blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Kielstra Johannes

De strijders tegen koloniale overheersers blijven wél op hun voetstuk staan

door Nina Jurna

In Latijns-Amerika en het Caribisch gebied staan standbeelden van mensen die in verzet kwamen tegen koloniale overheersers.

read on…

Presentatie Sarnámi Sanskirti 2

Uitgeverij Surinen nodigt belangstellenden uit voor de presentatie van de tweede bundel met opstellen over het Sarnámi en de hindostaanse cultuur, Sarnámi Sanskirti 2, op zondag 23 juli 2019. read on…

De Suriname-plannen

door Nico Eigenhuis

Er zijn in de loop der eeuwen de nodige plannen geweest voor de ontwikkeling van Suriname. Onderstaand een overzicht van de plannen die het land in de loop der tijd direct of indirect raakten. Het is beslist geen complete lijst, maar wel een om met verwondering kennis van te nemen. read on…

Koloniale stuiptrekking: Het experiment Suriname in de jaren dertig

Rede

Uitgesproken ter gelegenheid van de aanvaarding van het ambt van hoogleraar Geschiedenis van Suriname sinds 1873 in vergelijkend perspectief aan de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit van Amsterdam op vrijdag 16 maart 2018 door Rosemarijn Hoefte read on…

Oratie Rosemarijn Hoefte. Het experiment Suriname in de jaren 1930

Mevrouw prof. dr. Rosemarijn Hoefte, in 2017 met steun van het KITLV/KNAW benoemd tot hoogleraar Geschiedenis van Suriname sinds 1873 in vergelijkend perspectief, hield op vrijdag 16 maart j.l. haar inaugurele rede, getiteld Koloniale stuiptrekking: Het experiment Suriname in de jaren 1930. read on…

Suriname in de Tweede Wereldoorlog

Een kort overzicht

Het wrak van de Goslar in de Surinamerivier

door de redactie van de Ware Tijd Literair

Voor de Tweede Wereldoorlog ging het niet zo goed in Suriname. De plantages brachten niet veel op. Suriname had sterk te lijden van de wereldwijde economische crisis. Er heerste veel armoede en werkloosheid en de verschillende bevolkingsgroepen hadden weinig contact met elkaar. Dit veranderde in de Tweede Wereldoorlog toen bauxiet, waarvan aluminium gemaakt wordt, van groot belang werd in verband met vliegtuigbouw. In 1941 werd de Paranam-fabriek geopend door gouverneur Kielstra en ook het bedrijf Billiton leverde een grote bijdrage. In 1943 leverde Suriname 60% van de bauxietbehoefte van de VS. De Amerikanen namen Suriname op in hun ‘Rainbow Plan’, het oorlogsplan uit 1941, dat troepenzending naar de Zuid-Amerikaanse landen mogelijk maakte, ter bescherming van het westelijk halfrond. De komst van Amerikaanse troepen hier leidde ook tot een ongekende kapitaalstroom. Zanderij werd uitgebreid en er werden wegen aangelegd. Een economische ontwikkeling dus en verbreding van de blik, waardoor er ook een bewustzijn groeide van eigenheid op weg naar zelfstandigheid. Uiteraard hadden de Amerikaanse soldaten ook veel interesse voor mooie Surinaamse tienermeisjes!

VS-soldaten met Surinaamse meisjes (foto: www.verzetsmuseum.org)

Geslachtsziekten werden een probleem en voordat prinses Juliana in 1942 Suriname bezocht, werden heel wat jonge mannen (‘bendeleden’) en vrouwen (‘prostituees’) opgepakt en geïnterneerd in een kamp. Pas in 1944 kregen ze hun vrijheid terug! In De koningin van Paramaribo (1999) van Clark Accord lezen we dat ook de beroemd geworden hoer Maxi Linder tijdens de oorlog een tijdlang vastzat op plantage Katwijk. Suriname heeft Nederland vanaf het begin van de oorlog geholpen. Zo was er het ‘Spitfire-fonds’, een inzamelingsactie voor een vliegtuig voor de geallieerden. Schoolkinderen moesten op maandag een cent meebrengen en ze zongen een liedje: ‘Kinderen vergeet je maandagcentje niet/ Kinderen vergeet het maar niet/ Wat er gebeurt of wat er geschiedt/ Kinderen vergeet je maandagcentje niet.’

 

Wim Bos Verschuur

Mannelijke Duitsers boven de vijftien jaar die in Suriname woonden, werden als vijanden beschouwd en vastgezet in Fort Zeelandia. Veel zendelingen en onderwijzers waren er onder hen. Ook de bemanning van het schip ‘De Goslar’ werd geïnterneerd en we weten dat ze het schip vóór de internering lieten zinken. Gouverneur Kielstra liet in de eerste oorlogsjaren ook linkse revolutionairen, nationalisten en andere opposanten oppakken. De bekendste onder hen is Wim Bos Verschuur, kunstenaar, onderwijzer, politicus (‘baas in eigen huis!’), vakbondsman, statenlid en onvermoeibaar criticus van de gouverneur.

Na de Japanse aanval op Pearl Harbour werden 146 gevangenen van Javaanse interneringskampen, uit Nederlands-Oost-Indië dus, naar Suriname gebracht en hier opgesloten (zie het bericht hier direct onmder). Gouverneur Kielstra sloot de mogelijkheid van bombardementen door Duitse of Japanse vliegtuigen niet uit. Daarom mocht er in de stad vanaf 7 uur ’s avonds tot 7 uur ’s morgens nergens licht zijn. Zelfs fietsen moest zonder licht. De maan werd erg belangrijk. Ook werden er loopgraven aangelegd, voor het geval van een militaire aanval.

De ‘blimp’, een kleine Zeppelin, gestationeerd op vliegveld Zorg en Hoop,
die gebruikt werd voor verkenningsvluchten.

Journalist en schrijver J. van de Walle die in de oorlog een tijd in Paramaribo woonde, beschrijft de sfeer goed in Een oog boven Paramaribo. Herinneringen dat hij pas in 1975 publiceerde. De titel heeft betrekking op een klein luchtschip, een ‘blimp’ dat wakend boven de stad hing. Op het eind van het hoofdstuk met dezelfde titel, zegt hij: ‘Zo was Paramaribo op zijn mooist. Een vervallen stad, die in de avonden zich nog eenmaal liet zien, vriendelijk en betoverend, als een oude vrouw wier geschonden gelaat verjongd werd in dat grote, milde, verhullende licht van de maan. Er langs gleed de schaduw van een klein luchtschip, een ‘blimp’, dat wakend boven de stad hing. Dag en nacht.’

Veel joden, voor wie Europa in de oorlog levensgevaarlijk was, kwamen naar Suriname, waar al een joodse bevolkingsgroep was. De grootste groep kwam uit Frankrijk via Portugal naar Suriname. De Nederlandse regering in ballingschap had gevraagd 1000 joodse vluchtelingen op te nemen die naar Frankrijk waren gevlucht, maar niet meer veilig waren toen Hitler in 1942 een einde maakte aan de zelfstandigheid van de Vichy-regering. Later kwamen er nog meer. In Suriname werden ze goed opgevangen.

Tot slot waren er de veel jonge mannen en vrouwen die Nederland als strijders gingen bijstaan en alles achterlieten, het avontuur tegemoet. Over hen is weer een boek vershenen, van Jules Rijssen. We vroegen Jetty Polanen om over het boek te schrijven. Zij heeft een familiale relatie met dit gegeven. We vinden het een belangrijk stuk geschiedenis. Vooral omdat de omstandigheden in die oorlog ertoe leidden dat Surinamers meer en meer losraakten van het koloniale moederland en dat een proces op gang kwam (denk ook aan Wie Eegie Sanie) dat uiteindelijk leidde tot onafhankelijkheid in 1975. Verder laat dit stuk geschiedenis ons zien dat in Fort Zeelandia in het recente verleden niet alleen door Surinamers moorden werden gepleegd tegen alle recht en gerechtigheid in! Macht leidt altijd tot misbruik. Lees maar meer over gouverneur Kielstra!

Bronnen: Ben Scholtens: Suriname tijdens de Tweede Wereldoorlog (Paramaribo, 1985); Ad van den Oort: Allochtonen van nu & de oorlog van toen. Marokko, de Nederlandse Antillen, Suriname en Turkije in de Tweede Wereldoorlog (Den Haag: Sdu Uitgevers, 2004); J. van de Walle: Een oog boven Paramaribo (Amsterdam: Querido, 1975; Cynthia Mc Leod: ‘Herinneringen: Suriname – oorlog – Holland – Suriname’ (in ‘OSO’, nr. 12, 1993)

Een eeuwige omstrengeling

[Van Hans Buddingh’s Surinaamse geschiedenis verscheen net een nieuwe editie; een oudere, die van 1995, werd door Hugo Pos besproken in NRC Handelsblad, een recensie die we hier graag nogmaals laten zien.]

door Hugo Pos

Rodica en Dodica waren aan elkaar gebonden zo heeft de vroedvrouw ze gevonden Deze versregels uit Paul van Ostayens ‘Rijke armoede van de trekharmonika’ hadden als motto kunnen dienen voor het boek van Buddingh’, redacteur van NRC Handelsblad. Want van het begin af, als de Zeeuwse admiraal Abraham Crijnssen in 1667 Suriname op de Engelsen verovert, tot op de dag van vandaag zijn Suriname en Nederland onlosmakelijk aan elkaar verbonden. Daar helpt geen lieve moedertje, geen onafhankelijkheidsverklaring, geen inhouden van de ontwikkelingshulp meer aan.
Dat is de conclusie waartoe Buddingh’ na 375 bladzijden komt: ,,Het is in elk geval een illusie te veronderstellen dat Nederland en Suriname zich uit hun omstrengeling zouden kunnen losmaken. De gemeenschappelijke geschiedenis en de aanwezigheid van de helft van de Surinaamse bevolking in Nederland maken dat onmogelijk.”

Het boek is in chronologische volgorde geschreven en begint, hoe kan dat ook anders, met een beschrijving van de door Indianen bewoonde Wilde Kust. De strijd tussen Caraïben en Arowakken was nog volop gaande toen de Engelsen er voet aan wal zetten en een begin maakten met de kolonisatie van het land. De Engelse planters kregen aanvulling door de komst van Portugese joden, die hun suikerplantages in Noordoost-Brazilië hadden moeten verlaten na het vertrek van Johan Maurits van Nassau, als de Portugezen het land in bezit nemen.

Al gauw worden de Indianen, met wie vrede wordt gesloten, vervangen door negerslaven uit West-Afrika. Na de komst van Crijnssen trekken de Engelsen weg en wordt Suriname een Nederlandse kolonie.

Octrooi
De bestuursvorm voor Suriname week af van die voor de bezittingen in Azië. Daar had de Verenigde Oostindische Compagnie het absolute monopolie. De handel op Suriname was voor iedere ingezetene van de Republiek vrij. En de inspraak van kolonisten in het bestuur was uniek. Het octrooi van 1682, de eerste ‘grondwet’ van Suriname, plaatste Suriname in staatkundig opzicht ver boven andere koloniën. Daarin school tegelijk het risico van conflicten.

Van de talrijke gouverneurs, die in de loop der jaren Suriname hebben bestuurd, springen er twee uit: Cornelis van Aerssen van Sommelsdijck en Jan Jacob Mauricius. Beiden hebben, bekwaam als ze waren, het onderspit moeten delven door de voortdurende oppositie van de planters, die het voor het zeggen hadden in het hof van Politie.

Van Sommelsdijck werd in 1688 door muitende soldaten gedood. Mauricius moest na talloze aantijgingen door de samenspannende planters in 1751 naar de Republiek terugkeren. Het geharrewar tussen gouverneurs en de ‘plantocraten’ blijft een constant patroon, maar door de grote Amsterdamse beurscrisis van 1773 verandert de situatie.

Administrateurs gaan de plaats innemen van de eigenaars die in Nederland verblijven. En dat bracht met zich mee dat de behandeling van de slaven en de grond er niet beter op werd, aangezien het deze heren er om te doen was om zo spoedig mogelijk rijk te worden.

Buddingh’ wijdt veel aandacht aan de behandeling en de economische betekenis van de slaven en laat telkens zien hoe de getalsverhoudingen in de kolonie tussen blanken en zwarten waren, met daartussenin een steeds groter wordende groep licht gekleurden. Slaven, schrijft hij, waren tenslotte kapitaal dat uiteindelijk was afgeschreven. De oorlogen en daarop volgende vredesverdragen met de Marrons, de weggelopen slaven, die zich in het binnenland tot stammen hadden verenigd, komen uitvoerig aan bod.

Het bekendst zijn de latere Boni-oorlogen, die tot de verbeelding zijn blijven spreken dank zij het boek, in 1796 verschenen, van de Schotse kapitein in Staatsdienst John Gabriel Stedman, Narrative of a Five Years’ Expedition against the revolted Negroes of Surinam, waarin hij de manier waarop de planters hun slaven behandelden scherp hekelt. Daaraan doet niet af dat de behandeling van de slaven in Suriname niet veel verschilde van die in de Engelse koloniën.

Wat mij betreft had Buddingh’ best de mooie mulattin Joanna mogen noemen, de jonge slavin op wie Stedman verliefd werd, maar die hem niet naar Engeland wilde volgen. Laat het een troost zijn dat hij haar, zoals ze is afgebeeld in Stedmans Narrative, als illustratie heeft opgenomen.

De Surinaamse koloniale maatschappij miste de eenheid die de Spaanse koloniën in Zuid-Amerika kenmerkte. Daar was de rooms-katholieke kerk een bindende maatschappelijke kracht en vond er een grotere interraciale vermenging plaats. Buddingh: ,,Tegenover het ‘apostolisch imperialisme’ van de conquistadores stond het ‘mercantilistisch imperialisme’ van de Nederlanders.”

Suiker
In de periode 1700-1800 kwam de grootschalige suikerproduktie van de grond. Amsterdam beschikte over een groot aantal suikerraffinaderijen en voorzag het grootste deel van Europa van suiker. Aan de toegenomen vraag naar slaven werd voldaan door de invoer. Dit was voor de planters goedkoper dan het grootbrengen van de op de plantage geboren slavenkinderen. Het sterftecijfer van de slaven overtrof tot aan de emancipatie in 1863 bijna steeds het geboortencijfer. Bij de emancipatie kwamen ongeveer 40.000 slaven vrij, maar lang daarvoor hadden sommigen de status van ‘proto-peasant’ bereikt.

Na de emancipatie komt de aanvoer van arbeiders uit Azië op gang. Eerst een klein aantal Chinezen en dan gedurende een reeks van jaren contractarbeiders uit Brits-Indië, terwijl de aanvoer van Javanen tot aan het uitbreken van de wereldoorlog is voortgezet.

Het aanvankelijke immigratiebeleid werd kolonisatie-beleid. De Nederlandse politiek was gericht op assimilatie van alle bevolkingsgroepen. Daar droeg het onderwijs toe bij. In Suriname gold al sedert 1876 algemene leerplicht. Suriname werd beschouwd als een volksplanting en het was de bedoeling dat al de verschillende groepen zouden samensmelten tot een ongedeelde taal- en cultuurgemeenschap met Nederlands als voertaal.

De eigenzinnige en fel omstreden gouverneur Kielstra maakte een eind aan het assimilatiebeleid, daarbij gesteund door minister Colijn. De hindostanen en Javanen moesten niet langer als een betrekkelijk homogeen conglomeraat worden beschouwd, maar elk van hen diende als zelfstandige eenheid tot zijn recht te komen. Dit beleid heeft tot ernstige botsingen met de creolen geleid. Dat neemt niet weg dat de stemming in het land tijdens de oorlog steeds pro-Nederland en pro-Oranje is gebleven.

Het valt op dat Buddingh’ levendiger gaat schrijven wanneer hij het over het naoorlogse Suriname heeft. Hij hoeft zich dan ook niet langer te baseren op andermans oordeel, maar kan eigen inzicht meer ruimte geven. De grote lijnen van de gang van zaken mag ik bij geïnteresseerden in Suriname min of meer als bekend veronderstellen, maar de op- en neergang van de ontwikkelingsspiraal wordt door de schrijver kundig uit de doeken gedaan. Wel vind ik dat hij de verbroederingspolitiek van de creool Pengel en de hindostaan Lachmon iets te negatief belicht.

Deze politiek mag dan wel gebaseerd zijn geweest op het gezamenlijk verdelen van de buit (baantjes, vergunningen, percelen en dergelijke) onder etnische partijgenoten, wat in Suriname onder ‘regelen’ wordt verstaan, maar de tegenstelling tussen de beide groepen nam geen gewelddadige vormen aan, terwijl de Javanen een wippositie innamen. Wel kwamen de creolen door de economische en intellectuele opkomst van de hindostanen in een achterstandpositie te verkeren.

Onafhankelijkheid
De schrijver toont met cijfers en tabellen aan wat de invloed van de Nederlandse ontwikkelingshulp is geweest en laat zien dat deze vooral de grote Nederlandse bedrijven zoals Bruynzeel en Billiton ten goede is gekomen. In zijn beschrijving van het grote aandeel van de Amerikaanse (ALCOA) bauxietproduktie voor de Surinaamse economie verwijt hij de Nederlandse regering haar obstructie om voor Suriname een gunstiger resultaat te verkrijgen.

Bij de ook door Nederland gewenste onafhankelijkheid van Suriname valt het op dat voor het Nederlandse kabinet niet, zoals algemeen wordt verondersteld, het oproer in Curaçao de aandrang daartoe vergrootte, maar de bezorgdheid voor de immigratiestroom uit Suriname. De revolutie die geen revolutie was van Bouterse en de moorden op vijftien vooraanstaande Surinamers krijgen genoegzaam aandacht, evenals de daarop volgende binnenlandse oorlog tegen Ronnie Brunswijk.

De monetaire financiering die onder Bouterses bewind een grote omvang nam, heeft de financiële positie van het land ondermijnd. Ook nu de democratie is hersteld blijft er een militaire schaduwmacht bestaan. Buddingh’ spreekt in dit verband van een narco-cratie. De zelfweerbaarheid van de economie is geen stap dichterbij gekomen. Het is geen vrolijk toekomstbeeld dat hij oproept en hij maant bij financiële hulp uit Den Haag tot een middenweg: niet te soepel, want dat leidt tot inertie, niet te star, want dat wekt onvrede en frustratie op.

Hans Buddingh’, Geschiedenis van Suriname; 424 blz., geïll., Het Spectrum 1995, ƒ 39,90

Hugo Pos is schrijver en voormalig rechter in Suriname

[Uit NRC Handelsblad, zaterdag 12 augustus 1995]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter