blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Kwamalasamutu

Kwamalasamutu – In Pursuit of Human Wellbeing

Amazone Conservation Team is pleased to share Kwamalasamutu – In Pursuit of Human Wellbeing, a short documentary film that highlights almost two years of participatory research in the Trio indigenous village of Kwamalasamutu, Suriname conducted by ACT-trained Amazon Conservation Rangers (ACR) together with students from the University of Utrecht, and local partners, such as the Center for Agricultural Research in Suriname (CELOS), Suriname’s National Herbarium (BBS), as well as Suriname’s National Forest Management Agency (SBB) and its Nature Conservation Division (NB). read on…

Herinneringen aan Els Moor (I)

Woensdagmiddag, 9 maart, na 1uur kregen wij van de Openbare School Kwamalasamutu het bericht dat mw. Els Moor is heengegaan. Wij van de OS Kwamalasamutu leerden Els Moor kennen hier in het dorp waar ze de leerkrachten hielp met kindvriendelijk onderwijs en zoveel meer. read on…

Moedig, weerbarstig, liefdevol: Els Moor is heengegaan

door Michiel van Kempen

Vanochtend vroeg kwart over 7 op weg naar mijn werk voel ik een ijskoude windvlaag langs mijn hoofd gaan. Ach, denk ik, pet vergeten. Pas uren later na een app-berichtje uit Suriname realiseer ik me dat het de yorkafowru, de doodsboodschapsvogel moet zijn geweest die ’s ochtends langs mijn hoofd was gescheerd, op het moment dat 8000 kilometer verderop, in Paramaribo, Els Moor in haar slaap weggleed. read on…

Tekenwedstrijd over Laat me niet alleen

door Els Moor

Indra Hu, de auteur van Laat me niet alleen, en José Kamps, schrijfster, beeldend kunstenares en oud-tekenlerares, waren de jury van de tekenwedstrijd van klas 6 van de O.S. Kwamalasamutu. Er waren in deze school in het uiterste zuiden van Suriname, activiteiten rondom het voor tieners zo boeiende boek over de vijfdeklasser Wikash, die besmet is met het hiv-virus. Het boek is voorgelezen, ze hebben tweemaal de film over het boek gezien en er is uitgebreid gediscussieerd over het verschil tussen ‘virus’ en ‘ziekte’, en hoe je je kunt beschermen tegen deze ellende. Het slot van het project was een tekenwedstrijd.

Na de zenuwslopende toetsdagen gingen de creatieve leerlingen aan de slag en ‘Blue Wing’ bracht later hun knappe tekeningen naar de stad. Indra Hu en José Kamps begonnen hun werk en kozen de drie beste tekeningen uit. De beste, die de eerste prijs kreeg – het boek van Indra Hu en een geldbedrag – is van Hedwig Shonshonso. De jury geeft aan dat hij de sfeer van het boek treffend heeft weergegeven. Hij is ook in staat om alles duidelijk te laten zien wat er in de klas is, de meubels, maar vooral de kinderen die in heel verschillende houdingen staan en zitten. Juf leunt losjes tegen haar bureau, terwijl ze interactief bezig is met haar leerlingen. Het geheel heeft een levendige sfeer, die het verhaal goed weergeeft. Het is een heldere tekening: je ziet het geheel, maar je kunt ook genieten van de details. Nogmaals: alle tekeningen zijn goed en geven op een of andere manier de sfeer van het verhaal weer, maar die van Hedwig Shonshonso blinkt uit!

Hoofden van de Oayapok!

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over de roman in vijf redevoeringen van Albert Helman, Hoofden van de Oayapok! 

door Els Moor

Courtesy edition van de Engelse vertaling
door Scot Rollins van Hoofden van de Oayapok!

In 1984 verscheen van Albert Helman, pseudoniem van Lou Lichtveld (1903-1996), Hoofden van de Oayapok! Roman in vijf redevoeringen. De schrijver was toen al eenentachtig jaar. Het werk bestaat uit ‘vijf redevoeringen’. Hiermee sluit Albert Helman aan bij de Grieks-klassieke traditie van drama in vijf bedrijven, maar vooral ook bij de inheemsen, die in het dagelijks leven stille mensen zijn, maar bij officiële gelegenheden eindeloze redevoeringen kunnen houden. Zelf had hij twee volbloed indiaanse grootmoeders en hij voelde zich zeer verbonden met de inheemse volken. We lezen dat ook in Zuid-Zuid-West, zijn eerste werk, dat hij schreef in Nederland op 25-jarige leeftijd, vol heimwee naar zijn geboorteland Suriname. Hij beschrijft zijn land vanuit het thema dat hemzelf toen op het lijf geschreven was. ‘Alle rassen ter wereld ontmoeten elkaar in dit land. Niemand stoort de ander, omdat elk eenzaam is’.

In Hoofden van de Oayapok! vat Helman de thematiek van de tegenstrijdigheid tussen het eigene en de grote wereld samen in Malisi, een indiaan uit een volk in het gebied van de Oayapok, grensrivier tussen Frans-Guyana en Brazilië. In vier redevoeringen in verschillende periodes van zijn leven richt Malisi zich tot de hoofden van zijn volk. Hij vertelt hoe hij als kind door paters naar Parijs gebracht, een Europees-christelijke opvoeding kreeg, hoe hij bij de dreiging van de Tweede Wereldoorlog terugkwam naar zijn dorp met het voornemen om zich in te zetten voor zijn volk. Hij stuitte echter op traditionele wetten en gewoontes die dat voornemen soms bemoeilijkten. Malisi leefde gelukkig samen met Akontina, een jonge vrouw uit het dorp. Volgens de wetten van hun cultuur volgde hij de geboorte van hun eerste kind op afstand, liggend in een hangmat.

De moeder baart immers het kind en de vader de geest. Malisi: ‘Maar ik wil u wel bekennen dat, hoe langer de foltering duurde en de avond reeds dichterbijkwam, hoe meer ik dacht: een blanke medicijnman had haar misschien kunnen helpen en redden. O, had ik maar de moed gehad om haar bijtijds stroomafwaarts mee te nemen tot wij er een zouden ontmoeten… Ik wist dat gij het niet zoudt goedkeuren als ik dit gedaan had, en heb het niet gedurfd, helaas, helaas. Tenslotte hoorde ik geen geluid meer uit de geboortehut. Zelfs niet het krijsen van een zuigeling.’

Spreker van het Tunayana-Katwena in Kwamalasamutu,
met zijn fluit in de hand. Hij is een van de vertellers
van de mythe van Taana. Foto © Roland Hemmauer.

Moeder en kind overlijden en Malisi verlaat zijn dorp en gaat terug naar Europa. Veertig jaar later houdt hij zijn vijfde toespraak tot de hoogwaardigheidsbekleders van een universiteit, wanneer hij een hoge onderscheiding gekregen heeft vanwege zijn verdiensten als wetenschapper, antropoloog die onderzoek deed naar de indianen aan de Oayapok, inmiddels uitgestorven stammen. Aan het eind van zijn redevoering stokt hij… de emoties worden hem te veel! Hij denkt aan zijn vrouw en zijn kind en even heeft het hart het gewonnen van het hoofd.

De historische werkelijkheid in deze prachtige korte roman in redevoeringen is die van de indianenvolken van de Guyana’s in de twintigste eeuw, van wie er veel uitgestorven zijn, mede door de besmettelijke ziektes die zij opliepen via Europeanen die het gebied bezochten, maar ook die van Helman zelf, die op vele plaatsen in de wereld gewoond heeft. De vraag ‘Wie ben ik en waar hoor ik thuis’ hoort duidelijk bij de twintigste-eeuwse emigratie en de veranderingen die zich daardoor in de menselijke geest voltrokken. In zijn beknoptheid is dit een van de beste werken van Albert Helman en de dramatisering ervan in 1995 door de Theatergroep De Nieuw Amsterdam, met Felix Burleson als Malisi was een groot succes, ook in Suriname in 1996.

Schooljeugd van Kwamalasamutu

Dorpen zoals Kwamalasamutu zijn in de tweede helft van de twintigste eeuw gesticht door veelal Amerikaanse zendelingen die in samenwerking met de Surinaamse overheid ervoor zorgden dat er westerse gezondheidszorg kwam naast de inheemse van de sjamanen, een vliegveld voor snelle verbinding met de stad, lager onderwijs, enzovoort. Door de overgang naar het christendom zijn de bewoners van deze dorpen enerzijds veel van hun authentieke cultuur kwijtgeraakt, anderzijds hebben ze nu veel contacten met de ‘grote wereld’. In vergelijking met Malisi zijn de leerlingen van de zesde klas van Kwamalasamutu moderne jongeren die kennis willen nemen van de gevaren die de jeugd nu overal ter wereld bedreigen, zoals besmetting met het hiv-virus en aids, vaak veroorzaakt door vrije seks. Net als Malisi kunnen zij hun mogelijkheden ontwikkelen en zelfs wetenschapper worden, maar de problematiek van Malisi en de strengheid van hun eigen cultuur, is ver van hun hangmat.

In de laatste decennia is er een nieuwe relatie ontstaan tussen inheemse dorpen en de ‘westerse wereld’. Het toerisme ontwikkelt zich en voor de inheemsen ligt er de uitdaging hoe betalende gasten op een goede manier te ontvangen, zonder dat toeristenondernemingen van elders baas gaan spelen en de winst opstrijken. Ook komen er veel stichtingen, ook buitenlandse, ‘ontwikkelingswerk’ doen in de dorpen. Dat kan alleen maar slagen vanuit een grondige kennis van de leefwereld en de cultuur ter plaatse en vooral in intensieve samenwerking met de betrokkenen uit de dorpen, die zelf moeten aangeven waaraan er behoefte is en niet omgekeerd. Dat gebeurt lang niet altijd. De externe ‘deskundigen’ hebben dan hun ‘exotische’ ervaring gehad en de inheemsen gaan weer over tot de orde van de dag!

Albert Helman geeft ons met Hoofden van de Oayapok! een sterk voorbeeld van de eenzaamheid in de inheemse dorpen in de eerste helft van de vorige eeuw. Eenzaamheid heeft nu een andere vorm: binnen de door zendelingen gestichte dorpen is het samenzijn van verschillende volken die elkaar niet ten volle vertrouwen, niet vanzelfsprekend. In het verleden kunnen zij, toen nog nomadenvolken, vijanden van elkaar geweest zijn. Eenzaamheid is het grote thema van de literatuur van Latijns-Amerika met als hoogtepunt het meesterwerk van Nobelprijswinnaar Gabriel García Márquez, Honderd jaar eenzaamheid (1972), waarvan de laatste woorden zijn […] ‘omdat de geslachten die gedoemd zijn tot honderd jaar eenzaamheid, geen tweede kans krijgen op aarde’. Hoofden van Oayapok! past hierbinnen, maar ook binnen het hele oeuvre van Albert Helman. 

Albert Helman: Hoofden van de Oayapok! Roman in vijf redevoeringen. ’s Gravenhage: Nijgh & Van Ditmar, 1984. ISBN 90 236 5612 1 

De tekst van Helmans roman is ook digitaal te lezen, klik hier

Lied van de heimwee

Heimwee heb ik naar jou,
land van mijn geboorte.
Als ik hier toch sterf,
begraaf mij op een berg,
opdat niet de aarde mijn lichaam
naar het duistere graf verbant.
Op een berg van grote hoogte
om te zien of ik vandaar
het land van mijn geboorte ontwaar.

(Lied uit een Spaanse liederenbundel. In: programmaboekje van Hoofden van de Oayapok! van theatergezelschap De Nieuw Amsterdam – DNA)

Inheemsen in een korjaal nabij Kwamalasamutu

Allemaal boekjes, allemaal schrijvers

door Bonnie van Leeuwaarde

Muizen, okertjes, monsters, rupsjes en spaarzame meisjes en ondernemende jongens zijn de nieuwste kindervriendjes. Ze spelen de hoofdrollen in de boeken die werden gepresenteerd tijdens het dertiende Kinderboekenfestival. Dat het gaat om leesplezier, maar ook om spelenderwijs meer leren, dat hebben deze schrijvers goed begrepen.

De Stichting Projecten Christelijk Onderwijs Suriname organiseert vanaf 1999 het Kinderboekenfestival. Het doel is om het lezen te bevorderen. De stichting geeft ook boeken uit. Door de jaren heen zijn er al minstens dertig uitgegeven.

Titel: Familie Oker en de monsters
Gaat over: De familie oker – papa, mama, oma, Blauwe Mien en Rode Sien- wordt opgegeten. Door welk monster?
Doelgroep: Vanaf drie jaar
De schrijfster: Ans Engel (59) bedacht het verhaaltje, maakte de poppen van gedroogde okers en ander natuurmateriaal en maakte er foto’s van.
Hoeveelste boek: Eerste
Uitgegeven door: Stichting Lezen
Illustraties: Stanny Handigman

Hoewel Ans Engel al heel wat jaren met kinderen werkt -ze leest wekelijks voor, is lid van Stichting Lezen, is begeleider op de Nola Hatterman Art Academy en is als decorateur betrokken geweest bij boekjes van anderen – kwam haar eerste boekje dit jaar pas uit. Het idee onstond vijf jaar geleden, in een droomsituatie. Ans was niet helemaal wakker en een haarbandje gleed uit haar haren, in de maripaboot met gedroogde okertjes. Zonder erbij na te denken pakte ze zo’n okertje en deed het haarbandje erom, in plaats van om haar eigen staart. “Ik vond het een leuk effect”, vertelt Ans. “Ik dacht: als ik er wat oogjes bij doe, heb ik een leuk poppetje.” Voilà, een creatie was geboren. Ze maakte er een aantal en toen ze van een tripje uit het buitenland terugkeerde, waren tot haar ontsteltenis de okerpoppetjes opgegeten, waarschijnlijk door een awari. De haarbandjes en oogjes had hij netjes achtergelaten – die lustte hij niet. Nu was er ook echt een verhaal geboren; compleet met een misdrijf en een verdachte.
Ans werkt graag met natuurmateriaal: takken, lege bijennesten, gedroogde vruchten, stronken… “Mijn huis is vol met dit soort rommel”, zegt ze er zelf over. De natuur komt in haar boekje helemaal terug. “Ik vind het belangrijk dat kinderen zien hoe mooi de natuur is. Als het gedroogd is, kan je er ook mooie dingen mee maken. Door dit boekje maak je ze daarvan bewust. Het is leuk om hun fantasie te prikkelen om zelf iets te maken. Het is ongelooflijk wat er uit kinderhanden komt.”
Naast het exemplaar met verhaal, is er ook een prentenboek. Dat is voor de allerkleinsten om door te bladeren. In beide vraagt de schrijfster ouders en kinderen om verhaaltjes bij de plaatjes te bedenken en zelf aan de slag te gaan met natuurmateriaal. Ze is heel benieuwd naar wat er uit de bus komt.
Elke basisschool krijgt van Stichting Lezen, die het lezen wil bevorderen, drie boekjes en een prentenboekje. Een klein gedeelte wordt verkocht. Natuurlijk heeft Ans al een volgend boekje in haar hoofd. Daarin spelen meneer en mevrouw Maripaboot de hoofdrol.

Titel: De belevenissen van een muizenfamilie en andere verhalen
Gaat over: Het titelverhaal van de verhalenbundel gaat over het ongehoorzame muisje Piepje dat zichzelf en haar familie in de problemen brengt.
Doelgroep: Voor de wat oudere jeugd
De schrijfster: Joyce Pereira (59)
Hoeveelste boek: Eerste
Uitgegeven door: Stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname
Illustraties: Rodney Vrede jr


Schrijven was een therapeutische ervaring voor Joyce Pereira. “Het zal cliché klinken, maar drie jaar geleden zat ik in een hele, grote, diepe dip. Ik lag op de bank en wilde niets meer doen. Ik wist wel dat dit niet kon, wist dat ik iets moest doen. Op een avond bad ik tot God voor kracht. Toen ik wakker werd, schreef ik het woordje ‘konijnen’ op.” Vanuit dat ene woordje ontstond het verhaal van Spikkeltje, het ondeugende konijntje. “Vanaf dat moment bleef ik schrijven. Na het ene verhaal volgde het andere.” Het schrijven gaf haar leven weer inhoud, zegt de van nature vrolijke Joyce. “Het heeft me geholpen om uit de dip te komen.” Nu bedenkt ze zelfs aan de lopende band kindermopjes. Die wil ze uiteraard ook uitgeven, want de smaak heeft ze nu goed te pakken.
Ze weet nog, toen ze het boek de eerste keer in handen had: “Ik had een heel warm, dankbaar gevoel. Ik hield het vast en visualiseerde dat het in de handen was van een kind. Daarnaast kon ik niet wachten tot ik het aan mijn dochter en kleinkinderen kon geven en de smile op hun gezichten kon zien.”
Voordat de bundel gepubliceerd werd, las ze de verhalen aan haar kleinkinderen voor. Die genoten ervan en kennen hele stukken uit hun hoofd. Joyce wilde dat plezier ook delen met andere kinderen. Ze heeft bewust gekozen voor wat oudere lezertjes die zelf kunnen lezen, vanuit de gedachte: lezen is weten. “Ik wil graag mijn steentje bijdragen”, zegt Joyce, “om kinderen meer plezier te geven in het lezen en het zelf lezen te bevorderen.”

Titel: Versjes voor de OS Kwamalasamutu: Taal leren is leuk, Het meisje met de vogels en andere Indiaanse verhalen, Laat het verleden leven! Een boek over de geschiedenis van de bewoners van Kwamalasamutu.
Gaan over: gedichtjes van de leerlingen en onderwijzers, Indiaanse verhalen en de geschiedenis van het gebied.
Doelgroep: oorspronkelijk de leerlingen van OS Kwamalasamutu
De schrijvers: Leerlingen en onderwijzers OS Kwamalasamutu en projectbegeleider Els Moor
Hoeveelste boek: De drie boekjes zijn de eerste publicaties van OS Kwamalasamutu
Uitgegeven door: Stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname
Illustraties: leerlingen OS Kwamalasumutu

Op OS Kwamalasamutu zitten ongeveer 180 leerlingen. Ze praten thuis vooral Trio. Pas wanneer ze op school komen, leren ze Nederlands te praten. Daardoor kon de schoolstof minder snel opgenomen worden. Vanaf 2007 vlogen elke maand twee leerkrachten, onder wie Els Moor en een maatschappelijk werkster, Rita Day, naar Kwamalasamutu. Hun doel: de schoolprestaties verbeteren en de onderwijzers en kinderen meer plezier in de lessen te laten beleven. Het was onderdeel van het internationale project Change for children, dat als pijlers had: onderwijs, gemeenschapsontwikkeling, medische zorg en verbetering van de bestaansinkomsten.
Susan Macnack is schoolhoofd van OS Kwamalasamutu. “De meeste kinderen spreken Trio. Wij proberen het Nederlands op een speelse manier makkelijker voor ze te maken.” Dat doen ze middels versjes, liedjes, aanschouwelijk materiaal en toneelstukjes. Het materiaal werd aangepast aan de belevingswereld van de Trio’s. Schoolhoofd Macnack: “Sommige kinderen zijn nog nooit naar Paramaribo geweest, anderen gaan pas op hun achttiende. Als je praat over een auto, staat het zo ver van hun belevingswereld.”
Dus geen verhalen en gedichten over auto’s, maar wel over bootsmannen, jagers, cassavebrood bakken en het dorpshuis. Hun eigen overleveringen, zoals van Toewie en Kroemoe en de liefde van Matoewie voor vogels, werden verteld en de geschiedenis van het gebied werd aan ze geleerd. Pildas Tawadi is meester in de vijfde klas. “Het was moeilijk om de kinderen te leren over de geschiedenis van Suriname”, legt hij uit. “De slaventijd is voor hun een vreemd begrip, een andere wereld. We zijn nu begonnen bij onze eigen omgeving, onze eigen geschiedenis. Zo komt de geschiedenis dichter bij ze.”
Al het nieuwe, eigen materiaal werd vastgelegd. Zo zijn de drie boekjes ontstaan.
Het project Change for Children heeft al successen geboekt. Sinds het is gestart, zijn tien zesdeklassers geslaagd en naar de stad gegaan voor vervolgonderwijs. Ze doen het goed op de voj-scholen, zegt MacNack. “Ik schrik als ik ze na drie maanden weer ontmoet. Ze praten dan al beter Nederlands en zijn niet meer bang om fouten in deze taal te maken.”
Het project liep van 2007 tot 2010. Jammer dat het is afgelopen, vinden de onderwijzers van Kwamalasamutu. Maar de boekjes zijn er, en met die werken ze door. Macnack: “We gaan door om de Nederlandse taal makkelijker te maken voor de leerlingen. Ze hebben de taal nodig, want hun wereld wordt steeds uitgebreider. We vinden het allemaal jammer dat het project afgelopen is, maar we moeten ook een keer zelfstandig worden. En dit is ook een kans om te laten zien wat je zelf kan.”

Titel: Rupsje Regenboog en Het levensverhaal van de rijstkorrel
Gaat over: Rupsje Regenboog trekt zijn mooie, gekleurde schoenen aan. Als hij eindelijk klaar is, verandert hij in een vlinder. Het levensverhaal van de rijstkorrel laat kinderen op en makkelijke manier zien hoe rijst wordt gemaakt.
Doelgroep: Vanaf 0-jarigen
De schrijfster: Indra Hu (38) schrijft al negen jaren, maar deze zijn haar eerste in full colour en op rijm.
Hoeveelste boek: Achtste en negende
Uitgegeven: in eigen beheer
Illustraties: Stanny Handigman (Rupsje Regenboog) en Tapasia Daryanani (Het levensverhaal van de rijstkorrel).

Indra Hu had eerder geschreven over de muizen Lena en Jopie en de kakkerlak en oma. Toen haar vader vorig jaar overleed, was ze zo verdrietig dat ze geen zin meer had om te schrijven. Om haar af te leiden, nam haar man haar mee op vakantie naar Amerika. Een dag voor terugkomst kocht Indra in een one-dollar-shop knutselmateriaal, waaronder gekleurde pompoentjes. Een zakje daarvan belandde in haar kast. “Toen ik eens langs die kast liep, leek het in een flits op een gekleurde rups.” Een kronkelend personage borrelde omhoog: rupsje regenboog. “Want alle kleuren van de regenboog waren erin.” De kleuren maakten haar vrolijk en Indra kreeg zin om te schrijven. “Mijn vader had als levensmotto: ‘Het leven kent verdriet, maar ook vreugde. Laat vreugde je leiden, en niet het verdriet.’ Ik dacht: ik ga het doen. Hij zou boos op me zijn als hij zag dat ik zoveel verdriet had. Hij vond altijd dat ik mijn vreugde moest delen met anderen. Ik moest het doen voor mijn vader.” Ze schreef het verhaaltje binnen een dag.
De boeken van Indra Hu werden goed verkocht op het KBF. Ze verkocht in die week van beide samen bijna 200 exemplaren. Uit het boekje van de rups leren kinderen verschillende dingen: hoe ze hun schoenen moeten aantrekken, ze leren tellen tot tien en dat een rups in een vlinder verandert. In Het levensverhaal van de rijstkorrel wordt in rijm verteld hoe rijst zijn weg vindt naar ons bord.
Vooral op Rupsje Regenboog is Indra Hu trots. “Omdat het mij de mooie, plezierige dingen van het leven heeft gewezen. Ik had veel verdriet, maar door het rupsje heb ik het verhaal van de rijstkorrel afgemaakt.”

Titel: Rozengeur voor oma Roos
Gaat over: De broers Ed en Rik komen tijdens vakantie in het binnenland in een sprookjesachtige wereld terecht. De mystieke Yandabitana gidst ze door hun vroegere jeugd en maakt ze bewust van de grote wereld. Maar hij geeft Ed en Rik ook een cadeau mee voor hun oma.
Doelgroep: Voor de wat oudere jeugd
De schrijfster: Cobi Pengel (72) schreef al twee verhalenbundels met Surinaamse sprookjes. Ze is geboren in Nederland, maar woont al meer dan vijftig jaar in Suriname. Ze won in 2006 de derde prijs van de korteverhalenwedstrijd ‘Werelden in Ontmoeting’.
Hoeveelste boek: Derde
Uitgegeven door: Stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname
Illustraties: Albert Roessingh

“Ik schrijf al jaren”, vertelt Cobi Pengel. “Het is eigenlijk begonnen toen ik kleinkinderen kreeg. Ik schreef gedichtjes en verhaaltjes over mijn kleinkinderen.” De omaliefde boorde een bron van sprookjes aan – door de jaren heen vlogen ze uit haar pen. Cobi schrijft de verhalen namelijk eerst met een pen op, daarna gaan ze in de computer. Haar eerste bundel, De Gele Papegaai, kwam in 2009 uit, in 2010 De grote en de kleine hengelaar. Haar sensoren staan open, de natuur is haar inspiratie. “Geluiden van de natuur kunnen me heel erg beïnvloeden”, zegt ze. Het gekwaak van een kikker terwijl ze op haar terras zit ‘s avonds? Hop, ‘De grote en de kleine hengelaar’, over een betoverde kikker, is geboren. Sprookjes, daar is Cobi dol op. “Sprookjes en de droomsfeer, bij het lezen hou ik daar zelf van. Toen ik jong was, las ik ook altijd sprookjes waar ik mijn fantasie de vrije loop kan laten.” Ze schrijft voor wat oudere kinderen. “Ik ben op die golflengte afgestemd”, zegt ze. “Dit vind ik leuk.”
Ze vindt het een genoegen om te schrijven. “Ik geniet immens van het bedenken en schrijven van verhalen. En als mensen de verhalen ook mooi vinden, dan is dat mooi meegenomen.”
In haar boeken probeert ze het opgeheven vingertje te mijden, maar er zijn wel degelijk lesjes uit te leren. Zoals in Bange Benny, die bang is voor het donker en voor boeboelaas.
In een droomwereld leert hij zijn angsten overwinnen. In Rozengeur voor oma Roos worden de broers geconfronteerd met hun kwajongensstreken (het doodkapulteren van ston doifi en het pesten van een meisje), maar ook met hun goede daden (zich ontfermen over een zwerfhondje). In Yandakonde wijst hun gids ze vreselijke dingen zoals aardbevingen, kindsoldaten en inbraak. Waarom? “Dat is de ellende van de grotere wereld”, legt Cobi uit. “Het is er, het is de realiteit. Ze kunnen ook een dag overvallen worden of een aardbeving meemaken. Maar Yandabitana laat ze niet zomaar gaan, hij geeft ze liefde mee. Hij laat ze merken dat de liefde overwint.”

Titel: Amaisa gaat sparen
Gaat over: Amaisa van Boven-Suriname gaat met haar moeder mee naar hun kostgrondje. Van de verkoop krijgt ze wat geld. Amaisa wil een deel daarvan sparen.
Doelgroep: Oorspronkelijk de kleintjes van Boven-Suriname, voor ze naar school gaan.
De schrijfster: Christine Feenstra (32), projectmedewerkster bij Stichting Projecten
Hoeveelste boek: Vijfde in de reeks over het meisje Amaisa.
Uitgegeven door: Stichting Projekten Christelijk Onderwijs Suriname
Illustraties: Rodney Vrede jr

De Amaisa-serie is ontstaan uit het project Vroege Stimulatie Taalontwikkeling in Boven-Suriname. Christine Feenstra: “We wilden de kinderen in de voorschoolse leeftijd al in aanraking laten komen met de schooltaal, het Nederlands. Voordat ze naar school gaan, praten ze voornamelijk Saramaccaans.”
Een aantal thema’s werd uitgewerkt, helemaal in de levenssfeer van de kinderen om ze zo dicht mogelijk bij hun werkelijkheid te houden. De thema’s waren onder meer gezonde voeding, het lichaam en het dorp. De woorden die daarbij horen, worden spelenderwijs met de kinderen geoefend. In de vorm van liedjes, aanschouwelijk materiaal en werkbladen. Daaruit ontstonden de boeken met Amaisa in de hoofdrol. Aan de achterkant worden de nieuw aangeleerde woordjes verduidelijkt met plaatjes – allemaal heel helder. Elke keer leren ze zo 20 tot 25 nieuwe woordjes.
Ook in Paramaribo en andere districten zijn de belevenissen van Amaisa populair. Dat komt door de herkenbaarheid, het eenvoudige woordgebruik en de prachtige plaatjes, denkt de schrijfster. “Ook in andere districten is de problematiek met de taalsituatie hetzelfde. Voordat de kinderen naar school gaan, zijn ze niet zo gewend aan het Nederlands en kunnen de juf niet goed verstaan.”
Het project startte twee jaar geleden. De moeders worden erbij betrokken om samen met de kinderen te oefenen en te praten, ook in het Saramaccaans. “Het is belangrijk dat de moeders de kinderen stimuleren om talig te worden. Als het kind goed is in het Saramaccaans, dan is het al talig en zal het makkelijker een nieuwe taal leren.”
Wat zijn de resultaten ondertussen? “Het is nog moeilijk om conclusies te trekken, maar we hebben al verbetering gezien. We merken dat de kinderen al een beetje gewend zijn aan de klanken van de taal. Dat is al een stap in de goede richting.”
Christine Feenstra wil dolgraag verder gaan. Dat gebeurt zodra de middelen er zijn, dan zullen er zeker nieuwe avontuurtjes van Amaisa volgen.

Ook gepresenteerd:
Groeipijnen van Joany Lansdorf
This is me – bundel zelf geschreven kinderverhalen
Pelifant en Olikaan van Marjanne en Loes Wanders

[uit de Ware Tijd, 04/06/2011]

Nieuwe Surinaamse kinderboeken

door Christine Samsom

Het kan niet vaak genoeg gezegd worden: Kinderen horen in hun eigen belevingswereld te worden geschoold, liefst in hun eigen taal. Ik vind dan ook behalve het stimuleren van het lezen, de belangrijkste verdienste van het Kinderboekenfestival, dat het onze eigen kinderboekenschrijvers inspireert om dát te schrijven wat onze kinderen aanspreekt: ons eigen ding!

Dat dit principe ook moet gelden voor de kinderen van het binnenland, lijkt me logisch. Daarom is het initiatief om te komen tot speciale schoolboekjes voor de kinderen van Kwamalasamutu (natuurlijk ook voor die in Apetina, Palumeu, Tepu en zeker ook de rest van het binnenland) toe te juichen. Zij gaan niet met een bus naar de markt; zij gaan met een korjaal naar hun kostgrond om aardvruchten en groenten te halen. Zij kunnen niet naar de slager om vlees te kopen; nee, vader gaat op jacht! Het team van het project Change for Children heeft samen met het team van de school van Kwamala onder leiding van het bijzonder actieve schoolhoofd Susan Macnack en met de inzet van de leerlingen en ouders drie boekjes gemaakt die ons stedelingen een blik gunnen in het leven in dat verre dorp, waar we niet zelf zomaar naar toe kunnen, maar die natuurlijk in de eerste plaats bestemd zijn voor de leerlingen om het leerproces te ondersteunen. Over het project is al veel geschreven in de Ware Tijd, met complimenten aan o.a. Bonnie van Leeuwaarde.

Persoonlijk vind ik Taal leren is leuk werkelijk het leukst. Op speelse manier werden kinderen en leerkrachten gestimuleerd om versjes en gedichtjes te maken. Uitgaande van en geïnspireerd door gedichten uit Popki Patu van Orlando Emanuels gingen de kinderen aan het werk. Het gedichtje ‘In een regenton, in een regenton zat een kleine todo’ van Orlando, werd door Waine Wahi uit de 6de aangevuld met: ‘In een hondehok, in een hondehok zat een kleine hond’ en hij maakte er een tekening bij. Gedichten over vader die op jacht gaat, de bootsman die overal naar toe gaat, over een vliegtuig en over brandhout, over dieren en over de school wisselen elkaar af. Één is door Twilla van de 6de misschien wel speciaal gemaakt voor de minister van Onderwijs: ‘In mijn school’ (zie hieronder). Vincent waarschuwt: ‘Laat onze okopipi met rust!’, Yoisling vindt geschiedenisles het leukst. En Juf Susan zet de klas op stelten door de kinderen alle geluiden die horen bij het openkappen van een kostgrond te laten nadoen: Hak, hak, hak. Kraaak en boeoeoem!! Hé, wat doet die kabouter met rode puntmuts ertussen?

Het meisje met de vogels en andere indiaanse verhalen, wil kinderen stimuleren om te luisteren, te lezen, te tekenen en, wie weet, zelf te verzinnen. De verhalen zijn o.a. van Cirino en van de Trio’s zelf, verzameld door Cees Koelewijn. Wat direct opvalt is dat in veel verhalen bijzondere dingen gebeuren, zoals een meisje dat met vogels praat (titelverhaal), een vriendje dat in een tingifowru verandert, kinderen die naar de maan verdwijnen om nooit meer terug te komen, een brand die niet door volwassenen met water of kruiden geblust kan worden, maar alleen door een onschuldig kind en de angst voor panakiri (blanken) die mensen opeten. Bij elk verhaal staan tekeningen van en opdrachten voor de leerlingen. Opvallend is het kerstverhaal dat eerst staat afgedrukt zoals het in de Bijbel staat en daarna zoals de 5de klas van meester Pildas het heeft bedacht: Zwangere Meeri en Josè komen helemaal uit Brazilië lopen om zich te melden bij CBB in Kwamala. Maar er zijn zoveel mensen die zich moeten melden dat…….Juist ja. Meeri bevalt in het kampje op een verlaten kostgrond. Een engel meldt mensen die vol kasiri liggen te slapen op een andere kostgrond dat…..enz. Nou, als dat niet past in de belevingswereld van het kind….! De leerkrachten werkten i.v.m. een training aan een project waarvan de neerslag op het eind van het boekje met veel hilariteit beschreven wordt.

En dan nummer 3: Laat het verleden leven! een boek over de eigen geschiedenis van de bewoners van Kwamalasamutu geeft in 2 delen: ‘We leren geschiedenis’ en ‘Verhalen uit en over het dorp’, weer onderverdeeld in verschillende lessen, eigen historisch inzicht aan de kinderen van het dorp, ook weer prachtig geïllustreerd door henzelf. Granman Asongo vertelt over zijn afkomst, maar ook verschillende leerkrachten doen dat. Soms is niet duidelijk, wie vertelt. Belangrijk is dat de kinderen leren dat hun voorouders de eerste bewoners waren van Suriname. Uitgebreid komt de prehistorie aan de orde, met foto’s van de grotten van Werehpai, slijpgroeven, rotstekeningen: hoe die voorouders eerst leefden van jacht, visvangst en verzamelen, zich later vestigden in dorpen waar kostgrondjes werden aangelegd, hoe ze van bosnegers ijzeren voorwerpen kregen in ruil voor jachthonden, hoe allerlei tot dan onbekende ziektes de volken decimeerden, hoe Amerikaanse zendelingen medische hulp boden, waarom en hoe Kwamala werd gesticht. Steeds is er een andere verteller, soms zijn er opdrachten voor de kinderen. Spannend is het verhaal van Juf Reoma Tawadi van de 3de klas over de ontdekking door haar vader Kamainja Panaschekuung (oei, moeilijk uit te spreken!) en anderen van Werehpai.

Tenslotte: Alle 3 boekjes staan vol tekeningen van de kinderen. Wat een talent!

Complimenten aan de mensen van Change for Children van wie Els Moor dé motor is achter de verwezenlijking van het project en de boekjes en aan AlbertRoessingh voor de lay out.

In mijn school

In de school, in de school
zijn er gaten
in de school zijn er zovéél gaten
maar wij gaan door met lessen volgen.

De bootsman

..Stroomopwaarts of stroomafwaarts
over de grote en kleine soela’s
kamp opzetten
lekker hengelen!
Lekker eten en dan terug!
Met mijn bootsman lekker terug!

Blijf creatief voor de kinderen!

door Marja Themen-Sliggers, Xaviera, Jaïr en Jamar

Tijdens het KInderboekenfestival Paramaribo kwamen er 11 boeken uit, een recordaantal. Ze zijn voor verschillende doelgroepen: van peuters en kleuters tot en met ervaren lezers. De drie boeken over het taal- en geschiedenisonderwijs vanuit de eigen leefwereld en geschiedenis te Kwamalasamutu zijn voor leerkrachten en kinderen. Deze week bespreken we vier boeken: Ram eet kwie-kwie, Rupsje regenboog, De familie Oker en de monsters en Lied voor schoonwater. Van de vier bovengenoemde boekjes zijn er twee in een prachtige, maar o zo dure uitgave en dat trekt. Dat trekt trouwens niet alleen de kinderen. Die dure uitgave vertaalt zich wel direct door naar de prijs, helaas, en maakt dat de boekjes toch nog niet bereikbaar zijn voor alle kinderen.

Ram eet kwie-kwie, van Ismene Krishnadath en Raquel Yhap is in heldere kleuren uitgevoerd op dik glanzend papier, bijna dun karton. Mooi en toch eenvoudig gedaan. Lekker stevig voor de jonge lezertjes voor wie het kennelijk bedoeld is. Er zijn geen hoofdletters, er zijn alleen korte zinnetjes gebruikt en de woorden zijn in lettergrepen verdeeld. Het verhaal gaat over Ram, die met zijn vader gaat hengelen op kwie-kwie en mama maakt de kwie-kwie klaar met masala. Er wordt ook uitgelegd hoe je kwie-kwie moet eten, moeilijk hoor, met al die harde schubben, en tenslotte moet je de kwie-kwie zoenen. Zoenen, stel je voor, getsie, bah. Dat laatste moest serieus gevraagd aan opa, die vertelde dat je niet een klaargemaakte kwie-kwie zoent, maar juist een levende, als je na lange tijd eindelijk weer een kwie-kwie vangt is die om te zoenen! Xaviera en ik vonden dat pas echt vies, bah! Bovendien vinden we het verhaal over Ram, in het boekje van Ismene Krishnadath, Ram vangt een dief, veel spannender dan dit nieuwe. Praktisch zijn weer de taaloefeningen achterin aan de hand van de in het boek voorkomende woordjes.

Rupsje Regenboog van Indra Hu is prachtig. Prachtig wat uitvoering betreft, met een dikke, harde kaft, een echt boek! Prachtig wat kleur betreft en schitterend geïllustreerd door Stanny Handigman. Het boekje werd gepresenteerd in een aantrekkelijke stand met een variëteit aan bijkomende attributen, kant en klaar of door de kinderen zelf te knutselen. De inhoud geeft in dichtvorm hoe rupsje bezig is met zijn paren schoenen voor iedere dag een andere kleur in de kleuren van de regenboog. Net als voor kinderen is het voor Rupsje moeilijk om zijn schoenen te ‘veteren’, maar ineens… wat is Rupsje geworden? Een prachtige vlinder in diezelfde heldere kleuren. Dit past goed in het thema van het Kinderboekenfestival met een slogan over je toekomstplan. Rupsje wordt een prachtige vlinder, en jij? Voorin het boekje is door Els Moor een pagina geschreven met aanwijzingen hoe het boekje gebruikt kan worden voor verschillende leeftijden met verschillende doelstellingen. Handig voor opvoeders, een goede manier om verantwoorde overdracht en de juiste didactische aanpak te bevorderen. Een crècheleidster had al allerlei plannen hoe ze met het boekje met haar peuters aan verschillende thema’s kon werken, maar ze had jammer genoeg het geld niet om het boekje te kopen. Ze zou dan maar zelf iets bedenken om te doen.

De familie Oker en de monsters van Ans Engel is weer zo’n dure uitgave, fraaie uitvoering. Heel apart is het tweeledige: er is een exemplaar met tekst en een groter exemplaar als prentenboek. De stand waar activiteiten met de boeken werden gedaan, was prachtig aangekleed en zeer uitnodigend. Ik heb enkele kinderen gesproken die in de stand geknutseld hadden en dat vonden ze leuk. Dit sluit ook aan bij de boodschap van de schrijfster op de achterkant dat het een lees- en doeboek is. Maar van het lezen waren de kinderen die ik sprak niet onder de indruk. Van een verhaal of enige spanning was niets blijven hangen. Sommige vonden het idee van een groente, oma Oker uit het boekje, die groente gaat planten echt te ver gezocht. De monsters werden niet herkend als monsters, wel als decoratieve vondsten. We hebben behoefte aan herkenbare, spannende boeken voor jonge kinderen in Suriname met een fantasie die ze kunnen volgen. Dit is veel te gezocht.

Lied voor schoonwater van Soecy Gummels, is weer een eenvoudige uitgave van de Waginagroep, deze keer niet met een harde kaft. Het boekje is op gewoon wit papier met illustraties voornamelijk in een fletse blauwe kleur, heel passend bij het thema ‘water, schoon drinkwater’. Het hele boekje ziet er een beetje onaf uit, alsof het snel snel voor het Kinderboekenfestival klaar moest. De tekst is niet een samenhangend verhaal geworden, wel een basis voor een liedje. In een apart inlegvelletje wordt ook uitgelegd dat het de bedoeling is dat er een wijsje bij de tekst komt. Een origineel, leuk idee en ik heb een enkel kind ook al een wijsje horen neuriën bij het lezen van en praten over het boekje. Ik hoop dat er inzendingen komen en dat we dan een boekje met cd-tje tegemoet mogen zien.

De conclusie over deze vier boekjes is dat ze, met Rupsje Regenboog als uitzondering, de creativiteit en inventiviteit missen waar Surinaamse kinderen behoefte aan hebben. De familie Oker en de monsters is wel creatief, maar staat ver af van veel lezertjes hier, Ram eet kwie-kwie en Lied voor schoonwater zijn te weinig creatief. Schrijf geen boek omdat het moet, maar vanuit creativiteit en inventiviteit!

Nieuwe kinderboeken op festival Paramaribo



Op het kinderboekenfestival in Paramaribo is een reeks nieuwe kinderboeken gepresenteerd. Nieuw als schrijfsters zijn Joyce Pereira en Ans Engel. Zij schreven allebei over families. Joyce over een muizenfamilie en Ans over de familie Oker. In de reeks Amaisa van Christine Feenstra verscheen Amaisa gaat sparen. Indra Hu kwam uit met haar negende boek, een kleurige uitgave over Rupsje Regenboog. Cobi Pengel haar derde boek heet Rozengeur voor oma Roos. Joany Lansdorf kwam uit met een driedelige serie Groeipijnen voor jongeren. Uit het zuiden van Suriname kwam een boek van de kinderen van O.S. Kwamalasamutu met verhalen over het leven daar. Verder was er de kinderverhalenbundel This is me en het boek met de grappige titel Pelifant en Olikaan.

Foto’s van het festival 2010, © Michiel van Kempen
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter