blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: koloniale literatuur

Sign of the Times: postkoloniale identiteit

Hoe bepaalt koloniale geschiedenis onze huidige identiteit?

Koloniale geschiedenis is actueler dan ooit en onderwerp van hevig debat over helden en schurken, daders en slachtoffers. Tijdens de derde editie van Sign of the Times onderzoeken we samen met schrijvers Kamel Daoud, Karin Amatmoekrim en Reggie Baay postkoloniale identiteit. We reizen door het werk van deze auteurs, en door Europa’s verleden. We luisteren naar stemmen uit de geschiedenis van het theater en de literatuur, vertolkt door acteurs van Toneelgroep Amsterdam. Hoe bepaalt koloniale geschiedenis onze huidige identiteit? En hoe komen we voorbij de polarisatie die het huidige debat over het koloniaal verleden van Nederland oproept, tot een ware postkoloniale samenleving? read on…

Vier boeken uit The Black Archives die iedereen zou moeten kennen

De geschiedenis van zwarte Nederlanders is nog altijd onbekend. Daarom gaat er een nieuw archief open. De Volkskrant tipt vier klassiekers. Een interview met Jessica de Abreu (27), Mitchell Esajas (28) en Miguel Heilbron (34).

door Dorien van Linge

.
Op tweehoog aan de Amsterdamse Zeeburgerdijk komt de geur van oude boeken je tegemoet. Tegen de muren staan hoge archiefkasten, vol met historische boeken, documenten en voorwerpen. Samen vormen ze ‘The Black Archives’: een verzameld archief van en over zwarte mensen in Nederland. read on…

Feministisch kopstuk Maaike Meijer op Caraïbische Letterendag

Maaike Meijer, feministisch kopstuk van het eerste uur, literatuurwetenschapper en hoogleraar, is te gast op de 6de Caraïbische Letterendag a.s. zaterdag 24 oktober in de grote lichthal van het Tropenmuseum. Hieronder de biografie die zij zelf op haar website zette. read on…

Wereldwijd lezen en schrijven

door Els Moor

Van koloniale naar postkoloniale naar wereldliteratuur, dat is de thematiek van de lezing die Wim Rutgers woensdagavond 21 januari hield in het Staatoliegebouw van de ADEK-Universiteit voor geïnteresseerden. read on…

Dushi Willemstad van Ko van Geemert

door Eric de Brabander

Recent las ik een blog van de auteur van het boek Het Einde van de Antillen, van Freek van Beetz. Van Beetz was tot 2010 adviseur van de regering van de Nederlandse Antillen. De uitgever van het boek van van Beetz had een recensie-exemplaar gestuurd naar de Nederlandse kwaliteitskrant het NRC. Het boek werd door de redactie teruggestuurd met de vermelding dat de politieke geschiedenis die samenhing met de ontmanteling der Antillen niet direct het interessegebied was van de lezers van het NRC. De volgende dag stond er een uitgebreid en diepgaand artikel in het NRC over vermeende corruptie op Bonaire en de afluisterpraktijken van Nederland. Het artikel ‘illegale spionage op Bonaire’ verscheen in de editie van 21 november. Klaarblijkelijk lag deze corruptie wel binnen het genoemde interessegebied van de NRC-lezers, meende van Beetz.

Hij noemt de gedragslijn van de Nederlandse media wat betreft de voormalige Antillen hardnekkig. De interesse gaat niet verder dan moord, doodslag en corruptie op onze eilanden. Afstand nemen van ingesleten beeldvorming vraagt kennelijk teveel, zo gaat van Beetz door. Teveel tijd, teveel energie, teveel inlevingsvermogen. Het steekt de eilandbewoners terecht als van de eilanden afkomstige succesvolle sportlieden steevast als ‘Nederlanders’ worden geprezen en criminelen het etiket ‘Antilliaan’ krijgen opgespeld. Met de literatuur is het niet veel anders.

Tip Marugg

Zo kreeg een in Nederland wonend neefje van een patiënt van mij het idee om een scriptie te schrijven voor het VWO- eindexamen Nederlands over de schrijver Tip Marugg. De Nederlandse leraar reageerde geïrriteerd. De Antillen, daar komen toch alleen streekromans vandaan, zei hij. Het neefje zette door en de leraar was groots genoeg zijn gebrek aan kennis toe te geven en beloofde de boeken van onze grote schrijvers te gaan lezen. Voor mij behoren Tip Marugg en Boeli van Leeuwen tot de groten der Nederlandse literatuur. Zij horen thuis in het rijtje Harry Mulisch, Willem Frederik Hermans, Louis Couperus, Karel van den Woestijne en Hugo Claus, om er maar een paar te noemen.

De enige die voor het Europees Nederlandse publiek doorgebroken is, is Frank Martinus Arion. En maar met een enkel boek, Dubbelspel. Dubbelspel heeft alle karakteristieken van een streekroman, een uiterst vernuftige streekroman. Het boek geeft de Europese Nederlander inzicht in het denken van de tropische koninkrijksgenoot, het lezen van het boek geeft de Hollander houvast in onze maatschappij. Denkt hij. Want Dubbelspel ontleent niet alleen de titel aan het op Curaçao populaire dominospel. Het is de dubbele gelaagdheid, die de niet ingewijde gemakkelijk mist. Zonder dat het deert want het ingenieuze van het boek is dat het op twee manieren leesbaar is. Het verhaal zelf is boeiend genoeg, ook als de intrinsieke boodschap niet begrepen wordt.

Jan Brokken schreef een aantal jaren geleden het boek Waarom elf Antillianen knielden voor het hart van Chopin.Voor dit cultuurhistorische werk had Brokken tien jaar lang onderzoek gedaan. Op virtuoze wijze beschrijft hij in dit boek de historie van de Antilliaanse muziek. Muziekminnend Nederland was verbaasd. Antilliaanse muziek, dat was toch oorverdovend negergeroffel op olievaten, geblaas op koeienhoorns en gerinkel met hoefijzers. Daar hoorden folkloristische dansen bij, uitgevoerd door mannen gehuld in meelzakken en vrouwen in fleurige jurken.

Brokken legde het verband tussen de culturen, de smeltkroes, die Curaçao al vijf eeuwen is en de muziek die deze heeft voortgebracht. Hij zorgde ervoor dat de Hollanders aan de overkant van de oceaan een inkijkje hadden in de veelzijdige historie van de Antilliaanse muziek en haar componisten. Holland reageerde eerst verbaasd en direct daarna enthousiast. Klaarblijkelijk hebben we een Hollander nodig om aspecten van onze onderbelichte cultuur naar Europa te brengen.

En nu maken we kennis met Ko van Geemert. Het boek van Van Geemert is een wandeltocht door het Willemstad van vroeger. Al lopende door de straten van Punda en Otrobanda vertelt van Geemert over de geschiedenis van de Curaçaose literatuur en laat daarbij geen auteur, de bekende als ook de minder bekende, onbesproken. In het boek Dushi Willemstad wordt niet alleen Curaçaose literatuur besproken, maar komt ook de culturele en sociale structuur van het eiland aan bod, met al zijn dilemma’s en de voor de buitenstaander moeilijk te doorgronden verhoudingen. Het boek is een zeer uitgebreide feitenverzameling. Van Geemert is erin geslaagd dit materiaal zodanig samen te stellen dat het boek eenvoudig leesbaar is, en de verhaallijn voelbaar blijft, als ware het een roman. De uitgever Bas Lubberhuizen is samen met van Geemert en zijn echtgenote, en een aantal literatuurminnende Nederlanders afgereisd naar Curaçao om het boek te presenteren. Deze presentatie vond in Avila plaats, waar de geest van Boeli van Leeuwen nog voelbaar is. De eigenaar van Hotel Avila, de Deen Nic Moller, was een intieme vriend van Boeli van Leeuwen en heeft aan het boek Dushi Willemstad een bijdrage geleverd over Boeli. Anderen die aan het boek hebben bijgedragen zijn Lucille Berry, Carel de Haseth, Jan Brokken en Wim Rutgers.

Lucille Berry-Haseth. Foto © Aart G. Broek

Op de kaft prijkt een prachtige foto van het Avila van vroeger. Mijn goede vriend Chris Winkel herkende direct zijn opa Gungu Maal op de achtergrond, de zonderlinge oogarts die het gebouw in de Penstraat kocht om er een oogkliniek van te maken, maar die er na zijn pensionering een pier voor liet storten en het hoofdgebouw omtoverde tot een een guesthouse. Het boek zelf is geïllustreerd met talloze foto’s, van de auteurs waarvan velen allang op het kerkhof, van historische momenten, van gebouwen.

Caribisch-Nederlandse literatuur kreeg in Nederland zelf nooit de aandacht die ze verdiende, net zomin als Caribische muziek. Veel van het schrijfwerk is door de auteurs zelf uitgegeven daar het door onze kleinschaligheid vrijwel onmogelijk is om met een locale uitgeverij een boterham te verdienen. In Nederland zijn er maar enkele uitgeverijen die een fonds hebben voor Caribische literatuur. Uitgeverij Conserve in Amsterdam, In de Knipscheer in Haarlem, en nu dus de uitgever Bas Lubberhuizen die met eigen ogen heeft kunnen aanschouwen dat er op Curaçao meer is dan in de Nederlandse mist gezien wordt.
Van Geemert schreef eerder de literaire stedengids Paramaribo Brasa!. Ook publiceerde hij Amsterdam en zijn schrijvers, Het einde. Wandelen rond eindhaltes van de tram in Amsterdam, en Dum Vivimus Vivamus, over de gelijknamige serie schilderijen van zijn zwager Jeroen Krabbé, welke laatste ook geen onbekende op ons eiland is.
Het boek Dushi Willemstad van Ko van Geemert is naar mijn mening nu al een historisch document. Omdat het van Geemert gelukt is om in een enkel geschrift de geschiedenis vast te leggen van 150 jaar Curaçaose literatuurgeschiedenis. Ik mag hopen dat dit boek veelvuldig uit bibliotheken geleend zal worden, op scholen zijn weg vindt, gaat dienen als studiemateriaal voor scripties Nederlands maar ook dat u het onder de kerstboom gaat vinden.

[Ontleend aan Antilliaans Dagblad, 17 december 2013, pp. 14-5.]

Buitgemaakt en teruggevonden

Nederlandse brieven en scheepspapieren in een Engels archief

Op 19 november 2013 verschijnt een nieuw deel in de reeks Sailing Letters met de titel Buitgemaakt en teruggevonden. Nederlandse brieven en scheepspapieren in een Engels archief. In dit dubbeldikke vijfde en laatste deel komt een veelheid aan verloren gewaande brieven en scheepspapieren aan bod. Zo is er een verslag van het vertrek van de Hollanders uit Nieuw-Amsterdam, een relaas van de opstand aan boord van een Zeeuws slavenschip, uniek drukwerk van het Bataviaas Genootschap en een onbekend gedicht uit Suriname, de beschrijving van de vracht van het laatste porseleinschip uit China en de perikelen rondom een saluutincident op de Antillen, alles buitgemaakt en teruggevonden in een Engels archief.Nederland en Engeland hebben nogal wat zeeslagen met elkaar uitgevochten. Over en weer werden schepen tot zinken gebracht of veroverd. Scheepsladingen werden, samen met de aanwezige post, tot ‘prijs’ verklaard. De Engelsen maakten keurige beschrijvingen van de Nederlandse buit en de bemanningen van de gekaapte schepen werden uitvoerig verhoord. De verslagen daarvan werden – samen met honderdduizenden in beslag genomen papieren – eeuwenlang bewaard, aanvankelijk in de donkere kelders en tochtige zolders van de Tower of London en later in The National Archives. Niemand keek ooit om naar deze unieke verzameling, die meer dan 38.000 zakelijke en persoonlijke brieven bevat van en aan Nederlandse zeelieden, kooplieden en hun familie. Veel van deze brieven bereikten nooit hun bestemming. Sommige zijn tot op de dag van vandaag niet eens geopend. Pas in 1980 werden deze Prize Papers door een Nederlandse onderzoeker ontdekt. De omvang van het materiaal is indrukwekkend en uniek en de brieven zelf geven een goed beeld van het alledaagse leven in de 17de en 18de eeuw.

Het project Sailing Letters is een initiatief van de Koninklijke Bibliotheek in samenwerking met het Nationaal Archief, de Universiteit Leiden en de Samenwerkende Maritieme Fondsen. Ieder Sailing Letters Journaal bevat transcripties van opmerkelijke brieven en documenten met afbeeldingen op de bijbehorende dvd.Erik van der Doe (1957), Perry Moree (1960) en Dirk J. Tang (1947) zijn allen maritiem-historici.

Erik van der Doe, Perry Moree & Dirk J. Tang (red.) m.m.v. Peter de Bode,
Buitgemaakt en teruggevonden. Nederlandse brieven en scheepspapieren in een Engels archief,
Uitgeversmaatschappij Walburg Pers, ISBN 978.90.5730.918.2, prijs € 24,95 – 352 pagina’s.

 

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

door Michiel van Kempen

Michiel van Kempen en Adriaan van Dis

Het veld van de studie van de postkoloniale literatuur van Nederland is enorm in beweging. Het lijkt alsof er een wisseling van de wacht gaande is. Academici die zich bezig hielden met (post)koloniale literatuur concentreerden zich 25 jaar geleden voornamelijk rond de Werkgroep Indische Letteren.  Vooral in Leiden werd de Oost een speerpunt van onderzoek, terwijl aan de UvA na het terugtreden van Bert Paasman in 2004 een bijzondere leerstoel voor de Indische letteren werd gecreëerd. Aandacht voor de West was veel minder breed en kwam er pas later met de Werkgroep Caraïbische Letteren en een leerstoel in Amsterdam vanaf 2006. De studie van de Zuid-Afrikaanse literatuur, vroeger gedoceerd aan verschillende universiteiten, concentreert zich in recente jaren enkel nog rond de bijzondere leerstoel Afrikaans aan de UvA.

De Indische Letteren hebben altijd een breed publiek aan zich weten te verbinden, maar dat publiek is sterk vergrijzend, en de academici van 25 jaar geleden maken plaats voor een jongere generatie (de bestaande universitaire posten lijken overigens snel te verdwijnen). Met die verandering van de wacht, lijkt zich ook een paradigmaverschuiving voor te doen. De academici rond Indische Letteren waren de mensen van de literatuurgeschiedenis van de realia, van de smakelijke, anekdotische literatuurgeschiedenis, verpakt in goed vertelde verhalen. Dat was ook wat hen altijd verbond met een breed publiek. De expansie van de – vooral Angelsaksische, in mindere mate Francofone – postkoloniale literatuurwetenschap lijkt aan deze generatie geheel voorbij te zijn gegaan.
Een nieuwe generatie literatuurwetenschappers heeft wel weet van die postkoloniale literatuurwetenschap, en maakt (mogelijk vanuit die wetenschap aangestuurd) andere keuzes dan die van de traditionele literatuurgeschiedenis en tekstanalyse. Zij zoekt nadrukkelijk de raakvlakken op met cultural studies, plaatst literaire verschijnselen in een sterk cultuurhistorische context, in een discours-analytisch denkkader of analyseert met middelen die zijn aangereikt door de mediastudies, of vanuit gender- en diversiteitsperspectief.

Bij mijn weten bestaat er op dit moment enkel aan de Open Universiteit  een masterprogramma over koloniale cultuur en literatuur; er zijn daar ook plannen om postkoloniale studies nog meer te integreren in het interdiscplinaire onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit Cultuurwetenschappen.

 

In Utrecht is er een Postcolonial Studies Initiative. Dat is geen onderzoeksinstituut maar samenwerkingsverband van onderzoekers van zeer divers pluimage en geaffilieerd met universiteiten in binnen- en buitenland. Van de circa 40 aangesloten onderzoekers vermelden er 4 dat zij ook bezig zijn met Nederlandse postkoloniale literatuur. De Universiteit Utrecht kent ook een Engelstalige minor Postcolonial Studies waar studenten worden ingewijd in de theoretische en methodogische  aspecten van postcolonial studies.
Leiden heeft een Platform for Postcolonial Readings (Isabel Hoving, Sarah de Mul), dat enigszins met dat van Utrecht te vergelijken is, zij het dat het veel bescheidener is naar omvang.
Het KITLV kent een jaarlijkse brede multidisciplinaire cursus Caraïbistiek; één college daarvan is gewijd aan Caraïbische literatuur.
In Antwerpen is er The Postcolonial Literatures Research Group at the University of Antwerp, maar richt zich sterk tot de literatuur die in verband staat met de Franstalige koloniën.

 

Enkele uitgangspunten
Dit overziende wil ik graag met u nadenken over enkele uitgangspunten die ik hier bij wijze van aanzetten tot discussie formuleer over wat de Nederlandse (post)koloniale literatuurstudie zou moeten of zou kunnen inhouden.
Belangrijkste uitgangspunt zal moeten zijn dat de postkoloniale literatuurstudie haar terrein duidelijk afbakent en een unieke plek opeist. De literatuur van Oost, West en Zuid is breed en complex naar te bestuderen tijd, talen en culturen, en heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op de Nederlandse literatuurgeschiedenis met belangwekkende auteurs als Multatuli, Daum, Couperus, Dermout, Helman, Debrot, Haasse, Van Dis, Cairo, Roemer, Ramdas. Het gaat allerminst om een quantité négligeable, maar om een corpus auteurs en teksten dat vanuit de neerlandistiek gespecialiseerde aandacht verdient, al was het alleen maar omdat die literatuur ook een belangrijke doorwerking heeft in de multiculturele literatuur van het Nederland van nu. De studie van de postkoloniale literaturen van Nederland zal zich duidelijk moeten realiseren dat zij niet de overlap zal moeten maken met het veld van andere disciplines waarmee zij wel raakvlakken heeft. Niemand zit te wachten op neerlandici die de literatuur geschreven in het Frans, Engels, Spaans enz. analyseren (tenzij vanuit comparatistisch oogpunt). Niemand wacht erop tot neerlandici zich begeven op het terrein van de Black Studies, de global studies, van de Angelsaksische postcolonial criticism, van de slavernijstudie zoals die door historici aan verschillende universiteiten nu aandacht krijgt, van de antropologische verhaalanalyse. Wel zal zij met al deze disciplines voeling moeten houden, en ook het multidisciplinaire onderzoek mee vorm moeten geven. Goede samenwerking met universiteiten elders in de wereld en vooral ook met instellingen in de voormalige Nederlandse koloniën kan de positie van het vakgebied alleen maar versterken.

 

Een ander uitgangspunt is dat de postkoloniale Nederlandse literatuurwetenschap niet gaat in de richting van wat in de voormalige koloniën zelf prioriteit heeft of verdient:  de wording van de nationale literaturen, maar dat zij de focus legt op die verschijnselen die een directe band met Nederland hebben, en die ook een zekere mate van urgentie hebben voor de multiculturele samenleving van dit moment. Vanzelfsprekend behoort de wijze waarop de Nederlandse samenleving in beeld komt bij tweede en derde generatie Indische, Surinaamse en Antilliaanse auteurs (Marion Bloem, Alfred Birney, Ellen Ombre, Karin Amatmoekrim) tot het aandachtsveld. En natuurlijk zal er ook aandacht moeten zijn voor die andere culturen van de multiculturele samenleving die niet direct gelieerd zijn aan de voormalige koloniën: die van schrijvers met een link naar de Marokkaanse wereld (Benali, Bouazza, Stitou, Boudou, El Bezaz,  Laroui, Benzakour) en die van auteurs met wortels in andere landen als Kader Abdolah, Yasmine Allas, Özkan Akyol enz.). Tenslotte zal de verbeelding van de multiculturele samenleving door witte schrijvers als Joost Zwagerman, Robert Vuijsje, Stephan Sanders, Diederik Samwel evenzeer interessant zijn vanuit postkoloniaal perspectief; die andere framing zal onvermijdelijk waardevolle nieuwe interpretaties van hun werk opleveren.
Literatuurwetenschappers bijeen in Berkeley, California, september 2011. Foto © Michiel van Kempen
Te bediscussiëren kwesties

Vanuit deze ideeën zouden onze gedachten moeten gaan over een aantal kwesties
Inhoudelijk
          Hoe kan de postkoloniale literatuurwetenschap haar bestaansrecht bewijzen en vanuit welk paradigma of welke paradigmata kan daar het beste invulling aan worden gegeven, zonder te vervallen in het eindeloze methodenpluralisme waarin de postcolonial studies zijn terechtgekomen? Hoe wordt het veld afgebakend? Wat is er Nederlands aan die neerlandistiek? In welke mate heeft de inmiddels al traditioneel geworden (structurele) tekstanalyse daarin (nog) een plaats? En in hoeverre blijven de traditionele geografische grenzen intact, of kunnen die/moeten die geïncorporeerd worden binnen een groter verband.
De drie Amsterdamse bijzonder hoogleraren
postkoloniale literatuurwetenschap bijeen op
Curaçao, waar gewerkt werd aan de opzet
van een Masters Literatuurwetenschap aan de UNA,
januari 2009. V.l.n.r. Pamela Pattynama,
Ena Jansen en Michiel van Kempen

 

Inbedding
          Hoe kunnen vanuit een stevig theoretisch fundament researchresultaten zo worden gepubliceerd dat zij een redelijke mate van publieksvriendelijkheid behouden, en zo ook een ruim publiek betrekken bij het vak? Bij welke gremia van de samenleving  moet de postkoloniale literatuurstudie allereerst aansluiting zoeken? Wat kunnen die gremia betekenen voor het maatschappelijke en universitaire draagvlak van het vak? Hoe kan het beste worden ingegaan tegen de tendens van afbraak van postkoloniale instellingen als gevolg van de bezuinigingen van de laatste jaren (Moluks Museum, KIT, KITLV, NiNsee, MC Theater enz.)?
Internationale inbedding
          Hoe kunnen er structurele verbanden gelegd worden met onderzoeksinstellingen in de voormalige koloniën (Indonesië, Suriname, de voormalige Antillen, Zuid-Afrika)? Hoe kan die internationale samenwerking en uitwisseling het best gestalte krijgen?
Institutionele vormgeving
          Wat is nu de beste institutionele omgeving waarbinnen de postkoloniale literatuurstudie kan floreren? Moet er een paraplu gecreëerd worden die de verschillende deelvelden overhuift? Moet dat dan een gewoon hoogleraarschap zijn of een andere vorm krijgen? Is een gewoon hoogleraarschap haalbaar, hoe ligt dit politiek in de academische wereld, en waar kan het  draagvlak daarvoor (ook materieel) met de meeste kans van slagen gevonden worden?

Goena-goena in koloniale en postkoloniale literatuur


door Jerry Dewnarain

Goena-goena in de Indonesische cultuur betekent tovermiddelen. Iemands liefde kan ermee opgewekt worden, maar er kan ook kwaad mee berokkend worden. Goena-goena is binnen de Surinaamse cultuur vergelijkbaar met winti. Onder de javanen leven deze magische krachten ook. Ze worden meestal opgewekt door middel van een kruidendrank. ‘Kroien’ heet dat in het Surinaams-Javaans. In het artikel van Tessa Leuwsha [zie hierboven] lezen we dat goena-goena voorkomt in het werk van de postkoloniale Indonesische schrijver Pramoedya Ananta Toer. Ook in het in deze eeuw verschenen boek Laskar Pelangi/De Regenboogbende van Andrea Hirata speelt het een rol.

 

Het is opmerkelijk dat binnen de koloniale literatuur Nederlandse schrijvers – onder hen P.A. Daum (1850-1898) in Goena-goena (1885) en Louis Couperus (1863-1923) in De stille kracht (1900) – melding maken van onverklaarbare verschijnselen of geheimzinnigheden die zich afspelen in Indonesië en in het dagelijks taalgebruik worden aangeduid met het begrip ‘goena-goena’. Als Nederlandse vertaling wordt al snel het door Couperus geïntroduceerde begrip ‘stille kracht’ gebezigd. Door vrijwel alle auteurs wordt ‘goena-goena’ beschreven als een magisch middel om liefde op te wekken, om iemand schade te berokkenen, ofwel beide. ‘Goena-goena’ maakt deel uit van het traditionele inheemse geloof. Het inheemse geloof en het onderdeel ‘goena-goena’ worden verbeeld als onbegrijpelijk en bedreigend voor de westerse kolonisator. Couperus heeft vooral een onoverbrugbare kloof geschetst tussen het Oosten en Westen. Hij verwoordt zijn motivatie tot het schrijven van De stille krachtaldus: ‘Dit land kennen wij, Westersche overweldigers en Hollanders, niet in zijn diepe, Oostersche, zich steeds gesluierd houdende ziel, zoo was mijn staâge overdenking. Dit land, dat wij beheerschen en exploiteeren, is ons, Nederlanders, de eeuwen door, een diep psychiesch geheim gebleven: dat was de obsessie, die mij niet los liet.’ (Couperus Proza III, p. 37)

 

Goena-goena wordt in een aantal romans afgeschilderd als bedrog, of als bijgeloof van een minder beschaafde bevolkingsgroep. Het hiërarchische karakter van de koloniale samenleving staat centraal in dit soort verhalen. Een bekend voorbeeld hiervan is de roman Goena-goena van Maurits (P.A. Daum). De oude baboe Sarinah, die met behulp van een enorm scala van middelen de Indische Betsy aan de totok Bronkhorst probeert te koppelen, wordt getypeerd als ‘toverheks’, of ‘oud, gevaarlijk mens’. Bovendien ‘beschikt ze over een beperkte gedachtegang’ (Daum, 1964, p. 223).
Een zeer genuanceerd beeld van het traditionele inheemse geloof inclusief de magische bezweringen is echter terug te vinden in Het land van herkomst (1935) van Du Perron (1899-1940) en in het werk van Maria Dermoût (1888-1962), De tienduizend dingen (1955). Du Perron en Dermoût waren in hun jeugd omringd door de verhalen van de kinderbaboe en genoten een typisch Indische jeugd.

 

In het postkoloniale werk van Pramoedya Ananta Toer zien we dat hij door zijn personages de mogelijkheid schept een groot aantal onderwerpen aan de orde te stellen die alle teruggaan op de onstuimige ontwikkelingen voorafgaand aan het dekolonisatieproces van de volken in Azië.

Recently published: Shifting the compass by Jeroen Dewulf, Olf Praamstra and Michiel van Kempen


Shifting the compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature was recently published [January 2013] by Cambridge Scholars Publishing.

On the back cover:

‘While the inclusion of a hybrid perspective to highlight local dynamics has become increasingly common in the analysis of both colonial and postcolonial literature, the dominant intercontinental connection in the analysis of this literature has remained with the (former) motherland. The lack of attention to intercontinental connections is particularly deplorable when it comes to the analysis of literature written in the language of a former colonial empire that consisted of a global network of possessions. One of these languages is Dutch. While the seventeenth-century Dutch were relative latecomers in the European colonial expansion, they were able to build a network that achieved global dimensions. With West India Company (WIC) operations in New Netherland on the American East Coast, the Caribbean, Northeastern Brazil and the African West Coast and East India Company (VOC) operations in South Africa, the Malabar, Coromandel and the Bengal coast in India, Ceylon (Sri Lanka), Malacca in Malaysia, Ayutthaya in Siam (Thailand), Tainan in Formosa (Taiwan), Deshima in Japan and the islands of the Southeast Asian archipelago, the Dutch achieved dominion over global trade for more than a century. Paraphrasing Paul Gilroy, one could argue that there was not just a Dutch Atlantic in the seventeenth century but rather a Dutch Oceanus. Despite its global scale, the intercultural dynamics in the literature that developed in this transoceanic network have traditionally been studied from a Dutch and/or a local perspective but rarely from a multi-continental one. This collection of articles presents new perspectives on Dutch colonial and postcolonial literature by shifting the compass of analysis. Naturally, an important point of the compass continues to point in the direction of Amsterdam, The Hague and Leiden, be it due to the use of the Dutch language, the importance of Dutch publishers, readers, media and research centers, the memory of Dutch heritage in libraries and archives or the large number of Dutch citizens with roots in the former colonial world. Other points of the compass, however, indicate different directions. They highlight the importance of pluricontinental contacts within the Dutch global colonial network and pay specific attention to groups in the Dutch colonial and postcolonial context that have operated through a network of contacts in the diaspora such as the Afro-Caribbean, the Sephardic Jewish and the Indo-European communities.’


Jeroen Dewulf en Michiel van Kempen


Authors: 

Jeroen Dewulf is Queen Beatrix Professor in Dutch Studies at the University of California, Berkeley.
Olf Praamstra is extra ordinary professor in Dutch Literature in Contact with Other Cultures and head of the Department of Dutch Studies at Leiden University.
Michiel van Kempen is a extra ordinary professor in West-Indian literature at the University of Amsterdam.
 
ISBN 978-1443842280 

Shifting the Compass

Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, geredigeerd door Jeroen Dewulf, Olf Praamstra & Michiel van Kempen, is de bundeling van de belangrijkste teksten die werden gepresenteerd op het gelijknamige congres in het najaar van 2011 in Berkeley, California. De vijftien hoofdstukken geven niet een traditionele indeling naar de verschillende koloniale gebieden, maar kijken juist naar de verbindingslijnen tussen de voormalige koloniën. Zo schrijft Rudolf Mrázek over Boven Digoel in Indonesië en de Jodensavanne in Suriname. Ena Jansen neemt de slavernij in Zuid-Afrika en Curaçao onder de loep. Paul Hollanders bekijkt de animus manendi, de wil om zich permanent te vestigen, van koloniale planters (onder wie Paul François Roos).

Shifting the Compass: Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, edited by Jeroen Dewulf, Olf Praamstra & Michiel van Kempen.
Newcastle upon Tyne, Cambridge Scholars Publishing, 2013. ISBN (10): 1-4438-4228-1/ ISBN (13): 978-1-4438-4228-0
Met bijdragen van Jeroen Dewulf, Adriaan van Dis, Rudolf Mrázek, Olf Praamstra, Manjusha Kuruppath, Lodewijk Wagenaar, Adèle Nel, Phil van Schalkwyk, Luc Renders, Ena Jansen, Nicole Saffold Maskiell, Barry L. Stiefel, Britt Dams, Paul Hollanders, Michiel van Kempen en Giselle Ecury.

De bundel is samengesteld door drie hoogleraren, v.l.n.r. Michiel van Kempen, Olf Praamstra, Jeroen Dewulf

 

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter