blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Kienjet Bert

Beeldende kunst van Curaçao, Aruba, Bonaire, Saba, Sint Eustatius en Sint Maarten

Een selectie van artikelen die Gulmans sinds 2013 schreef voor het Antilliaans Dagblad, over de beeldende kunstenaars, kunstschatten en galeriehouders van Curaçao en de andere Koninkrijkseilanden. read on…

In de bosschen in het vijfde district

door Carel de Haseth

Uitgesproken door Maite de Haseth bij gelegenheid van de opening van de tentoonstelling etsen van Bert Kienjet, Leiden, 18 november 2018.

Eigenlijk wel raar om – met de stem van je dochter – een tentoonstelling op meer dan 7.000 km van waar je zit, te openen. Een variatie op ‘trouwen met de handschoen’, lijkt het wel. Maar het heeft in ieder geval als voordeel dat de tekst wordt uitgesproken door iemand met een veel duidelijker stem dan ikzelf heb. read on…

Etsen over West-Europese en Caraïbische cultuur in Leiden

Graag willen wij uw aandacht vestigen op de opening van de solotentoonstelling ‘In de bosschen in het 5de district’ met etsen over West-Europese en Caraïbische cultuur en identiteit van Bert Kienjet.  read on…

De Stoep / Chris Engels en de literatuur op Curaçao 1940-1951

De Stoep is een literair tijdschrift dat verscheen van september 1940 tot mei 1951. Het werd uitgegeven in Willemstad op Curaçao. Het is het enige Nederlandstalige literaire tijdschrift dat gedurende de gehele Tweede Wereldoorlog ononderbroken is uitgekomen. Het boek verschijnt februari 2018 read on…

Etsen Kienjet in Leids Prentenkabinet

Het Prentenkabinet van de Universiteit Leiden verwierf onlangs een indrukwekkende selectie van 31 etsen van de Leidse grafisch kunstenaar Bert Kienjet.
Het Prentenkabinet beheert een van de grootste prentverzamelingen in Nederland. De collectie prenten geeft met circa 100.000 stuks een overzicht van de grafische kunsten in de belangrijkste Europese landen vanaf de 16de eeuw tot het begin van de 20ste eeuw. read on…

Nalatenschap Boeli van Leeuwen in Letterkundig Museum

De literaire nalatenschap van mr. dr. W.C.J. (Boeli) van Leeuwen (1922–2007) is toevertrouwd aan het Letterkundig Museum (LM) in Den Haag. Op zondag 15 december werd door het LM de zorg voor deze bijzondere aanwinst publiekelijk onderstreept met de opening van een kleine expositie uit de nalatenschap. Bij die gelegenheid hielden de bezorgers van de nalatenschap, Aart G. Broek en Klaas de Groot, elk een praatje, dat hierbij wordt opgenomen.

De jurist Van Leeuwen kreeg op zijn geboorte-eiland Curaçao en in Nederland vooral bekendheid als auteur. Zijn boeken worden nog steeds herdrukt door uitgeverij In de Knipscheer, zoals de romans De rots der struikeling (1959), Schilden van leem (1985) en Het teken van Jona (1988), essays als in De taal van de aarde (1997) en de verzameling columns Geniale anarchie (1990).
Aad Meinderts, directeur Letterkundig Museum, overhandigt etsen met de beeltenis van Antilliaanse auteurs aan Boeli’s kleindochter Eva Koert. Foto @ Nico van der Ven

 

Terug naar de bron
door Aart G. Broek
Boeli van Leeuwen
‘Met een enkele lezer ben ik niet tevreden,’ liet Boeli van Leeuwen mij eens weten in een gesprek en hij vervolgde: ‘Hoe meer mensen mij lezen hoe liever het mij is.’ Op woensdag 28 november 2007 overleed Willem Cornelis Jacobus (Boeli) van Leeuwen, vijfentachtig jaar oud. In maart 2012 overleed ook zijn vrouw, Dorothy Debrot, drieëntachtig jaar oud. Van hun dochters – Elisabeth en Ana – kreeg ik enkele maanden later het verzoek om mij over de literaire nalatenschap van hun vader te ontfermen. Meer in het bijzonder ging het om de archivalia die in de mahoniehouten ‘kast van Boeli’ lagen opgeborgen. De gelukkige omstandigheid deed zich voor, dat ik dit verzoek kon oppakken samen met Klaas de Groot. We ordenden de inhoud. Geselecteerde stukken mochten we meenemen voor nadere bestudering en, zo was het verzoek, onderbrengen in een geëigend openbaar archief voor duurzaam beheer. Dat werd het Letterkundig Museum in Den Haag. Juist omdat Van Leeuwen niet tevreden was met ‘een enkele lezer’.
In de tweede helft van de twintigste eeuw wortelde het Nederlands in de eilandelijke samenleving van Aruba, Bonaire en Curaçao. Er ontstond een gewaardeerde literaire productie. Hieraan zijn vooral de namen verbonden van Boeli van Leeuwen, Tip Marugg, Frank Martinus, Cola Debrot en Jules de Palm. Hoewel er nog steeds in het Nederlands wordt geschreven, krijgt de literaire productie in het Papiaments steeds meer gewicht. De Nederlandstalige literatuur op de eilanden zou langzaam maar zeker tot een historische periode kunnen gaan behoren.
Oorkonde bij de Vijverbergprijs, 1961

 

Waardering

Voor Van Leeuwen was de waardering vanuit Nederland voor zijn werk van cruciaal belang. Niet alleen huisde in Nederland zijn uitgever, eerst Van Kampen (Amsterdam), vervolgens Flamboyant (Rotterdam), daarna en tot nu toe – inmiddels meer dan dertig jaar! – In de Knipscheer (Haarlem). In Nederland werkten de critici die zijn romans, essays en columns lovend bespraken. In Nederland woonde het grote aantal lezers waarnaar hij op zoek was. De gunstige ontvangst aan de Noordzeezijde van het Koninkrijjk was voor hem een levensbron. Die voedde hem en inspireerde hem tot nieuw werk. Van Leeuwen was dan ook bijzonder geroerd door de toekenning van een ‘eregeld’ van de zijde van het Nederlands Letterenfonds kort voor zijn overlijden: een overrompelend gebaar van moederlandse waardering. Hoe eigenzinnig hij zich ook opstelde bínnen de Nederlandstalige letteren, Van Leeuwen wilde er vooral deel van uitmaken.
In lijn hiermee wordt de nalatenschap ondergebracht in het Letterkundig Museum: het mausoleum bij uitstek voor Nederlandstalige literaire nalatenschap. Natuurlijk is hiermee niet aangegeven, dat de kracht van Van Leeuwen en van zijn werk exclusief afhankelijk was van het ‘moederland’. Zeker niet, hij was een yu di tera: een Curaçaoënaar in hart en ziel. Van Leeuwen heeft dikwijls en op uiteenlopende wijzen zijn verbondenheid met het eiland onderschreven en beschreven. Ook in zijn nalatenschap komt die verbondenheid weer prachtig in beeld.
Schrijven
Hoe het ook zij, de Nederlandse taal kwam níet van zijn geboorte-eiland: die taal is eigenlijk wezensvreemd aan de eilandelijke samenleving. ‘Papiamentu is mijn moedertaal,’ benadrukte Boeli me in het eerder aangehaalde gesprek. ‘Wij spraken thuis altijd Papiamentu, ook toen ik van 1936 tot in 1946 met mijn moeder in Nederland woonde. In het Papiamentu SCHRÍJVEN is echter een heel andere zaak!’ Voor het schrijven verkoos Van Leeuwen het Nederlands.
                We brengen zijn Nederlandstalige nalatenschap naar de bron waaruit Boeli dronk – gulzig dronk. Het Letterkundig Museum maakt een eerste kennismaking met de nalatenschap mogelijk in een bescheiden expositie. Hoe meer mensen er kennis van nemen hoe liever het Boeli zou zijn geweest! Weer en weder dienende vinden we een manier om ook zijn eilandgenoten ermee te laten kennismaken.
De presentatie was in handen van – v.l.n.r.- Ernst Hirsch Ballin, Aart G. Broek, Eva Koert, Bert Kienjet, Aad Meinderts, Klaas de Groot, Alwin Toppenberg. Foto @ Nico van der Ven
Een machtig schrijverschap
door Klaas de Groot
In de literaire nalatenschap van Boeli van Leeuwen trof mij in het bijzonder de aanwezigheid van een exemplaar van het poëtisch debuut van Van Leeuwen. Tempels in woestijnen heet die bundel, gepubliceerd in 1947. Zoals vele, meer of minder bekende auteurs bekeerde Van Leeuwen zich na een poëtische start tot het proza. Maar gelukkig niet geheel.
In de eerste roman De Rots der Struikeling, bijvoorbeeld, duikt op een gegeven moment een gedicht op. Het heet ‘In dit licht’ en het is zijn bekendste gedicht geworden. Het komt ook terug in een fotoboek dat Van Leeuwen maakte met de Curaçaose fotograaf Carlos Tramm. Misschien interessant is het feit dat Tramm en Van Leeuwen doende waren om tot nog zo’n boek te komen, waarin fotografie en poëzie samenkomen. Hierin zouden gedichten uit Tempels in Woestijnen worden verwerkt.
In Een vreemdeling op aarde, de tweede roman, staan twee gedichten die binnen de prozatekst duidelijk te onderscheiden zijn. Een, alleen in de krant gepubliceerd, gedicht is ‘Patriarch met trio’. Dat is een ode aan de muziekfamilie van Curaçao: de familie Palm. Deze gedichten zijn, samen met een licht scabreus gedicht te vinden op de blog Caraïbisch Uitzicht van de Werkgroep Caraïbische Letteren. Daar staan ook gedichten gemaakt door bewonderaars van Van Leeuwen.
Manuscript van Boeli van Leeuwen

 

Verhaal
De drukgeschiedenis van de bundel Tempels in woestijnen heeft een prachtig verhaal opgeleverd. Dat verhaal heet ‘Onkel Patrice’, het staat in Geniale Anarchie. Een hilarisch detail in dat verhaal is het feit dat Van Leeuwen sommige gedichten moest herzien, omdat er niet genoeg loden letters op het eiland voorradig waren. Een treffend voorbeeld van de macht van de techniek over de kunst. Of dit gegeven waar is, doet er niet toe. Het past bij alle andere verhaalelementen waarmee de auteur zijn verslag lardeert. Het Letterkundig Museum mag trouwens erg blij zijn met het geëxposeerde exemplaar. De oplage bedroeg vijftig exemplaren, waarvan er tien mislukten. Van de resterende veertig verkocht Van Leeuwen er acht. Tien gingen er naar vrienden en de overige verdwenen ten gevolge van aanvallen door tropisch ongedierte. Dit vertelt Van Leeuwen ook. U zult begrijpen dat anderen weer iets anders vertellen.
                In het tijdschrift De Parelduiker (2013 / 5) zijn nu twee gedichten uit de bundel opgenomen, waaronder het sonnet ‘Moeder van mijn moeder’. Hierin de majesteitelijke zin: ‘Een vorstin wordt niet gedwongen maar zij gaat’. Waarmee de moeder zich toch de meerdere toont van de dood die haar komt halen. Hier zijn wij bij de eschatologie, een geliefd onderwerp voor Van Leeuwen: het einde der tijden.
Portret van Boeli door Bert Kienjet

 

Krachtig
Opvallend in Tempels is het epische gedicht ‘Isla di Makuaku’. Ooit verklaarde Van Leeuwen dat hij dit gedicht als zijn beste beschouwde. Dat gedicht gaat over een louterend bad in zee en over bepaalde mythische elementen die in verband met dat eilandje met fregatvogels in de Sint Jorisbaai verteld worden. In de bundel staat het als één geheel. Toen ik het eens anders wilde lezen, zette ik spaties tussen de veertig zinnen waaruit het bestaat en het gedicht leek overzichtelijker te worden. Het lag als een Caribisch rif, zo mooi, uiteen.
Hoe Van Leeuwen al meteen in zijn vroegste werk aanwezig is, blijkt uit het gedicht ‘Soldaten’. Aan het eind van het eerste kwatrijn staat: ‘en mijn droom verschijnt’. Dan volgt er een visioen. Deze werkwijze is Boeliaans. Dat weten we nu, na al zijn romans. Tekenend in dit verband is het feit dat de eerste vijf woorden van het eerste gedicht al helemaal Van Leeuwen zijn. Ik ben die ik ben, was een adagium. Het luidt: ‘Ik ben zoals ik ben, nauwelijks denkend aan de duizend wonden, / En soms onnoemelijk bezeerd om één verloren traan. / Ik zie de pijn niet in het verborgen zwoegen der gezonden, / Maar de hand die brak het broodgeworden graan.’
Een krachtig begin van een machtig schrijverschap.

Tentoonstelling Driehoeksreis in Curaçaosch Museum

De tentoonstelling Driehoeksreis werd in het Curaçaosch Museum op 29 januari jl. geopend. De succesvolle respons zorgt inmiddels voor een verlengde openstelling tot eind april. De reeks etsen van Bert Kienjet bestaat uit tientallen portretten van ‘personages’ die de driehoeksreis bevolk(t)en. Deze reis van Europa via West Afrika naar het Caraïbisch gebied en weer naar Europa werd in de 17de eeuw door de West-Indische Compagnie begonnen. Deze reis wordt door Kienjet als metafoor gebruikt voor de sociale, culturele en bestuurlijke beïnvloeding en banden tussen Westerse, Afrikaanse en Caraïbische culturen. Kienjet opende de tentoonstelling met een voordracht die hier ingekort volgt.

(Links) Johannes van den Bosch / naar portret van Johannes van den Bosch, ets/aquatint, 15 x 10 cm; (rechts) Tula / portret naar een beeldje in de slavernijafdeling van het Museum Kura Hulanda, ets/aquatint, 15 x 10 cm

 

door Bert Kienjet

Damas i caballeros di Korsou, bonnochi,

Ik ben als toerist op uw mooie en fascinerende eiland. Toerist weliswaar, maar niet het type dat niet verder komt dan Kontiki beach, het Seeaquarium en een visje eten bij Jaanchi. Ik ben gewend om goed om mij heen te kijken en te begrijpen wat ik zie en hoor. Zo is het mij niet ontgaan dat het nu op Curaçao carnavalstijd is. In Leiden waar ik vandaan kom, wordt dat feest nauwelijks gevierd. Wat we wel hebben is 3 oktober. Op die dag wordt in Leiden elk jaar gevierd dat we in 1574 ontzet werd van de Spaanse belegeraars.
Volgens de overlevering mochten de Leidenaren in 1574 kiezen. Als beloning voor hun heldhaftige verzet tegen de Spaanse belegeraars van hun stad hadden ze de keuze tussen tien jaar geen belasting betalen of een eigen Universiteit. Ze kozen de Universiteit. Direct, vanaf het jaar van oprichting, bewees dit wetenschappelijke steunpunt van de Stadhouder al zijn belang. Opgejaagd door Spaanse furie vluchtten niet alleen de lakenwevers maar ook, en vooral, de vrijdenkende elite en rijke koopmansstand van Antwerpen in de zuidelijke Nederlanden naar het noorden en kregen een warm onthaal in de vrije Hollandse steden Amsterdam en Leiden; zoals ook mijn Antwerpse voorvaderen Quinget in die jaren de weg naar het noorden zochten en vonden.

In 1585, na de definitieve val en de te verwachten teloorgang van Antwerpen, vestigden de ouders van de toen vierjarige Johannes de Laet – zijn vader was een rijke Antwerpse koopman – zich Leiden. Hij zou er een mooie toekomst tegemoet gaan. De Laet studeerde in Leiden van 1597 tot 1602, filosofie, Grieks en Romeins en alle andere toen gangbare academische vakken en verkeerde in de kringen van de meest eminente Europese geleerden van die tijd. Later zou hij een van de meest vooraanstaande oprichters van de WIC worden; bevelvoerder namens de stad Leiden in de kamer van Amsterdam.
In 1633 besloten de Heren XIX van de WIC in de Caribische zee een militair steunpunt in te richten ten behoeve van de kaapvaart op Spaanse schepen en zoutvaart op de Caribische kusten. Begin 1634 meldde zich Jan Janssen Otzen bij de Heren XIX – een West-Indiër in Hollandse dienst. Hij had in Spaanse gevangenschap op het eiland Curaçao verfhout moeten kappen en kon de Heren informeren over de geografische ligging en de voortreffelijke gesteldheid van het eiland.
Op 6 april 1634 besloten de Heren in vergadering bijeen dat het Curaçao moest worden. Al op 8 april kregen Johan van Walbeeck, expeditieleider, en Pierre le Grand, militair commandant, de commissie van de Heren XIX om het eiland te veroveren op de Spanjaarden en zich daar te vestigen.
Genius van de Hollandse vestiging op Curaçao was de Leidse kamergeleerde, steile contraremonstrant, WIC-ideoloog en wraakzuchtige papenvreter Johannes de Laet. Hij was de vaste scribent en chroniqueur van de WIC. Uit zijn pen komt de beroemde zin uit het voorstel van de Amsterdamse Kamer: “Souden goet vinden tot bemachtinge van het eijlant Curaçao, in consideratie gecomen om te hebben een bequaeme plaetse, daermen sout, hout ende anders mocht becomen, ende van deselve plaetse den viant in West-Indien te infesteren.”

Het maritieme steunpunt Curaçao – de vestiging van de Hollanders op het eiland – zou zomaar verzonnen kunnen zijn in Leiden, in het voorjaar van 1634, ergens op het Rapenburg, een steenworp afstand van mijn geboortehuis,
Op 15 mei 1648 tekende de Republiek in Münster de vrede met Spanje. In december 1649 overleed Johannes de Laet. Door de vrede met Spanje waren zowel de programmatische noodzaak als de financiële bodem onder de, van handel en kaapvaart levende, compagnie weggevallen. Op Curaçao bleek niets te halen, Jan Janssen Otzen had erg overdreven. Toen al het verfhout gekapt was en het beetje zout naar Holland verscheept, werd het eiland door de Heren XIX voor een aantal jaren – tot aan de gruwelijke slaventijd – min of meer vergeten.
Zo eindigt het verhaal van de Leidenaar Johannes de Laet en het ‘eijlant Curaçao’, zijnde mijn toelichting op de eerste twee etsen uit de 56-delige serie Driehoeksreis.
Ik zal niet even uitgebreid ingaan op de overige 54 etsen en op de tweede serie die ik laat zien, met 16 Curaçaose en Hollandse landschappen, maar de verhalen waarin uw en mijn wereld samenkomen zijn talloos. Ik noem in willekeurige volgorde: Het verhaal van twee Leidse Minervanen, de jongeheren De Rouville en Sassen, beide in Leiden afgestudeerd onder de grote Thorbecke, en door wie in Curaçao door hun vriendschap niet alleen een Herensociëteit werd opgericht – die ironisch genoeg voor het verdere verloop van hun geschiedenis de ‘Gezelligheid’ heette – maar ook een volksoproer ontketend.
Van Frank Martinus die droomde van zijn Dochter van God in zijn eenzame Leidse tijd, vol heimwee, die niet kon kiezen tussen funchi en aardappels en in zijn gedichten om hulp vroeg omdat hij in de sneeuw was gevallen.
Van Chris Engels die als brave katholieke medicijnenstudent zich in Leiden zo inzette voor de Roomsche zaak dat hij als reli-activist opviel bij de Jezuitische missiebazen en daarom uitgezonden werd naar de West – maar achteraf een heel andere missie verkondigde dan die van de Katholieke kerk.
Van Dr. Luis, de praatgrage personage uit De eerste Adam, de paradijsvogel van Pietermaai, die net als zijn schepper Boeli van Leeuwen in Leiden studeerde en eveneens als zijn schepper voornamelijk woorden voortbracht, heel veel mooie woorden.

 

 

Van de tijdgenoten mooie Johannes en tragische Tula. Johannes van den Bosch, die de Antillen moest redden na de Engelse overheersing en slavernij afwees op economische gronden omdat vrije mensen productiever zijn. En Tula die het liberté, egalité, fraternité van de Franse revolutie in praktijk bracht, maar tot zijn ongeluk moest ervaren dat dat blijkbaar niet voor Curaçaose slaven gold.
De verhalen van de wachters. De bewakers van hun cultuur en geschiedenis. Verschaffers van van Afro-Curaçaose identiteit. De Obi door er te zijn in de meditatieve stilte van de West-Afrika-afdeling van het Kura Hulanda Museum. Van Jules de Palm, door te zingen en te vertellen over zijn eiland, door goedmoedig de surrogaatvader te zijn voor duizenden bursalen; ze voor stommiteiten te behoeden.
Van de Ansestro Preokupá Sosegá, de bezorgde voorouder. Bezongen door de jonge dichter met de timide stem Hemayel Martina. Die daags voordat ik in januari 2011 naar Curaçao vertrok, op de vroege zondagmorgen zijn noodlot tegemoet reed. Hij zat in Leiden op school. Zijn zachte stem droeg ver. Aan hem moest ik denken toen ik even later in Museum Kura Hulanda oog in oog stond met de even bescheiden en toch ook even indringende ansestro.
Van de scherpzinnige blik van ‘Doctoor’ Moises Frumencio da Costa Gomez, die even scherp keek als de ogen van de 17de-eeuwse koopman en statenlid Jacob Olycan, maar wiens blik toch anders was. Het door Boeli van Leeuwen in ‘the rest is silence’ zo prachtig beschreven verschil tussen kijken en zien. De verhalen van het goed of het kwaad?
Van Jacob Trip, destijds de rijkste man van Amsterdam en wapenhandelaar – dat hield medio 17de eeuw ook slavenhandel in. Door de handelsgeest van Trip ontstond de driehoeksreis; wapens, slaven, handelswaar. Van de Republiek naar Dahomey, naar het eijlant Curaçao en weer naar de redes van Texel en Vlissingen. Met de slavenschepen nam ook de geest de vlucht; voor voodoo en brua, zijn er geen afstanden, geen oceanen. Zolang je geen zout eet kun je terug. Wie is Jacob Trip, wie is Legba, wie is goed, wie is slecht?
Het verhaal van de sombere nestor van de Nederlands-Caraïbische literatuur Cola Debrot. Wie leest ‘Bewolkt bestaan’ tegenwoordig nog echt helemaal en kan het samenvatten of navertellen? Wie reist de literaire driehoeksreis met Debrot mee van Curaçao naar Amsterdam naar Parijs, naar Caracas en komt uiteindelijk toch weer op Miraflores terecht?
De verhalen van Carel de Haseth, van Alletta Beaujon, George Maduro, Anna Oltheten, Tirzo Martha, Alexander Pechtold, René Zwart, Anton Vrede, Aart Broek, Chris Smeets, Douglas Pinedo, Jan Brokken, enzovoort enzovoort.
In mijn keuze voor het tentoonstellen van mijn etsen in het Curaçaosch Museum heb ik mij laten leiden door de woorden van Chris Engels bij de opening van het museum in 1948: ‘dat het museum het eigen, het Europese en het Latijns-Caribische cultuurbezit elkaar moest laten treffen.’

(Links) Chris Engels / naar portret van arts, schilder, dichter. schrijver, musicus en schermer Chris Engels, ets, 15 x 10 cm / Johannes de Laet / zelfportret als Johannes de Laet, ets, 15 x 10 cm

Dat culturen elkaar treffen is goed, daar worden ze rijker van. De Afro-culturele invloed op Curaçao is groot, maar in de rede van Chris Engels komt het woord Afrika niet voor. Ik ben zo vrij geweest om in mijn serie Driehoeksreis het Afrikaanse cultuurgoed een ruime plek te geven en daarmee meer recht te doen aan de veelkleurige Curaçaose cultuur. De cultuur waarvan het Curaçaosche Museum getuigt. Ik heb daarbij dankbaar gebruik gemaakt van de prachtige collectie Afrikaanse kunst van het Kura Hulanda Museum. Curaçao
Ten slotte draag ik de tentoonstelling op aan mijn literaire helden van Curaçao: Boeli van Leeuwen, Frank Martimus Arion en Tip Marugg. Ik wens u veel kijkgenoegen en dank u voor uw aandacht.

Driehoeksreis [10]

Het Curaçaosch Museum presenteert deze weken een overzicht van het grafisch werk van Bert Kienjet. Deze Leidse kunstenaar laat zich in zijn grafisch werk inspireren door de historische Driehoeksreis. Deze reis van Europa via West Afrika naar het Caraïbisch gebied en weer naar Europa werd in de 17de eeuw door de West-Indische Compagnie begonnen.
Deze reis wordt door Kienjet als metafoor gebruikt voor de uiteenlopende banden tussen Westerse, Afrikaanse en Caraïbische culturen. Kienjets werk bestaat uit tientallen portretten van ‘personages’ die de driehoeksreis bevolk(t)en.
Hierbij een voorproefje van de tentoonstelling van etsen, voorzien van korte onderschriften door Kienjet zelf. Door het groepsgewijs tonen van de portretten worden oude en nieuwe verhalen zichtbaar.

(Links) Johannes van den Bosch / portret van Johannes van den Bosch, ets/aquatint, 15 x 10 cm; (rechts) Tula / portret naar een beeldje in de slavernijafdeling van het Museum Kura Hulanda, ets/aquatint, 15 x 10 cm

Tijdgenoten. Mooie Johannes en tragische Tula. Johannes van den Bosch, die de Antillen moest redden na de Engelse overheersing, wees slavernij af op economische gronden. Vrije mensen zijn productiever. Tula bracht het liberté, egalité, fraternité van de Franse revolutie in praktijk, maar moest tot zijn ongeluk ervaren dat dat niet voor slaven gold. Johannes werd, ondanks dat zijn hervormingen mislukten, in de adelstand verheven. Hoe het Tula is vergaan weet iedereen. [BK]

Driehoeksreis [9]

Het Curaçaosch Museum presenteert deze weken een overzicht van het grafisch werk van Bert Kienjet. Deze Leidse kunstenaar laat zich in zijn grafisch werk inspireren door de historische Driehoeksreis. Deze reis van Europa via West Afrika naar het Caraïbisch gebied en weer naar Europa werd in de 17de eeuw door de West-Indische Compagnie begonnen.
Deze reis wordt door Kienjet als metafoor gebruikt voor de uiteenlopende banden tussen Westerse, Afrikaanse en Caraïbische culturen. Kienjets werk bestaat uit tientallen portretten van ‘personages’ die de driehoeksreis bevolk(t)en.
Hierbij een voorproefje van de tentoonstelling van etsen, voorzien van korte onderschriften door Kienjet zelf. Door het groepsgewijs tonen van de portretten worden oude en nieuwe verhalen zichtbaar.

Links: Gerrit vd V. / portret van horecaondernemer Gerrit van der Valk, ets/aquatint, 15 x 10 cm. Rechts: Dr. Luis / portret van Laus als Dr. Luis, ets, 15 x 10 cm

Geen woorden maar daden. Gerrit van der Valk was geen prater, maar stampte eigenhandig een biefstukken- en appelmoesimperium uit de grond. Ik mis de Toekan op het Plaza. Dr. Luis, de praatgrage personage uit Boeli van Leeuwens De eerste Adam, de paradijsvogel van Pietermaai, daarentegen bracht weinig anders voort dan woorden, heel veel woorden. Slimme mannen allebei, slimmer dan de wet? [BK]

Driehoeksreis [8]

Het Curaçaosch Museum presenteert deze weken een overzicht van het grafisch werk van Bert Kienjet. Deze Leidse kunstenaar laat zich in zijn grafisch werk inspireren door de historische Driehoeksreis. Deze reis van Europa via West Afrika naar het Caraïbisch gebied en weer naar Europa werd in de 17de eeuw door de West-Indische Compagnie begonnen.
Deze reis wordt door Kienjet als metafoor gebruikt voor de uiteenlopende banden tussen Westerse, Afrikaanse en Caraïbische culturen. Kienjets werk bestaat uit tientallen portretten van ‘personages’ die de driehoeksreis bevolk(t)en.
Hierbij een voorproefje van de tentoonstelling van etsen, voorzien van korte onderschriften door Kienjet zelf. Door het groepsgewijs tonen van de portretten worden oude en nieuwe verhalen zichtbaar.

Links: Black Wim / portret van Wim als zwarte man, ets/aquatint, 15 x 10 cm; (rechts) Tirzo / portret van beeldend kunstenaar Tirzo Martha, ets/droge naald, 15 x 10 cm

Wim en Tirzo / Zwart/wit. “Dit is een negereiland, hoe je het ook bekijkt.” schreef Tip Marugg. Net als “Maar zouden niet alle moeilijkheden opgelost zijn als iedereen zich wit verfde? Je weet dan niet wie blank en wie zwart is. Waarom niet iedereen zwart?” Witte Wim uit Leiden is de meest pigmentloze man die ik ken. Wordt hij anders als ik hem zwart maak? Wordt zwarte Tirzo van Curaçao anders als ik hem zo wit mogelijk teken? [BK]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter