste zo beter in ons doosje.
Na de onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 verdwenen herinneringen aan Indië in musea naar de depots. Er veranderde veel, men zegt wel: “Indië verloren, ontwikkelingshulp geboren”.

Uitburgeren

Het is met de verwerking van dragers van betekenis en herinneringen -net als met de bevolking van een gebied of het personeelsbeleid in organisaties- altijd een kwestie van instroom, doorstroom en uitstroom. Maar bij de koloniale erfenis gaat het niet alleen over souvenirs en hun geschiedenis van betekenissen, maar ook over mensen.
Jan (Jean Theodoor) Toorop (1858 – 1928) werd geboren in een Indisch milieu in Purworedjo op Java. Hij had Javaanse, Chinese, Brits-Indische en Noorse voorouders. Toen hij 14 was ging hij naar Nederland en hij ging nooit terug. Hij werd een beroemd schilder en illustrator. Vanwege zijn reclameplaat voor sla-olie heet de Jugendstil (Art Nouveau, Secession, Arts and Crafts) in Nederland sla-oliestijl. Ook maakte hij het omslagontwerp van de roman Metamorfoze van Couperus, een boek dat zelf ook vol verwijzingen staat naar voorwerpen, geuren, omgangsvormen en gewoontes in Nederlands-Indië. De receptie van het werk van Toorop is een voorbeeld van de stelling dat men in verschillende tijden dezelfde dingen heel anders kan waarderen. In vijftien tentoonstellingen van zijn werk tussen 2001 en 2009 wordt zijn Indische achtergrond en eventuele Indische invloeden op zijn werk nauwelijks vermeld. Dat is vroeger wel anders geweest.
Maar Toorop is ook een vroeg voorbeeld van de bekende stelling: “Wij zijn hier omdat jullie daar waren.” Voor de tweede wereldoorlog werden sommige koloniale onderdanen, zoals de Javaan Sewardi Soerjaningrat en de Surinamer Anton de Kom, vanwege hun antikoloniale opvattingen naar Nederland verdreven. Maar Europeanen in de tropen hebben daar toen niet alleen de economie van zichzelf en het Moederland bevorderd, of souvenirs verzameld. Mannen hebben ook nageslacht veroorzaakt: halfbloeden, Indo’s, Creolen, in het boek Afro-Surinamers genoemd.
De staatkundige onafhankelijkheid van Indonesië in 1945 en van Suriname in 1975 leidde tot een grote exodus naar het moederland, voor een deel gedwongen, voor een deel gewild. Deze landgenoten hebben de koloniale geschiedenis anders beleefd en wensen vaak niet mee te doen aan gangbaar pijnlijk zwijgen. Zo wordt ons opnieuw een spiegel voorgehouden. Het viel bijvoorbeeld op dat de geschiedenis van de slavernij tot voor kort geen plaats had in het historisch debat of het onderwijs. In de laatste tien jaren werden er verschillende nieuwe gedenktekens en standbeelden opgericht, voor Gandhi bijvoorbeeld. In Den Haag worden jaarlijks Indische studiedagen gehouden. Daar spraken in 2004 jongeren van de derde generatie over “uitburgeren”. Men zag wel wat in het eigene van de Indische groep, als een internationaal profiel dat niet louter met Nederland verbonden hoeft te zijn. Wellicht, zo werd gesteld, is ‘de drang tot uitburgeren … een teken dat men is ingeburgerd’. In dezelfde maand viel bij Indische Nederlanders in Amsterdam een officiële uitnodiging in de bus om Nederlandse taalcursussen te komen volgen. De minister van Vreemdelingenzaken en Integratie verklaarde verder dat Nederlanders in de openbare ruimte uitsluitend Nederlands behoren te spreken.

Spiegelreflex; Culturele sporen van de koloniale ervaring
Susan Legêne
2010 uitgeverij Bakker
ISBN 978 90 351 33556
294 bladzijden

[ook verschenen in het winternummer van Oerdigitaalvrouwenblad]

Minicongres Lalla Rookh aan de VU


Ter gelegenheid van de nieuwe bijzondere leerstoel Hindostaanse Migratie aan de Vrije Universiteit van Amsterdam vindt er op zaterdag 2 oktober een minicongres plaats. Sprekers zijn Rajendre Khargi, secretaris van de Stichting Diaspora Leerstoel Lalla Rookh, K. Sietaram, voorzitter van de stichting, Susan Legêne, hoogleraar politieke geschiedenis VU, Badri Narayan Tewari, associate professor University of Allahabad, en Chan Choenni (op de foto), die de bijzondere leerstoel gaat bezetten. De bijeenkomst wordt omlijst met een optreden van zanger/dichter Raj Mohan.

Toegang uitsluitend op uitnodiging.

Representation of Slavery Museums, Memorials and Monuments

The National Institute for the Study of Dutch Slavery and its Legacy (NiNsee) invites you to participate in a two day International Symposium on June 29 & 30, 2010 in Amsterdam entitled: Public History and Collective Memory: Representation of Slavery Museums, Memorials and Monuments in the 21st Century. The planned symposium is designed to interrogate the meaning and significance of public history and collective memory in relation to the Trans Atlantic slave trade and slavery.

The objectives for the planned symposium are three-fold; First, to bring together scholars of slavery to interrogate and discuss the meaning and significance of public history and collective memory in relation to Trans Atlantic slavery. Second, to bring together experts to share experiences with and knowledge of slavery museums, memorials and monuments. Third, to use the knowledge gained from this symposium as background information for the commemoration of the 10 year anniversary of the slavery monument in the Netherlands.

Programme: Trajectories of Emancipation
Public History and Collective Memory: Representation of Slavery Museums, Memorial and Monuments in the 21st Century

Opening
Monday June 28th, 2010
Location: NiNsee
16.00-17.00 Guests are welcome to visit the NiNsee exhibitions, Child in Chains and Breaking the Silence
17.00-19.00 First day, arrivals, registration and reception

Day One
Tuesday, June 29th, 2010
Location: Vrije Universiteit Amsterdam
hoofdgebouw room 14 A-05
Morning Session- 9:30-12.45
Welcome Address: Artwell Cain

First Session:
Chair: Artwell Cain
Theme: Shared History, Multiple Meanings

Stephen Small – Keynote Address
“Back to the future from the back of the big house: Museums, Public History and Collective Memory”

This paper considers the mobilization by African Diasporic communities in the United States and Europe, to remember, commemorate and protest slavery and its legacy. This mobilization is placed in the context of broader protest and/or commemorative movements (such as the Holocaust, the Alamo, Japanese internment as well as other incidents of (inter-)national shame or guilt. In the paper I raise a series of questions concerning the role of academics, community mobilization, migration, and museums, all in the context of unequal access to resources (financial, political, and cultural) in struggles for collective representations. And for the legacy of slavery in particular, I make the case for serious consideration to be given to alternative sources of knowledge and insights as we draw on the voices and visions of Black men and women who have been historically marginalized.

Kwame Nimako
“Conceptual Clarity, Please!
On the uses and abuses of the concepts of ‘slave’ and ‘trade’ in the study of the Trans-Atlantic Slave Trade and Slavery”

This paper reflects on the way the concepts of ‘slave’ and ‘trade’ have been used in the study of the Trans-Atlantic Slave Trade and Slavery. There seems to be a disjuncture between the concepts of slave and trade and the empirical basis for those concepts. The concept of slave suggests that slaves were traded; we will argue that the empirical bases hereof are weak. The concept of trade is also based on collaboration theory. Here also we will argue that the empirical bases hereof are weak.

Coffee Break

Second Session
Chair: Ramon Grosfoguel

Dmitri van den Bersselaar
“A shared history of the transatlantic slave trade?”
Co-Authored with Thomas Thurston from the Gilder Lehrman Center at Yale

This paper will introduce and discuss the first ‛Middle Passages’ International Teachers Institute. The institute was held in Ghana in August 2009 and brought together teachers from the United Kingdom, Ghana and the United States with leading slave trade historians and education specialists. The aim of the institute was to bring together, and reflect on, the different ways in which the slave trade is taught in each of the three countries from which our teachers came.

Alan Rice
“Guerrilla Memorialisation: The Politics of 21st Century Slave Remembrance Memorials in Europe”

This paper will discuss Lubaina Himid’s satirical performance piece. What are Monuments For … Possible Landmarks on the Urban Map (2009). In this she manipulates a glossy guide book to the world cities of London and Paris to imagine what might have been if the contributions of African diasporan peoples to the capitals had been fully taken on board in the memorial landscape over the last three centuries.

Lunch 13.00-14.00

Afternoon Session 14.15- 17.00
Chair: Kwame Nimako
Theme: Inclusion of voices (African, Caribbean) who have been traditionally absent from the discussion on commemoration, representation, and teaching in the realm of slavery and the Trans-Atlantic slave trade.

Sadri Khiari
The Issue of Memory in Decolonial Struggles in France

Veronique Helenon
“The Commemoration of the abolition of slavery in the French Context”

This paper examines the steps taken by Black French to organize the abolition of slavery in France. Aspects of the situation in the French Caribbean will also be included. How does this commemoration inform the current situation of Blacks in the French Republic today? Special attention will be paid to the meaning and limits of this event.

Ramon Grosfoguel
Memory, Slavery and Epistemic Racism
Elviera Sandi
The case of Suriname

.

Day Two
Wednesday June 30th, 2010
Location: Vrije Universiteit Amsterdam
hoofdgebouw room 7 A-06
Morning Session-9.30-12.45
Theme: Belonging, visual representations and the legacy of colonialism
First Session
Chair: Dienke Hondius

Susan Legêne
“Detached inclusion: Belonging, the legacy of migration experiences and their public representation”

In the normative Dutch discourse on the integration of immigrants in Dutch society, good (cultural) citizenship is linked to affinity with the national history of the Netherlands. The Dutch history of slave trade, slavery and abolition is acknowledged as part of this national history. However, as far as this acknowledgement also integrates (part of) the history of Dutch people of Surinamese descent into the history of the Netherlands, this historical inclusion creates new detachments in the present as well. Is there a continuity with respect to the notion of cultural citizenship, between colonial Surinamese society and current public representations of a shared migration past in the Netherlands? What could be the value of historicizing this notion of cultural citizenship? This will be the leading question in this paper that will focus on legacies of slavery and indentured labour.

Cheryl Bolden
“Collective memory , Collective responsibility . Why it is important to include the youth in the conversation concerning the legacy of slavery.”

Coffee Break
Chair: Kwame Nimako

Hardy Frye
” Slavery Legacy and the Civil Rights and Black Power Movements,”

Rael Salley
“Exhibiting Memory: Visuality, Museums and Black Diaspora”

Lunch 13.00-14.00

Afternoon Session 14.15-17.00
Theme: Debate on social responsibility and wrestling with issues of public commemoration

Moderator: Léontine Meijer-van Mensch

Three key stakeholders can be indentified with regard to the preservation of heritage in general and intangible heritage in particular, i.e. the source community itself, local and national authorities, and (heritage) professionals. In the Netherlands, the debate on intangible heritage is rather recent. The UNESCO Convention of 2003 has stimulated discussion among professionals, but in a limited sense. The last few years, however, the topic has been addressed by politicians and as a consequence, intangible heritage became subject of a public debate. Much more than tangible heritage, intangible heritage became the focus point of a national debate on identity. This political instrumentalisation of (intangible) heritage by appropriation and rejection, introducing the dichotomy between ‘us’ and ‘them’ is clearly illustrated by the speech delivered by the Dutch politician Rita Verdonk in 2008. Is the memory of slavery still not perceived as an intrinsic part of Dutch society? What is the role of the heritage professional and the source community in this? Do on the one hand, professionals create meaning and visibility, but on the other hand, however, does professional involvement not tend to exclude source communities from the process of signification and appropriation?

Guest Participants:
Andrea Kieskamp
Wayne Modest
Stephen Small
Dmitri van den Bersselaar

17.00- Closing conversations over drinks on the terrace of the Vrije Universiteit

This event has been organised by the National Institute for the Study of the Dutch Slavery and its Legacy (NiNsee) in collaboration with the Vrije Universiteit.

To register for this event, please contact Amy Abdou at a.abdou@ninsee.nl

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter