blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Jansen van Galen John

Avond van de Bijzondere Journalistiek

Tot en met 27 mei kunt u zich nog aanmelden voor de ‘Avond van de Bijzondere Journalistiek’ op donderdag 4 juni. read on…

Lijvige biografie Arron vooral voor fijnproevers

door John Jansen van Galen

Vandaag viert Suriname Onafhankelijkheidsdag. Henck Arron geldt als de vader van de Surinaamse onafhankelijkheid. Onlangs verscheen zijn biografie. read on…

Mallemolen van Surinaamse personages en hun namen (1)

door William L. Man A Hing

Aangenomen kan worden dat de verrommeling van Surinaamse namen en persoonsgegevens door een vloed van publicaties op gang is gekomen na de opstand van 1980. Dat daarbij niet steeds zorgvuldig wordt omgesprongen met gegevens van bekende actoren laat een kleine bloemlezing zien. read on…

Boekencafé in Amsterdamse Academische Club

Boekencafé 27 t/m 31 januari
In de laatste week van januari is iedereen welkom in het Boekencafé: vijf avonden achtereen gesprekken met topschrijvers in de Amsterdamse Academische Club. De week heeft het thema ‘de zeven hoofdzonden’. Het Boekencafé opent op maandag 27 januari met Jan Siebelink. Toegang gratis.
Het Boekencafé is nieuw in Amsterdam: een week lang, van maandag 27 t/m vrijdag 31 januari, gesprekken met schrijvers:
–              maandag 27 januari Boekencafé 1: Een verrassend herengesprek tussen Jan Siebelink en John Jansen van Galen.
–              dinsdag 28 januari Boekencafé 2: Poëzie en beeldende kunst verenigd in boek: Anton de Goede in gesprek met Menno Wigman en Diana Scherer.
–              woensdag 29 januari Boekencafé 3: Het succes van culinaire boeken: Yvette van Boven in gesprek met Harold Hamersma en Janneke Vreugdenhil.
–              donderdag 30 januari Boekencafé 4: Caraïbische letteren: Michiel van Kempen in gesprek met Karin Amatmoekrim en Stephan Sanders.
–              vrijdag 31 januari Boekencafé 5: Ode aan Bernlef, schrijver en jazzliefhebber. Met live muziek en Bernlefs teksten over jazzmuziek.
Michiel van Kempen. Foto ©Reza Djoric

 

Maandag t/m vrijdag: 27, 28, 29, 30, 31 januari 2014
Tijd: elke dag vanaf 17.00 uur:
• 17.00 uur inloop
• 17.30 uur start gesprek
• 18.30 start gesprek met de zaal
• 18.45 uur borrel en 19.15 uur Clubschotel (optioneel)
Adres: Amsterdamse Academische Club, Oudezijds Achterburgwal 235, Amsterdam
Toegang gratis: iedereen welkom.
Wel graag aanmelden: klik hier 
of hier
Vera de Kort

 

Het Boekencafé is een initiatief van Boekface en is geprogrammeerd door Vera de Kort.

Jansen van Galen: niet-moralistisch, weinig comparatief

Rosemarijn Hoefte
door Rosemarijn Hoefte
.
John Jansen van Galen heeft een kwartet boeiende Surinameboeken op zijn conto staan: Kapotte plantage, Hetenachtsdroom, Het Suriname-syndroom en Laatste gouverneur, eerste president. Nu is er dan de pil getiteld Afscheid van de koloniën, waarin de auteur het Nederlands dekolonisatiebeleid onder de loep neemt. ‘Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit lang aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de onafhankelijkheid over de toekomt van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?’ (p. 18). De kernvraag is: deed Nederland het inderdaad zo beroerd als vaak wordt beweerd?
Om deze vraag te beantwoorden, heeft Jansen van Galen een wel erg lange aanloop nodig over kolonisatie en dekolonisatie in Azië en de Caraïben. Over de laat-koloniale periode merkt hij op dat het Nederlandse kolonialisme vanouds eerder gekenmerkt wordt door paternalisme, ‘waarbij men van bovenaf in detail de zaken voor de inlanders wilde regelen … dan door verstokt kolonialisme’ (p. 570). Het lijkt mij dat paternalisme (the white man’s burden) een onlosmakelijk deel is van het kolonialisme en geen separaat verschijnsel. In deze hoofdstukken buitelen de gebeurtenissen soms over elkaar heen, vooral in de wat vlakke en traditionele delen over Indonesië; in de stukken over de Antillen en met name Suriname voelt de auteur zich zichtbaar beter thuis en heeft zijn beeldende schrijfstijl de overhand. Helaas maakt hij geen verbindingen tussen de ervaringen en het koloniale beleid in Oost en West, terwijl er toch wel aanknopingspunten zijn. Zo schrijft Jansen van Galen over de ‘ethische intentie’ van gouverneur Lely’s goudspoorlijn (p. 146), zonder een duidelijke lijn te trekken naar de ethische politiek die begin twintigste eeuw opgang deed in Nederlands Indië. En in hoeverre is het beleid van gouverneur Johannes Kielstra beïnvloed door zijn ervaringen in Indië?
Na 516 bladzijden zijn we beland bij de ‘onbetaalde rekeningen’ van het Nederlandse dekolonisatiebeleid, zoals zwarte piet, de TV serie over de slavernij, de kwestie-Rawagede, de levering van Nederlandse tanks aan Indonesië, en het officiële Nederlandse beleid jegens  president Bouterse. De auteur somt allerlei episodes tot eind 2012 op, maar komt uiteindelijk niet veel verder dan te constateren dat dit de naweeën zijn van een onvoltooide dekolonisatie. Het zou interessant zijn dit soort incidenten en processen in een internationaler perspectief te plaatsen: wat zijn de Britse, Franse, Belgische, Spaanse en Portugese ervaringen op dit terrein?
De verovering van de Nieuwe Wereld
De kernvraag die de auteur in de inleiding stelt − was het Nederlandse dekolonisatiebeleid zo slecht als vaak wordt beweerd − wordt beantwoord in het laatste hoofdstuk ‘Slotsom’ (pp. 556-577). Jansen van Galen begint met de herinnering aan een interview met voormalig premier Willem Drees in 1980. Drees wees op de ervaringen van Groot-Brittannië in India/Pakistan, België in Congo en Frankrijk in Algerije en Indochina om te constateren dat Nederland het zo gek nog niet had gedaan. Jansen van Galen is het met hem eens. Met zijn verfrissende, niet-moralistische kijk benadrukt hij de onderlinge tegenstellingen en strijdigheden van het Haagse beleid. Hij verklaart fundamentele discrepanties in het beleid door te wijzen op Nederlands pragmatisme, gericht op eigen belang op korte termijn waarbij principes of algemene richtinggevende uitgangspunten geen rol speelden, ‘al werd het beleid tegenover de buitenwacht doorgaans verdedigd met een stellig beroep op beginselen’ zoals democratie, rechtszekerheid en het waarborgen van mensenrechten (pp. 564-565). Het beleid werd geschraagd door financiële afwegingen en het behoud van prestige en machtspositie. Maar in hoeverre week /wijkt dit beleid dan af van andere West-Europese koloniale machten? Ik had ook graag een diepere analyse gelezen over hoe de ervaringen met de Indonesische dekolonisatie wel of geen een rol hebben gespeeld in Suriname of in hoeverre Surinaamse ontwikkelingen de constitutionele verhoudingen tussen Nederland en de Antillen hebben beïnvloed. Van mij had het slotakkoord uitgebreider en comparatiever mogen zijn, eventueel ten koste van de voorgaande hoofdstukken.
 
Afscheid van de koloniën is oorspronkelijk geschreven als proefschrift, de auteur heeft er echter voor gekozen zijn promotie niet door te zetten. In deze publieksvriendelijke versie ontbreken noten en verwijzingen, maar op p. 18 wordt vermeld dat de ‘wetenschappelijke academische versie’ inclusief noten online beschikbaar is. Merkwaardig genoeg leverde de genoemde link geen hit op.
 John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën; Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam: Atlas Contact, 2013. 608 p., ISBN 978 90 254 3530 1, prijs € 44,95.
[uit Oso 2013, nr. 2]

Nederlands dekolonisatieproces ambitieus beschreven

door Walter Lotens
.
Op de cover van Afscheid van de koloniën worden twee geografische kaarten bij elkaar gebracht. Het zijn Indonesië en Suriname, twee voormalige Nederlandse koloniën. De eilanden die vroeger de Nederlandse Antillen heetten, staan er niet op, want daarvan heeft Nederland nog niet volledig afscheid genomen. In het Nederlandse koloniale rijk ging ooit de zon nooit onder: als bij de vuurtoren op de westpunt van Aruba het donker inviel, werd het op Nieuw-Guinea alweer licht en was ook in Nederlands-Indië al een nieuwe dag aangebroken.
De Nederlandse dekolonisatie duurt al meer dan zestig jaar en is nog altijd niet voltooid. Daarover heeft de Nederlandse journalist John Jansen van Galen Afscheid aan de koloniëngeschreven dat eerst als academisch werkstuk bedoeld was, maar dat uiteindelijk en gelukkig voor vele lezers een journalistieke publicatie is geworden. Het is een monumentaal werk van meer dan 600 pagina’s over Nederlandse (de)kolonisatie geworden.
John Jansen van Galen (o.a. de Haagse Post, Het Parool, De Tijd, VPRO-radio) is vooral bekend als kroniekschrijver van meer dan veertig jaar Surinaamse geschiedenis. Kapotte plantage, een Hollander in Suriname(een verzameling zeer persoonlijk getinte artikels over Suriname), Hetenachtsdroom (over het Surinaamse nationalisme), Het Suriname-syndroom (over het beleid van de Partij van de Arbeid) en Laatste gouverneur en eerste president (over een biografie van Johan Ferrier, die voor en na de onafhankelijkheid in Suriname het hoogste ambt bekleedde, wat een unicum moet zijn in de wereldgeschiedenis) zijn de belangrijkste titels. Ook andere delen van het Nederlandse koloniale rijk bezocht hij uitvoerig en daaruit ontstond Ons laatste oorlogje. Nieuw-Guinea: de pax Neerlandica (over de diplomatieke kruistocht en de vervlogen droom van een Papoeanatie) en De toekomst van het koninkrijk (over de dekolonisatie van de Nederlandse Antillen).
“Een neger uit Zuremane!”
Voor zijn generatie die kort na de Tweede Wereldoorlog school liep – Jansen van Galen (°1940) groeit op in Velp, op de oostelijke Veluwe -, bestond alleen Nederlands-Indië. “En van Soekarno en de Indonesiërs wilden we kachelhoutjes maken,” riep hij samen met zijn schoolkameraadjes. In zijn voorwoord beschrijft hij de tijd van toen: “In de klas hing een prent aan de wand van een blanke militair, sabel opzij, die in de zonsopgang op zijn paard zit aan de rand van een sawah. Een Javaanse boer plant, beschermd door het koloniale leger, zijn rijst. We moesten de kaart van het tropische eilandenrijk uit ons hoofd leren, compleet met de snoeren van eilanden: Bali, Lombok, Soembawa, Soemba, Flores.” (p. 9) Ook ik, twee jaar jonger dan John Jansen van Galen, werd in die periode doordrongen van het kolonialisme maar dan in een Antwerps schooltje waar wij de kaart van Belgisch Congo moesten bestuderen.
De jonge Jansen van Galen hoorde natuurlijk ook over Suriname spreken. “Er komt een neger uit Zuremane!” jubelde een klasgenoot op een dag bij het uitgaan van de school en de volgende middag paradeerde door het handwerklokaal een zwarte man uit Suriname in een donker drieledig kostuum, die zichzelf ‘bosneger’ noemde en voordeed hoe hij een emmer water op zijn kroeskop kon dragen zonder een druppel te morsen.” (p. 11)
Journalistiek onderzoek
Jansen van Galen studeerde in 1965 af in de politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit van Amsterdam en ging al snel aan de slag als journalist. Zo bezocht hij in 1970 voor het eerst het rustige Suriname, vijf jaar voor de onafhankelijkheid. Hij zou er blijven komen en erover schrijven. Meer dan veertig jaar lang. Hij kent “Zuremane” als zijn broekzak en ook de Nederlandse Antillen waren hem niet vreemd. Hij keerde  zijn blik ook vaak naar de oostelijke rijksdelen van het Nederlandse koloniale rijk, met name Nederlands-Indië en Papoea Nieuw-Guinea.
Op het einde van zijn journalistieke carrière gaat John Jansen van Galen nogmaals de wetenschappelijke toer op en begint aan een dissertatie over de dekolonisatieprocessen bij de verschillende Nederlandse koloniën als guest researcher bij het Instituut voor Migratie- en Etnische Studies verbonden met de Universiteit van Amsterdam. In 2011 komt het manuscript klaar, wordt na herwerkingen door de promotiecommissie goedgekeurd, maar ten slotte besluit de auteur er toch niet op te promoveren. Dat vermeldt Jansen van Galen terloops in zijn verantwoording achteraan, maar hij gaat niet dieper in op zijn beweegredenen. Dat is ook niet ter zake voor de geïnteresseerde lezer die met deze journalistieke benadering een zeer leesbare en unieke publicatie voorgeschoteld krijgt. Zijn uitgangsvragen voor het schrijven van dit boek waren legio: “Waarom had Nederland in de Oost een geleidelijke dekolonisatie nagestreefd en moest de West (Suriname) een kwarteeuw later zo spoedig mogelijk onafhankelijk worden? Waarom wilde het Indonesië achterlaten als een federale staat en wees het voor de Antillen de federale staatsvorm af? Waarom maakte het zich, tot op de rand van oorlog toe, sterk voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s maar ontzegde het dit land aan de Arubanen? Waarom ijverde het voor een volksstemming over de toekomst van Nieuw-Guinea, maar wees het een referendum over de onafhankelijkheid van Suriname van de hand?” (p.18)  Het boek is een zoektocht om de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid te verklaren en vooral naar de hamvraag: deed Nederland het zo slecht?
Drie lijvige delen
Afscheid van de koloniën is een beschrijving van het Nederlandse kolonisatiebeleid tussen 1942 en 2012 en bestaat uit drie lijvige delen die chronologisch zijn opgebouwd. Om te weten hoe Nederland zijn koloniën is kwijtgeraakt, moeten we eerst weten hoe de Nederlanders er aan gekomen zijn. Dat doet Van Galen in deel I ‘Het ontstaan van het Nederlands wereldrijk’. Zoals ook in de twee volgende delen maakt de auteur een zeer brede schets van de ontwikkelingen zowel in de oostelijke als westelijke Nederlandse rijksdelen, wat hem in staat stelt de grote verschillen tussen die twee werelden te duiden. In de Oost hadden de Nederlanders te maken met hoogontwikkelde culturen waar in de jaren dertig van vorige eeuw al zestig miljoen mensen woonden. De Caraïbische eilanden en Suriname aan ‘de wilde kust’ daarentegen waren zeer dun bevolkte gebieden – minder dan een half miljoen inwoners – waar ook veel minder kolonialen woonden. In de Oost volgde Nederland een beleid van associatie, terwijl in de West-Indische kolonies assimilatie van de bevolking nagestreefd werd. “Het zou te arbeidsintensief en kostbaar zijn om de bevolking van Nederlands-Indië – bijna dertig miljoen zielen – in de westerse geest te scholen. De massa wordt daarom in haar eigen, traditionele levenssfeer gelaten. Jansen van Galen: “Zo wordt het idee van associatie geboren uit praktische overwegingen, maar ook ligt er waardering, respect een soms ontzag voor inheemse cultuur en religie aan ten grondslag.” (p. 142) Ook op het vlak van taalgebruik is de aanpak anders. Terwijl in de Oost het Maleis, ontstaan als mengvorm van lokale talen, de lingua franca wordt, is dat in Suriname het Nederlands. Nederlands-Indië was ‘de kurk waarop Nederland dreef’ terwijl de Nederlanders de kwijnende gebieden in de West liever kwijt dan rijk waren. “Dat kan voor een deel verklaren waarom Nederlanders zo moeilijk en met zoveel pijn afscheid namen van Indië en zo gemakkelijk, zonder wroeging, van Suriname, en waarom zij ook vandaag nog maar al te graag afscheid zouden nemen van de Antilliaanse eilanden,” besluit de auteur.
In deel II beschrijft Jansen van Galen de ondergang van het Nederlandse imperium. De Tweede Wereldoorlog heeft, zoals overal ter wereld, ook het dekolonisatieproces van het Nederlandse imperium versneld. Daarvan was zich ook koningin Wilhelmina bewust en daarvoor verwijst Jansen van Galen naar haar historische radioredevoering vanuit Londen op 7 december 1942.  De koningin verklaarde in haar toespraak dat het in de bedoeling lag van de Nederlandse regering om na de bevrijding een rondetafelconferentie bijeen te roepen voor ‘gezamenlijk overleg over een voor de veranderende omstandigheden passende bouw van het koninkrijk’. Intentioneel wilde Nederland een geleidelijk dekolonisatiebeleid doorvoeren voor de oost, maar Soekarno stak daar een stokje voor door in 1945 eenzijdig de onafhankelijkheid af te roepen. Van Galen gaat uitvoerig in op de twee ‘politionele acties’ die in de jaren daarop volgden waarbij het Nederlandse leger geen geweld schuwde tegen de Indonesiërs. In Suriname liep het heel anders. De toenmalige regering-Den Uyl wilde na de afgang in Indonesië een voorbeeldige dekolonisatie realiseren en op de manier waarop dat in 1975 is gebeurd, valt volgens hem weinig af te dingen.
In het derde deel van dit boek onder de titel “De ongewilde vestiging van een postkoloniaal koninkrijk” gaat Jansen van Galen uitvoerig in op de zes koloniën in de West – in feite gaat het om kleine eilanden in de Caraïben – die ofwel een status aparte hebben ofwel als een gewone Nederlandse gemeente worden beschouwd. Hoe moet het verder daar? Hoe moet het verder met de aanzienlijke groep postkoloniale immigranten die zich in Nederland hebben gevestigd? Naar schatting wonen er ongeveer 450.000 Indische Nederlanders, 330.000 Surinamers, 130.000 Antillianen en ruim 40.000 Molukkers in Nederland.
Geen eenduidige conclusie
Op het einde van zijn lange rit benadrukt Jansen van Galen dat hij niets voelt voor een moralistische benadering van schuldbelijdenis en zelfbeschuldiging. “Geschiedenis,” zo eindigt hij, “is nooit eenduidig.” En dat gaat volgens hem ook op voor het Nederlandse dekolonisatiebeleid: “Het is in Indonesië ontspoord in laakbare gewelddaden, heeft de Papoea’s achtergelaten met teleurgestelde verwachtingen en in Suriname, ondanks de beste bedoelingen, een begin van chaos geschapen. Maar ook heeft het geprobeerd in Indonesië een toekomstbestendige vorm van federalisme ingang te doen vinden, met het Statuut voor het Koninkrijk een postkoloniaal rijk op basis van gelijkwaardigheid geschapen en het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s tegen de klippen op verdedigd.” (p. 577)
Afscheid van de koloniën is een rijk boek en dat maakt het een recensent niet gemakkelijk.  Meer dan veertig jaar kennis én journalistieke ervaring op het terrein laten zich niet in enkele regels samenvatten. Het dekolonisatieproces dat hij beschrijft is niet alleen het resultaat van veel studie maar ook van veel persoonlijk beleven. Voor dat laatste putte hij uitvoerig uit eerder werk, dat hij naadloos weet in te passen in het groter historisch geheel. Afscheid van de koloniën is een ambitieuze onderneming van een gedreven journalist die naar mijn smaak cum laude in zijn opzet is geslaagd. Daarom is het jammer dat er een schoonheidsfoutje is blijven staan: de Parijse Commune dateert immers niet van 1891 (zie p. 98) maar van 1871, maar dat doet natuurlijk niets af aan de waarde van dit werk dat misschien gelukkig niet in de academische sfeer is blijven hangen, want door de zeer goede journalistieke pen van de auteur zal dit werk veel meer lezers aantrekken. Dat hoop ik althans.
John Jansen van Galen, Afscheid van de koloniën, Atlas/Contact, Amsterdam/Antwerpen,2013, 606 blz, ISBN 9789025435301, prijs: € 44,95.

Debat Afscheid van de koloniën

Amusement voor de KNIL-soldaten in Indonesië
Waarom moest Indonesië geleidelijk en Suriname halsoverkop onafhankelijk worden? Waarom waagde Nederland zich op de rand van een oorlog voor het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, dat het niet gunde aan Aruba? Waarom eiste Den Haag een volksstemming over de staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea en weigerde het die aan Suriname? Zestig jaar al neemt Nederland afscheid van zijn koloniën. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10-10-2010 kwam er nog geen eind aan. John Jansen van Galen beschreef de dekolonisaties in de Oost en de West met al hun tegenstrijdigheden, goede voornemens en faliekante gevolgen in Afscheid van de Koloniën.
John Jansen van Galen schreef eerder Kapotte plantage. Een Hollander in Suriname (1995) en Hetenachtsdroom (2000), over het Surinaamse nationalisme.
Dr. Guno Jones, senior onderzoeker verbonden aan het Migration and Diversity Centre (Vrije Universiteit Amsterdam) gaat met hem in debat.
Datum: 2 juni 2013, van 15.00-17.30 uur
Plaats: Vereniging Ons Suriname, Zeeburgerdijk 19-21, Amsterdam

Een Nederlandse visie op dekolonisatie

door Jerry Egger

John Jansen van Galen heeft meer dan 600 bladzijden nodig om in zijn recent verschenen boek, Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942 – 2012, te beschrijven hoe Nederland afstand deed van de meeste gebieden die het in de 17de en latere eeuwen wist te veroveren. Hij liet zich leiden door zijn centrale vraag: hoe de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid zijn te verklaren. Verder stelt hij de geladen vraag of zijn geboorteland het werkelijk zo slecht heeft gedaan. (p. 19) Soms geeft hij tot in de kleinste details weer hoe het eraan toeging en soms zijn het de grote lijnen. Het is wel steeds de Nederlandse visie. Bronnen uit de gebiedsdelen zijn maar weinig geraadpleegd. In de recente periode, vooral die na de jaren ’70 van de 20ste eeuw, kan hij gebruik maken van zijn eigen ervaringen als journalist die op reis ging naar Indonesië en de West en daar vaak leidende politieke hoofdrolspelers wist te interviewen.
Het vraagt veel uithoudingsvermogen om zo’n 577 bladzijden aan tekst door te nemen en dan nog de literatuurlijst (11 pp.) om te zien welke bronnen wel en welke niet zijn opgenomen. Het register (12 pp.) biedt de mogelijkheid om snel te zien waar de voornaamste spelers in dit hele proces voorkomen in het boek. Uiteindelijk heeft hij heel wat stof aangedragen om ermee in discussie te gaan, van mening te verschillen en andere dan de eigen conclusies te trekken. De nadruk in deze recensie ligt voornamelijk op ontwikkelingen in de West en minder op Indonesië, terwijl het laatste, zeker in de eerste helft van het boek, in ruime mate wordt beschreven.
Hoewel hij aangeeft dat de periode 1942- 2012 wordt behandeld, gaat hij terug in de tijd om het ontstaan van het Nederlandse koloniale rijk te verklaren. Bovendien geeft hij zijn eigen achtergrond. Die komt bekend voor: opgroeien in een klein dorp, Nederlands-Indië centraal stellen in het denken over de koloniën, studeren in Amsterdam en daar terecht komen in de linkse beweging, zelfs een relatie krijgen met een bekende Surinaamse schrijfster en meer van dergelijke ontboezemingen. Je zou hieruit de voorzichtige conclusie kunnen trekken dat Jansen van Galen zichzelf de beroerdste niet vindt om over dekolonisatie te schrijven. De contemporaine periode komt uitgebreid aan bod waarbij politici die nog in leven zijn, worden beschreven. We kennen allemaal de lange tenen van Caraïbische politici. Het zit wel goed in dergelijke handen gelet op zijn achtergrond.
Volgens Jansen van Galen begint het dekolonisatieproces op een nauwkeurig vast te stellen tijdstip. Het is 6 december 1942 wanneer de in ballingschap levende koningin Wilhelmina zich richt tot haar onderdanen vanuit Londen. Na de oorlog belooft zij een rondetafelconferentie waarbij het koninkrijk zal worden aangepast. Tot in de kleinste details vertelt de auteur hoe de rede tot stand is gekomen. Hij weidt uit over de aanval op Pearl Harbor precies een jaar voor die toespraak en geeft en passant ook nog aan dat Feyenoord van Ajax won in Rotterdam. Waar was de redacteur, vraag je je af, die de schrijver een klopje op de schouder gaf en vriendelijk zei dat het leuke details zijn, maar het rode potlood er doorheen haalde, want dat scheelde weer anderhalve bladzijde. Als het consequent was gedaan had dat een behoorlijk afgeslankte publicatie opgeleverd.
Een punt van discussie is de datum die Jansen van Galen gebruikt. De toespraak van Wilhelmina is het Nederlandse moment van dekolonisatie. In de voormalige koloniën kunnen andere tijdstippen worden gegeven. Als verzet een wezenlijk onderdeel is van de geschiedschrijving dan hebben in het geval van Suriname de marrons zich veel eerder vrij verklaard van de kolonisator. Curaçao kan het voorbeeld van Tula aanhalen die al uiting gaf aan de drang naar vrijheid. Dit wordt rigoureus door de auteur van de hand gewezen. Slavenopstanden waren in zijn ogen niet revolutionair maar hadden vaak meer te maken met heilsbewegingen. Latere nationalisten zoals Eddy Bruma en Helmin Wiels op Curaçao zouden de leiders van de opstanden ‘gebombardeerd’ hebben tot ‘boegbeelden van nationalisme en strijd voor onafhankelijkheid.’ (p. 76) Het is al eerder gezegd; dit is een Nederlandse visie op dekolonisatie. Er is weinig ruimte voor lokale perspectieven, initiatieven en opvattingen.
Van Galen gaat uitgebreid in op de voorlopers die tot 1942 probeerden de officiële Nederlandse opvattingen over de overzeese gebieden te beïnvloeden. Overdaad schaadt. Een selectie had beter gewerkt. De nadruk ligt bijna volledig op Nederlands-Indië. De West wordt in enkele alinea’s, soms enkele bladzijden, afgedaan. De couppoging van Killinger stelt niet veel voor en eigenlijk is hij een ‘operettefiguur’. (p. 129) Hierbij haalt hij de ‘Surinaamse’ historicus Hans Ramsoedh aan. Het is interessant dat hij expliciet verwijst naar de nationaliteit, iets wat hij niet doet bij andere historici. Waarom? Legitimeert dat de kwalificatie van Killinger? Als hij in de Surinaamse kranten van 1910 en 1911 had gekeken, was hij misschien tot een andere conclusie gekomen. Er bestond overweldigende belangstelling voor het proces want deze poging had behoorlijk wat losgemaakt in een kolonie die nauwelijks in de belangstelling van het moederland stond. Maar voor Jansen van Galen heeft ook dit geval niks te maken met dekolonisatie.
Lezers die niet veel weten van Nederlands-Indië worden door Jansen van Galen ingelicht over het opkomende nationalisme waarbij de islam een belangrijke rol speelt. De eerste helft van de 20ste eeuw is van belang om te begrijpen wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurt. Verschillende nationalisten krijgen hun opleiding op Europese scholen of gaan zelf naar Europa. Een korte biografische schets van de latere leider Soekarno (pp.165-166) geeft een goed beeld van de ontwikkeling die hij doormaakt en hem uiteindelijk tegenover de kolonisator zal plaatsen. Vooral geschiedenislessen maken hem duidelijk dat de Nederlandse visie op de ontwikkelingen in zijn land wordt gepredikt terwijl de opstand van de Javaanse prins Diponegoro in Atjeh ‘als laaghartig verraad wordt voorgesteld.’ (p. 166) Deze schetsen die van meerdere spelers in het dekolonisatieproces worden gegeven, werken goed in dit boek. Er zijn ook portretten van onder anderen Henck Arron en Betico Croes.
De nadruk in het boek ligt op ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog. Het onbegrip over en weer speelt een belangrijke rol in het dekolonisatieproces. In het laatste hoofdstuk staat een interview uit die tijd met Willem Drees. Hij kijkt terug op de situatie in Indonesië en vraagt zich af of het anders had gekund. Nederland vond Soekarno na de oorlog een collaborateur met de Japanners. Hij pleegde voortdurend woordbreuk en de manier hoe alles verliep, inclusief de politionele acties, was onvermijdelijk. (p. 556) In zijn ogen had Nederland het zo slecht niet gedaan. Dat is juist het probleem. Er bestaat geen goede of succesvolle dekolonisatie omdat er geen goede of succesvolle verovering van gebieden bestaat. In het eerste deel van het boek suggereert Jansen van Galen min of meer hetzelfde: ‘Zo gaat het koloniale debat in Nederland steeds over het “beheer”, nooit over het “bezit” van koloniën.’ (p. 95)
In het geval van de verschillende Caraïbische eilanden verloopt het proces niet zoals Nederland het graag zou willen. Daar wil het juist heel graag de gebieden afstoten, maar de eilanden staan niet te springen om onafhankelijk te worden. Bovendien maken de Verenigde Staten zich zorgen over wat er zal gebeuren als Nederland zich terugtrekt. Op pagina 479 somt Van Galen problemen van vooral Curaçao en Sint Maarten op: corruptie, dubieuze financiering van projecten, vriendjespolitiek, verstrengeling van belangen en zo meer. Streep de twee Caraïbische eilanden door en zet enkele Zuid-Europese landen daarvoor in de plaats. Dekolonisatie is geen proces dat netjes verloopt.
Ten slotte een voorbeeld met betrekking tot Suriname dat veel zegt over de manier waarop Van Galen kijkt naar dit proces. Hij beschrijft de bouw van het Onafhankelijkheidshotel om gasten in november 1975 op te vangen. Deze bouw werd niet voltooid en uiteindelijk brandde die af, ‘en nog meer dan twintig jaar zal de geblakerde ruïne er in toenemende staat van aftakeling staan. Als het niet zo voor de hand lag zou je het symbolisch noemen.’ (p. 389) Helaas maakt hij zijn verhaal niet af. Uiteindelijk is het gebouw gesloopt. Daar staat nu Royal Torarica, helemaal op eigen kracht ontworpen, gefinancierd en opgezet. Dit laatste past niet in het plaatje van Suriname als het voorbeeld van een mislukte dekolonisatie.
John Jansen van Galen: Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2013. ISBN 978 90 254 3530 1

Afscheid van de koloniën

De dekolonisaties van Nederland in Oost en West, 1942-2010
door John Jansen van Galen
Op 10 oktober 2010 werden de Nederlandse Antillen opgeheven. Maar zijn daarmee de problemen opgelost? De dekolonisatiegeschiedenis van Nederland lijkt een gebed zonder end, met een uiterst grillig verloop. Nederland heeft zijn koloniale politiek altijd verdedigd als een beleid dat werd gedicteerd door vastgestelde beginselen, maar volgens Jansen van Galen werd het in feite steeds bepaald door de nationale belangen van het moment. Hij beschrijft de wisselvalligheden, goede intenties en kortzichtigheid van een kolonisator. Of: hoe het Nederlandse kolonialisme, begonnen als het ‘grootste avontuur’ van de natie, langzaam sputterend als een nachtkaars uitgaat.

Afscheid van de koloniën is geen proefschrift. Dat zou het aanvankelijk wel worden, zoals ook openbaar is aangekondigd, reden waarom ik meen te moeten verantwoorden dat het zover niet gekomen is. Misschien had ik een al te romantische voorstelling van wat een proefschrift moet zijn: verrassende vergezichten, onomstotelijk bewezen stellingen, onweerlegbare, scherpzinnig geformuleerde oordelen. Dat was het allemaal net niet. Opeens leek het mij te pretentieus om er op te promoveren, met alle pomp en praal van dien. Dan maar niet. Ik heb het naar vermogen omgewerkt tot een gewone-mensenboek en hoop maar niet dat de academische herkomst nog door de tekst schemert. Het oorspronkelijke goedgekeurde proefschrift staat hier.

Afscheid van de koloniën. Amsterdam: Contact, 2013. 516 pagina’s. ISBN 978902543530 1

Afscheid van de koloniën

Op zaterdag 2 februari 2013 vindt de boekpresentatie van Afscheid van de koloniën van John Jansen van Galen plaats. Waarom moest Indonesië geleidelijk en Suriname halsoverkop onafhankelijk worden? Waarom waagde Nederland zich op de rand van een oorlog ter wille van het zelfbeschikkingsrecht van de Papoea’s, dat het echter niet gunde aan Aruba? Waarom eiste Den Haag een volksstemming over de staatkundige toekomst van Nieuw-Guinea en weigerde het die aan Suriname?

Het Autonomiemonument op Curaçao. Foto RNW
Zestig jaar al neemt Nederland afscheid van zijn koloniën. Met de opheffing van de Nederlandse Antillen op 10/10/2010 kwam er nog geen einde aan. John Jansen van Galen beschrijft de dekolonisaties in de Oost en de West met al hun onderlinge tegenstrijdigheden, goede voornemens en faliekante gevolgen. Zijn dit ‘zwarte bladzijden’ of deed Nederland het per saldo ‘zo gek nog niet’?

Bij de presentatie wordt John Jansen van Galen geïnterviewd door Hans Goedkoop. Van Galen is journalist en werkte bij de Haagse Post en voor de VPRO en tegenwoordig voor Het Parool en het radioprogramma Met het oog op morgen van de NOS. Hij schreef boeken over Suriname, Nieuw-Guinea, de jaren zeventig en een aantal biografieën.

Hans Goedkoop is historicus, biograaf en literatuurcriticus en presentator van Andere Tijden, het historische televisieprogramma van NTR en VPRO. Vorig jaar verscheen van hem De laatste man over zijn grootvader die vanaf 1948 als officier en later bevelhebber diende in Indië.

Afscheid van de koloniën verschijnt bij Atlas-Contact, paperback, 608 blz., € 45,00

zaterdag 2 februari 2013 | 16:00 – 18:00 uur | Boekhandel Schreurs & De Groot, Weteringschans 173, Amsterdam

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter