blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Hoogbergen Wim

De turbulente biografie van een boek

door Christine Samsom en Els Moor

Het aprilnummer van OSO, tijdschrift voor surinamistiek en het Caraïbisch Gebied, is bijna helemaal gewijd aan 75 jaar Wij slaven van Suriname met als ondertitel De turbulente biografie van een boek. Een uitdagende titel! Kan een boek een biografie hebben, zoals levensbeschrijvingen van mensen, van de wieg tot het graf? Wij slaven van Suriname is nog lang niet dood. Dat blijkt wel uit dit nummer van OSO.

Maar over de geboorte en jeugd van het boek is heel veel te vertellen. Dat is mede te danken aan de Anton de Kom. Biografie (2009) van Alice Boots & Rob Woortman. De journalist René Zwaap schrijft in een spannend verhaal en onder de titel ‘Anton de Kom als staatsvijand. Hoe de CID bijdroeg aan de lancering van Wij slaven van Suriname’, over de manier waarop de Centrale Inlichtingendienst (CID; voorloper van de AIVD in Nederland) invloed probeerde uit te oefenen vanaf het moment dat men daar lucht kreeg van de mogelijke publicatie van een kritisch, door antikolonialistische, communistische ideeën geïnspireerd boek, geschreven door de Surinamer Anton de Kom. Men hield hem al in de gaten vanwege zijn bewogen toespraken over discriminatie en onderdrukking in de koloniën op congressen van de communistische partij. Toespraken die terug te vinden zijn in de archieven van de CID. De minister van Koloniën waarschuwde de toenmalige gouverneur en bracht daarmee de autoriteiten in Suriname in opperste staat van paraatheid. Hierdoor was de komst naar Suriname van De Kom in 1933 om zijn zieke moeder te bezoeken al bij voorbaat verdacht en leidde die inderdaad tot een overspannen reactie, waarbij 2 doden vielen. De Kom werd verbannen naar Nederland. Diezelfde CID ging eind 1933 op bezoek bij ene De Neve van uitgeverij Contact, waar Wij slaven van Suriname zou verschijnen. Maar of dat heeft geleid tot cruciale veranderingen in het manuscript valt te betwijfelen. In zijn voorwoord vindt De Neve het wel nodig de lezers te verzekeren, dat enkele passages in overleg met de schrijver zijn gewijzigd. Uit deze interessante bijdrage van Zwaap blijkt in ieder geval de paniek bij de CID met betrekking tot de mogelijke invloed van Anton de Kom op de Nederlandse publieke opinie. (- C.S.)

In ‘De geschiedenis van een manuscript. De wording van Wij slaven van Suriname van Anton de Kom’ door Alice Boots en Rob Woortman – de auteurs van bovengenoemde biografie – staan twee vragen centraal: Werd Wij slaven van Suriname ernstig gecensureerd door de CID? En: is de schrijver Jef Last (co-)auteur? Beide vragen waarover lange tijd twijfels bestonden, worden ontkennend beantwoord. Het manuscript is vele malen in overleg tussen De Kom en de uitgever herschreven. In de biografie wordt daar ook uitgebreid op ingegaan met veel verwijzingen naar correspondentie ter zake. (- C.S.)
De essayist Theo Para (pseudoniem van Henry Does) is in ons land geen onbekende door zijn aanhoudende publicaties over de Decembermoorden in 1982, gebundeld in zijn vorig jaar verschenen boek De schreeuw van Bastion Veere. Zijn bijdrage onder de titel ‘Anton de Kom en de menselijke waardigheid’ begint met wat hij noemt ‘een surrealistische gebeurtenis’ op de Universiteit van Suriname: het ‘openingscollege’ door de legerleiding ‘van een dictatoriaal regime’ op 17 oktober 1983, na 9 maanden sluiting van de universiteit en de moord op twee vooraanstaande docenten, Sugrim Oemrawsingh en Gerard Leckie, op 8 december 1982. Para herinnert eraan dat Bram Behr toen hij in april 1982 gevangen zat in Fort Zeelandia, in een brief schreef dat hij, Bram, kracht putte uit de gedachten aan Anton (de Kom), die daar in 1933 ook gevangen had gezeten. Die verbondenheid in ideologie was duidelijk. Historische rolmodellen zijn van groot belang voor de identiteit en zeden van een volk.

Het is volgens Para een bezoedeling van de nagedachtenis aan Anton de Kom als vrijheidsstrijder en verzetsheld om als propagandastunt de universiteit een ‘instrument van nationale bevrijding’ te noemen en daar dan de naam van Anton de Kom aan te verbinden. Had een vreedzame De Kom in 1933 de jachtgeweren die men hem toen wilde brengen, niet geweigerd: ‘Het was mij te doen om organisatie, niet om een bloedbad’. Van Para mag de naam van de universiteit blijven, maar dan als teken van vrijheid van het wetenschappelijk onderwijs en universitaire autonomie. Para prijst de literaire schoonheid van De Koms boek, bijvoorbeeld waar hij schrijft over de dapperheid van de marronvrouw Sery. Met Wij slaven van Suriname breekt De Kom een lans voor menselijke waardigheid en sociale rechtvaardigheid. Kritiek heeft Para op de schrijvers van de biografie van De Kom, waar zij de sympathie van De Kom voor de communistische partij verzwijgen om een slecht imago van De Kom te vermijden. (- C.S.)

Interessant is de bijdrage van de cultureel antropoloog Wim Hoogbergen: ‘Wat las De Kom voor zijn Wij slaven van Suriname?’ Hoogbergen geeft een overzicht van de bronnen waarop De Kom zich heeft gebaseerd toen hij z’n boek schreef. Hij begint met de jeugd van De Kom die op school alleen maar ‘Vaderlandsche Geschiedenis’ kreeg… van Nederland…, waarbij hij hele rijen namen en jaartallen van gouverneurs moest leren (‘mannen die met het zwaard des Vredes veiligheid en orde in Suriname beschermden: de Hollandse Vrede’, schreef hij later in Wij slaven van Suriname). Hoogbergen noemt dat soort geschiedenisonderwijs een goed middel voor minderwaardigheidsgevoelens bij een ras: de helden van een ander volk prijzen.
Hij geeft aan dat Anton de Kom, als trouwe bezoeker van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag, vooral geput heeft uit Geschiedenis van Suriname (1861) van J. Wolbers, die Suriname nooit heeft bezocht maar een groot tegenstander was van de slavernij, en Reize naar Surinamen… (1799) van J.G. Stedman, en in mindere mate uit boeken van onder anderen Hartsinck, Helman, Roos en Vlier en… uit de Bijbel (de vervloeking van Cham!). Maar al die historische gegevens dienen slechts om zijn aanklacht tegen Nederland vorm te geven. Want daarom werd Wij slaven van Suriname geschreven en niet als geschiedenisboek. Als De Kom schrijft over het dagelijks leven op de plantages ‘waar de planten des te beter schijnen te groeien naarmate zij beter met negerbloed bemest zijn’, haalt hij de feiten weliswaar bij Stedman, maar het zijn De Koms woorden, zijn indrukken. Hij vindt getallen daarom ook niet belangrijk. De mens en zijn lot staan centraal, niet of het historisch allemaal wel volledig of juist is. De feiten, maar soms ook geruchten, helpen De Kom om ‘een emancipatorisch boek te schrijven voor de zwarte bevolking, de nazaten van de slaven’.

Hoogbergen haalt aan het begin van zijn betoog een onderzoek aan dat gehouden werd onder sleutelfiguren uit de Afro-Caraïbische gemeenschap in Nederland: welke boeken of films over de slavernij hen persoonlijk het meest aanspraken. Tot onthutsing van Hoogbergen waren dat niet werken van wetenschappers als Oostindie, Thoden van Velzen, Van Stipriaan of Price, maar het waren Wij slaven van Suriname van Anton de Kom en Hoe duur was de suiker?‘van Cynthia Mc Leod. Heeft dat misschien te maken met het feit dat er te weinig bezieling zit in al dat overigens verdienstelijk wetenschappelijk werk, terwijl juist die diepe verontwaardiging over mensonwaardige, discriminerende toestanden in het collectieve geheugen van de twee schrijvers én hun lezers in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag is opgeslagen? (- C.S.)

‘Doe iets!’ is de krachtige titel van het prachtig geschreven artikel van Antoine de Kom, kleinzoon van de auteur waar in deze editie van OSO alles om draait. Het is geen wetenschappelijk essay over Wij slaven van Suriname, maar een mengeling van herinneringen aan zijn zoektocht naar zijn opa. Antoine werd geboren in 1956, toen zijn opa al elf jaar daarvoor in een Duits concentratiekamp was overleden. Het stuk begint en eindigt met een scène in een Surinaamse klas waarin Antoine zelf leerling is en de meester de gebeurtenissen van 1933 moet behandelen. In de beginscène is de meester een onzekere man die zijn leerlingen uitscheldt (‘Stil jullie varkens! Jullie bos-apen!) en het duidelijk griezelig vindt om over De Kom te praten in het bijzijn van z’n kleinzoon. De klas aan het slot is modern, vol computers. Geen leerling kliert. Meester danst van vreugde. Op het scherm Anton de Kom, die hen toelacht.

Verder zijn er veel dialogen tussen Antoine en z’n opa in het verhaal. Kleinzoon vertelt zijn opa over het standbeeld in Amsterdam Zuidoost, opa is naakt… maar ook over de mogelijkheden die Suriname nu heeft en opa antwoordt… Zo springt Antoine in zijn tekst van het een naar het ander en de boodschap, van zijn ouders naar hem en van opa naar kleinzoon is: ‘Doe iets’. Knap, humoristisch, modern, in proza en poëzie. Antoine de Kom laat ook zijn experimentele poëzie zien. U moet het lezen. (- E.M.)

‘Literariteit’, het literaire karakter van een tekst of een boek, dat is het onderwerp van twee bijdragen in deze OSO. Van Michiel van Kempen ‘Menschen zijn er nauwelijks om van deze schoonheid te genieten. Anton de Koms Ons bloed is rood als bron van literariteit’ en van Liselotte Hammond ‘Wie zegt dat Anton de Koms Wij slaven van Suriname (geen) literatuur is?’ In het woord ‘literariteit’ zit ook ‘rariteit’ en dat klopt ook wel. Het beoordelen van literaire kwaliteit moet passen bij de eigenheid van het te bespreken boek. De literaire kwaliteit staat nooit alleen, zo’n beoordeling kan een lite-‘rariteit’ worden.
Van Kempen onderzoekt niet Wij slaven van Suriname op ‘literariteit’, maar een romantekst, Ons bloed is rood (1933), die De Kom eerder heeft geschreven en nooit gepubliceerd. De tekst is jarenlang zoek geweest en recentelijk gevonden, met inkt geschreven in vier schriften. Een manuscript dus, waarin De Kom met rood potlood typografische aanduidingen heeft gegeven. Waarom is deze tekst nooit uitgegeven, vraag ik me af. Vond hij geen uitgever ervoor? Of zag hij een jaar later, toen hij Wij slaven van Suriname wel had gepubliceerd, in dat dat een veel belangrijker boek was? We weten het niet, maar of zo’n manuscript in kladschriften nou hét stuk is om de ‘literariteit’ van De Koms werk te beoordelen? Wel interessant is de inhoud: de roman gaat over de ontvluchte slaaf Kwakoe die in het binnenland een opstand voorbereidt en daarbij geholpen wordt door andere weggelopen slaven en door indianen. Vóór Wij slaven van Suriname was De Kom dus al bezig met het schrijven van een stuk eigen geschiedenis vanuit Surinaams, niet-koloniaal perspectief. Dat is immers wat hij ook deed met Wij slaven van Suriname.

Liselotte Hammond – die werkt aan een dissertatie over (postkoloniale) weerstand in de Surinaamse literatuur van de twintigste eeuw – slaat met haar artikel wél de spijker op de kop. Zij onderzoekt wat voor genre Wij slaven van Suriname is, een geschiedkundig boek, een essay… of fictie. Of het boek ook onder literatuur gerekend kan worden hangt af van wat men onder literatuur verstaat, en dat verschilt van periode tot periode. Literatuur functioneert in een bepaalde context. Een moeilijkheid bij dit werk is dat de auteur zich bewoog binnen verschillende culturele contexten. Een vraag hierbij is ook waarom Multatuli’s Max Havelaar in de Nederlandse canon is terechtgekomen en Wij slaven van Suriname niet. Twee belangrijke literatoren en critici uit De Koms eigen tijd waren Eduard du Perron en Menno ter Braak. Hun literatuuropvatting was ‘Vorm of Vent’. Het gaat er bij hen dus om wat de mens, de auteur, uitdraagt. ‘De vorm’ moet dus aansluiten bij het wezenlijke van ‘de vent’. Du Perron schreef aan Ter Braak dat het een boek is waarbij je niet aan literatuur denkt, maar dat je absoluut gegrepen wordt door wat er staat. De Koms boek wordt in zijn tijd ook gezien als proletarische literatuur, die moet begrijpelijk zijn voor de arbeidersklasse, de lezers meeslepen en ze wezenlijke informatie verschaffen. Het gaat Liselotte Hammond dus om de vraag welke opvatting over literatuur wij zouden kunnen hanteren om De Koms boek op een adequate manier als literatuur te kunnen beschrijven. Daarvoor is een postkoloniaal perspectief noodzakelijk. Niet vanuit een nieuw te veroveren territorium voor de Nederlandse, Europese literatuurwetenschap. Dan is het nog steeds vanuit koloniale visie. (- E.M.)

Dit themanummer van OSO is over het algemeen geslaagd. Met kleinzoon Antoine de Kom vinden we dat hier, in Suriname, door deskundige vaklieden ook een soort OSO zou kunnen verschijnen, helemaal vanuit postkoloniaal, Surinaams perspectief, vanuit onderzoek en beleving en niet vol wetenschappelijke vaktermen, want die schrikken de gewone maar wel geïnteresseerde lezer af. ‘Doe iets!’

IBS en KITLV: OSO, tijdschrift voor surinamistiek…: 75 jaar Wij slaven van Suriname. De turbulente biografie van een boek, jrg. 29, nr. 1, april 2010. ISSN 0167-4099
Voor info en abonnementen: KITLV ter attentie van Ellen Sitinjak, Postbus 9515, 2300 RA Leiden, e-mail: sitinjak@kitlv.nl

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter