blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Jansen Ena

Menselijke natuur? Herinnering, ecologie en esthetiek in hedendaagse Afrikaanse letterkunde

Literair symposium met Marlene van Niekerk in het kader van de Week van de Afrikaanse roman

Vaak wordt de natuur als een fenomeen gezien dat buiten jezelf ligt, iets dat van een afstand kan worden beschouwd en bezongen. Maar, zoals ook Timothy Morton in Ecology Without Nature aangeeft, bevordert een dergelijke externe visie geenszins een constructieve beleving van wat hij “omgeving” noemt. Op welke manier kan de literaire esthetiek een rol spelen in het creëren van een beeld waarin de omgeving niet langer als een achtergrond voor het menselijk bestaan wordt gezien? read on…

Week van de Afrikaanse roman

Van 16 t/m 25 september 2016 vindt in Nederland en Vlaanderen de Week van de Afrikaanse roman plaats. Dat wordt uitgebreid gevierd, ook in het Letterkundig Museum. Op 24 september kunt u in het museum terecht voor een feestelijke bijeenkomst. read on…

Afscheidscolloquium en afscheidscollege Ena Jansen

Op 17 juni 2016 wordt het symposium Bijna familie; Else Böhler, de baboe, Martha, Anna, Florence, de downstairs en Sophie gehouden ter gelegenheid van het afscheid van prof. dr. Ena Jansen als bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam. read on…

(Post)koloniale literatuur nu ook pluricontinentaal bekeken

 
door Karwan Fatah-Black
Op het omslag van Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature, geredigeerd door Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen,  prijkt een kaart met daarop prominent een windroos in beeld en een tekening van een zeventiende-eeuws scheepje. Het vaartuigje oogt weifelend; hoewel het vóór de wind lijkt te gaan, wappert een van de zeilen doelloos langs de mast. Aan de randen van de kaart zien we drie onherkenbare continenten.
De bundel is een verzameling essays waarin verschillende auteurs pogingen doen om de Nederlandse koloniale literatuur en geschiedenis te bezien vanuit een pluricontinentaal perspectief. Daarmee verschuiven de auteurs de verteltrant richting de veelheid aan verbindingen en relaties die er ontstonden als gevolg van de Nederlandse kolonisatie in de Amerika’s, Afrika en Azië. In plaats van de nog steeds dominante nadruk op de relatie en verhouding tussen kolonie en kolonisator, zoeken de auteurs juist naar de verbindingen tussen ‘Oost’  en ‘West’. Deze opzet is geslaagd. Hoewel dergelijke bundels vaak maar moeizaam tot coherentie en eenheid komen, lukt het in Shifting the Compass wel degelijk overtuigend een stap voorbij het postkolonialisme te zetten.
V.l.n.r. Olf Praamstra, Adriaan van Dis, Ena Jansen
Naast de academische artikelen die de hoofdmoot van de bundel vormen, verzorgen Adriaan van Dis en Giselle Ecury aan het begin en het einde van het boek een persoonlijke reflectie op het thema. Van Dis doet dat vanuit zijn rijke ervaring in postkoloniale literaire kringen, om te eindigen met een bespiegeling over wat postkoloniale schrijvers heeft verbonden: ervaringen met racisme, discriminatie, maar vooral ook het onderzoek naar de Nederlandse cultuur en het verschil met het eigene. Ecury schetst een genealogische geschiedenis die reikt van de Antillen tot Duitsland en die eindigt rond de opening van een museum in het gebouw dat ooit haar overgrootmoeders shap (winkel) was. De twee stukken leggen sterk de nadruk op levenslopen en familiegeschiedenissen, wat ook een aantal andere artikelen in de bundel kenmerkt. Naast dergelijke ‘microgeschiedenissen’ biedt de bundel ook onderzoeken naar koloniale inspiratiebronnen voor Nederlandse literatuur, en meer historische bijdragen.
Het is uiteraard niet mogelijk om alle artikelen in de zo uiteenlopende bundel recht te doen, mijn aantekeningen in het boek zelf en op mijn kladblok overschrijden ruim de gestelde limiet aan het aantal woorden dat in OSO beschikbaar is voor een recensie. Het zal moeten volstaan om er drie stukken wat meer uit te lichten, en in een afrondende alinea de balans van het gehele project op te maken.
Rudolf Mrazek
Op het stuk van Van Dis volgt het artikel van Rudolf Mrazek. In vier delen bespreekt hij het overlappende werk en leven van drie mannen: Dr. Louis Schoonheyt, Chalid Salim, en Anthony van Kampen. De belangrijkste decors voor het verhaal zijn de gevangenenkampen Boven Digoel waar vanaf het einde van de jaren 1920 tot 1943 (vermeende) Indonesische communisten werden opgesloten en Jodensavanne waar (vermeende) Indische nazi-sympathisanten tijdelijk vast zaten. Aan de randen van het uiteenvallende Nederlandse imperium schetst Mrazek hoe Schoonheyt, geïnterneerd in Jodensavanne vanwege zijn NSB-sympathieën na vijftien jaar arts te zijn geweest in Boven Digoel, er niet aan ontkomt de parallel te zien tussen hemzelf en de opgesloten communisten. Salim daarentegen, in zijn jonge jaren als communist opgesloten in Boven Digoel, schrijft zelfs na de massamoord van Soeharto op de Indonesische communistische beweging bewonderingsvol over ‘onze president’. De vervlechting van de verhalen en levenslopen en de schuivende ideologische perspectieven lenen zich voor bespiegelingen over de manier waarop aan  geschiedenis en literatuur betekenis wordt gegeven en hoe die zelden goed lijken te rijmen met de beleving van degenen die de ideologisch geïnterpreteerde gebeurtenissen doormaakten.
Nicole Saffold Maskiel
Een andere bijdrage aan de bundel waarin de interkoloniale uitwisselingen en netwerken sterk worden geïntegreerd is het mooie onderzoek van Nicole Saffold Maskiel naar de lange lijnen van slaafeigendom tussen de Nederlandse Caraïben en Nieuw Nederland (tegenwoordig New York). In het artikel bespreekt Maskiel de lange ketens van slaafeigendom die door de geschiedenis van de Noord Amerikaanse heersende klasse lopen. Via de familie Stuyvesant die van Curaçao naar Nieuw Amsterdam ging, is slavernij onlosmakelijk onderdeel van de familiegeschiedenis van het vooraanstaande geslacht Bayard geworden. Maskiel laat zien dat via interkoloniale en interimperiale handelsverbindingen slaafgemaakte Afrikanen in Noord Amerika terecht kwamen, en hoe de vertrouwdheid met het eigendom van mensen door overerving van generatie op generatie werd doorgegeven.
Michiel van Kempen
Suriname en de Caraïben keren in de gehele bundel regelmatig terug. Aan het eind van de verzameling zit een stuk van Michiel van Kempen waarin hij onderzoekt hoe men in ‘nieuwe naties’ literatuur begint te lezen, en komt tot ‘postkoloniale canonformatie.’ Hij richt zich in het stuk met name op Suriname, maar het gebrek aan resultaat van de Surinaamse canoncommissie haalt de angel wat uit het stuk. Het is duidelijk dat er ook zonder een formele canon, iedereen met kennis van de Surinaamse literatuur zonder problemen een lijst op zou kunnen stellen van belangrijke werken. Typisch Surinaams-Nederlandse vraagstukken, zoals of de diaspora wel op zo’n lijst mag figureren spelen natuurlijk onmiddellijk op. Van Kempen legt veel nadruk op de celebrity culture dynamiek in Suriname. In het stuk van Van Kempen blijft het ‘pluricontinentale’ aspect buiten beeld.
Over het geheel genomen is de bundel een boeiende verzameling van stukken geworden. Het verschuiven van de aandacht van postkoloniaal naar pluricontinentaal is door de meeste auteurs met succes omarmd. De redacteuren zijn er in geslaagd om in een pluricontinentaal project een lezenswaardige en belanghebbende eenheid te creëren.
Jeroen Dewulf, Olf Praamstra en Michiel van Kempen (ed.), Shifting the Compass; Pluricontinental Connections in Dutch Colonial and Postcolonial Literature.Newcastle upon Tyne: Cambridge Scholars, 2013. 286 p., ISBN 978 14 4384 228 0,  prijs £ 44,99.

 

De toekomst van de studie van de (post)koloniale Nederlandse literatuur

Aan de Universiteit van Amsterdam vond op vrijdagmiddag 20 september 2013 een debatbijenkomst plaats, georganiseerd door de hoogleraren Thomas Vaessens en Michiel van Kempen, over de toekomst van de studie van de (post)koloniale literatuurstudie in Nederland. Wetenschappers van verschillende universiteiten bogen zich over vragen naar de status en richting van dit veld van literatuurwetenschap. Hieronder de inleiding die Michiel van Kempen gaf ter opening van de bijeenkomst.

door Michiel van Kempen

Michiel van Kempen en Adriaan van Dis

Het veld van de studie van de postkoloniale literatuur van Nederland is enorm in beweging. Het lijkt alsof er een wisseling van de wacht gaande is. Academici die zich bezig hielden met (post)koloniale literatuur concentreerden zich 25 jaar geleden voornamelijk rond de Werkgroep Indische Letteren.  Vooral in Leiden werd de Oost een speerpunt van onderzoek, terwijl aan de UvA na het terugtreden van Bert Paasman in 2004 een bijzondere leerstoel voor de Indische letteren werd gecreëerd. Aandacht voor de West was veel minder breed en kwam er pas later met de Werkgroep Caraïbische Letteren en een leerstoel in Amsterdam vanaf 2006. De studie van de Zuid-Afrikaanse literatuur, vroeger gedoceerd aan verschillende universiteiten, concentreert zich in recente jaren enkel nog rond de bijzondere leerstoel Afrikaans aan de UvA.

De Indische Letteren hebben altijd een breed publiek aan zich weten te verbinden, maar dat publiek is sterk vergrijzend, en de academici van 25 jaar geleden maken plaats voor een jongere generatie (de bestaande universitaire posten lijken overigens snel te verdwijnen). Met die verandering van de wacht, lijkt zich ook een paradigmaverschuiving voor te doen. De academici rond Indische Letteren waren de mensen van de literatuurgeschiedenis van de realia, van de smakelijke, anekdotische literatuurgeschiedenis, verpakt in goed vertelde verhalen. Dat was ook wat hen altijd verbond met een breed publiek. De expansie van de – vooral Angelsaksische, in mindere mate Francofone – postkoloniale literatuurwetenschap lijkt aan deze generatie geheel voorbij te zijn gegaan.
Een nieuwe generatie literatuurwetenschappers heeft wel weet van die postkoloniale literatuurwetenschap, en maakt (mogelijk vanuit die wetenschap aangestuurd) andere keuzes dan die van de traditionele literatuurgeschiedenis en tekstanalyse. Zij zoekt nadrukkelijk de raakvlakken op met cultural studies, plaatst literaire verschijnselen in een sterk cultuurhistorische context, in een discours-analytisch denkkader of analyseert met middelen die zijn aangereikt door de mediastudies, of vanuit gender- en diversiteitsperspectief.

Bij mijn weten bestaat er op dit moment enkel aan de Open Universiteit  een masterprogramma over koloniale cultuur en literatuur; er zijn daar ook plannen om postkoloniale studies nog meer te integreren in het interdiscplinaire onderwijs- en onderzoeksprogramma van de faculteit Cultuurwetenschappen.

 

In Utrecht is er een Postcolonial Studies Initiative. Dat is geen onderzoeksinstituut maar samenwerkingsverband van onderzoekers van zeer divers pluimage en geaffilieerd met universiteiten in binnen- en buitenland. Van de circa 40 aangesloten onderzoekers vermelden er 4 dat zij ook bezig zijn met Nederlandse postkoloniale literatuur. De Universiteit Utrecht kent ook een Engelstalige minor Postcolonial Studies waar studenten worden ingewijd in de theoretische en methodogische  aspecten van postcolonial studies.
Leiden heeft een Platform for Postcolonial Readings (Isabel Hoving, Sarah de Mul), dat enigszins met dat van Utrecht te vergelijken is, zij het dat het veel bescheidener is naar omvang.
Het KITLV kent een jaarlijkse brede multidisciplinaire cursus Caraïbistiek; één college daarvan is gewijd aan Caraïbische literatuur.
In Antwerpen is er The Postcolonial Literatures Research Group at the University of Antwerp, maar richt zich sterk tot de literatuur die in verband staat met de Franstalige koloniën.

 

Enkele uitgangspunten
Dit overziende wil ik graag met u nadenken over enkele uitgangspunten die ik hier bij wijze van aanzetten tot discussie formuleer over wat de Nederlandse (post)koloniale literatuurstudie zou moeten of zou kunnen inhouden.
Belangrijkste uitgangspunt zal moeten zijn dat de postkoloniale literatuurstudie haar terrein duidelijk afbakent en een unieke plek opeist. De literatuur van Oost, West en Zuid is breed en complex naar te bestuderen tijd, talen en culturen, en heeft een onuitwisbaar stempel gedrukt op de Nederlandse literatuurgeschiedenis met belangwekkende auteurs als Multatuli, Daum, Couperus, Dermout, Helman, Debrot, Haasse, Van Dis, Cairo, Roemer, Ramdas. Het gaat allerminst om een quantité négligeable, maar om een corpus auteurs en teksten dat vanuit de neerlandistiek gespecialiseerde aandacht verdient, al was het alleen maar omdat die literatuur ook een belangrijke doorwerking heeft in de multiculturele literatuur van het Nederland van nu. De studie van de postkoloniale literaturen van Nederland zal zich duidelijk moeten realiseren dat zij niet de overlap zal moeten maken met het veld van andere disciplines waarmee zij wel raakvlakken heeft. Niemand zit te wachten op neerlandici die de literatuur geschreven in het Frans, Engels, Spaans enz. analyseren (tenzij vanuit comparatistisch oogpunt). Niemand wacht erop tot neerlandici zich begeven op het terrein van de Black Studies, de global studies, van de Angelsaksische postcolonial criticism, van de slavernijstudie zoals die door historici aan verschillende universiteiten nu aandacht krijgt, van de antropologische verhaalanalyse. Wel zal zij met al deze disciplines voeling moeten houden, en ook het multidisciplinaire onderzoek mee vorm moeten geven. Goede samenwerking met universiteiten elders in de wereld en vooral ook met instellingen in de voormalige Nederlandse koloniën kan de positie van het vakgebied alleen maar versterken.

 

Een ander uitgangspunt is dat de postkoloniale Nederlandse literatuurwetenschap niet gaat in de richting van wat in de voormalige koloniën zelf prioriteit heeft of verdient:  de wording van de nationale literaturen, maar dat zij de focus legt op die verschijnselen die een directe band met Nederland hebben, en die ook een zekere mate van urgentie hebben voor de multiculturele samenleving van dit moment. Vanzelfsprekend behoort de wijze waarop de Nederlandse samenleving in beeld komt bij tweede en derde generatie Indische, Surinaamse en Antilliaanse auteurs (Marion Bloem, Alfred Birney, Ellen Ombre, Karin Amatmoekrim) tot het aandachtsveld. En natuurlijk zal er ook aandacht moeten zijn voor die andere culturen van de multiculturele samenleving die niet direct gelieerd zijn aan de voormalige koloniën: die van schrijvers met een link naar de Marokkaanse wereld (Benali, Bouazza, Stitou, Boudou, El Bezaz,  Laroui, Benzakour) en die van auteurs met wortels in andere landen als Kader Abdolah, Yasmine Allas, Özkan Akyol enz.). Tenslotte zal de verbeelding van de multiculturele samenleving door witte schrijvers als Joost Zwagerman, Robert Vuijsje, Stephan Sanders, Diederik Samwel evenzeer interessant zijn vanuit postkoloniaal perspectief; die andere framing zal onvermijdelijk waardevolle nieuwe interpretaties van hun werk opleveren.
Literatuurwetenschappers bijeen in Berkeley, California, september 2011. Foto © Michiel van Kempen
Te bediscussiëren kwesties

Vanuit deze ideeën zouden onze gedachten moeten gaan over een aantal kwesties
Inhoudelijk
          Hoe kan de postkoloniale literatuurwetenschap haar bestaansrecht bewijzen en vanuit welk paradigma of welke paradigmata kan daar het beste invulling aan worden gegeven, zonder te vervallen in het eindeloze methodenpluralisme waarin de postcolonial studies zijn terechtgekomen? Hoe wordt het veld afgebakend? Wat is er Nederlands aan die neerlandistiek? In welke mate heeft de inmiddels al traditioneel geworden (structurele) tekstanalyse daarin (nog) een plaats? En in hoeverre blijven de traditionele geografische grenzen intact, of kunnen die/moeten die geïncorporeerd worden binnen een groter verband.
De drie Amsterdamse bijzonder hoogleraren
postkoloniale literatuurwetenschap bijeen op
Curaçao, waar gewerkt werd aan de opzet
van een Masters Literatuurwetenschap aan de UNA,
januari 2009. V.l.n.r. Pamela Pattynama,
Ena Jansen en Michiel van Kempen

 

Inbedding
          Hoe kunnen vanuit een stevig theoretisch fundament researchresultaten zo worden gepubliceerd dat zij een redelijke mate van publieksvriendelijkheid behouden, en zo ook een ruim publiek betrekken bij het vak? Bij welke gremia van de samenleving  moet de postkoloniale literatuurstudie allereerst aansluiting zoeken? Wat kunnen die gremia betekenen voor het maatschappelijke en universitaire draagvlak van het vak? Hoe kan het beste worden ingegaan tegen de tendens van afbraak van postkoloniale instellingen als gevolg van de bezuinigingen van de laatste jaren (Moluks Museum, KIT, KITLV, NiNsee, MC Theater enz.)?
Internationale inbedding
          Hoe kunnen er structurele verbanden gelegd worden met onderzoeksinstellingen in de voormalige koloniën (Indonesië, Suriname, de voormalige Antillen, Zuid-Afrika)? Hoe kan die internationale samenwerking en uitwisseling het best gestalte krijgen?
Institutionele vormgeving
          Wat is nu de beste institutionele omgeving waarbinnen de postkoloniale literatuurstudie kan floreren? Moet er een paraplu gecreëerd worden die de verschillende deelvelden overhuift? Moet dat dan een gewoon hoogleraarschap zijn of een andere vorm krijgen? Is een gewoon hoogleraarschap haalbaar, hoe ligt dit politiek in de academische wereld, en waar kan het  draagvlak daarvoor (ook materieel) met de meeste kans van slagen gevonden worden?

Eybers onderdak

De boekerij van Elisabeth Eybers in het Zuid-Afrikahuis ontsloten

De Commissie Zuid-Afrika van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde en het Suid-Afrika Instituut organiseren in het Zuid-Afrikahuis, Amsterdam, t.g.v. de presentatie van de catalogus van Eybers’ bibliotheek een klein symposium over die bibliotheek en over haar poëzie, op 13 oktober a.s.
Met Hans Ester en Ena Jansen, kenners van Eybers’ leven en werk; Lisa Kuitert, hoogleraar boekwetenschap UvA; uit Zuid-Afrika Marisa Botha, (Mandela-Universiteit, Port Elizabeth) deskundige op het terrein van de Afrikaanse poëzie en begiftigd met de Elisabeth- Eybersbeurs 2012.
Eep Francken vraagt Tiny Kraan wat deze bibliotheek en deze catalogus precies inhouden. Er bestaat gelegenheid om de bibliotheek in de Elisabeth-Eyberskamer te bezichtigen.
Een opgenomen vraaggesprek met Eybers bij wijze van afsluiting.
Keizersgracht 141, 1015 CK  Amsterdam.
Datum: zaterdag 13 oktober 2013
Tijd: 14:00 – 17: 00 uur  (inloop vanaf 13.30)
Toegang gratis, maar i.v.m. de beperkte ruimte is aanmelden noodzakelijk.
Via  020-6249318 of  bibliotheek@zuidafrikahuis.nl

Gouden tijden, zwarte bladzijden

Op vrijdagavond 15 maart vindt het Boekenbal  plaats, de aftrap van de Nederlandse Boekenweek 2013, die dit jaar in het teken staat van contrasten. Het verleden van de Lage Landen kent roemrijke periodes, maar evenzovele schaduwkanten. Het is een geschiedenis van heldendaden en verraad, van glorieuze gebeurtenissen en van rampspoed. In de literatuur zijn de verschillende kanten van de geschiedenis veelvuldig terug te vinden. Drie bijzonder hoogleraren van het departement Neerlandistiek van de Universiteit van Amsterdam komen deze avond aan het woord over dit thema. Zij spreken over de ambiguïteit in de literatuur uit Indië, het Caraibisch gebied en Zuid-Afrika in tijden van slavernij.
Pamela Pattynama, Ena Jansen, Michiel van Kempen
‘Ek, Philida van die Caab. Ek wat slaaf was. Ek wat mens is. Ek wat eintlik alles is.’ Vertellers in Zuid-Afrikaanse slavernijromans.
Prof. dr. Ena Jansen (bijzonder hoogleraar Zuid-Afrikaanse letterkunde)
 
‘Laat uw bannanen zwarter roosten/ten teken dat gij niet zijt te troosten!’ Literatuur in tijden van slavernij.
Prof. dr. Michiel van Kempen (bijzonder hoogleraar West-Indische letteren)
 
Slavin of oermoeder? De figuur van de njai in de Indisch-Nederlandse literatuur.
Prof. dr. Pamela Pattynama (bijzonder hoogleraar Koloniale en postkoloniale literatuur- en cultuurgeschiedenis).
Datum en locatie: donderdag 14 maart om 20.00 uur in SPUI25, Spui 25, Amsterdam
Aanmelden is verplicht en kan via www.spui25.nl
Graag tot ziens op 7 maart.

Is het postkolonialisme dood?

‘Het postkolonialisme is dood’, verklaarde de Leuvense hoogleraar Theo D’haen in zijn eerste lezing op het colloquium (Post)koloniaal nieuws, dat op vrijdag 28 oktober j.l. werd gehouden in het Amsterdamse politiek-cultureel centrum Spui25, ter gelegenheid van het eerste lustrum van de leerstoel West-Indische Letteren. Maar zijn collega’s weerspraken die opvatting met verve: Ieme van der Poel (UvA) over sprak over de verwerking van postkoloniale stereotypen in de Franse exotische iconografie en Franstalige strips. Ena Jansen (VU/UvA) bekeek de verwerking van het slavernijverleden in een nog uit te komen roman van de grote Zuid-Afrikaanse schrijver André Brink. Wim Rutgers (Universiteit van Curaçao) keek naar de nieuwe Masters Literatuur en schoolboeken op de voormalige Antillen. Pamela Pattynama (UvA) analyseerde de film Ver Van Familie van Marion Bloem als document van Indische herinnering. En leerstoelhouder Michiel van Kempen besprak trans-atlantische invloeden op de canon van de West aan de hand van werk van Albert Helman en Clark Accord. De zaal zat vol en kreeg op de door prof. Marita Mathijsen geopende middag, een fraaie staalkaart getoond van hoe de literatuurwetenschap tegenwoordig omgaat met de cultuur van voormalige koloniën. Is het postkolonialisme dood? Discussie wordt vervolgd. Een foto-impressie.

Theo D’haen


Ieme van der Poel

 

Ena Jansen

 

Wim Rutgers

 

Pamela Pattynama

 

Michiel van Kempen

 

Een deel van het publiek

Colloquium (Post)koloniaal nieuws

Op 28 oktober 2011 wordt in politiek-cultureel centrum Spui25 een colloquium georganiseerd bij gelegenheid van 5 jaar bijzonder leerstoel West-Indische Letteren aan de Universiteit van Amsterdam. Deze leerstoel, in 2006 ingesteld door de Stichting Instituut ter Bevordering van de Surinamistiek, wordt bezet door Michiel van Kempen (foto rechts) en is onlangs door het College van Bestuur van de UvA voor een nieuwe periode herbevestigd. Nederlandse, Vlaamse en Antilliaanse hoogleraren in de postkoloniale literatuurstudie geven tijdens het colloquium korte inleidingen uit de wetenschapspraktijk over de recente stand in de postkoloniale literatuurstudie.

Programma

14.30-15.00 inloop

15.00-15.10 Opening door Marita Mathijsen, voorzitter van het curatorium van de leerstoel; welkomstwoord Michiel van Kempen

15.10-15.35 Rosemarie Buikema (UU) – (Titel wordt nog bekendgemaakt)

15.35-16.00 Theo D’haen (KUL) – Het einde van het postkolonialisme?

16.00-16.25 Ieme van der Poel (UvA) – De kat van de rabbijn: koloniale nostalgie of strategisch oriëntalisme?

16.25-16.40 Pauze

16.40-17.05 Ena Jansen (VU/UvA; foto rechts, samen met Adriaan van Dis) – Zuid-Afrikaanse slavernijromans en identiteitskwesties in post-apartheid Zuid-Afrika

17.05-17.30 Wim Rutgers (UC) – Meer gelijk dan eigen; vergelijking in onderwijs en onderzoek

17.30-17.55 Pamela Pattynama (UvA; foto rechts) – Indo nostalgie

17.55-18.20 Michiel van Kempen (UvA) – Hoe de Caraïbische literaire canon trans-atlantisch wordt beïnvloed

18.20-19.00 Borrel

Locatie: Spui25, aan het Spui in Amsterdam
Graag vooraf aanmelden bij Spui25, via deze link

Onderste twee foto’s: @ Michiel van Kempen

The 2011 Berkeley Conference in Dutch Literature

International Conference on Colonial and Post-Colonial Connections in Dutch Literature

September 15-17, 2011

University of California, Berkeley

Dutch literature is more than just literature about a tiny piece of land at the estuary of the Rhine. From the Caribbean to Southern Africa, from Southeast Asia to Western Europe, the Dutch language forms a common bond in a literature that was and is deeply marked by intercultural connections. In recent decades, considerable attention has been given to Dutch colonial and post-colonial literature, but the importance of intercultural connections within the Dutch colonial network has been neglected. What were the cultural and literary networks between Batavia, Galle, Nagasaki, and the Cape Colony? How did the slave trade connect authors in Willemstad and Paramaribo with Gorée and Elmina at the African West Coast? How did Jewish communities link Recife in Dutch Brazil to New Amsterdam on the American East Coast? And how did Amsterdam, Leiden or The Hague function as intellectual intermediaries between the Netherlands and its colonies?

This pluricentric perspective on Dutch literature remains relevant in modern times. After the colonial era ended, the Dutch language continued to produce literature that fostered intellectual bonds between the Caribbean, Southeast Asia, South Africa, and Western Europe. These intercontinental contacts were even intensified and grew in diversity when, three centuries after the first Dutchmen ventured out into the wide world, the world came to the Netherlands. Inhabitants of the former colonies first, followed by immigrants and refugees, transformed the Dutch literary landscape to the point that an international perspective on Dutch literature has become a necessity.

Organizing Committee

Jeroen Dewulf | University of California, Berkeley

• Michiel van Kempen | Amsterdam University, the Netherlands

• Olf Praamstra | Leiden University, the Netherlands

• Siegfried Huigen | Stellenbosch University, South Africa

Conference Program

Thursday, Sept. 15:

2-3pm: Meeting at the lobby of the Berkeley City Club Hotel. Guided tour on the UC Berkeley campus by Jeroen Dewulf, Queen Beatrix Professor.

3-5pm: Guided visit to the UC Berkeley Doe Library by James H. Spohrer, Librarian for Berkeley’s Germanic Collections, followed by a visit to the UC Berkeley Bancroft Library, where a selection of Berkeley’s rare books collection dealing with the Dutch colonial expansion will be presented by Anthony Bliss, Berkeley’s Rare Books and Literary Manuscripts Curator.

5-6pm: Coffee break at the Free Speech Café.

6-7pm: Introductory lecture by Dutch-Aruban author Giselle Ecury Steps in History, Paces in Personal Lives: A Post-Colonial Family History from Aruba at the Institute of European Studies. Introduction by Michiel van Kempen (University of Amsterdam).

Friday, Sept. 16:

Faculty Club, Seaborg Room.

9-9.30am: Inauguration of the conference by Jeroen Dewulf (University of California, Berkeley): Colonial and Post-Colonial Connections in Dutch Literature.

Presentations Section 1. Chair Michiel van Kempen.

9.30-10am: Danny L. Noorlander (Georgetown University, Washington D.C.). The Reformed Churches of the Netherlands and the Regulation of Religious Literature in the Seventeenth-Century Dutch Atlantic World.

10-10.30am: Barry Stiefel (College of Charleston/Clemson University, SC). A Press of Many Tongues: The Globalization of Dutch Jewish Literature during the Seventeenth and Eighteenth Centuries.

10.30-11am: Coffee Break.

Presentations Section 2. Chair Olf Praamstra.

11-11.30am: Manjusha Kuruppath (Leiden University, the Netherlands). When Vondel Looked Eastwards: A Study of Representation and Information Transfer in Joost van den Vondel’s “Zungchin” (1667).

11.30-12pm: Jacqueline Bel (Free University of Amsterdam, the Netherlands). Nationalism and Postcolonial Literature from the Dutch colonies in the Netherlands: Noto Soeroto, Albert Helman, Anton de Kom, and Cola Debrot.

12-2pm: Lunch

Presentations Section 3.

2-2.30pm: Wilma Scheffers (The Hague, the Netherlands). Everything Starts with Knowledge: A Voice of Humanity in Colonial Times. W.R. van Hoëvell 1812-1879.

2.30-3pm: Rudolf Mrázek (University of Michigan). Beneath Literature? Imprisonment, Universal Humanism, and (Post)Colonial Mimesis. The Internment Camp Boven Digoel in New Guinea.

3-3.30pm: Coffee Break.

Presentations Section 4. Chair Siegfried Huigen (Stellenbosch University, South Africa).

3.30-4pm: Michiel van Kempen (University of Amsterdam). Complexities of canonization in former colonies.

4-4.30pm: Olf Praamstra (Leiden University, the Netherlands). A World of Her Own, the Eurasian Way of Living and the Balance Between East and West in Maria Dermoût’s Novel “The Ten Thousand Things”.

4.30-5pm: Pamela Pattynama (University of Amsterdam, the Netherlands). A Transnational Perspective on Marion Bloem’s Indo-Dutch Narratives.

Special evening program in the Berkeley City Club – Drawing Room – offered by the Netherlands America University League in California.

7.30pm: Welcoming by Em. Queen Beatrix Professor Johan Snapper (University of California, Berkeley).

7.45pm: Introduction to the speaker by Queen Beatrix Professor Jeroen Dewulf (University of California, Berkeley).

8-9pm: Keynote lecture by Dutch author Adriaan van Dis: Squeezed between Rice and Potato: Personal Reflections on a Dutch (Post-)Colonial Youth.

9–10pm: Wine and Cheese Reception.

Saturday, Sept. 17

Faculty Club Seaborg Room

Presentations Section 5. Chair Olf Praamstra.

9-9.30am: Christine Levecq (Kettering University Flint, MI). The Cultural Hybridity of the Dutch-Ghanaian Minister Jacobus Capitein.

9.30-10am: Adéle Nel and Phil van Schalkwyk (North-West University, South Africa). The Early Cape Colony: Karel Schoeman and/on Relationality.

10-10.30am: Luc Renders (University of Hasselt, Belgium). Better Than the Original: Christianity in Afrikaans Literary Texts by Colored and Black South African Authors.

10.30-11am: Coffee Break

Presentations Section 6. Chair Michiel van Kempen.

11-11.30am: Ena Jansen (Free University of Amsterdam, the Netherlands). Similar Pasts Remembered: South African and Dutch Caribbean Slavery Novels.

11.30-12pm: Siegfried Huigen (Stellenbosch University, South Africa). New Batavians and Orientalist Philology: Historiography in François Valentyn’s “Oud en Nieuw Oost-Indiën” (1724-6).

12-12.30pm: Lodewijk Wagenaar (University of Amsterdam, the Netherlands). A Theatrical Reflection of Colonial Relations in Dutch Ceylon: The 18th-Century Reports on the Annual Apparition of Cinnamon Peelers with the Dutch Governor in Colombo.

12.30-2.30p: Lunch

Presentations Section 7. Chair Siegfried Huigen.

2.30-3pm: Britt Dams (Ghent University, Belgium). Writing to Comprehend: The Role of Intertextuality in Johannes de Laet’s “Iaerlyck Verhael” on Dutch-Brazil.

3-3.30pm: Paul Hollanders (University of Amsterdam, the Netherlands). ‘Animus Revertendi’ versus ‘Animus Manendi’. The Will to Return versus the Will to Stay in Dutch Colonial Literature Applied to Colonists in Late 18th Century Surinam.

3.30-4pm: Hilde Neus (Paramaribo, College of Education). From Belle van Zuylen to Gertrude Stein, building modern literature.

4-4.30pm: Coffee Break

Presentations Section 8. Chair Jeroen Dewulf.

4.30-5pm: Florencia Cornet (University of South Carolina). 21st Century Curaçaoan Women Writers: Re-visiting, De-stabilizing and (Re) imagining the Kurasoleña.

5-5.30pm: Nicole Saffold Maskiell (Cornell University, NY). Bequeathing Bondage: Slave Networks in the Dutch Atlantic.

6-7.30: International premiere of the film on the life of the Dutch-Surinamese writer Edgar Cairo: ‘I Will Die for Your Head’ by Cindy Kerseborn. Introduction by Michiel van Kempen and Cindy Kerseborn. Room Dwinelle 142.

7.30-9pm: Wine and Cheese Reception offered by the Dutch Consulate in San Francisco. Room Dwinelle 370.

Any information, please contact jdewulf@berkeley.edu

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter