blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Juliana Elis

Cultuur Top Vijf 2013 Werkgroep (2)

Het eind van het volle jaar 2013 zit er bijna op. Caraïbisch Uitzicht vroeg alle leden van het Bestuur en de Adviesraad van de Werkgroep Caraïbische Letteren om hun top-vijf van culturele evenementen die zij het afgelopen jaar hebben bijgewoond of de beste boeken die zij lazen. Vandaag de tweede aflevering: Adviesraadslid, criticus en hoogleraar Wim Rutgers.

1.
De uitreiking van een eredoctoraat aan Elis Juliana door de University of Curaçao op 18 juni 2013.
2.
De uitreiking van de derde Premio Willem C.J. (Boeli) van Leeuwen op 10 oktober (de geboortedag van Boeli) aan Tanio Kross, Randal Corsen en Carel de Haseth voor onder meer de Papiamentstalige opera Katibu di shon.
3.
De overhandiging van de literaire nalatenschap van Luis H. Daal aan de Mongui Maduro bibliotheek op Curaçao op 5 oktober 2013.
Overhandiging literaire nalatenschap Luis H. Daal

 

4.
De vijfde tweedelige publicatie in rij van de proceedings van de Annual Eastern Caribbean Island Cultures Conference, een uitgave van de Fundashon pa Planifikashon di Idioma, de University of Curaçao en de Universidad de Puerto Rico, waaraan meer dan 75 lokale en internationale auteurs hebben meegewerkt.
5.
De presentatie van Uitgeverij In de Knipscheer op 8 september van niet minder dan vijf boeken tegelijk van Arubaanse en Curaçaose schrijvers: Giselle Ecury: De rode appel, Joseph Hart: Verkiezingsdans, Els Langenfeld: Porto Marie, Ronny Lobo: Bouwen op drijfzand, Jacques Thönissen: Onder de watapana

 

Boeli

V.l.n.r. Boeli van Leeuwen,.Chris Engels, Aletta Beaujon, W.F. Hermans, Cola Debrot, Elis Juliana.


door Ko van Geemert

Net las ik de ingezonden brief (25 november) van Rob van Buiren, onder de titel: ‘Nalatenschap Boeli niet naar Den Haag’. Hij schrijft: “Als een van de grote schrijvers van Curaçao, van de Nederlandse Antillen hoort de nalatenschap vanzelfsprekend op Curaçao thuis.” Zeker!

Er blijken ‘concrete stappen te worden ondernomen tot oprichting van een eigen Curaçaos literair museum’. In de afgelopen jaren waarin ik me verdiepte in de literatuur op en over het eiland stuitte ik niet op een dergelijk initiatief, maar blijkbaar heb ik iets gemist. Tot de komst van dit Curaçaos Literair Museum ben ik blij dat de nalatenschap van zo’n bijzondere, in het Nederlands schrijvende auteur in een mooi archief/museum terecht is gekomen, al is dat in Nederland.
Curaçao
[uit Amigoe, 26 november 2013]

Eerbetoon Elis Juliana

Op vrijdag 27 september organiseerde de Stichting Nos Baranka een eerbetoon aan de Curaçaose dichter Elis Juliana. In het Buurthuis Boschveldc in ‘s-Hertogenbosch werd een gevarieerd programma met sprekers en een film over het leven van Elis Juliana aangeboden. Helaas bereikte het persbericht deze blogspot te laat om tijdig te worden opgenomen.

Trommelgeesten (10)

door Fred de Haas
 
Curaçao
Voor het schrijven van onderstaande aantekeningen over het bestaan van Afro-religieuze ceremonies op Curaçao heb ik mij voor aanvullende informatie gewend tot mevrouw dr. Rose Mary Allen, Curaçaose onderzoeker en gastdocente aan de mr. dr. Moises Frumencio da Costa Gómez Universiteit (de vroegere UNA), de heer Richenel Ansano, directeur van het Nationaal Archeologisch en Antropologisch Museum en de heer Bob Harms, hoofdredacteur van Telecuraçao, die mij uitgebreid in hun kennis over dit belangwekkende onderwerp hebben laten delen. Ik ben hun hiervoor zeer erkentelijk. Hun informatie was zeer waardevol en zal in dit artikel worden verwerkt. Ook heb ik onlangs nog gesproken met de rechtshistoricus Bastiaan van der Velden die van 2006-2009 werkzaam was als hoofdmedewerker aan de – toenmalige –  UNA te Willemstad, Curaçao. In zijn boek over de rechtsgeschiedenis van Curaçao (Ik lach met Grotius en alle die prullen van boeken, 2011 Carib Publishing, Uitgeverij SWP Amsterdam) schrijft hij in hoofdstuk 15 over Afro-Curaçaose rituelen en de normatieve rol van populaire geloofsopvattingen.

 

Wat mij opviel was hun voorzichtige en respectvolle benadering van dit toch gevoelige onderwerp. Als ik hun woorden citeer of samenvat zal ik, waar dit relevant is, hun namen erbij vermelden.
Allen, Ansano en Harms hebben getracht een antwoord te formuleren op onderstaande (hier in verkorte vorm weergegeven) vragen:
          Heeft er in vorige eeuwen op Curaçao in enige vorm een Afro-Caribische eredienst bestaan die te vergelijken is met, bijvoorbeeld, de Vodou in Haïti of de Santería in Cuba? Bedoeld wordt een eredienst (c.q. ceremonieel) die met de slaven is meegekomen in de 17eeeuw of later.
          Zo niet, wanneer hebben Vodou-achtige erediensten op Curaçao hun intrede gedaan onder invloed van, bijvoorbeeld, religieuze erediensten uit Haïti (Vodou) en Venezuela (María Lionza)?
          Wat is de invloed hiervan op de bevolking?
De antwoorden op de eerste vraag geven een verdeeld beeld te zien. De heer Ansano verwijst o.a. naar een verslag uit het Archief NWIC van 20 november 1788, waarin vermeld wordt dat een aantal Curaçaoënaars zich schuldig hebben gemaakt aan ‘toverij of geheime konsten’ en ‘giftmenging’, waarvoor zij door Justitie in 1788 worden veroordeeld en gestraft met geseling en verbanning van het eiland. Zij hadden hun praktijken volvoerd in ‘zeekere danshuyzen […] alwaar met singuliere gewaden als ook bellen, trommen en instrumenten gedanst en gespeeld wierd, mitsgaders beesten geslacht, het bloed gestort en met mais gekookt, om aan omstanders uyt te deelen en andere diergelyke vreemde dingen meer […]’ ( zie ook A.M.G. Rutten, Magische Kruiden in de Antilliaanse folklore, Erasmus Publishing, Rotterdam 2003, p. 91 t/m 93).
Het betrof hier duidelijk een bijeenkomst in een waarschijnlijk openbaar toegankelijk danshuis buiten de muren van de stad in Otrobanda. De hele gebeurtenis draagt een Vodou-achtig karakter. Er zullen ongetwijfeld meer van dat soort bijeenkomsten zijn geweest, maar duidelijkheid hierover is er niet. Het rechtvaardigt mijns inziens niet de conclusie dat er een gestructureerd en regulier soort Afro-Caribische godsdienst op het eiland zou hebben bestaan.Wellicht komen er nog eens andere documenten boven water die meer licht werpen op dit soort zaken.
Scène uit de film Tula
De heer Harms vermeldt de ceremonie van het drinken van de ‘Awa di Huramentu’ aan het begin van de opstand van Tula in 1795, een plechtigheid die op een Afrikaanse oorsprong wijst. Iets dergelijks had in Haïti plaatsgevonden in 1791 toen de slaven in Haïti in opstand kwamen tegen het Franse gezag. Ik ben het met hem eens dat er in die tijd ‘tenminste de kennis aanwezig was van belangrijke elementen van rituelen en ceremonies’. Maar ook dat rechtvaardigt niet de conclusie van het bestaan van gestructureerde Afro-achtige erediensten. Zowel Ansano als Harms bevelen verder onderzoek aan.
Rose Mary Allen is het meest uitgesproken in haar opvatting dat er ‘voor zover de bestaande onderzoeken uitwijzen’ op Curaçao ‘vroeger geen gestructureerde godsdiensten in de vorm van Santería (Cuba), Vodou (Haïti en Santo Domingo) etc. bestonden. In haar proefschrift verwijst zij wel naar geïsoleerde gevallen van beschuldigingen van hekserij.
Een agáng, muziekinstrument gemaakt van een
versleten ploegschop en bespeeld met een metalen
staafje. Uit Sambumbu 2, van Paul Brenneker

 

Brua / Brujería(= o.a. het verrichten van ‘magische’ handelingen)
Hoewel de term ‘Brua’ een veel voorkomende en haast niet te vermijden manier is om ‘goede of slechte magische handelingen’ uit te drukken, verdient het aanbeveling om voorzichtig met die term om te gaan. Rose Mary Allen schrijft in haar artikel ‘Hende a hasi malu p’e’ (mensen hebben iets slechts met hem/haar gedaan) over volksgeloof in de Curaçaose cultuur dat ze heeft aangeboden op het International Congress ‘Quality of Psychiatric Care in the Caribbean’ (oktober 2009) het volgende (niet helemaal letterlijk): ‘vanwege de negatieve lading die de term ‘brua’ in de samenleving heeft, gebruiken de beoefenaars een minder beladen term als ‘trabou di misterio’ (mysteriewerk) en de specialisten noemen zichzelf ‘trahadó di misterio’ (mysteriewerkers) en geen ‘hasidó di brua (brua-plegers)’.
Ansano vindt het een non-probleem, ziet geen verschil tussen ‘brua’ en het Curaçaose ‘montamentu’ (waarover meer hieronder), en Harms verbindt brua zijdelings aan religieuze ceremoniële bijeenkomsten.
Het is een wat verwarrende terminologie, maar laten we eerlijk zijn: een ‘milieuverzorgster’ blijft een werkster, een ‘milieumedewerker’ blijft een vuilnisophaler en een ‘arbeidsreservist’ blijft een werkloze. Laten we er niet al te moeilijk over doen.
Borstbeeld Paul Brenneker. Foto © Guus Kokx
Het onderwerp ‘Brua’ in de Amigoe di Curaçao
Het zou te ver voeren om alles wat er ooit aan rijp en groen over Brua is geschreven in de Amigoe in het kader van dit artikel te behandelen. Ik zal slechts enkele meningen naar voren halen uit kranten die verschenen zijn in de tweede helft van de 20e eeuw.
Degene die veelvuldig heeft geschreven over ‘Brua’ (en vele andere zaken die de Curaçaose volkskunde betreffen)  is Pater Paul Brenneker (1912-1996) met wie ik het voorrecht heb gehad kennis te maken in de jaren 60. Samen met Elis Juliana was Brenneker een van de grootste verzamelaars van oude Curaçaose verhalen en artefacten. Hun werk kan niet genoeg worden geprezen.
In de Amigoe van 17 december 1965 schrijft Brenneker dat de meeste opvoeders, geestelijken zowel als leken, de neiging hebben te doen alsof het fenomeen ‘Brua’ niet bestaat, terwijl het verschijnsel toch diep geworteld is in de beleving van de Curaçaose bevolking. De brua-makers zelf vinden dit uitstekend omdat ze liever niet in het centrum van de belangstelling staan. Dat zou hun ‘praktijken’ alleen maar schade toebrengen. En die praktijken bedreigen, aldus Brenneker, de geestelijke volksgezondheid. Brenneker pleit er overigens voor om de ‘Brua’ goed te bestuderen. Verbieden werkt, zo schrijft hij, alleen maar averechts.
Op 8 februari 1966 wijdt hij opnieuw een stuk in de krant over Brua. Het is de moeite waard hem hier even letterlijk te citeren:

 

‘Brua leeft meer in de stad en de omgeving van de stad dan op de knoek. Meer op Bandariba dan op Bandabao, en meer op Bonaire en Aruba dan op Curaçao. Er bestaat een lichte vorm van Brua: geluksmiddelen, voortekens en amuletten. Hieraan doet wel bijna iedereen zo min of meer. En het is de vraag of al deze praktijken volkomen onredelijk zijn. Sommige hebben enige grond van bestaan. Daarnaast bestaat de zware Brua. Deze wordt intens beleefd. Ze is overheersend in iemands levenshouding en er is grof geld mee gemoeid. Praktisch kan men wel zeggen dat Brua die veel geld kost, altijd oplichterij is. Een gunstige bodem voor Brua is de innerlijke onzekerheid die we toch wel als een volksmanco moeten erkennen voor de bewoners van deze eilanden. Brua belooft oplossing, belooft zekerheid en maakt de onzekeren onzekerder dan ooit. En zo blijft de vicieuze cirkel intact. En ook de bron van inkomsten voor de bruamakers. De waas die de Brua omgeeft is haar bescherming: hoe vreemder en raadselachtiger hoe beter. De bruaman geeft zijn geheimen niet prijs, anders gooit hij zijn eigen ruiten in; hij zou inboeten aan gezag. En wie brua ondergaat, is er niet spraakzaam over, uit angst voor de gevolgen, voor wraak’.
RK kerk van Barber, Curaçao. Foto © De Vries.

 

Tot zover Pater Brenneker die niet bang was om te zeggen wat hij ervan dacht. Laten we niet vergeten dat Pater Brenneker een priester was, die, hoewel controversieel in de ogen van zijn superieuren, toch deel uitmaakte van het hiërarchisch geordende katholieke systeem dat gewoon was alles te bestrijden wat buiten de grenzen van de door de katholieke kerk gestelde regels ging. En Brua viel natuurlijk heel duidelijk buiten die regels.
Wie een idee wil krijgen van de wijze waarop Pater Brenneker in het leven stond kan de Amigoe Kerstkrant van 23 december 1991 er eens op naslaan. Daarin staat ook dat Brenneker met toestemming van de brua-maker ‘montamentu’ ceremonies heeft bijgewoond. Het boeide hem, wat zijn bedenkingen ertegen ook waren, in hoge mate.
Vier mensen die in trance zijn geraakt door tambú, geschilderd door Elis Juliana.
Uit Sambumbu 2 van Paul Brenneker

 

Op 9 juni 1973 staat er een stukje in de krant over Rhonnie Sillé en zijn toneelstuk Até, ata zoembie (= Kijk, daar heb je een zombi). Daarin zegt de auteur in een interview dat Tambú (Afrikaans geïnspireerde zang en dans. In Brennekers ‘Sambumbu’ no. 2 van 1970 kunt u op bladzij 494 een mooie tekening zien waarop Elis Juliana vier mensen heeft geschilderd die in trance zijn geraakt tijdens een tambú bijeenkomst) en Montamentu (‘bezetenheid’) onverbrekelijk zijn verbonden met de Curaçaose cultuur en dat deze fenomenen daarom alleen al respect verdienen. Sillé: ‘[…] ik heb voordat ik mijn stuk schreef zeer veel van deze Montamentu ceremoniën meegemaakt. En ik heb er keer op keer gezien hoe ongelooflijk veel kracht en een enorme troost een groot deel van onze bevolking hieruit kan putten’.
Maar, zo gaat hij verder, ‘er zijn natuurlijk altijd negatieve punten te vinden zoals de bewering dat gehaaide personen het geloof van de mensen in de Montamentu uitbuiten door ze af te zetten.
Sillé is dus genuanceerder in zijn opvattingen dan Brenneker. Overigens zegt Sillé wel heel eerlijk in hetzelfde stukje dat ook hij, gelovig als hij is, zijn twijfels heeft bij het verschijnsel Montamentu.

 

In 1988 schrijft Pablo Walter een stuk in de Kerstkrant (Kerstkrant, Bonaire, Katern D van 28-12-1988) over Brua. Hij schrijft voornamelijk over ziektes die door magische krachten als Brua zouden kunnen worden veroorzaakt (zwarte magie, dus). Ook hij dringt aan op nader onderzoek naar het doen en laten van traditionele genezers. Niet alles moet negatief worden geduid, aldus Walter. In het beste geval zijn de bonafide genezers een soort ‘volkspsychologen’ die nuttig werk kunnen verrichten bij het genezen van psychosomatische ziektes. Op deze opvatting zal ik aan het eind van dit artikel nog nader ingaan.
[wordt vervolgd]

Antilliaans boekenfestijn

Op zondag 8 september vindt er een Antilliaans boekenfestijn plaats in het Amsterdamse Podium Mozaïek, met de schrijvers Jopi Hart en Ronny Lobo uit Curaçao, Jacques Thönissen uit Aruba en Giselle Ecury, muzikaal omlijst door Izaline Calister.
Izaline Calister. Foto © Michiel van Kempen
Een gevarieerd Antilliaans schrijversprogramma met film, voordracht, lezing, interview en muziek rond hun nieuwe boeken bij Uitgeverij In de Knipscheer. In het programma wordt kort stilgestaan bij het overlijden op Curaçao van Els Langenfeld en Elis Juliana in juni van dit jaar, en via hen bij ‘150 jaar afschaffing slavernij’.
Presentatie: Franc Knipscheer | interviews: Peter de Rijk | zangeres Izaline Calister wordt begeleid door gitarist Ulrich de Jesus.
Plaats: Podium Mozaïek
Bos en Lommerweg 191, Amsterdam
Datum: zondag 8 september 2013
Aanvang: 15.00 uur
Prijs online/voorverkoop   € 5.00
prijs (deur)   € 7.50

Heeft Elis Curaçao verlaten?

door Fred de Haas
Het antwoord op deze vraag kan en mag niet anders dan ontkennend luiden.
Elis Juliana heeft zoveel moois nagelaten dat de mensen van zijn land nog lang, nog héél lang zullen kunnen putten uit datgene wat er aan zijn geest ontsproten is.
Elis Juliana en de kunstenaar Tirzo Martha. Foto © Michiel van Kempen

 

Elis was een ernstig mens. Je ziet hem zelden lachend op een foto staan. Had zijn moeder hem niet geleerd dat je mensen die altijd lachen met gepast wantrouwen moest bekijken? Zeker, maar dat zou hem niet beletten met een binnenpretje en een milde, nauw verholen glimlach het wel en wee van het Curaçaose volk, zijn volk, te aanschouwen en van commentaar te voorzien.
Hoewel Elis Juliana eerlijk was in zijn kritiek zorgde hij er voor dat niemand zich beledigd hoefde te voelen door wat hij zei. Daarin onderscheidde hij zich van zijn dichterlijke evenknie Pierre Lauffer voor wiens scherpe tong de mensen toch wat bangig waren.
Wat Elis zo bijzonder maakt en wat hem onderscheidt van andere dichters is het onweerlegbare feit dat hij in zijn werk niet zozeer met zichzelf bezig is als wel met de ander. Met de ander, die hij iets wilde leren, die hij een hart onder de riem wilde steken, die hij op zijn donder gaf als het moest, ongeacht rang of stand, die hij wilde leren dat de Curaçaose geschiedenis niet een geschiedenis is van kolonialen en aangepasten, maar op de eerste plaats de geschiedenis van een volk dat honderden jaren geleden van huis en haard verdreven was en zich moest zien te redden op een eiland waar het nog nooit van had gehoord. Met als enig bindmiddel een aan het Portugees ontsproten taal, het Papiaments, en vergezeld van flarden Afrikaans cultuurgoed dat door de blanke overheerser, deels uit angst en deels uit een misplaatst superioriteitsgevoel, eeuwenlang verguisd zou worden.
Het is de verdienste van Elis dat hij kans heeft gezien van die nood een deugd te maken. In het Spaans zegt men dit zo beeldend: ‘hacer de tripas corazón’ (van ingewanden een hart maken).
Aan het ontwerp van zo’n hart heeft Elis een heel leven lang gewerkt en hij heeft het gevormd uit de elementen die hij vond in de cultuur van zijn volk. Hij zou zijn moedertaal tot grote hoogte brengen en het Curaçaose volk juwelen van gedichten en verhalen in het Papiaments schenken, verhalen en gedichten die hij met zijn sonore stemgeluid tot onnavolgbaar leven zou brengen.
Elis Juliana met prozaschrijfster Myra Römer
Maar luisterde zijn volk ook naar wat hij in wezen te zeggen had? Of wilde het alleen maar worden betoverd door die welluidende klanken? Juliana was er daar zelf niet al te optimistisch over. Toch bleef hij, als een goede schoolmeester, steeds wijzen op de weg die naar het betere zou kunnen leiden. Maar daarvoor was het nodig dat iedereen de handen uit de mouwen stak. Hij aarzelde dan ook niet om commentaar te leveren als de mensen in dit opzicht in gebreke bleven. Wilden ze weten wat hun probleem was? Nou, dat zou hij hun vertellen in ‘Reproche’ (Verwijt): ‘nan ta floho, malkriá, nan ke biba bida dushi, blo papia, zundra, reklamá…sin ta move ni sikiera un pida dede pa trabao’ (ze zijn lui, slecht opgevoed, ze willen een lekker leventje leiden van kletsen, schelden en eisen stellen… zonder een vin te verroeren). Ook dát was Elis. En je hoefde ook niet bij hem aan te komen met schijnheilige praatjes. Hoe moeilijk het ook is om de waarheid onder ogen te zien, kom ermee voor de dag en wèg met het gezegde ‘Berdat no ta haña stul pa sinta’ (de waarheid krijgt geen stoel om op te zitten)!
Ook de politiek krijgt ervan langs. Volksverlakkers en oplichters zijn het met hun mooie praatjes. Juliana houdt iedereen een spiegel voor: de geestelijkheid die via de godsdienst het volk eronder houdt, de moeders die in de opvoeding de jongens voortrekken boven de meisjes, de ‘liefde’ van de zoons voor hun moeder die groter lijkt dan ie in werkelijkheid is…
Zijn we van binnen niet arm en hebben we aan de buitenkant niet slechts een hoop poeha?
Elis Juliana voordragend

 

Maar Elis is vooral mild. Hij begrijpt zoveel. Hij begreep de oude mensen die nog steeds met de angst en onzekerheid leefden die zij in de slaventijd hadden verinnerlijkt, de slaventijd, waarover zij liever niet spraken, in tegenstelling tot wat er gebeurt in onze tijd, waarin iedereen zich laat meevoeren op de vleugels van de waan van de dag en het jaar en zijn zegje doet over de slavernij omdat het immers 150 jaar geleden is dat de slaven ‘vrij’ zijn geworden…
Voor Elis en voor vele – bewust levende – anderen was de slaventijd altijd al aanwezig. Af en toe dook die tijd op in de verhalen die hij optekende, samen met zijn grote vriend Paul Brenneker, uit de mond van de ouderen: ‘katibu ta galinja, mi mama, katibu ta galinja, hm.’ (slaven zijn net kippen, mamma, net kippen, hm…).
In 2003 schreef hij: ‘wat nog maar een paar eeuwen geleden is gebeurd en wat ik, zelf afkomstig uit Afrika, nooit zal kunnen vergeten en wat tot op de dag van vandaag mijn bloed vergiftigt, is de vernedering die Europese piraten – men leze: ook de Hollanders – de gekochte, gestolen of gevangen slaven hebben doen ondergaan door hen met een letter te brandmerken met gloeiend ijzer op de kust van Fort Elmina’.
Elis Juliana was een bewust levend mens. En hij was niet haatdragend. Hij was niet uit op een mentale afrekening met de oude kolonisator die zich nauwelijks bewust was van wat er zich in het verleden had afgespeeld.
Elis is dood. Ongetwijfeld zullen er artikelen komen waarin zijn verdienste voor de kunst en de literatuur breed worden uitgemeten. Vooral zijn ritmische gedichten zullen weer eens duchtig worden afgestoft en voorgedragen. Terecht.
Maar ik denk dat Elis – ondanks de waarschuwing van zijn moeder –  een lach van blijdschap op zijn vergeestelijkt gelaat niet zou kunnen onderdrukken als hij zou zien dat zijn volk begon na te denken over zichzelf en over de houding die het tegenover de ander zou moeten innemen. Een houding die Elis zijn leven lang heeft voorgeleefd. Als mens, als gentleman, als kunstenaar.
Elis bleef zijn humor tot het laatst toe behouden.
Het was in de maand juli van het jaar 2012, dat Elis zijn dochter Magali een handgeschreven gedicht liet brengen naar Lucille Berry met het verzoek om het in de computer op te slaan en het voor te dragen op zijn begrafenis. Kort daarna zei Lucille tegen Elis: ‘hoe weet jij nu wie er het eerst gaat?’ Elis zei: ‘wacht nou maar op me tot die dag.’ Waarop Lucille antwoordde: ‘maar ze gaan lachen als ik dit voorlees!’
‘Dat is precies de bedoeling’, antwoordde Elis.
Het gedichtje zelf is een illustratie van hoe Elis was: eenvoudig, tevreden en verzoend met de onvolkomenheid van het bestaan. Geen haiku die vaak de volkomenheid van de wereld in een notendop tracht te vangen, maar een senriyu, dichtkunst van het volk, een genre dat zijn naam ontleent aan het pseudoniem waarmee de 18e eeuwse Japanse dichter Karai Hachiemon zijn verzen ondertekende: wilgentak. Even buigzaam, vasthoudend, eenvoudig en zacht als de rietstengel van Pascal. Als de pen van Elis Juliana.
U heeft het gedicht kunnen horen op zijn begrafenis. Het is gegaan zoals hij wilde. Maar vrijwel niemand lachte.
Senriyu
Den mi bohio
mi ta felis ku den
kualke palasio.
Ami por subi
mi zamba for di ora
solo ta baha.
Henter anochi
mi por move bai-bini
na mi antoho,
sin stroba ningun
dama ni kabayero
riba nan kabai.
Drenta mi baño
hasi kuantu bochincha
ku mi deseá,
habri frishidèl
klap un mushi ‘bendita’
gloria mi kurpa,
pa porfin mi lèg
maske ta na madoa
te den mardugá.
Elis Juliana, yüli di 2012
Gedicht op z’n Japans
Wat ben ik toch gelukkig
in mijn huisje!
Ik hoef geen groot paleis.
Ik kan gaan liggen
als de zon
weer ondergaat.
De hele avond
kan ik redderen
wat ik wil,
ik stoor geen mens,
geen amazone en geen ridder
te paard.
Ik loop mijn badkamer in,
maak net zoveel lawaai
als ik zou willen,
ik doe de ijskast open,
neem dat ‘godzalig’ neutje,
sla een kruis.
Dan kan ik eindelijk rusten,
misschien alleen wat soezen
tot het ochtend wordt.
Vertaling: Fred de Haas


Klik hier voor een VPRO-interview over Elis Juliana met Fred de Haas

Elis Juliana: Een man van eenvoud en diepgang

door Quito Nicolaas

Elis Juliana

Hij is er niet meer, de kleurrijke dichter in de Curaçaose literatuur. Niet geheel onverwacht nam dichter Elis Juliana afscheid van dichtersland. Over zeven weken zou hij op 8 augustus 86 jaar zijn geworden, maar dacht afgelopen zaterdagnacht dat het nu mooi was geweest. Als jong volwassene moest hij een avontuurlijke man zijn geweest, weetgierig en beschikte over grote mensenkennis. Als dichter vertolkte hij de rol van boodschapper en spreidde de vrijheids-gedachte in woord en daad ten toon. Elis Juliana was een veelzijdige kunstenaar, veranderlijk en progressief van geest, maar wist dat er ooit een einde aan dit bestaan zou komen. Vandaag neemt het volk afscheid van zijn Dichter des Vaderlands.

Juliana begon op latere leeftijd met dichten; in een levensfase die de ruimte bood om terug te blikken. Hij debuteerde op 2 mei 1957 – op 30-jarige leeftijd – voor een groot publiek in het Roxy Theater. Eerder reciteerde hij z’n gedichten voor de radio en was alleen daarom reeds bekend. Elis Juliana was een voortreffelijke voordrachtkunstenaar die met zijn mimiek en pantomime het publiek meekreeg, die   later werd opgevolgd door dichters als Gibi Basilio. Bij het voordragen van een gedicht zag je de beelden van het Curaçaose landschap, de Curaçaoënaar en de verwikkelingen op het eiland voorbij komen. Zijn gedichten werden gedragen door ritmische geluiden en klanknabootsingen die hij uit het Papiamentu uitputte.

De gedichten van Elis Juliana kunnen niet onder een algemene term gekarakteriseerd worden, omdat ze zo divers van aard zijn. Als een antropoloog wist hij het geweten van het volk aan de kaak te stellen door deze te vertalen in zijn poëzie. De thema’s die hij behandelde hadden bijna allemaal betrekking op de verschillende facetten van het individu en de Curaçaose samenleving. Schrijver Jules de Palm zei ooit het volgende over de gedichten van Elis Juliana:  “Deze kunstenaar houdt de gemeenschap een spiegel voor: hij schildert typen die iedereen wel eens ontmoet moet hebben, die dit gemeen hebben, dat zij de luisteraar of lezer om de een of andere wijze vertederen.”

Ondanks dat hij als kind zonder een vader moest opgroeien, kun je nergens in zijn gedichten een stuk wrok of verslagenheid merken. Hij had die werkelijkheid als kind  beleefd, verwerkt en geaccepteerd, maar wist dit gemis op latere leeftijd op een positieve manier om te buigen. Deze handelswijze verklaart tevens de kijk die de dichter had op de samenleving: niet pessimistisch, ook niet sarcastisch of cynisch, maar een beetje ironisch over het lokale gebeuren en maar hopen dat het later allemaal goed komt. De humor in zijn gedichten is dan ook meer ironisch bedoeld.

Terwijl Pierre Lauffer de charmeur was die in een melancholische bui zijn gedichten schreef, wist Elis Juliana hem en de alom geprezen Joseph Sickman Corsen, te overtreffen door een nieuwe koers te gaan varen. En dat was Elis Juliana aardig gelukt, daar hij het publiek met zijn gedichten een uitlatingsklep bood.

Groot was de verrassing toen in 2003 zijn zoon Egbert Juliana aan de schrijfwedstrijd Proza en Poëzie van Stichting Simia Literario deelnam. Dit betekende een eerste stap om in de voetsporen van zijn vader te treden. Hij had er niet lang over gedaan om het gedicht op papier te krijgen en kon het gemakkelijk uit zijn mouw schudden. Op zich een prachtig gedicht met hier en daar enkele sporen van de meester dichter Elis Juliana. Bij het lezen van het gedicht herkende je meteen de Juliana-benadering: eenvoud, ironie en de ingesloten boodschap. Het gedicht werd geselecteerd voor de long-list, maar uiteindelijk had de vakjury een andere keus gemaakt.
Elis Juliana was minder bekend om zijn prozawerk. Hij schreef voornamelijk kinder-verhalen, kinderliedjes en korte verhalen.  Hoe religieus zijn korte verhalen – bijv. Luangu: Djo-Wili-Patagan – in de tegenwoordige tijd mogen worden gekwalificeerd, echter ze zijn van grote historische waarde. In een ander verhaal E Congrenis debota (Echa kuenta:98-99) gaat het om een jong meisje die zeer devoot is en geloofde in het bezoek van Christus. In feite betrof het haar witte prins op de paard die vermomd als Christus dichterbij haar wilde zijn. In kort bestek behandelde Juliana in dit verhaal, behalve het goede en kwade in de mens, ook de grensverleggende initiatieven en extreme poging waartoe men in staat is.
Naast zijn dichterschap verrichte hij werkzaamheden samen met Pater Paul Brenneker  die van onschatbare waarde zijn. Al in de tijd dat hij verbonden was bij de AAINA, was Juliana begonnen met de eerste opgravingen op het eiland. Hij was echt een mens die de eigen cultuur een warm hart toedraagt en ging op bezoek bij ouderen om meer te weten te komen over de tradities in het verleden en gewoontes in de volkswijken.

Een van de gedichten die jaarlijks zal terugkeren en worden voorgedragen is die van San Nicolas, i pobresa [Sinterklaas en armoede]. De tegenstelling tussen rijk en arm in de Curaçaose gemeenschap en de wensdroom van een kind.

Niet alleen was zijn oeuvre onderwerp van studie geweest, die ons toegang verschaft tot een diepgaander begrip van zijn poëzie. Maar Juliana verkreeg de nodige erkenning voor zijn werk op het culturele-literaire vlak: in 1973 ontving hij de Cola Debrot prijs, een Koninklijke onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau, een Zilveren Anjer (2008) en in Cuba nam hij de Jose Maria Heredia onderscheiding in ontvangst. Door de verkregen prijzen en onderscheidingen is hij altijd een eenvoudig mens gebleven, zonder enigerlei kapsones. Zoals Elis Juliana op de avond dat hij zijn eredoctoraat in ontvangst nam zelf zei: “Mijn hele leven heb ik geprobeerd om het Curaçaose volk te verheffen. Of het mij is gelukt, is niet aan mij om te zeggen.”

Twee gedichten van Martinus Lutchman (Shrinivási)

In memoriam Elis Juliana
Elis Juliana             es artista kurasoleño
                                es artista di former Nederlandse Antillen
                                es de Reino Holanda
                                es artista caribensis
                                es artista suramerikano
                                es artista del henter mundo
                                es artista interplanetario
                                es artista de galaxies di nos solo
                                es artista simple i sublime
                                es artista terestre i eterno
                                es artista sin limite i sin fin
Elis                          es
M.N. Lutchman
hermano tuyo eterno
pais Kòrsou
23/6/2013
In memoriam Elis
nu ben je van ons
heengegaan
zon en de wind en zee
verkondigen
je lof en leven
in jeugd en volk
je toekomstig voortbestaan
M. Lutchman

Elis Juliana – Poëzie/Poetry

Bola [Crystal Ball]

Den mi bola di kristal
mi ta mira den futuro.
Den mi orea sapu ta yora
un kantika di mizeria.

Mi ta mira mi próhimo
disfrasá na eskeleto
lorá den klechi di papel
ta kana tene muraya.
Mi ta mira un pareha
ta gatia subi trapï Kranshi.
Madrina a keda ‘bou ta pela
kabaron di awa dushi.
Mi ta mira un entiero.
Kuater homber ku machete
ta karga morto di moral
lorá den blachi’ ramakoko.
Mi ta mira kakalaka sali
fo ‘i pipanan frusá di Isla.
Un imáhen kibrá ta parti
komunion pa totolika.
I den fondo leu ayá
lamá di dignidat a seka.
Nos ta hunga ‘tapa kara’
hasi bergwensa ta pa Dios.
[Papiamentu]

In that crystal ball of mine
I see the things in store for me.
The toad is singing in my ears
a song of troubling misery.

I see my neighbor
in a frame disguised
wrapped in a blanket of paper
groping along the wall.
I see a pair of lovers
creeping up the stairs to Town Hall.
The maid-of-honor remains below
peeling fresh water shrimps.
I see a funeral.
Four men with choppers
bearing the corpse of morality
wrapped in palm fronds.
I see the roaches emerge
from SHELL’s rusty pipes.
A broken image handing out
communion to patient ground doves.
And in the distance far away
the sea of dignity has run dry.
We play together blindman’s buff
and pass the shame onto the Lord.
Translated by Frank A. Williams
 
 
Foto © Bea Moedt
 

Bekita [Bekita ]

Bekita dams a kanga shimis
pronka drenta sal’i balia
k’un finura k’un koketa
kada paso na su tempu
kada zoya na midí
Békitá! Békitá!
Békitá! Békitá!

Hernan dí: E dams akí
ai ta flor pa hasi bunita;
yena sala ku pèrfume
hari saka djent’i oro
zoya renchi di makurá
Békitá! Békitá!
Békitá! Békitá!
Ma or’un pachi prufiá
a bai lamantá Bekita
pa é tuma’den k’e tumba
el a keda babuká
kon e mosa tantu lesma
por a para serená
Békitá Békitá
pa kén b’a mirá
Békitá Békitá
pa kén b’a tumá
Békitá Békitá
Békitá Békitá

[Papiamentu]

Lady Bekita lifted up her skirt
And stalked into the ballroom
With a smile, with coquetry
With calculated steps
And complete body control
Bekita, Bekita,
Bekita, Bekita.

The gentlemen said:
This lady is just a pretty flower
filling the room with its perfume
smiling and showing her golden teeth
And swinging her red coral earrings
Bekita, Bekita,
Bekita, Bekita.
But when a gutsy old man
Dared to invite Bekita
To join him in the tumba,
He was flabbergasted
That such a delicate lady
Could sway her hips in total abandon:
Bekita, Bekita,
For whom did you take
Bekita, Bekita
Who did you think she was
Bekita, Bekita
Bekita, Bekita
Bekita, Bekita

Translated by Aart G. Broek
 
Elis Juliana has contributed much to the discovery and development of Papiamentu as a literary language. A prolific writer and artist, his books of poems are POI I, POI II, and POI III.
Frank A. Williams lives in his native Aruba where he has taught English and has been the Minister of Education. He has published two collections of short stories, one historical work, one collection of poetry, and one novel.
[from Callaloo 21.3 (1998) 576-577]

Ultimo Karta Ompi Elis Juliana



Video aki ta dedika na mi amiga Mayra Wallé-Juliana i famia… Riba e fecha 23 juni 2013 – Jeritza Eisden

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter