blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Ketwaru Effendi

Boekenactie in Nickerie

Martin Panday

In Nickerie (inclusief Wageningen) kunnen alle leerlingen momenteel Surinaamse kinder- en jeugdboeken bestellen via hun school. Via de school hebben de leerlingen gratis een informatieve krant gehad waarin interviews met 10 Surinaamse schrijvers en informatie over 53 boeken. De geïnterviewde schrijvers zijn: Rappa, Effendi Ketwaru, Alphons Levens, Susan Leefmans, Anne Huits, Frits Wols, Nelius Codrington, Carla Sanichar, Martin Panday en Ismene Krishnadath. De leerlingen kunnen ook meedoen met een prijsvraag. De prijsvraag is een samenwerking van Dagblad Suriname en Publishing Services Suriname. Leerlingen kunnen een boekenpakket en een geldprijs kunnen winnen. Dit schooljaar zullen twee keer tien winnaars worden uitgeroepen.

Effendi Ketwaru

Portret van de Surinaamse schrijver en criticus Effendi Ketwaru (jr.), gemaakt door de in Suriname werkzame fotograaf Nicolaas Porter. Nr. 106 in de reeks fotoportretten die Porter in opdracht van de Werkgroep Caraïbische Letteren maakt. Klik op afbeelding voor groter formaat. Voor informatie kunt U mailen naar: nicolaasporter@hotmail.com. Wie de hele reeks wil zien kan hieronder klikken op het label Werkgroepportretten.

Badal: enige krabbels over kriebels

door E.N. Ketwaru

Badal, de hoofdfiguur uit de gelijknamige roman, behoort tot die onuitstaanbare mensen die we allemaal wel eens hebben ontmoet: figuren die elk gesprek aangrijpen om hun feitenkennis ten toon te stellen. Het zijn verbale spammers en je zou met liefde hun nek willen omdraaien. Het merkwaardige is dat Badal’s gesprekspartners – altijd vrouwen – hem blijven opzoeken om van zijn ‘prikkelende’ persoonlijkheid te genieten. En ook al leveren de vrouwen hier en daar wel kritiek op zijn intellectualisme, nergens laten ze merken dat ze hem een grote charlatan vinden. Want een charlatan is Badal natuurlijk wel omdat driekwart van zijn feitendiarree gestolen is van de essayist Anil Ramdas.

Reclame
Hier ga ik even buiten mijn boekje want het vervelende is dat Anil Ramdas zijn hoofdfiguur, Badal, ontworpen heeft met nadrukkelijke verwijzingen naar zijn eigen leven als essayist. Het boek schreeuwt als een dorpsomroeper om Badal’s leven te vergelijken met die van de schrijver Ramdas, met alle problematiek die zo’n vergelijking natuurlijk voortbrengt. En waar de essayist Ramdas zelf zijn lezers op den duur begon te vermoeien door zijn eeuwige verwijzingen naar het postmodernisme, naar Naipaul, Stuart Hall en Edward Said, valt het absoluut niet mee om voor de zoveelste keer, nu via Badal, met Ramdas’ stokpaardjes geconfronteerd te worden. Je slaat steeds sneller de bladzijden om in de hoop iets te lezen dat op een verhaal lijkt. Het boek, 412 forse pagina’s, laat zich daarom consumeren als een Amerikaanse tv-serie die om de tien minuten telkens door dezelfde reclame onderbroken wordt. Met wat huis- tuin- en keukenpsychologie ligt het voor de hand dat Badal zijn feitenkennis gebruikt om indruk te maken en om zijn eigen kwetsbaarheid te verhullen. Maar om een bos te beschrijven, hoef je als schrijver niet alle bomen op te noemen.

Cold turkey
Hier komt nog bij kijken dat de roman geen mensen van vlees en bloed heeft. Badal is niet alleen onuitstaanbaar als type, maar lijkt ook onbestaanbaar. Badal is net als Anil Ramdas essayist en alcoholist – beiden hindostanen, toe maar – en na zijn zoveelste beschamende dronkenschap besluit hij – Badal – om van zijn verslaving af te komen. Hij sluit hij zich drie dagen op in een hotelkamer om af te kicken. Als zijn vrouwelijke gesprekspartner hem kort daarna vraagt hoe het afkicken ging, zegt hij dat het in enkele dagen voorbij was, met de gebruikelijke verschijnselen, maar zonder enige kalmerings- of andere hulpmiddelen:
‘Na drie dagen was het over?’ vroeg ze.
‘Wat tremor, meer niet.’
‘En toen?’
‘Ik waste en schoor me, trok schone kleren aan ging naar een speciaalzaak en kocht een paraplu, een Senz Original. Vijfenvijftig euro, maar het weer in Zandvoort zal me niet kleinkrijgen.’
Zou je als lezer die Badal niet willen schieten? Al was het alleen maar om die gespeelde macho-achteloosheid waarmee hij zijn afkicken vermeldt om in een adem over te stappen op z’n speciale paraplu: shaken, not stirred.
Maar hoe komt een angsthaas als Badal erbij om radicaal – cold turkey – met drinken te stoppen? Iemand die alle feiten kent, hoort te weten dat het afkicken van alcohol zonder bijstand of hulpmiddelen levensbedreigend is. En waarom wijdt de schrijver aan zo’n kardinale daad in Badal’s leven slechts enkele regels? Bovendien ondervindt Badal nergens in het verhaal substantieel last van onthoudingsverschijnselen, hoogstens in het begin: ‘wat tremor, meer niet’. Badal is een medisch wonder.

Kriebels in de broek
Behalve een medisch wonder, is hij ook een kosmopoliet. Hij wipt van het ene werelddeel naar het andere alsof hij even iets gaat halen bij de supermarkt om de hoek, hij weet alles van kunst en cultuur, kortom, hij gilt het op alle bladzijden uit dat hij tot Het gilde van de culturele en intellectuele elite behoort. Ook vrouwen vallen hem dus ten deel. Maar hier wordt niet gewipt. Intellectuele Adonis die Badal is, bestaat zijn geslachtsdaad uit oeverloze gesprekken met de vrouwen die hijgend – maar slechts figuurlijk – aan zijn lippen hangen.
Op deze vrouwen valt wel het een en ander aan te merken. Ten eerste zijn de gesprekken met de vrouwen – die driekwart van het boek vullen – heel onrealistisch. Ze lijken op telefoongesprekken die Badal met zichzelf voert. De vrouwen krijgen geen eigen stem, geen eigen karakter, mee. Ramdas gebruikt deze gesprekken als een vehicle om wat variatie in de feitenbrij van Badal aan te brengen. Ten tweede zijn de verhoudingen met deze hoogbegaafde vrouwen onnatuurlijk kuis. Badal brengt nachten alleen met de vrouwen door, maar Badal wipt niet. Hij en zijn vrouwen filosoferen. Over films, over van alles en nog wat, in de meest elementaire vorm die Plato voor ogen had. Niks kriebels in de broek. Dan denk je als lezer: waarschijnlijk heeft Badal bij het bezwangeren van zijn vrouw – een op zich onbestaanbare daad – haar hijgend toegefluisterd: wist je dat de beste copulatie maximaal drie minuten duurt en dat zaadcellen een spiraalvormige weg… Badal is een mannelijk wonder.
Ootmoed
Niet alleen de personen zijn flinterdun, ook de plot is een Schots geschenk: Badal wil een essay schrijven over ‘white trash’. Om deze in grote getale bij elkaar te zien, bezoekt hij een concert waar vooral white trash op afkomt. Maar eenmaal daar heeft hij de ontnuchterende ervaring dat de concertbezoekers geen bloeddorstige, schuimbekkende randdebielen zijn, maar gewoon mensen die van muziek komen genieten. Sterker nog, hij ziet in dat het trash-gehalte een universeel element van de menselijke conditie is. Zo slaat Badals intellectuele hybris om in ootmoed. Maar niet voor lang, want al gauw pakt hij weer een glaasje, zij het een illusie armer waar hij uiteindelijk niet zonder kan leven.
Nu is de plot niet eens zo van belang, het gaat erom hoe Ramdas ons overtuigt van het onafwendbare van de handelingen en hoe de karakters zich ontwikkelen en elkaar beïnvloeden. Badal als roman ontbeert dit alles in hoge mate. Op zich is het mijden van en het neerkijken op al het aardse (zo kan Badal niet tegen zand, lichamelijkheid en gevoel) een belangwekkend thema. Ramdas schetst echter alleen de buitenkant. We krijgen nauwelijks zicht in Badals twijfels en worstelingen. De ontknoping dient zich zonder opgebouwde spanningsboog uit het niets aan als de dam van een stuwmeer die zonder waarschuwing doorbreekt. Het is echter te laat om de roman te redden. We hebben slechts een kleine vijftien bladzijden te gaan. Pas in deze bladzijden licht Ramdas een tipje van de sluier op: eindelijk krijgt Badal iets van een mens. Hier zou de roman moeten beginnen.

Het is jammer dat Ramdas zijn hoofdfiguur zo naar zijn eigen leven en naar de Nederlandse maatschappelijke realiteit volgens Ramdas, gemodelleerd heeft. Dit is niet eerlijk tegenover de lezer. Het dwingt hem tot dubbelspel: immers, waarom zo nadrukkelijk? Want alleen met het wel en wee van Ramdas en Nederland in ons achterhoofd, krijgt de roman, ten goede of ten kwade, wat reliëf. Alleen met de mens/essayist Ramdas die tussen de regels meefluistert: dit ben ik niet, dit ben ik wel, dit ben ik niet…, krijg je kriebels van het boek. En als Ramdas op zijn beurt in vraaggesprekken commentaar op zijn roman en hoofdpersoon levert, leidt dit tot dubbelspel van beide kanten. Postmodernistischer kan het haast niet.

Rest Ramdas. Waar staat hij nu met zijn debuut als schrijver? Hij schoot met zijn sprankelende essays als een komeet omhoog om daarna als een maan cirkels te blijven draaien om de intellectuele (blanke) elite van Nederland. Blijft hij zich blindstaren op ‘cultuur en beschaving’ als een hogere orde van mens-zijn of durft hij als een gewone boerenlul – waar Badal aan het einde van het boek niet in het reine mee kan komen – de aardse orde der dingen aan te vechten, zonder Naipaul c.s. aan te roepen? Dit zou een heel andere Ramdas opleveren. Een gerijpte, die het minder gaat om de indruk die hij maakt dan om wat en hoe hij wil uitdrukken. Hij zou misschien te rade kunnen gaan bij zijn complementaire vriend Stephan Sanders die met zijn inductieve essays veel minder aan de weg timmert. Maar voorlopig blijft Ramdas ons in zijn vijfsterrenrestaurant een smakelijke saus zonder snack serveren.

Badal is verschenen bij De Bezige Bij.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter