blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: koloniale literatuur

Shifting the Compass

Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, geredigeerd door Jeroen Dewulf, Olf Praamstra & Michiel van Kempen, is de bundeling van de belangrijkste teksten die werden gepresenteerd op het gelijknamige congres in het najaar van 2011 in Berkeley, California. De vijftien hoofdstukken geven niet een traditionele indeling naar de verschillende koloniale gebieden, maar kijken juist naar de verbindingslijnen tussen de voormalige koloniën. Zo schrijft Rudolf Mrázek over Boven Digoel in Indonesië en de Jodensavanne in Suriname. Ena Jansen neemt de slavernij in Zuid-Afrika en Curaçao onder de loep. Paul Hollanders bekijkt de animus manendi, de wil om zich permanent te vestigen, van koloniale planters (onder wie Paul François Roos).

Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, edited by Jeroen Dewulf, Olf Praamstra & Michiel van Kempen.
Newcastle upon Tyne, Cambridge Scholars Publishing, 2013. ISBN (10): 1-4438-4228-1/ ISBN (13): 978-1-4438-4228-0
Met bijdragen van Jeroen Dewulf, Adriaan van Dis, Rudolf Mrázek, Olf Praamstra, Manjusha Kuruppath, Lodewijk Wagenaar, Adèle Nel, Phil van Schalkwyk, Luc Renders, Ena Jansen, Nicole Saffold Maskiell, Barry L. Stiefel, Britt Dams, Paul Hollanders, Michiel van Kempen en Giselle Ecury.

De bundel is samengesteld door drie hoogleraren, v.l.n.r. Michiel van Kempen, Olf Praamstra, Jeroen Dewulf. Foto Sanne Landvreugd

Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans

door Carl Haarnack
Bijdrage tot de kennis der Kolonie Suriname. W.H. Lans. ’s Gravenhage: Nederlandsche Maatschappij van Schoone Kunsten, 1842.
Over het leven van W.H. Lans is niet veel bekend. In de Surinaamsche Almanak voor het jaar 1842 wordt hij genoemd als Kurator en Weesmeester van het Departement der Onbeheerde Boedels der Weezen. Daarbij staat vermeld dat hij zich met verlof in Nederland bevindt. Lans is eerder langere tijd uit de kolonie geweest. In een bericht van de Gouvernements Secretarie van 28 juni 1828 wordt melding gemaakt van een speciaal verlof voor Lans voor een periode van twaalf maanden voor verblijf in het buitenland.
In zijn voorwoord schrijft Lans dat hij vierentwintig jaar met de kolonie bekend is en gedurende die tijd enige jaren in Europa heeft vertoefd. Met zijn boek doet hij een poging ‘den lande nuttig te zijn’ en mengt zich in wat toen de ‘Surinaamsche quaestie’ heette. Eén van de belangrijke vraagstukken daarbij was hoe de kolonie vooruit te helpen. Tussen neus en lippen door stelt Lans dat de blanken wel tussen de keerkringen kunnen leven maar, vanwege het klimaat, niet werken. De indianen zijn vrijwel uitgestorven dus moet volgens Lans het ‘negerras’ het vruchtbare land bewerken. Voor wat betreft verstandelijke vermogens staan zij ver onder de Europeaan. Zo zullen de ‘boschnegers’ als zij geld verdiend hebben dit slechts gebruiken voor opschik zoals ‘fraaije glansrijke hoeden, parapluies, zelfs lakensche rokken en zwarte zijden broeken.’ Deze lieden zijn, zo schrijft Lans, ‘gewoonlijk zeer listig en en vol kwade trouw’. Er bestaat bij de slaven ook groot wantrouwen en haat jegens de ‘boschnegers’.
De vrije bevolking bestaat volgens Lans uit Europeanen, de in de kolonie vrij geborenen (‘van alle kleuren’) en de gemanimuteerden. De eerste groep bestaat uit ambtenaren, militairen en kooplieden. Allen hebben ze gemeen dat ze het voornemen hebben weer terug te keren naar Europa. De tweede groep is het grootst. Onder hen bevinden zich plantage-eigenaren maar ook velen die leven zonder middelen van bestaan. Lans geeft een voorbeeld van twee gezonde jonge mannen die in hun hangmat luieren: “Wij zijn zelven dood arm, wij hebben niets om te geven, en zelfs geen bananen om te eten.” Op de vraag waarom hun tuin verwilderd is antwoorden zij: “Wel, omdat wij geene slaven bezitten.” Het bewerken van het land wordt gezien als slavenarbeid.
Lees verder op:  www.buku.nl

30 mei 2012 – Nederlands Buitengaats

Rond 1900 geloofde de Amsterdamse hoogleraar Nederlandse taal en letterkunde, Jan te Winkel, nog in het bestaan van Nederlands als wereldtaal: “Ooit had Nederland de kans gehad om een rol van betekenis te spelen in Noord-Amerika – in de tijd dat New York nog Nieuw Amsterdam heette -, maar die kans hebben wij verspeeld. De Nederlandse bezittingen in Amerika waren overgenomen door de Engelsen en in de Verenigde Staten was Engels de voertaal geworden. Maar in 1899 bood de geschiedenis een herkansing. Als in Zuid-Afrika de Boeren de Engelsen zouden verslaan – en dankzij onzee hulp en vooral door de onuitputtelijke moed van de Boeren zag het daarnaar uit – betekende dat de geboorte van een nieuwe wereldstaat in wording. Zoals eens de Verenigde Staten van Noord-Amerika zich met geweld hadden losgemaakt van Engeland, zo zouden uit deze oorlog de Verenigde Staten van Zuid-Afrika geboren worden en zich ontwikkelen ‘tot een even machtig wereldrijk […] als de Vereenigde Staten van Noord-Amerika in de negentiende eeuw zijn geworden.’ En voor geen volk, vervolgde Te Winkel, had deze gebeurtenis meer betekenis dan voor het onze. Het was de laatste kans ‘om onze taal tot eene wereldtaal, onze letterkunde tot eene wereldlitteratuur te maken.’De geschiedenis heeft Te Winkel geen gelijk gegeven, maar de sporen van het wereldrijk dat Nederland ooit geweest is, zijn tot de dag van vandaag zichtbaar. De Nederlandse koloniale expansie die in de zeventiende eeuw is begonnen, heeft een literaire en taalkundige erfenis nagelaten, waar lange tijd te weinig naar is omgekeken. Op de themamiddag ‘Nederlands Buitengaats’ spreekt Michiel van Kempen over de literatuur van de Caraïben en Suriname, Anna Pytlowany over het Nederlands op Ceylon en Pamela Pattynama over de Indische Letteren. Cefas van Rossem gaat in op de studie van het Negerhollands, een taal die zich ontwikkelde in een voormalige Deense kolonie, de US Virgin Islands. Olf Praamstra spreekt tenslotte over een vergeten koloniale literatuur: de Nederlandse literatuur van Zuid-Afrika.

Alle belangstellenden worden van harte uitgenodigd de middag bij te wonen.

Namens de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde: Marijke Mooijaart, Jan Noordegraaf, Olf Praamstra

Programma

13.00 uur Ontvangst

13.30 uur Opening en inleiding door de voorzitter van de Commissie, Jan Noordegraaf

13.45-14.15 uur Michiel van Kempen (Universiteit van Amsterdam)
‘West-Indische letteren: de literatuur van de Caraïben en Suriname’

14.15-14.45 uur Anna Pytlowany (Universiteit van Amsterdam)
‘Commerce, God and language: a linguistic history of the ‘battle for souls’ in Dutch colonial Ceylon’

14.45-15.15 uur Pamela Pattynama (Universiteit van Amsterdam)
‘Nostalgie bij Bloem: Indisch-Nederlandse literatuur en film’

15.15-15.45 uur Pauze

15.45-16.15 uur Cefas van Rossem (Radboud Universiteit Nijmegen)
“Flies in Amber’. De woordenlijsten van Frank Nelson, een ontbrekende schakel in de geschiedenis van het Negerhollands’

16.15-16.45 uur Olf Praamstra (Universiteit Leiden)
‘De Muze van de Kaap’, de Nederlandse literatuur van Zuid-Afrika

Uitloop/discussie
17.00-18.00 uur: borrel

Organisatie: Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.
Locatie: Lipsiusgebouw, Universiteit Leiden, Letterenfaculteit, zaal 227, Cleveringaplaats 1 (tegenover de Universiteitsbibliotheek).
NB: anders dan andere jaren is de bijeenkomst niet in de Universiteitsbibliotheek.
Graag aanmelden vóór 16 mei bij j.noordegraaf@vu.nl.

Driehoeksreis [6]

Eind januari opent in het Curaçaosch Museum een overzicht van het grafisch werk van Bert Kienjet. Deze Leidse kunstenaar laat zich in zijn grafisch werk inspireren door de Dutch Caribbean. Dit leidde tot een reeks etsen met de titel Driehoeksreis.
De reeks bestaat uit tientallen portretten van ‘personages’ die de driehoeksreis bevolk(t)en. Deze reis van Europa via West Afrika naar het Caraïbisch gebied en weer naar Europa werd in de 17de eeuw door de West-Indische Compagnie begonnen. Deze reis wordt door Kienjet als metafoor gebruikt voor de sociale, culturele en bestuurlijke beïnvloeding en banden tussen Westerse, Afrikaanse en Caraïbische culturen.
Soms betreft het personages die zich feitelijk op en tussen de drie continenten manifesteerden, soms gepersonifieerde cultuurdragers, soms bestaande figuren die een grote of kleinere rol spelen/gespeeld hebben in het grote geheel van cultuuroverdracht en identiteitsbevestiging. Door het groepsgewijs tonen van de portretten worden verhalen zichtbaar, wordt een hernieuwd combineren en vergelijken mogelijk.
In het Curaçaosch Museum zal de serie Driehoeksreis in zijn geheel getoond worden. Vanaf 21 oktober, vrijdags zes weken lang, alvast een voorproefje van dit bijzondere kunstwerk op Caraïbisch Uitzicht, voorzien van korte onderschriften door Kienjet zelf.

Links: portret van Cola Debrot, 2011, ets/aquatint
Rechts: portret van Shon B., 2010, ets/aquatint

De sombere nestor van de Nederlands-Caraïbische literatuur. Wie leest Bewolkt bestaan tegenwoordig echt helemaal en kan het samenvatten of navertellen? Wie reist de literaire driehoeksreis met Debrot mee van Curaçao naar Amsterdam naar Parijs, naar Caracas en komt uiteindelijk toch weer op Miraflores terecht? Is de Shon B. die uit de nacht opdoemt, een van Debrots personages? Oscar, Ferdinand of Cola zelf? Waarom heeft hij dan zijn eiland de rug toegekeerd? Droevig eiland droevig volk. [B.K.]

Driehoeksreis, no. 1., no. 2., no. 3., no. 4., no. 5.
.

Exotische Liefde

Op donderdag 9 juni 2011, vindt de presentatie plaats van de hertaling van Reize in eenen Palanquin van Jacob Haafner in de bewerking van Thomas Roosenboom onder de titel Exotische Liefde (Uitgeverij Athenaeum).

Programma
Erica van Boven (Universitair hoofdocent Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Rijksuniversiteit Groningen) ‘Onverkort Haafner’
Olf Praamstra (Buitengewoon Hoogleraar Nederlandse Literatuur in contact met andere culturen) ‘Haafner Literair’
Thomas Roosenboom (Auteur en voormalig author in residence aan de Universiteit Leiden) leest voor uit Exotische Liefde.
Presentatie door Paul van der Velde (International Institute for Asian Studies, Leiden/ Amsterdam)
Na afloop signeert Thomas Roosenboom.

Over Jacob Haafner
Jacob Haafner (1754-1809) leefde een kleine twintig jaar in Zuid-Afrika, India en Sri Lanka. Hij schreef vijf reisverhalen over zijn verblijf in die landen. Zijn directe, aanstekelijke manier van schrijven en zijn avontuurlijke leven maakten hem tot een van de populairste schrijvers van het begin van de negentiende eeuw in Nederland en daarbuiten. Haafners boeken blijven ook voor de hedendaagse lezer aantrekkelijk. De levendige beschrijvingen van het aleldaagse leven in de tropen getuigen van een scherp observatievermogen en een innige verbondenheid met de Indiase cultuur. Hij bestudeerde de talen en culturen van het subcontinent
en genoot ervan als hij voor een Indiër werd aangezien.

Aanmelden en locatie

Locatie: Doelenzaal in de Universiteitsbibliotheek van de UvA. Adres: Singel 425, 1012 WP Amsterdam. Bij binnenkomst gaat u direct linksaf de gang in en treft u de Doelenzaal aan uw linkerhand.
Tijd: 20:00 – 22:00 uur

Toegang tot de activiteiten van SPUI25 is gratis. U dient zich wel van tevoren in te schrijven via www.spui25.nl
Organisatie: SPUI25 in samenwerking met IIAS Outreach

Het plantageleven

door Carl Haarnack

In Suriname ligt de geschiedenis op straat. Als u door Paramaribo loopt dan hoeft u eigenlijk alleen het autoverkeer weg te denken om een beeld te krijgen van hoe de stad er honderd jaar geleden uit zag. Op de kaart van Alexander de Lavaux, Generale Caart van de Provintie Suriname, rivieren en districten met alle ontdekkingen van militaire togten, mitsgaders de groote der gemetene plantagien, gecarteert op de nauwkeurigste waarnemingen, uit 1737, vinden we bijvoorbeeld al het Pad van Wanica (nu Indira Gandhiweg). Ook staan op deze kaart de namen van meer dan 400 plantages en hun eigenaren. Wat nu de buitenwijken van Paramaribo zijn waren vroeger plantages: Zorg & Hoop, Geyersvlijt, Ma Retraite, Meerzorg en ga zo maar door. De geografische namen van nederzettingen die we nu op moderne kaarten vinden zijn bijna allemaal namen van plantages die verdwenen zijn. Van de plantagehuizen en de bijbehorende slavenhutten is bijna niets bewaard gebleven. Om een beeld te krijgen van de plantages moeten we te rade gaan bij archieven, slavenregisters, spaarzame dagboeken en een paar zeldzame foto’s.

Op de foto zien we de gebouwen van de suikerplantage Rust & Werk aan het eind van de 19e eeuw. De ijzingwekkende stilte is voelbaar. Het fascinerende aan de Surinaamse geschiedenis is dat je maar naar een oma of opa hoeft te kijken en je zit er midden in. Mijn moeders familienaam bijvoorbeeld is Blom. De Bloms komen van de plantage Sarah (die later werd samengevoegd met Leasowes). In de registers van familienamen die bij de afschaffing van de slavernij in 1863 gegeven werden vinden we een bron aan informatie. Met slechts een paar sprongen vind ik Coffee, geboren in 1817, slaaf op de katoenvelden en kostgronden van de plantage Sarah. Bij de emancipatie krijgt hij de naam Andreas Samuel Blom. In 1840 wordt hij vader van een zoon Robertson Timoteus. In 1843 wordt Heintje geboren. Ik heb anno 2007 een oom die ook Hein Blom heet. De geschiedenis is in Suriname nooit ver weg!
Op de andere foto zien we het plantagehuis van de plantage Sarah Leasowes in Coronie. Coronie werd pas aan het begin van de 19e eeuw door Engelse plantagehouders gecultiveerd. Suriname viel tussen 1804 en 1815 onder Engels bestuur. In die periode kwamen er veel plantagehouders van de Engelse eilanden (bijv. Trinidad, Barbados) naar Suriname. De Engelsen hadden begin 19e eeuw de slavenhandel al verboden. In Suriname was de geest van het abolitionisme nog niet ontwaakt. Door die Engelse aanwezigheid dragen veel plantages in Coronie Engelse namen. Ik denk bijvoorbeeld aan Sarah-Leasowes, Inverness, Hamilton, Perseverance, Maryshope, Totness, Friendship, Clyde en Burnside. Andere familienamen die op de plantage Sarah Leasowes ontstonden zijn Anijs, Boldewijn, Bloemgaard, Blom, Blos, Blijd, Bobson, Bron, Chards, Cichards, Creton, Daniels, Diek, Doorson, Dors, Elzas, Esajas, Fay, Felter, Filemon, Gram, Hards, Hasselbaink, Jacobussen, Jonassen, Kartets, Kasson, Kolf, Kramp, Kulas, Limon, Lunet, Machards, Mettendaf, Nomiss, Paal, Piket, Ravelijn, Redan, Redout, Riards, Riedewald, Rozenblad, Suran, Tevreden, Tolud, Tulp, Willig, Wilsterman, Wijers en Zunder. Deze familienamen kregen de slaven toen in 1863 de slavernij werd afgeschaft. Op deze plantage vond ook de merkwaardige geschiedenis van Tata Colin plaats.
Er zijn maar weinig geschreven bronnen die ons iets vertellen over het leven van alle dag op de plantage. E.J. Bartelink (1834-1919), zelf kind van een Hollandse plantage-directeur en een slavin, begon in 1855 te werken als blank-officier (opzichter) op de plantage Zeezigt. Later werd hij directeur en schreef op 80 jarige leeftijd zijn levensverhaal Hoe de tijden veranderen; herinneringen van een ouden planter. Hij was, zo zegt hij zelf, “van het zwarte ras met eenig blankenbloed in de aderen.” Dankzij zijn relaas krijgen we een beeld van het leven van de planters:
“De planters van vroeger waren echte smulpapen en feestvierders. Zij hadden geregeld gasten. Van allerlei werd een gelegenheid gemaakt om invitaties uit te zenden. Zoo werd overal in de moestuinen snijbonen geteeld. Vooral werd er vaak werk van gemaakt voor de Kerstdagen. ‘t Was nu onder heeren planters een wedstrijd wie tegen dien tijd ‘t eerst snijbonen uit zijn tuin zou oogsten. De gelukkige zond uitnodigingen aan buren en vrienden om bij hem snijbonen te komen eten. Een groot feest werd aangericht dat 3 a 4 dagen duurde en waarbij een weelde en overdaad ten toon werden gespreid, als de planters van nu ‘t zich niet kunnen voorstellen. De plantagewoningen waren niet zoo poover als thans gestoffeerd. Men vond overal kostbare meubelen, overvloed van zilverwerk, koperen vaatwerk, oud porcelein, fijn tafellinnen, enz. Voor het onderhouden van dit alles beschikte men over een groot aantal dienstboden. Op Zeezigt zorgde voor het huis van den directeur – die niet gehuwd was – een huishoudster, bijgestaan door niet minder dan acht meiden. Als er gasten waren, dan hadden de opzichters ‘t zoo mogelijk nog royaler dan anders. ‘t Eenige waartegen zij bezwaar gevoelden, was dat zij tot middernacht op hun souper moesten wachten. Want tot dat uur bleef het gezelschap kaarten, waarna men aan tafel ging.”

Voor de slaven zag het leven er beslist anders uit. Kuhn (1828) schrijft over het voedsel van de slaven: “Zout en peper behoren tot de gewichtigste behoeften van de Negers, en hoe zouden ook de soms ongeloofelijke menigte van taaije spijzen, die met eene zekere gulzigheid genomen worden, verteren, indien daartoe niet het zout en veel peper dienden. De Neger is, overigens, niet kiesch; hij verteert, met graagte, niet zelden visch, vleesch of spek, waaraan reeds een merkelijke graad van bederf aanwezig is; de gewone drank is water; wanneer zij het hebben kunnen, drinken zij gaarne ‘s morgens switie watra, dat is, heet water, met likka of melassie zoet gemaakt; velen beminnen den sterke drank, en hun liefde is dram, een drank, welke van het schuim en andere uitwerpsels van het suikersap gedistilleerd wordt, soms zoo sterk, maar slechter dan versche rum.”

Volgens Van Hoëvell, fel voorstander van afschaffing van de slavernij, was het leven voor de slaven op de plantage onmenselijk zwaar: “Reeds ten vijf ure en op de suikereffekten ten vier ure in den morgen worden de slaven door de reveille uit hunnen slaap gewekt. Dan moeten zij voor de bereiding van hun voedsel zorgen en al spoedig wordt het bevel tot den afmarsch naar de velden gegeven. Komen zij dan des avonds, moede en afgewerkt, terug, dan is de tijd der rust nog lang niet daar. Hebben zij in dat uur voor hunne meesters niet meer te werken, dan moeten zij toch in alle geval weder voor zich zelven zorgen, want geene vlijtige vrouw, die zijne spijs heeft gereed gemaakt, wacht den neger als hij van den akker te huis komt.”

Pak nu uw vergrootglas en kijk nog eens goed naar het midden van de foto van Sarah Leasowes. Ziet u daar twee figuren staan? Zouden we er niet veel voor over hebben als zij eens tot ons zouden kunnen spreken?

[Afbeelingen: collectie Buku Bibliotheca Surinamica]

[Dit artikel werd eerder geplaatst in het blad Obsession]

Early Dutch Books Online

Op donderdag 26 mei 2011 presenteren de Koninklijke Bibliotheek (Den Haag) en de bibliotheken van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden de databank Early Dutch Books Online. Rond de 10.000 in Nederland uitgegeven boeken met meer dan twee miljoen pagina’s uit de periode 1780-1800 zijn hiervoor gedigitaliseerd.

Op weg naar een onderzoekslaboratorium voor de Geesteswetenschappen

Early Dutch Books Online is een eerste stap in de richting van een omvangrijk digitaal onderzoekslaboratorium voor de Geesteswetenschappen, waarin onder andere alle in Nederland uitgekomen drukwerken en geschreven bronnen zijn opgenomen. Het project is een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek en de bibliotheken van de Universiteit van Amsterdam en de Universiteit Leiden. Deze bibliotheken dragen zorg voor zeer omvangrijke collecties oude en kostbare boeken, manuscripten, archieven en brieven. Door deze collecties te digitaliseren en op grootschalige wijze samen te brengen leveren zij een essentiële bijdrage aan nieuwe vormen van onderzoek en onderwijs. Het project is gefinancierd door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW).

Een goed begin

Early Dutch Books Online maakt een start met deze digitalisering. Voor dit project is een selectie gemaakt van in Nederland gedrukte werken uit de periode 1780-1800. Vanuit praktisch oogpunt is gekozen voor in het ‘moderne’ lettertype Romein gedrukte teksten, die zeer geschikt zijn voor OCR (digitale optische tekenherkenning). Hierdoor kunnen alle teksten op woordbasis doorzocht worden. Inhoudelijk is gekozen voor de geschiedkundige, politieke, theologische en letterkundige werken. Zoekacties van wetenschappers zijn vooral hierop gericht. De uiteindelijke selectie bevat 10.000 boeken met ruim 2 miljoen pagina’s.

Revolutionaire jaren

Early Dutch Books Online maakt uniek historisch bronnenmateriaal beschikbaar uit de woelige tijd van de Vierde Engels-Nederlandse Oorlog, de Franse Revolutie en de Bataafse Republiek. In dezelfde periode bloeide de wetenschap en cultuur. De databank bevat beroemde werken uit de Nederlandse geschiedenis, zoals de briefroman Sara Burgerhart van Betje Wolff en Aagje Deken, de verhandeling over de elektriseermachine van Deiman en het verslag van de veldtochten van generaal Pichegru. Maar ook veel populair drukwerk, zoals griezelromans, toneelstukken, liedbundels, erotische romans, politieke teksten en wetenschappelijke verhandelingen, is te vinden. Alles wat de Nederlander eind achttiende eeuw bezighield, is nu voor iedereen toegankelijk.

Programma

16.00 uur Welkom door drs. Nol Verhagen, voorzitter stuurgroep Early Dutch Books Online, directeur Universiteitsbibliotheek UvA

16.10 uur De opmars van de e-humanities; Inleiding door prof. dr. Theo Mulder, directeur Onderzoek KNAW

16.20 uur ‘De heilrijke vruchten der volksverlichting’. Een nieuwe toekomst voor de Geesteswetenschappen? Lezing door prof. dr. Wijnand Mijnhardt, directeur Descartes Centre

17.00 uur Lancering website Early Dutch Books Online door drs. Halbe Zijlstra, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

17.15 uur Receptie

Locatie: Stadsgehoorzaal – Aalmarktzaal, Aalmarkt 7, Leiden

Deelname is gratis. In verband met het aantal beschikbare plaatsen vragen wij u zich uiterlijk 18 mei aan te melden. Dit kan door een e-mail te sturen naar: edbo@library.leidenuniv.nl, onder vermelding van ‘aanmelding lezing’ of telefonisch via het secretariaat van de universiteitsbibliotheek Leiden: 071-5272832.

Vanaf 27 mei beschikbaar: http://www.earlydutchbooksonline.nl

Illustraties: Thomas Waller, A Voyage in the West Indies

Gouvernantes in Suriname

door Rihana Jamaludin

De nieuwe gouvernante meldt zich bij een koopmansfamilie;
olieverfschilderij van Vasily Perov, 1866 –
The Russian Museum St. Petersburg

 

´Opgetogen liet Walther de globe ronddraaien, betastte de bol en bekeek dromerig het beschilderde oppervlak.
Ik kan niet ontkennen dat mijn leraressenhart sneller sloeg bij het aanschouwen van mijn pupil, die gretig boek na boek opensloeg en de bladzijden bestudeerde, waarderend mompelde of een verraste uitroep slaakte. Mijn zelfvertrouwen groeide, een oudere leerling onderwijzen was misschien nog meer vervullend dan een jongere, omdat de uitdaging groter was.´
Het beroep van gouvernanteRegina Winter is een toegewijde gouvernante in de historische roman ´De Zwarte Lord´, die zich in Suriname afspeelt. Gouvernantes in Suriname, er is weinig over hen bekend. Toch moeten ook deze werkende vrouwen de kolonie bezocht hebben, zij het waarschijnlijk in mindere mate dan hun mannelijke tegenhangers, de huisleraren.
Gouvernante worden was voor jongedames uit de hogere standen, die de pech hadden afkomstig te zijn uit een verarmde familie en geen kans hadden op een huwelijk, een van de weinige mogelijkheden om een inkomen te verwerven. Dienstmeid of fabrieksmeisje worden zat er voor arme vrouwen van stand niet in, zo zat de maatschappij niet in elkaar. Studeren of een beroep uitoefenen kon echter ook niet, want dat waren mannenzaken, te ingewikkeld voor een vrouw.
Wat nog net door de beugel kon, waren beroepen waarin de typisch vrouwelijke eigenschappen van pas kwamen, zoals verzorging van zieken of van kinderen. Gezelschapsdame zijn voor welgestelde bejaarde vrouwelijke familieleden, lesgeven aan jonge kinderen of oudere meisjes chaperonneren.
In de 19e eeuw nam het aantal gouvernantes fors toe door het tekort aan huwbare mannen – de Napoleonistische oorlogen hadden hun tol geëist. Ook was er grote werkeloosheid waardoor jonge mannen probeerden fortuin te maken buiten Nederland en wegtrokken naar de koloniën. Vele jonge vrouwen moesten dus zelf hun brood zien te verdienen.
Het beroep van gouvernante was niet beschermd. Iedereen die niet tot de arbeidende klasse behoorde kon gouvernante worden. Een goede gouvernante had onderwijs op school of van een privélerares genoten, en met zelfstudie veel bereikt. Haar positie lag nogal gevoelig; niet zo nederig als die van de dienstmeid, maar als inwonend lid van het personeel toch bescheiden op de achtergrond.
Een gouvernante uit verarmde adel afkomstig, zou moeite kunnen hebben zich dienstbaar op te stellen. Aangenomen werd dat de beste gouvernantes onderwijzersdochters of domineesdochters waren, vanwege hun veronderstelde kennis, deugden en godsdienstzin.

.

Gouvernante en pupil, 1854
– Mary Evans Picture Library

´In de avond kon het gebeuren dat de jonge meester prijs stelde op mijn gezelschap. Dan zaten we in de voorzaal en lazen elkaar voor en voerden gesprekken. Insecten, aangetrokken door de olielampen kropen over de tafel en moesten met handgewapper worden weggejaagd van onze thee en beschuiten.´

Gouvernantes in Suriname
In het algemeen kregen jongens vaker en meer uitgebreid onderwijs dan meisjes, die zich immers toch aan het huishouden zouden wijden. Daarom kwamen er vermoedelijk eerder huisleraren dan gouvernantes naar de koloniën.
In het kielzog van rijke vooraanstaande burgers of hoge ambtenaren met jonge dochters, moeten er echter ook gouvernantes naar de tropen zijn afgereisd. Vanuit Indische kring is meer over deze leraressen bekend, in de vorm van damesromans. Door het tekort aan blanke vrouwen in de koloniën, lag daar voor menige gouvernante immers de kans op een huwelijk en gezin.
Misschien ligt het aan de voor het beroep vereiste bescheidenheid, maar van gouvernantes in Suriname is nauwelijks iets bekend. Twee dames echter, hebben de annalen weten te bereiken vanwege hun betrokkenheid bij de politiek. In de 18e eeuw vestigde Charlotta van der Lith haar reputatie met haar grillige en soms bijna sinistere levensloop, terwijl Elise Haighton in de 19e eeuw naam maakte als feministisch activiste.

Charlotta Elisabeth van der Lith (1700 – 1753) was de dochter van een Luthers predikant, hoogleraar in de filosofie. Haar grootvader van moeders kant was een bekende Haagse medicus, dokter Helvetius. De familie verkeerde in de hoogste kringen, bij de doop van Charlotta waren vertegenwoordigers van de Duitse adel aanwezig.
In 1722 reisde Charlotta naar Suriname samen met het echtpaar Temming en hun dochter Catharina, van wie zij de gouvernante was. Hendrik Temming was juist benoemd tot gouverneur-generaal van Suriname.
Kort na de aankomst in Paramaribo stierf de vrouw van de gouverneur.
Bijna twee jaar later trouwde Charlotta met de weduwnaar. Zij kregen een dochter, maar de gouverneur maakte de eerste verjaardag van het kind niet meer mee, hij stierf in 1727. Temming liet zijn vrouw, hun dochter en haar stiefdochter zijn plantage Berg en Dal na. Charlotta bleef echter in de gouverneurswoning aan het Plein wonen. Haar zuster Philippina was intussen uit Nederland overgekomen. Zij zou in Suriname blijven wonen en in 1732 ongehuwd sterven ´na een razende ziekte´.
In 1728 arriveerde een nieuwe gouverneur, Hendrik de Cheusses, zwager van de inmiddels getrouwde stiefdochter van Charlotta. De nieuwkomer bevond zijn ambtswoning bewoond door de weduwe van zijn voorganger, maar dat bleek geen probleem, al na twee maanden gingen zij in ondertrouw en vierden een half jaar later de bruiloft. De Cheusses herbouwde het houten gouverneurshuis in steen, ondertussen woonde Charlotta op Berg en Dal. De geïsoleerde plantage doorstond in 1730 een aanval van marrons. Een jaar later werd hun dochter geboren. Maar ook dit huwelijk duurde kort, in 1734 overleed de man, slechts 32 jaar oud.
De Cheusses werd opgevolgd door zijn broer Jacob Alexander, die getrouwd was met Charlotta´s stiefdochter. Hij stierf echter kort na zijn ambtsaanvaarding. De beide weduwen bleven in het gouverneurshuis wonen, maar konden niet erg goed met elkaar overweg en hadden ook regelmatig ruzie over de door hen geërfde plantage Berg en Dal.
Bijna twee jaar later kwam er weer een vrijgezelle gouverneur naar Suriname. Joan Raye trof de weduwen de Cheusses aan in het gouverneurshuis. Zou er ook concurrentie geweest zijn tussen de beide vrouwen, nu er weer een man in huis was? Joan en Charlotta waren van dezelfde leeftijd, beiden midden dertig. In ieder geval trouwden zij ruim een jaar later, in 1737. Stiefdochter Catharina vertrok toen voorgoed uit Suriname.
Raye kreeg grote problemen met de kolonisten, die meestal hun best deden het de gouverneurs zo moeilijk mogelijk te maken. Bemoeienis van de Nederlandse overheid was door de vrijbuiters in de kolonie verre van gewenst. Getergd diende Joan Raye zijn ontslag in, maar stierf nog voordat hierover een besluit was gekomen. Hij was nauwelijks twee jaar gouverneur geweest. Charlotta erfde zijn plantage Breukelerwaard. Zij hadden samen een zoon, die enkele maanden na de dood van zijn vader geboren was.
Misschien dat trouwlustige heren zich door het ongeluk dat de weduwe achtervolgde lieten afschrikken, maar in Suriname was er nu eenmaal gebrek aan blanke vrouwen en voor de meer vromen waren uitspattingen met slavinnen geen optie.
De Waalse predikant Antoine Audra trouwde bijna vijf jaar later met Charlotta. Maar in 1744 stierf hij op plantage Breukelerwaard, na slechts anderhalf jaar huwelijk.
Weer vier jaar later huwde een predikant van de Franse gemeente met de weduwe Audra, Martin Louis Duvoisin. Hij stierf in 1751.
Naast haar huwelijken met drie bijna opeenvolgende gouverneurs, werd Charlotta vooral bekend door haar aanvaringen met de latere gouverneur Mauricius. Zij was een van de leden der Cabale, zoals de groep plantersfamilies die Mauricius het leven zuur maakte, door hem werd.

Gouverneur Mauricius
– beeldbank.amsterdam.nl

genoemd. Jan Jacob Mauricius kwam in 1742 met zijn gezin in Suriname. Hij zou er negen jaar gouverneur zijn. Tijdens zijn bestuur kreeg hij een conflict met leden van de Raad van Politie waardoor hij de aan elkaar verwante plantersfamilies tegen zich in het harnas joeg. Stelselmatige en jarenlange tegenwerking was het gevolg. Ook Mauricius liet zich niet onbetuigd en de ruzies, beledigingen en protesten liepen zo hoog op dat tenslotte een poging werd ondernomen hem uit zijn ambt te laten ontzetten.
Mauricius noemde in zijn dagboek overigens nog een andere gouvernante, mevrouw Scherpingh, die hij vermeldde als ´dat kwaaie wijf, de gouvernante van de Waterkant´. Zij zou hem en zijn echtgenote hebben uitgescholden toen zij in hun koets voorbijreden.
Misschien was mevrouw Scherpingh, die aan de Waterkant nummer 30 woonde, ooit gouvernante geweest of gaf ze later les aan kinderen. In ieder geval was ze geboren als Suzanne Nutty (1701 – 1761). Niet vermeld is of ze in Nederland of Suriname geboren was. Voor ze met Ephraim Scherpingh, secretaris van het Hof van Politie, trouwde was ze de weduwe van Abraham Schedyn en daarna van Adriaan van der Beets geweest.
Het was echter Charlotta, die door Mauricius als het brein van het tegen hem gerichte complot werd beschouwd. In 1751 werd de gouverneur op non-actief gesteld, maar na onderzoek werd hij in 1753 door de Staten-Generaal van alle blaam gezuiverd en werd hem eervol ontslag verleend.
Charlotta overleed drie maanden na Mauricius´ eerherstel. Zij werd begraven op het fort Zeelandia.
Door Mauricius´ dagboek staat zij bekend als kwaadaardig, heerszuchtig en driftig. Anderen noemden haar echter een zeer verstandige, sterke en moedige vrouw.

´Juffrouw Winter, gelooft u dat kunst het volk kan inspireren tot opstand?´
Over deze plotselinge zijsprong midden in onze les esthetiek moest ik even nadenken. ´Eh, wel, Géricault en Delacroix leverden met hun schilderijen ´De Medusa´ en ´Vrijheid leidt het volk´ kritisch commentaar op de gebeurtenissen in hun tijd. Misschien leidde hun werk niet tot opstand, maar het inspireerde zeker. In ieder geval maakte hun werk deel uit van de sociale beroering.
Een beter voorbeeld is misschien de opera ´De Stomme van Portici´, die in Brussel tijdens de opvoering de gemoederen zo sterk verhitte, dat er oproer uitbrak. Niet lang daarna volgde de Belgische Opstand en sindsdien behoren de Zuidelijke Nederlanden niet meer bij Holland maar vormen een apart koninkrijk: België.´
´Zo!´ was Walthers verraste reactie, ´Een opera had dat effect?´
.

Elise Haighton
– Centraal Bureau voor Genealogie

Elise Adelaïde Haighton (1841- 1911) kwam uit de middenstand, als dochter van een vroegere kantoorbediende die zich had weten op te werken tot commissionair. Toen Elise 25 jaar was, stierf haar vader en liet haar moeder met tien kinderen en zonder kapitaal achter. Elise nam haar lot in eigen hand en behaalde in 1870 als een van de eerste vrouwen in Nederland de akte Middelbaar Onderwijs Nederlands. Zij begon artikelen te schrijven voor kranten, waarin vooral de kwestie van de vrouwenemancipatie belicht werd. Ook werd ze lid van de vrijdenkersvereniging De Dageraad en volgde de internationale ontwikkelingen aan het vrouwenfront op de voet. Tijdens de openbare vergaderingen van De Dageraad kon Elise haar ideeën nader uiteen zetten en zij stelde dat de positie van vrouwen niet wezenlijk verschilde van die van slaven. Zij verweet vrouwen uit de hogere burgerij en de middenstand dat ze niets deden om hun positie te verbeteren uit gemakzucht en gebrek aan ambitie. Maar ook de lage lonen voor arbeidsters, de bij wet geregelde onmondigheid en handelingsonbekwaamheid voor gehuwde vrouwen, stonden de emancipatie in de weg. Vrouwen moesten zich organiseren om gelijke rechten te kunnen verkrijgen.
In 1883 ontstond in socialistische kringen onenigheid over de te volgen weg. Dit leidde tot veel kritiek op Haighton en uiteindelijk tot een scheuring in De Dageraad. Toen ook nog Elises hartsvriendin Aletta Jacobs een vrij huwelijk aanging met iemand van de tegenpartij, gooide Elise de handdoek in de ring.
Zij vertrok in 1885 naar Suriname als gouvernante van de kinderen van de nieuwe gouverneur H.J. Smidt. In 1893 was zij weer terug in Nederland.
Het is merkwaardig dat er niets vermeld is in haar biografie over de acht jaren die zij in Suriname doorbracht. Was Elise door liefdesverdriet overmand niet in staat iets met haar idealen in Suriname te doen? Was zij door de politieke status van haar broodheer en de bescheiden positie van gouvernante gedwongen zich stil te houden? Beschouwde zij de tijd in Suriname als een exotische vakantie, dan wel verbanning uit haar eigen kring?
In 1883 bestond er geen slavernij meer in de kolonie en het Tienjarig Staatstoezicht waaronder de voormalige negerslaven verplicht waren nog tien jaar op de plantages te blijven werken, was reeds voorbij. Er waren al contractarbeiders uit China en India, en tegen het eind van haar verblijf ook uit Java. De woon- en werkomstandigheden van de arbeiders in Suriname liet veel te wensen over.
In Nederland was Haighton verweten geen aandacht te hebben voor de arbeidersvrouw en slechts te spreken voor de vrouwen uit de hogere burgerij en de middenstand. Hoewel uit haar geschriften en daden in Europa het tegendeel bleek, rijst toch de vraag of en waarom Elise in de kolonie niet van zich liet horen.
Waarschijnlijk beperkten de idealen van het socialisme en van de vrouwenbeweging zich tot de blanken, voor de inlanders golden op een of andere wijze andere normen. Hulp voor de armen in nood kwam van de kant van de kerk en van andere liefdadige organisaties. Elise had zich al eerder in Nederland van de kerk afgekeerd, die zij als belemmerend zag voor de ontplooiing van de vrouw.
In Suriname verkeerde Elise in de hoogste kringen. De gouverneur en zijn entourage hielden afstand van de bevolking om het gezag in stand te houden en wellicht kwam zij er daardoor niet toe zich bij een liefdadige organisatie aan te sluiten. Toch blijft het opmerkelijk dat een socialistische activiste zich jarenlang in een elitair milieu bleef afzonderen.
Na haar terugkeer in Nederland schreef zij een serie handleidingen voor de economisch zelfstandige vrouw en was op diverse fronten zeer actief in de vrouwenbeweging. Bij de organisatie van de Nationale Tentoonstelling van Vrouwenarbeid in 1898 was zij lid van de voorbereidingscommissie van enkele van de congressen aldaar en was er tevens spreekster met een lezing over het gevangeniswezen. Zij pleitte voor opleiding en arbeidsbemiddeling in plaats van opsluiting van vrouwelijke gevangenen.
Ook was zij mede-organisatrice van de expositie afdeling West-Indië. Hier werd duidelijk hoe Elise de jaren in Suriname beleefd had. Tijdens de voorbereiding van de tentoonstelling schreef ze dat ze wel wilde meehelpen bij de organisatie van het paviljoen voor West Indië, maar dat dit deel van de tentoonstelling niet absoluut noodzakelijk was omdat er toch zo weinig bekend was over de koloniën.
Elise werkte ook internationaal door alle Vrouwencongressen in Europa te bezoeken als journaliste en soms als spreekster. Tot haar dood in 1911 bleef ze actief in de vrouwenbeweging.

Conclusies (niet wetenschappelijk) uit deze twee voorbeelden van gouvernantes in Suriname, zijn dat van de gouvernantes die Suriname bezochten, sommigen inderdaad getrouwd raakten en bleven, terwijl anderen na enige jaren dienst weer naar het moederland terugkeerden, voortijdig overlijden daargelaten. Vermenging met de bevolking en participatie in het koloniale leven gebeurde in het eerste geval meer dan in het tweede. Hoe hoger de status van de opdrachtgever, hoe meer afstand er – ook voor de gouvernante – tot de bevolking was. De koloniale visie dat de plaatselijke bevolking ten dienste stond van de machthebbers en dus letterlijk ´onderdaan´ was, belemmerde niet alleen de sociale omgang, maar ook een sociale visie.

Fragmenten:
De Zwarte Lord, Rihana Jamaludin, Amsterdam 2009
Bronnen:

Tussen salon en souterrain – Gouvernantes in Nederland, Greddy Huisman, Amsterdam 2000
Historie Suriname

Plantages Nationaal Archief Suriname
Digitaal Vrouwenlexicon van Nederland, Anna de Haas
Biografisch woordenboek van het socialisme en de arbeidersbeweging in Nederland, Internationaal Informatiecentrum en Archief voor de Vrouwenbeweging
Subjects and Citizens: Gender and Racial Discrimination in Dutch Colonialism at the End of the 19th Century, Berteke Waaldijk, Universiteit Utrecht

Een planter 205 jaar na dato digitaal

In het laatste kwart van de eeuw was Suriname als wingewest zijn hoogtijda­gen voor­bij. Maar de cultuur bloeide op. Dat kan verklaard worden uit ver­schil­lende factoren: het ontstaan van een permanente landsbevolking, de toenemende inter­ra­ciale contacten, de sterkere beheer­sing van de plantage-economie vanuit Paramaribo, en de sterke oriëntatie op Europa waar de Verlichting stuwende impulsen gaf aan de interesse voor het intellectuele leven. Vooral dit laatste trok zijn sporen door de kolonie, waar het met name de joden waren die aan het culturele leven bijdroegen; zij zetten hun eigen organisaties op, maar maakten opmerkelijk genoeg ook deel uit van alle niet-joodse dichtgenootschappen. Uit adver­tenties voor boeken­veilingen kan worden opgemaakt dat velen die tot de bovenste klassen behoorden, over uitgebreide boekencollecties be­schik­ten. De moge­lijk­heden tot onderwijs groeiden, zij het nog niet spectaculair. W.J. Beeld­snyder Matroos startte een drukkerij in 1772 en begon twee jaar later met de uitgave van de eerste krant, de Weekelyksche Woensdaagsche Surinaamse Courant. Deze zou ge­volgd worden door verschillende andere, waarvan De Surinaam­sche Nieuwsvertelder (1785-1793) opviel door zijn scherpe, satirische stukken. De Surinaamsche Courant, die voor het eerst verscheen in 1790, zou in allerlei edities tot 1883 blijven bestaan. Echte boekhandels waren er nog niet, maar in 1783 kwam er wel een eerste open­bare biblio­theek. De vroegste berichten over toneelvoorstel­lin­gen dateren van het begin van de jaren ’70 van de 18de eeuw. Christenen en joden speelden overwe­gend de­zelfde Europese dra­ma’s en kluchten, maar hadden ieder hun eigen schouwburg en to­neel­groep, met als meest illustere gezel­schap het joodse De Verreezene Phoenix. Het genoot­schapsle­ven bloeide als nooit te voren: vrijmetselaarslo­ges schoten als paddestoelen uit de grond, er werden we­ten­schap­pelijke `collegies’ en verschil­lende literaire genoot­schappen opgericht, onder meer De Surinaam­sche Lettervrinden die vier bundels Letter­kundige Uit­spanningen uitbracht. In kringen van dit laatste genoot­schap vinden we de drie markantste persoonlijk­heden: de arts Jacob Voegen van Engelen, die ook het tijdschrift De Surinaam­sche Artz uitbracht, klerk en boekhouder Hendrik Schouten die een klein aantal satirische verzen schreef, en de man met het grootste oeuvre: de planter Paul François Roos.

In 1804 verscheen een uitgave die als de ‘verzamelde gedichten’ van Roos kan worden beschouwd: de Suri­naamsche men­gelpoëzy. De auteur had die zelf als een `defini­tieve keuze’ geredigeerd. Binnen de planterspoëzie die Suriname heeft voortgebracht, is het een centraal boek. Maar het is ook een zeldzaam boek, en wie het op een veiling aantreft, moet zijn portemonnee wijd opentrekken. Nu is de hele tekst ervan digitaal beschikbaar gemaakt door de Digitale Bibliotheek Nederlandse Letteren. Wie er eens in wil rondneuzen kan gratis en voor niets terecht door hier te klikken.

De vreemdeling in de literatuur

De Illustere School van de Universiteit van Amsterdam start een reeks openbaar toegankelijke hoorcolleges rond het thema ‘Het beeld van de vreemdeling in de Nederlandse literatuur’. In deze reeks behandelen hoogleraren van de UvA aan de hand van literaire fragmenten een aantal beelden van vreemdelingen in de literatuur door de tijden heen. Hierbij wordt ook ingezoomd op de literatuur van de voormalige koloniën van Nederland, op Zuid-Afrika, Oost en West-Indië.

.

Eeuwenlang figureert de vreemdeling in de Nederlandse literatuur als tegenpool van de eigen beschavingsidealen. De christelijk geïnspireerde normen en waarden van zelfbeheersing en fatsoen in de Nederlandse samenleving worden geshockeerd in de confrontatie met de letterlijk naakte inboorling. Aan Afrikaanse inboorlingen, maar ook aan Oosterse volkeren worden tegengestelde waarden van promiscuïteit, wraaklust en jaloezie toegekend. Maar tegelijkertijd is er ook het beeld van de zuiverheid. De verre vreemdeling is ongeschonden door een decadente beschaving en niet gecorrumpeerd door de waanwijze dorst naar kennis die de mens uit het paradijs verdreven heeft. Pas door de echte confrontatie met vreemdelingen ontstaat er een genuanceerder beeld van de ander in de literatuur. Maar het karikaturale is vaak ook overheersend: in de beschrijving van Jerolimo, de Spaanse Brabander, bij Bredero bijvoorbeeld, of in de beschrijving van de familie Kegge in de Camera Obscura van Beets. Ook in de moderne literatuur is de vreemdeling aanwezig: als allochtoon schrijver die zijn beeld van Nederland geeft – of als type, zoals in de roman Hajar en Daan van Robert Anker of in Suezkade van Jan Siebelink.
Programma
29 september: Beelden van Suriname, de Nederlandse Antillen en Aruba door prof. dr. Michiel van Kempen
6 oktober: De multiculturele Gouden Eeuw door prof. dr. Lia van Gemert
13 oktober: Al het slechte komt uit Frankrijk (1800-1880) door prof. dr. Marita Mathijsen
27 oktober: Nederlandse reizigers over Zuid-Afrikanen van 1652 tot nu door prof. dr. Ena Jansen
3 november: Literaire barbaren in Middeleeuwen en vroegmoderne tijd door prof. dr. Herman Pleij
10 november: Beelden van Indië door prof. dr. Bert Paasman
17 november: Terugschrijven: allochtone schrijvers in Nederland door prof. dr. Bert Paasman

 

Docenten
Prof. dr. H. (Herman) Pleij was vanaf 1981 hoogleraar Historische Nederlandse letterkunde aan de UvA. Dit jaar ging hij met emeritaat. Zijn specialisatie is volksliteratuur en -cultuur, toneel, de rederijkers en de betekenis van de vroege drukpers in de 15e en 16e eeuw.

 

Prof. dr. E.M.P. (Lia) van Gemert is sinds 1 november 2007 hoogleraar Historische Nederlandse letterkunde aan de UvA. In haar onderzoek staan de dynamiek van het literaire leven en de wisselwerking tussen literatuur en maatschappij in de periode 1500-1850 centraal. Momenteel richt ze zich op het Nederlandse literaire proza van de zeventiende en achttiende eeuw.

 

Prof. dr. Marita Mathijsen is hoogleraar Nederlandse Letterkunde. Zij is gespecialiseerd in de negentiende eeuwse cultuur van Nederland. Over de mentaliteit van de negentiende eeuw schreef zij De gemaskerde eeuw. Studies over literatuur zijn o.a. verzameld in Nederlandse literatuur in de Romantiek. Zij schrijft maandelijks een column in NRC/Handelsblad.

 

Prof. dr. E. (Ena) Jansen heeft gestudeerd aan de University of Stellenbosch (Zuid-Afrika) en promoveerde aan de University of the Witwatersrand. Sinds 2002 is ze bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse letterkunde aan de UvA, vanwege de Stichting tot bevordering van de studie van taal, letterkunde, cultuur en geschiedenis van Zuid-Afrika. Hiernaast is zij onder andere gespecialiseerd in egodocumenten.

 

Prof. dr. M.H.G. (Michiel) van Kempen studeerde Nederlandse Taal- en Letterkunde in Nijmegen. Hij promoveerde in 2002 op Een geschiedenis van de Surinaamse literatuur. Hij bestudeert de literatuur en cultuur binnen de Surinamistiek en de Antilleanistiek. Hij is bijzonder hoogleraar West-Indische letteren vanwege de Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek IBS.

 

Prof. dr. A.N.P. (Bert) Paasman (1939) is een Nederlands literatuurwetenschapper en Surinamist, gespecialiseerd in koloniale en postkoloniale literatuur van Nederland. Van 1 september 2001 tot zijn emeritaat op 1 september 2004 was hij bijzonder hoogleraar koloniale en postkoloniale cultuur- en literatuurgeschiedenis vanwege het Indisch Herinneringscentrum ‘Het Indisch Huis’ te ‘s-Gravenhage.

 

Praktische informatie
Data: dinsdagen 29 september, 6, 13, 27 oktober, 3,10 en 17 november 2009
Lokatie: Bungehuis, zaal 420 aan de Spuistraat 210, Amsterdam (alleen de bijeenkomst van 6 oktober is in het PC Hoofthuis, zaal 502, Spuistraat 134)
Tijd: 16.00 – 18.00 uur
Prijs € 150,- / AUV-leden € 135,-Inschrijven kan via het emailadres illustereschool-fgw@uva.nl
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter