blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Kristensen Brede

Mijn zuster de negerin: Caribische of Nederlandse interpretatie (4 en slot)

door Jos de Roo

 

Nu de tweede hoofdbewering van Palm over Mijn zuster de negerin. Hij wijst op een magisch-realistische inslag en stelt dat het werk een voorloper van het magisch realisme zou kunnen zijn. Voornaamste passage die dit moet steunen is als Frits op Miraflores de slaapkamerdeur van zijn ouders opent. U heeft de passage al eerder gehoord, maar nogmaals. read on…

Mijn zuster de negerin: Caribische of Nederlandse interpretatie (1)

door Jos de Roo

De novelle Mijn zuster de negerin van Cola Debrot, waarmee de moderne Nederlandstalige Antilliaanse literatuur in 1934 begon, is onderwerp geworden van een langslepende discussie. read on…

Enith Brigitha, de zwemkampioene die zichzelf bleef

“Diverse artsen ergerden zich groen en geel aan wat zij noemden de schandalige en onmenselijke ‘chemische prestatietechnieken’ die schaamteloos werden gebruikt om jonge talentvolle sporters op te fokken. Vooral jonge meisjes met zwemtalent werden daarvan het slachtoffer. […] Waarom bleef men in Nederland over die praktijken zo naïef onwetend? Het antwoord is volgens mij simpel …”

door Brede Kristensen read on…

Filosoferen en Indigo

Willemstad – Over de indigoteelt in Curaçao leren de lezers van Kristòf. read on…

Radio Wereldomroep en literatuur in ‘de West’

Academische proefschriften zijn doorgaans lastig te lezen. Op de eerste plaats omdat de lezer meestal weinig van het onderwerp begrijpt. Op de tweede plaats omdat proefschriften zelden leesbaar geschreven zijn. Dat van Jos de Roo behoort tot de gunstige uitzonderingen. Het onderwerp zal veel mensen aanspreken en afgezien van het wel erg grote aantal pagina’s leest het gemakkelijk. read on…

Uitzonderlijke roman van Robert Antoni

door Brede Kristensen

De titel alleen al: As Flies to Whatless Boys. Inderdaad een ingenieus geschreven en zeer lezenswaardig boek. Internationaal geniet Robert Antoni grote belangstelling. Kijk maar op internet. Iemand noemt hem de ‘Joyce of the Caribbean’. Een ander meent er de voetsporen van Marquez in te herkennen. Weer een ander spreekt van Joyce en Marquez samen in een Caribisch jasje gestoken. Als klap op de vuurpijl ontving hij onlangs de Bocas-literatuurprijs. Dat is niet niks. read on…

Archief Boeli van Leeuwen

door Brede Kristensen
Kortgeleden stelde Robert van Buiren in een ingezonden stuk dat de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen ‘vanzelfsprekend op Curaçao thuishoort’. Dat lijkt mij ook. Deze dagen heb ik gemerkt (mijn mailadres werd erbij vermeld) dat een onverwacht groot aantal mensen hierop instemmend via mail, telefoon en ingezonden stukken heeft gereageerd.
Geboortehuis van Boeli van Leeuwen, Casa Blanca, op Curaçao.
Foto C.H.A. Uit: Drie Curaçaose schrijvers in veelvoud.
Kennelijk leeft dit onder de mensen. Natuurlijk heeft de familie het volste recht ermee te doen wat ze wil en adviseurs en bemiddelaars in de arm te nemen die haar daarin willen bijstaan. Inmiddels begrijp ik dat ook Boeli zelf het geen slecht idee vond dat zijn literaire nalatenschap in het Letterkundig Museum van Den Haag zou worden gedeponeerd. Dat betekent echter niet dat het publiek er verder niets mee te maken heeft.
Ooit heeft Boeli besloten met zijn literaire werk naar buiten te treden. Zijn romans werden gepubliceerd, gelezen en gewaardeerd. Zo is hij een publieke figuur geworden, deel van de Curaçaose culturele en literaire historie. Een persoon waar Curaçao terecht trots op is. Zijn romans zijn tot op de dag van vandaag een bron van inspiratie, reflectie en bewustwording voor zeer veel mensen hier. Tegen die achtergrond is het ongewenst dat het archief van een zo belangrijk schrijver naar het buitenland verdwijnt.
Nota bene is Curaçao bezig iets aan ‘natievorming’ te doen. Curaçao moet alles in het werk stellen hier een eigen Letterkundig Museum op te richten dat aandacht schenkt aan de uitzonderlijk grote letterkundige productie van Curaçao met zijn 130.000 inwoners (Cola Debrot, Pierre Lauffer, Charles Corsen, Louis Daal, Tip Marugg, Boeli van Leeuwen, Elis Juliana en dan de vele schrijvers en dichters nog in leven) Dat bij gebrek aan een goed onderkomen het archief van Boeli van Leeuwen in bruikleen wordt gegeven aan een museum in Den Haag, is als tijdelijke oplossing oké.
Maar het is in het Curaçaose publieke belang dat duidelijke afspraken worden gemaakt dat het archief teruggaat naar Curaçao zodra het hier beheerd kan worden. Indien de familie en hun adviseurs het daarmee niet eens zijn, dan zij het zo. Op zijn beurt heeft het publiek het volste recht te laten weten dit zeer te betreuren en de familie te verzoeken het besluit nog eens kritisch onder de loep te nemen. Het argument van de adviseurs dat het archief in Nederland voor meer mensen toegankelijk is, slaat nergens op.
Klein Kwartier, Curaçao, 1929. Uiterst rechts in matrozenpakje Boeli.
Foto Japa Beaujon
Ook op Curaçao wonen mensen die het archief willen inzien en van Nederlanders, die massaal naar Curaçao reizen voor een straaltje zonlicht, mag verwacht worden dat ze die reis ook willen maken om zich door dit archief te laten voorlichten. Dan de vraag of alle archieven van in het Nederlands schrijvende auteurs in Nederland thuishoren. Dit argument riekt naar inhaligheid. Wat is het meest wezenlijk van waarde? Het werk en de persoon inhoudelijk gezien, of de taal waarin de persoon zich uitdrukt? Mij dunkt het eerste.
In Nederland is Boeli vrijwel onbekend. Hier is hij een begrip. Daarbij komt dat de geschiedenis van Curaçao moeilijk kan worden los gezien van het Nederlands dat eeuwenlang als belangrijke taal werd gesproken. Overigens denk ik dat het Letterkundig Museum in Den Haag begrip ervoor heeft dat de nalatenschap van een Curaçaos schrijver op Curaçao thuishoort. In Nederland wordt alles gedaan om archieven van bekende schilders en schrijvers vanuit het buitenland naar Nederland terug te halen. Ik neem aan dat niet met twee maten wordt gemeten.[uit Antilliaans Dagblad, 29 november 2013]

 

Over dingen van nu en dingen van toen

door Brede Kristensen

Vanuit literair standpunt bekeken is 2013 mondiaal een superjaar. Althans in kwalitatief opzicht. Dat geldt ook voor het Caribische gebied en de Benedenwindse eilanden. Uitgeverij In de Knipscheer komt deze herfst met een groot aantal titels. Vandaag is het de beurt aan Verkiezingsdans van Joseph ‘Jopi’ Hart en Gentleman in slavernij van Janny de Heer.


Dingen van nu

Joseph Hart schreef een spannend en politiek belangwekkend boek: Verkiezingsdans. Een boek met drie gezichten, dat toch een eenheid vormt. Het eerste gezicht is het gezicht van een thriller, een verhaal over criminele organisaties, gespecialiseerd in cocaïne, opererend vanuit Colombia, Curaçao en Nederland. Curaçao vervult een spilfunctie. Al snel wordt het de lezer duidelijk dat Curaçaose politici de touwtjes van die spilfunctie in handen hebben en dat ze met die touwtjes naar criminaliteit neigende jonge mensen, genadeloos voor hun karretje spannen. Hoe en wie die touwtjes in handen hebben, wordt pas aan het einde van het boek duidelijk, als een belangrijke politicus wordt geliquideerd. Zoals het een goede thriller betaamt.

 

Het boek ontleent zijn titel aan het tweede gezicht, het belangrijkste: de verkiezingsdans kenmerkend voor verkiezingen Curaçaose stijl in de tijd dat de Nederlandse Antillen nog bestonden. Veel populisme, feesten, roddels, mediaoptredens met spectaculaire onthullingen over dubieuze persoonlijke geschiedenissen, belangen en betrokkenheid bij criminele organisaties. We ontmoeten politici die onbeschaamd en met verve van twee walletjes eten en excelleren in het spelen van valse spelletjes. Met als gevolg dat niemand een ander vertrouwt. Hart is in staat politici ten tonele te voeren die net allemaal anders zijn dan de ons bekende politici. Geen levende politicus zal zich echt kunnen herkennen in de personages van het boek. Stukjes van die personages komen echter bekend voor. Er zijn stukjes Cova zichtbaar, stukjes Wiels, stukjes Pourier en vul maar aan. De held van het boek is een jonge opkomende ster met een visie voor een Curaçao waar mensen op grote schaal aan hun eigen ontwikkeling werken met het doel een bijdrage aan de opbouw van het land te leveren, waar iedereen professionaliteit hoog in het vaandel heeft staan en waar de koek eerlijk wordt verdeeld. Deze Matthew stemt erin toe zijn diensten aan te bieden aan een serieuze politieke partij. Onder begeleiding van een oudere Pourier-achtige partijleider ontpopt hij zich als een begenadigd spreker die met een degelijke boodschap in populistische verpakking zijn fictieve partij een knallende overwinning bezorgt. Maar zijn pad gaat niet over rozen. Politieke tegenstanders laten geen middel onbenut om hem onderuit te halen, tot en met aanslagen op zijn leven. Harts visie op de Curaçaose politiek is onthullend en dermate kritisch dat alle hoop op betere tijden ijdel lijkt. Toch wil hij laten zien dat er serieuze politici zijn, dat mensen zich willen laten aanspreken en dat er dus toch enige reden voor optimisme is.

De verborgen psychische problemen van de hoofdfiguur, Matthew, vormen het derde gezicht. Dit verhaal leest als een psychologische thriller. Ogenschijnlijk redelijk en talentvol, blijkt zich achter die façade een vulkaan te bevinden, een onderdrukt oedipus-complex dat voor gewelddadige explosies zorgt. Zijn relaties met vrouwen lijden daar zwaar onder. Om iets van die uitbarstingen te kunnen begrijpen, moet de lezer wel regelmatig als een voyeur getuige willen zijn van erg expliciet beschreven seksscènes. Dat had wel wat subtieler gekund. Maar hoe zal het aflopen met deze verknipte ziel? Zijn beste vriendin weet hem tenslotte over zijn verleden aan het praten te krijgen en een moment van bewustwording te bewerkstelligen. Zo komt er een niet helemaal geloofwaardig keerpunt in het leven van Matthew en kan hij zich inzetten voor Curaçao, het land dat hij liefheeft.

Hart weet 500 pagina’s lang de aandacht te boeien. Ingenieus heeft hij de verhalen van die drie gezichten met elkaar verweven. Tussen alle spanning door wordt duidelijk dat Hart een uitgesproken kritische mening over de Curaçaose politieke cultuur etaleert. Eigenlijk zegt hij dat als deze politieke cultuur niet verandert, de toekomst uitzichtloos is en burgers uitgeleverd zijn aan politici voor wie het publieke belang samenvalt met eigen belang. Maar of een in populisme verpakte ‘Matthew-achtige’ boodschap de oplossing is, moet betwijfeld worden. Leert de geschiedenis niet dat ‘inhoud’ door politici moeilijk te realiseren en door burgers moeilijk te begrijpen is? En dat om die reden politici zich liever op de verpakking concentreren en de mensen politici op die verpakking beoordelen? Zo is de kans groot dat de geschiedenis zich blijft herhalen. Maar zeker een boek dat te denken geeft.


Dingen van toen

Janny de Heer, bekend door haar boek Landskinderen van Curaçao (1999), komt met een nieuwe verrassing: Gentleman in slavernij. Over de periode van de Surinaamse slavernijgeschiedenis nadat in het naburige Guyana de slavernij was afgeschaft en de naderende afschaffing in Suriname voelbaar werd. Aan de hand van het leven van een Duitse kolonist, Ditrich Horst, die zijn weg in Suriname zoekt, eerst als blank-officier, dan als administrateur en directeur op diverse gouvernementsplantages en tenslotte als eigenaar van zijn eigen plantage ‘Lust en Rust’, wordt de geschiedenis van het plantageleven rond Paramaribo vlak voor en na de afschaffing van de slavernij beschreven. Een historische roman dus.

Janny de Heer wordt geïnterviewd door Romeo Hoost

 

Dat kan goed fout gaan. Meestal wordt in een historische roman de geschiedenis geromantiseerd en verdraaid. Zeker wanneer een historische figuur daarbij een hoofdrol speelt, kan een scheef portret knap hinderlijk zijn. Soms wordt de geschiedenis in detail beschreven zonder dat het verhaal uit de verf komt. Dat wordt dan zoiets als een verkapte historische studie. Janny de Heer weet aan beide gevaren te ontsnappen. Met hulp van archief- en literatuuronderzoek reconstrueert zij de levensloop van Ditrich. Ze schildert een nuchter, niet-geromantiseerd portret van Ditrich en van de vrouwen om hem heen, hun levensverhaal, tegen de achtergrond van het plantageleven in de nadagen van de slavernij.

Het verhaal bevat een verbazingwekkende hoeveelheid informatie hoe het in die dagen toeging op de plantages, waarbij nuances het terecht van generalisaties winnen. Er zijn planters die hun slaven wreed-sadistisch uitbuiten en planters die vormen van begrip aan de dag leggen en een lichter regiem voeren. We worden geïnformeerd over ziekten, conflicten, straffen, omgangsvormen, relaties en de vele discussies over de toekomst van het land als de slavernij zal zijn afgeschaft. We krijgen een beeld wat er op de plantages verbouwd werd en waarom het goed of niet goed ging, hoe men er woonde, hoe de huishouding eruit zag, hoe over de rivieren werd gereisd en, last but not least, hoe en waarom zoveel slaven wisten te ontvluchten, terwijl anderen de voorkeur eraan gaven te blijven. Schokkend is hoe de machthebbers er vaak in slaagden een gevluchte slaaf in de gaten te houden om hem of haar soms jaren later alsnog genadeloos te straffen. We lezen over de dagen van de afschaffing van de slavernij, de onzekerheid die dat met zich meebracht voor vrijwel iedereen, de euforie en de verstandige en onverstandige keuzes die zowel de ex-slaven als de blanke elite maakten. Een helder en objectief tijdsbeeld is het resultaat. Uiteraard zullen sommige feiten ontbreken en zal er discussie zijn of een bepaalde nuance niet een uitzondering betrof die een regel had kunnen bevestigen. Maar zonder selectie geen verhaal. De auteur wekt echter de indruk zeer consciëntieus te hebben gewerkt.

 

Daarnaast leren we de situatie te zien door de subjectieve ogen van individuele personen. Op de eerste plaats de ogen van Ditrich. De ietwat onzekere hoofdpersoon die het weliswaar goed meent met de mensen, maar die ook zijn eigen belangen kent en niet altijd in staat is de gevolgen van zijn daden te overzien. Als hij een kind heeft verwekt bij een slavin, Candasie, met wie hij het goed kan vinden en tot wie hij zich sterk voelt aangetrokken, haast hij zich naar Paramaribo om de jonge Heinrich vrij te kopen (de zogenaamde manumissie die in die dagen 250 gulden kostte, wat ongeveer neerkomt op een equivalent van 10.000 euro vandaag de dag). Als hij terugkeert naar de plantage en haar verheugd meedeelt dat haar zoon nu een vrij mens is, wordt hem dat helemaal niet in dank afgenomen. Een slavin mag immers geen vrij mens opvoeden. Dat betekent onherroepelijk een scheiding van moeder en kind. Daar wordt dan wel weer een mouw aangepast, maar gemakkelijk gaat het niet. Zo worden hoofdpersoon en lezer geleidelijk aan vertrouwd met de soms idiote en vaak kwaadaardige absurditeiten van het systeem.

Ditrich vervult verschillende functies, reist veel en gaat tenslotte duurzaam samenwonen met een dochter van Candasie, Caroline. Ze krijgen vijf zonen die in de loop der jaren allemaal vrijgekocht worden, evenals Candasie en Caroline. Tenslotte trouwen Ditrich en Caroline. Nog weer later wordt Ditrich in de gelegenheid gesteld eigenaar van een plantage te worden. Geen moment wordt hij als een held voorgesteld. We leren hem kennen als een mens met zwakheden, kortzichtige ambities en knulligheden. Ook als iemand met een geheim, want hij houdt het vaderschap van Heinrich voor iedereen verborgen. Dit blijkt een continu aanwezige donkere ondertoon in zijn toch reeds ongemakkelijke leven. Pas op zijn sterfbed realiseert hij het zich.

Slavernij

 

Ook kijken we door de ogen van Candasie en van Caroline en worden we ons bewust van hun visie op het complexe plantage-gebeuren, als slavin en later als vrije vrouw. We zien hoe ze iets van de moeizame omstandigheden proberen te maken. We maken kennis met hun illusies, teleurstellingen en blije verrassingen. De auteur roept het plantageleven dermate beeldend op dat het is alsof het de leefomgeving van de lezer is. Af en toe veroorlooft ze zich romantische zoetsappigheden, maar die blijven gelukkig binnen de perken en ondergraven de geloofwaardigheid van het verhaal niet.
Wel ontbreken er enkele perspectieven. We leren het plantageleven niet zien door de subjectieve ogen van de kwaadaardige planter, of door de ogen van slavinnen die worden belazerd en uitgebuit en evenmin door de ogen van mannelijke slaven. We worden over hen geïnformeerd, uitvoerig zelfs, maar daar blijft het bij. Echter, de lezer zal niet zoveel moeite hebben zich daarvan een voorstelling te maken.

Merkwaardig is dat er weinig aandacht is voor de rol van de kerken, die juist in de periode dat Ditrich leefde veel activiteiten op de plantages ontplooiden, met name de Evangelische Broedergemeente. De kerken worden genoemd en Ditrich en Caroline trouwen zelf in de Lutherse kerk, maar veel horen we niet hierover. Dit is dunkt mij een gemis. De rol van de kerken is van enorme betekenis geweest voor heel veel ex-slaven en voor het verdere verloop van de geschiedenis van Suriname.

 

Afgezien van deze beperkingen is het een schitterend, overtuigend en zeer informatief boek. De uitgever zou er goed aan doen bij een volgende druk (het is te hopen dat veel drukken zullen volgen) een kaart van de omgeving van Paramaribo toe te voegen zodat de lezer zich een beeld kan vormen waar de plantages die in het boek voorkomen, hebben gelegen of nog liggen. Ook verdient het aanbeveling om bij de uitvoerige lijst van gebruikte bronnen in het kort aan te geven welke bijdrage deze bronnen hebben geleverd.
[uit Amigoe-Ñapa, 28 oktober 2013]

Op vleugels van gekleurde diversiteit

door Brede Kristensen 
“Als erfgenaam van het koloniaal orgasme, als buitenechtelijke bastaard geschrapt uit het Europese Testament, ontsnap ik de gevangenis van genetische en historische identiteit… Ik ben me bewust van mijn kwetsbaarheid, mijn gemengde identiteit,,, Een tirannieke litanie ontkent mijn gemuteerde genen. Van schaamte bevrijd, vlieg ik op de vleugels van mijn gekleurde diversiteit.”
Met deze woorden opent Felix de Rooy zijn indrukwekkende Ego documenta. Een aandacht opeisend document dat onmiddellijk twee indrukken wekt. Op de eerste plaats de verbazingwekkende veelzijdigheid van Felix de Rooy als kunstenaar: tekst, tekening, theater, film, collage, assemblage. Ongelooflijk.
De tweede indruk is de zware presentie van alles wat hij maakt. Je kunt er niet omheen. Het is er, het eist de aandacht op en nog meer dan dat: het eist een reactie. Negatief geformuleerd is het exhibitionisme, maar dan niet de zoetige variant met zijn misselijkmakende weeë bijsmaak. Nee, in het geval van Felix (omdat ik hem als Felix ken, vind ik het lastig over hem als De Rooy te schrijven) is het een inhoudelijk uitdagend exhibitionisme dat reflectie en reactie onontkoombaar maakt.
Eigenlijk is het toelichtend commentaar, dat Felix graag geeft, totaal overbodig. Zijn werk spreekt een taal die aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Het is Felix ten voeten uit. Hij houdt ervan de dingen overduidelijk, provocerend en onverbloemd te zeggen. Meestal is dat vermoeiend, maar omdat hij in staat is dat in verschillende toonaarden steeds weer verrassend creatief te doen, verveelt het niet. Dat ‘vliegen op de vleugels van gekleurde diversiteit’ maakt hij waar. Mocht iemand van mening zijn dat het zonde is als de ene cultuur zich vermengt met een andere, dat we gevaar lopen onze identiteit te verliezen en het spoor bijster te raken, dan kan het werk van Felix dienen als medicijn om zich van dit vooroordeel te bevrijden. Juist de confrontatie, het conflict en de onvermijdelijke vermenging van culturen is brandstof voor creativiteit. De oorzaak van cultuurcontact en conflict zal meestal een of andere vorm van imperialistisch machtsvertoon zijn. Een uiteindelijk nooit-beoogd neveneffect is culturele bloei. Felix is daarvan het levende bewijs.
Ego Documenta bevat diverse interessante beschouwingen over zijn werk. Charl Landvreugd merkt op dat Felix zelf zijn werk als ‘psychisch realisme’ beschrijft. Vermoedelijk bedoelt hij daarmee te zeggen dat zijn werk de onverbloemde en niet-geïdealiseerde uitdrukking is van de dynamiek van zijn psyche. Wat mij betreft had de label ‘surrealistisch realisme’ ook gemogen, want de werking van de psyche kent veel surrealistische trekken. Het werk van Felix laat dat trouwens overduidelijk zien.
De dynamiek van de psyche wordt sterk bepaald door de liefde-haat-verhouding tussen Eros en Thanatos, de goden van liefde en dood, waardoor Freud werd gefascineerd. Felix ook. En het zit niet alleen maar in de menselijke geest, onze persoonlijke seksualiteit en angst voor de dood, als keerzijden van een medaille. Het conflict tussen culturen is ervan doortrokken. Een cultuur komt in contact met een andere cultuur. Goedschiks of kwaadschiks vindt vermenging plaats, gelijktijdig met afsterving. Want van de oorspronkelijke culturen blijft niets over, die sterven af. De vrucht van vermenging leeft verder. Dat is inclusief het oordeel erover. Alhoewel de vermenging van oordeelsvorming vaak wat meer tijd nodig heeft.
De Europese cultuur heeft dat hybride Caribische geschilder, geschrijf en gemusiceer nog lange tijd als iets minderwaardigs beschouwd en omgekeerd wordt vanuit het Caribische de Europese ‘moedercultuur’ nog altijd met argwaan bejegend. Felix’ openingstekst getuigt van de innerlijke strijd die hij zelf heeft gevoerd om zich van schaamte te bevrijden en als een Icarus te vliegen. Evenals Icarus stortte hij naar eigen zeggen regelmatig te pletter, ‘mijn vleugels verbrand door gloeiende ontkenning en vlammend verraad’. Maar, schrijft hij verder, ‘als een Phoenix uit eigen as herrees ik’… Zichzelf transformerend ‘met penis en pen’. Opmerkelijk dat hij verklaart zich ondermeer met pen te transformeren. Niet met penseel. Ik kom erop terug.
Felix is op Curaçao geboren en getogen uit ouders van Surinaamse afkomst. Zijn vader, René de Rooy, was een Nederlander die op Haïti trouwde met een Haïtiaanse dichteres, Marguerite Grimard, wier prachtige gedichten bij mijn weten nooit zijn gepubliceerd. Van jongs af aan heeft Felix getekend en geschilderd en raakte hij vertrouwd met meer dan alleen de wereld van Curaçao. Zijn ouders hadden een kosmopolitische instelling die door Felix gretig is overgenomen.
Nomade in Niemandsland
De ondertitel van Ego Documenta luidt: ‘het testament van mijn ego in het museum van mijn geest’. Dat kunnen we ruim interpreteren. Het museum van de geest van Felix is een museum van de wereldgeest die zich ook in Felix manifesteert. Achterin het boek vinden wij een door Felix geschreven persoonlijke jeugdgeschiedenis ‘Nomade in Niemandsland’. Een fascinerend verhaal over opgroeien in gecompliceerde Curaçaose omstandigheden. Als je dat verhaal leest, besef je dat het gemakkelijk fout had kunnen aflopen met zo’n gevoelig jongetje dat even gecompliceerd in elkaar stak als de omstandigheden.
Hoe hij zich hieruit heeft kunnen bevrijden en opwerken? Door penis en pen? Van die penis ben ik niet zo zeker. Er zijn heel wat heren die door de dynamiek van hun penis diep in misère zijn gedompeld. Pen en penseel? Zeker, maar ook door de manier waarop zijn ouders hem met veel vallen en opstaan hebben weten te motiveren. En ontmoetingen met mensen op cruciale momenten, zoals een verblijf bij de Limburgse schilder Charles Eyck. Wat dat aangaat heeft Felix geluk gehad. Daarnaast is aan alles merkbaar dat hij mateloos nieuwsgierig is. Die nieuwsgierigheid doet hem afstand nemen, nadenken, verder denken, experimenteren. Zijn verhaal eindigt met deze zin: ‘Op zilverkleurige aluminium vleugels, gleed mijn puberziel op zoek naar haar bestemming in het nieuwe Terra Incognita, een Nomade in Niemandsland’.
Duidelijk is dat hij een van die typische mensen is met een blik die de lokale blik ver te buiten gaat. Jennifer Smit typeert hem als iemand met een ‘wereldziel’, een mens ‘voor wie er geen grenzen zijn. En eigenlijk ook geen landen’. Dat klopt. Hij doet me denken aan de schilder Ronald Kitaj die ooit een diasporistisch manifest schreef. De ondertoon van dit manifest is verwant met de ondertoon van Felix’ verhaal. Hun werk trouwens ook: eigenzinnig, provocerend, exhibitionistisch, geladen met ideeën, zonder ook maar de geringste neiging tot conformisme, maar tegelijk zeer menselijk en inclusief.
Het label ‘psychisch realisme’ is ook wel van toepassing op Kitaj’s werk. Beiden hebben een nomadische ziel. Beiden zijn ook behept met die merkwaardig ambivalente houding tegenover de ‘thuiscultuur’, die je bij veel kunstenaars en schrijvers aantreft. Kitaj zocht naar zijn drijfveren en schreef over zijn zoektocht naar zijn voorland, naar oude gebeurtenissen, inzichten en tradities die dwars door de wereld heen lopen en een uitmonding vonden in hem en zijn werk (R.B.Kitaj, First Diasporist Manifesto, 1989). Op de keper beschouwd is ons bestaan nomadisch van aard. Er is geen thuis, slechts een ‘diasporistisch verlangen naar ‘Jeruzalem’, naar de stad van vrede.
Dat impliceert ook dat er geen plaats is voor vaste identiteiten. Hoogstens voor gefixeerde, en dus onechte identiteiten. In een beschouwing over Felix als cineast wordt dat door Reece Anguiste gesteld. ‘Identity is in freefall, nothing is fixed, everything is fluid and mercurial’. Als Caribische mens is Felix een diasporist, een nomade die verder zal trekken en nieuwe gebieden zal exploreren en nieuwe ontdekkingen zal doen. We kunnen nog heel veel verwachten.
Het thuisfront neemt dat de ‘nomade’ meestal niet in dank af. Is het hier soms niet goed genoeg voor jou? Voel je je boven ons verheven? Weinigen hier op ons eiland zien Felix als een ‘echte Curaçaose kunstenaar’. Terwijl nota bene Curaçao zelf een nationaliteitenmengsel, een ‘niemandsland’ bij uitstek is. We weten er niet goed mee om te gaan en zoeken angstig naar houvast in onze kleine lokale culturele tradities. Anders gezegd: meer aandacht voor het werk van Felix zou niet slecht voor Curaçao zijn.
Ego Documenta biedt een wijds overzicht van Felix’ werk op alle gebieden. Daartussen zijn veel beschouwingen opgenomen over zijn werk, inclusief een groot aantal recensies van film en theater. Ook kritische recensies. Ik ga daar nu niet verder op in. Alles overziende, constateer ik opnieuw dat in mijn ogen Felix op zijn best en ook zijn ‘echtst’ is in zijn assemblages. Die lijken me op zijn lijf geschreven. Met de meest uiteenlopende voorwerpen, die hij overal vandaan heeft gesleept en die ogenschijnlijk geen enkel verband met elkaar hebben, weet hij een wereld op te roepen waarin al die voorwerpen een verrassende symbolische betekenis krijgen. Vrijwel al zijn assemblages doen mij perplex staan, ‘zo had ik niet gedacht dat de wereld in elkaar steekt’. Hier wordt een surrealistische werking realistisch. Assemblages van Felix zijn ook in figuurlijke zin multidimensionaal. Felix blijkt over een sublieme vindingrijkheid te beschikken om de meest wonderlijke dingen ermee op te roepen. Zoals de absurde slavernijgeschiedenis, met al haar onmenselijkheden en krankzinnige vooroordelen. De toeschouwer kan de confrontatie ermee niet ontlopen en wordt tot reageren gedwongen. Daarin schuilt ook een heilzaam effect, een opnemen van dat stuk geschiedenis in onze totale gezamenlijke geschiedenis, de enige manier om niet tot herhaling gedoemd te worden.
Felix geeft zichzelf dus het etiket ‘psychisch realist’. Daarmee uitdrukkend dat hij de psychische dimensie van de werkelijkheid omarmt en daarvan wil uitgaan, of die wil uitdrukken. Realisme kan niet anders dan paradoxaal zijn. Ten eerste kent niemand de werkelijkheid en al helemaal niet zijn eigen psychische werkelijkheid. Ten tweede staat realisme tegenover idealisme en houdt dus in dat idealen, waarden en wat dies meer zij als ondergeschikt aan de psychische realiteit worden gezien. Maar zeker ook in het werk van Felix spelen idealen en waarden een grote rol. Kijk maar naar sommige van zijn maatschappij- en cultuur-kritische films, zijn exposities van wit over zwart enzovoort. Zijn realisme, zoals dat meestal het geval is, is mogelijk bij de gratie van idealen. Daar ligt ook de oorsprong van het tragische. Nomade in Niemandsland is trouwens een tragisch familierelaas. Dus dat van die telkens opnieuw herrijzende Phoenix, moeten we maar opvatten als het herrijzen van een Felix die de werkelijkheid beter heeft leren kennen en die langzaam aan een gevoel voor het tragische ontwikkelt. Opvallend is dat dit gevoel voor het tragische zich vooral aandient in zijn gedichten. Trouwens, het is ook opvallend hoe goed hij schrijft en dicht, zowel in het Papiamentu, het Nederlands als in het Engels. Vermoedelijk krijgen we nog veel nieuws te zien en te horen van de hand van Felix en het is te hopen dat Curaçao deze bont gekleurde vogel leert waarderen. En dus ook zichzelf leert waarderen.
Littekens van de ziel
In het hart gevonden
Scherven uit verleden tijd
Oude pijn baart nieuwe zonden
Op het altaar van vergetelheid
In het hart gevonden
Littekens geleden tijd
Een nieuwe God heelt oude wonden
Bouwt tempels op vergankelijkheid
[uit Amigoe, 1 oktober 2013]

‘Eigen geschiedenis betekenis geven’

door Brede Kristensen

Nu het derde Bocas literatuurfestival heeft plaatsgevonden in Trinidad & Tobago, vroeg ik de energieke initiatiefneemster, Marina Salandy-Brown, wat haar tot dit initiatief had bewogen. Haar spontane antwoord luidde: “De eilanden uit hun literaire isolement halen.” Erop doorpratend begreep ik dat ze ook vond dat de al lang bestaande Caribische literaire traditie een eigen referentiekader nodig heeft.

 

Nu is het zo dat de goede en ambitieuze dichters en schrijvers van de Caribische eilanden vooral naar erkenning zoeken in de Europese en Amerikaanse ‘moederwereld’. Engelstalige auteurs kijken naar Engeland en Noord-Amerika, Spaanstalige auteurs kijken naar Spanje en Latijns-Amerika, terwijl Franstalige en Nederlandstalige auteurs naar Frankrijk en de lage landen kijken voor erkenning. Omdat de afstanden groot en de netwerken beperkt zijn, lukt het met die erkenning slechts moeizaam. Meestal moeten ze genoegen nemen met het stempel ‘exotisch’. Wellicht is dat de reden dat zoveel Caribische auteurs ervoor kiezen zich in Europa of Amerika te vestigen, het voorbeeld van V.S. Naipaul volgend. Daar worden ze opgenomen in literaire netwerken, worden ze uitgenodigd om te doceren op universiteiten en vinden ze hun weg naar de media. Zo worden ze vanzelf wat minder exotisch.
Inmiddels gonst het in het Caribische gebied van literaire activiteit. De diversiteit van literaire tradities, culturen en geschiedenissen, vormt allerminst een belemmering zoals soms wordt beweerd, maar blijkt integendeel een stimulans voor creativiteit te zijn. Erkenning door de ‘moederwereld’ is natuurlijk helemaal geen voorwaarde voor literaire bloei.
Toen Salandy-Brown vier jaar geleden begon met de organisatie van het eerste Bocas Lit Fest was het haar bedoeling een platform te creëren voor auteurs van verschillende eilanden om op elkaars werk te reageren. In eerste instantie de Engelstalige auteurs, om vervolgens ook de andere taalgemeenschappen erbij te betrekken. Het is te gek voor woorden dat we voor erkenning zo afhankelijk zijn van lezers en critici duizenden kilometers verderop. Het festival, waaraan een kleine 100 auteurs plus een groot aantal lezers deelnemen, wordt als buitengewoon inspirerend ervaren. Trinidad leeft mee en is er trots op.
De Guyanese historicus Richard Drayton sprak over het belang om als regio zelf de feiten van onze eigen geschiedenis betekenis te geven. Het kan niet zo zijn dat buitenstaanders ons voorschrijven hoe wij onze geschiedenis dienen te interpreteren, maar dat is precies wat nog steeds gebeurt. Het interpretatiekader voor de geschiedenis, zoals door de ‘moederwereld’ vastgesteld, is in sterke mate gebaseerd op militaire en economisch-technologische machtsuitoefening, gericht op overleven en onderdrukken. De rest is bijzaak. In feite dus een sociaal-darwinistisch kader. Bij dat kader past een politiek, economisch en cultureel instrumentarium dat ieder land nodig schijnt te hebben om zijn weg in de wereld te vinden. Hij wees erop hoe ook de in de moederwereld opgeleide Caribische professionals het spel meespelen en lid worden van wat hij de kaste noemde van ‘multi-raciale-en-nationale goedverdienende wereldwijd werkende technocraten’, werkzaam bij grote ondernemingen en internationale organisaties zoals het IMF, of als hoge ambtenaar, bij voorkeur vaak internationaal op stap. Ieder voor zich lijkt gefascineerd te zijn door de ‘mystiek van het professionalisme met zijn bijkans magische macht’. Vaak is hun alter ego cultuurminnend en bekend met de laatste literaire trends, maar helaas huist het alter ego vooral in de kleding, niet in de ziel. Hun ziel is doelloos zwervend. De doorsnee burger gaat dezelfde kant op.
Zijn gesprekspartner, Pankaj Mishra uit India, schreef een onthullend boek over het verzet van Aziatische intellectuelen, zoals Rabindranath Tagore en Liang Qi Chao, tegen het Europese politieke en intellectuele imperialisme: From the Ruins of Empire, 2012. Vaak citeerde hij Tagore: “The West is becoming demoralized through being the exploiter, through tasting the fruits of exploitation.” Tagore zag het nationalisme als een van de meest dubieuze imperialistische methodes. Door van iedere verzameling mensen een georganiseerde natie te maken, krijgen imperialistische grootmachten er greep op. Door hun zucht naar erkenning en mooie posities in het publieke bestuur zijn de geëxploiteerden zo kortzichtig hun volledige medewerking te geven. Dit inzicht heeft vandaag niets aan actualiteit verloren. Bovendien hebben macht en geldzucht zowel een verslavend als een demoraliserend effect. Tagore, die deze verslaving met opium vergeleek, was ervan overtuigd dat alleen de menselijke geest in staat is weerstand daartegen te bieden en zodoende de mensheid voor uitsterven te behoeden. Literatuur kan daarbij een belangrijke rol spelen mits er gelezen wordt, mits erover gesproken wordt en mits deze zich niet in dienst van nationalistische belangen stelt.
Natsume Soseki op een biljet van 1000 yen.
Dat brengt ons bij de vraag: welke literatuur? Alle literatuur? Pankaj Mishra liet het de Japanse auteur Natsume Soseki (1867-1916) zeggen: “Teveel zoeken we (in Japan) aansluiting bij wat er in Europa gebeurt. Ook op het gebied van literaire trends. Het is alsof we aan een vreemde tafel aan het dineren zijn en het ene na het andere onbekende gerecht krijgen voorgeschoteld… fascinerend, maar al dinerende vergeten we dat we zelf een fantastische keuken hebben.” Hij kon nog niet spreken van de ‘McDonald’isation of the world’, maar zoiets stond hem voor ogen. Het lijkt alsof civilisatie en literatuur, mode en filosofie nog steeds door Europese en Amerikaanse standaarden worden bepaald. We kunnen niet zonder standaarden, maar laten die standaarden dan alsjeblieft ter discussie mogen staan. Het Europese postmodernisme is anders dan het Caribische. Aldus Drayton en Mishra en het voltallige Bocas-publiek waarmee ze in gesprek waren.

Eigen karakter reg
io
Drayton beklemtoonde de noodzaak het karakter van Caribische literatuur te accentueren. Dat bracht ons op een gesprek over het eigene van de Caribische regio. Heeft deze regio wel een eigen karakter? Zoals het Caribische gebied zijn Europa en Amerika inmiddels cultureel gemengde regio’s geworden. Wat is het verschil? Ja, er is een groot verschil. Het verschil is dat Europa en de meeste Amerikaanse landen gekenmerkt worden door een dominante, traditionele cultuur en dito literatuur, waaraan de culturele import zich op de een of andere wijze moet aanpassen. Natuurlijk is de invloed ook omgekeerd, maar toch beduidend minder sterk.
Dit ligt heel anders in het Caribische gebied. Nadat de Indianen op trieste wijze waren geliquideerd en de Europese machten uiteindelijk een toontje lager moesten zingen, zien we dat hier naast elkaar een drietal stromingen werkzaam zijn, die zich geleidelijk aan vermengen: een vercaribiseerde Afrikaanse stroming, een vercaribiseerde Europese stroming en een zich vercaribiserende Indiase stroming. In de ogen van Drayton lopen onze Caribische auteurs gevaar te ‘ontcaribiseren’ vanwege de zucht naar erkenning door de moederwereld. Daarom is het zo goed dat er een Bocas Lit Fest is waar alle Caribische auteurs, inclusief die uit de diaspora heen kunnen, om het contact met elkaar en met de Caribische regio te onderhouden, zo merkte hij op.
In het verlengde daarvan werd een seminar gepresenteerd over de vraag ‘A National Literature?’ met inderdaad een groot vraagteken. Het gloedvolle betoog van Marlon James uit Jamaica, hoogleraar literatuur en auteur (in 2009 publiceerde hij de roman The Book of Night Women), maakte korte metten met dat vraagteken. Geen sprake van. Als literatuur zich in dienst stelt van de natie, blijft er van kwaliteit niets meer over. Al die politici die vinden dat literatuur behoort bij te dragen aan natievorming weten niet waarover ze het hebben en zijn in feite alleen maar met vrijheidsbeperking bezig… ‘should shouldn’t’, was zijn motto. Een door naties versnipperde regio valt ten prooi aan imperialistische machten. Door over dingen na te denken, veranderen de dingen van karakter, verliezen zij hun vanzelfsprekendheid en beginnen ze te verwijzen naar de diepere of hogere en vooral werkelijkheid die ons geheimzinnig omringt en ontsnapt aan de greep van ons begrip. Dat is wat literatuur doet.

Caribische identite
it
Wat is dan de Caribische identiteit? Identiteit is geen ding en omdat het geen ding is, kan je het ook nergens aan vasthaken en nergens aan ontlenen. Je kunt dus niet zeggen: kijk dat zijn onze wortels dus dat zijn we. Of dit is onze natie en daarom zijn we zo. Of dit is mijn opleiding: ik ben metselaar. Verbazingwekkend hoe actueel het existentialistische inzicht is dat al dat verschuilen achter ‘iets’ gelijk staat met het ontlopen van verantwoordelijkheid. Identiteit is een wijze van omgaan met de werkelijkheid, individueel en gezamenlijk. De Caribische regio, inclusief haar cultuur, is volop in beweging. Geen vaste tradities en uitgekristalliseerde waardepatronen. Een duizelingwekkend geschakeerd en bewegend kleurenpalet, zonder overheersing door een specifieke kleur. Ik denk dat er geen regio in de wereld denkbaar is waar zoveel verschillende stromingen zijn die een antwoord proberen te geven op de grote levensvragen. Omdat die antwoorden verschillend zijn en geen ervan zich kan permitteren zich als HET antwoord te presenteren, kan juist in de Caribische regio het ‘gevoel voor het onkenbare’ zich ontwikkelen.
De Engelse dichter T.S. Eliot merkte op dat de ‘mensheid niet in staat is veel werkelijkheid te verdragen’ (Four Quartets, 1944). Liever reduceren we dat chaotische kleurenpalet tot een beperkte wereldbeschouwing of een nationalistische ideologie of gewoon tot professionalisme of consumentisme. Tot iets dat een gevoel van identiteit, een thuisgevoel geeft. Vervolgens verwachten we dat de boeken die we lezen dat thuisgevoel zullen bevestigen. Sterker, we vragen onze schrijvers en dichters zulke boeken te schrijven. Zo niet, dan zetten we ze weg als ‘moeilijk en onbegrijpelijk’.
‘Niet aan toegeven’, riep Marlon James. Het motto ‘should shouldn’t’ schept vrijheid. Maar daarmee is nog geen chemische reactie tot stand gekomen tussen al die verschillende culturele elementen die de regio rijk is. Noch in onze eigen individuele geest, noch binnen het literaire circuit van auteurs van verschillende eilanden, noch tussen auteurs en lezers. Ingewikkelde chemische reacties hebben een katalysator nodig. Ziedaar, de zin en de betekenis van het Bacos literatuurfestival.
Kan literatuur iets betekenen voor de zwervende ziel die naar enig inzicht in de onkenbare werkelijkheid verlangt? Geen richtlijnen, geen omschrijving van de Caribische identiteit, geen bijdrage aan ‘nation building’, geen antwoorden op levensvragen. Literatuur kan alleen onder woorden brengen. Het onder woorden brengen is een vorm van verwerking, reflectie en bewustwording. In feite is dat wat ze doet. Dat is ook wat Derek Walcott steeds indringend (het woord is hier op zijn plaats omdat het de ziel van de lezende lezer raakt) weet te bewerkstelligen. Prachtig, zoals hier in de Schooner Flight (Collected Poems, 1986):
Sometimes is just me, and the soft-scissored foam
At the deck turn white and the moon open
A cloud like a door, and the light over me
Is a road in white moonlight taking me home
[uit Amigoe, 18 mei 2013]
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter