blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Herrenberg J.Z.

J.Z. Herrenberg – Love Is Here

  Stil.
       Kille mist.
       Flats, alom, dof.
      
Kef, kort.
       Bek. Nek. Een hond, bont.
       En een band. Stok tikt bot. Een hand en een mouw en – een man, hompelend en nors, colbert een vod, op zijn romp een stoppelige kop, die krachtig kwat.
       De hond, nek gestrekt, snuffelt voort, speurt schuinweg door naar zijn beste plek in deze woestenij tussen dof gloeiende flats en keft, kort.
       Stopt.
       Wroet. En wroet.
       Piest.
       Poept …
       En springt erna blij op, ten spel!
       Echter, de bazin, kil, schopt hem te gronde, fixeert het dier, dat zielvol piept en peinst, stil.
       Grijnsjes verwringen haar kattengezicht. Vrouwtje knikt.
       Ze neemt, gebukt, de hond zijn bonte dekje af, wikkelt, gehurkt, haar rotte scharminkel in prikkeldraad en rukt dat, herrijzend, verbeten klem.
       Het bungelende beest, geil, het bungelende beest gilt!
       Ligt.
       Bedaard kijkt ze neer, hijgt ze na.
       Slentert weg.

       Empersende!
       Van je kalende top tot je kalkrijke teennagels, zo stinkveel als ik van jou hield! En nou, nou ben ik je voor altijd kwijt, niemand vult meer die krater in mijn borst, nee, nooit niet, ik ben nergens meer, je Geesje is niks.
       Ach, ik weet het, ik ben een verstokte romantica, ik weet het, hij zei het zo vaak, maar eerlijk, ik kon zijn pis wel drinken – Danaë en haar gouden regen –, ik zou, zonder dollen, ik zou wel kaviaar uit zijn oksels hebben kunnen eten, zo verkikkerd was ik …
       Empersende!
       Voorbij, voorbij.
       Neem me het alsjeblieft niet kwalijk dat ik zo lig te weeklagen, schat, ik kan er niets aan doen, ik voel me huilerig, hol en verzwakt, een klankkast waarin alleen nog maar het vleesloze verleden kan loeien.
       De nacht is koud en verschrikkelijk, een loden, sterloze leegte.
       Kut! Wees blij dat je met zo’n man hebt mogen werken!
       Ach ja, dat mysterieuze prozagedicht, ‘Baas en Hond’, ik hoor het hem nog zeggen, troostend schenkt de herinnering mij de innerlijke schijn van wat eens een concreet kloppende werkelijkheid was. Ik hoor Empersende diep in mijn koele schelpen, ja, ik zie hem hier in mijn eenzaamheid, zoals hij staat te acteren, zoals hij die snijdende woorden gewoonweg staat te dirigeren voor ons grote bed, mijn donkere Furtwängler, en hoe Pieter daar, of hij nou wil of niet, ontroerend geconcentreerd zit te luisteren met gesloten ogen, omdat zijn muzikantenoor wel gestreeld móest worden door zo’n perfect bekkende tekst!
       Zijn zwarte cape zwaaide, ruiste als een vleugel, de ringetjes aan zijn riem rinkelden lichtjes, zijn sterke armen, die me soms droegen (de branding in van, o.a., Zandvoort, Monster en Terschelling), boetseerden vormen in de lucht, terwijl de Afrikaanse donder van zijn stem maar rolde, imperatief, o hoe kon die niet galmen, ze vulde de luxueuze ruimte met haar hoge plafond volledig als ze dat wilde!
       Zijn orgaan, dat weet ik nog zo goed, was èn hard èn warm, bikkelwin­ter en schuimpjeszomer, voor iemand als ik een onweerstaanbare combinatie, die hem ook fysiek, met zijn uitgerekte en toch knuffelig gevulde lijf, zo bereaantrekkelijk maakte, een superteddy. Bij het formidabel ingezette ‘Stil’ had het intieme gezelschap abrupt gezwegen, als berispt, zelfs de vrouwe­hoer des huizes, en de gezichten, uit de plooi door een overlang change­ment, waren snel weer op waakzaam en gretig ingesteld.
       Regen sfeervol op de achtergrond, was men geboeid van Empie gaan smullen …

Wat is liefde? Een buffer, een hele broze buffer tegen overbodigheid, jeuk en dood. Hij wist dat, zoals hij alles wist, en ik weet dat nu. Hij heeft me nooit met eeuwigheid bedrogen, nooit – Empersende is het enige ware geloof geweest dat ik ooit heb aangehangen (en voor ik iets aanhang, hijg je eerst door een woestijn van barre twijfel!). Een momentje uit de derde maand van ons zieleneen-tweetje, gelicht uit vele soortgelijke, maakt misschien duidelijk wat ik bedoel.
       In opperste overgave spuwt zijn slang het wit van begin en einde copieus in mij, en Stoop hier volgt met enige vertraging en stukken minder spectaculair (de binnenpret van het vrouwe­lijke orgasme). Hij, ik, bonkend, we kijken elkaar aan uit smartelijk zoet gebroken ogen.
       —Ik wil je niet verliezen, nooit, fluister ik, inderdaad een beetje zwak en sentimenteel (alles was nog zo nieuw toen). Ik weet, ik weet dat het een keer moet, maar flik me dat nooit, hoor je?
       Stoer tracht ik de vloed te keren die stom achter mijn ogen prikt en brandt, maar helaas, de dijk is verzadigd, pure emotie overmant me en ik begin zachtjes te janken van mijn eigen tegenstrijdigheid.
       Empersende aait me lachend over mijn schokkende bolletje en schouders.
       —Mevrouw verwacht zoals gewoonlijk weer es het onmogelijke van me! bromt hij gemoedelijk in mijn gloeiende oor, op de toon van een overvraag­de heiland. Mijn macht strekt zich toch alleen maar uit over het leven, Gezepeesje? En zelfs dat slechts ten dele. Zolang ik er ben, ben ik er voor jou, met jou. En met mezelf, altijd met mezelf. Mijn bevoegdheden lopen tot de dood, wat dat ook is. Daarna moet ik jammer genoeg opgeven, lieve schat.

[uit Dietsche Warande & Belfort, 2009] 

Een persoonlijk afscheid van Hugo Kooks

door J.Z. Herrenberg

Op 31 juli jl. overleed de voorzitter van Ons Suriname, Hugo Kooks. Hij was de beste vriend van mijn vader. Afgelopen vrijdag, 5 augustus, heb ik het grote voorrecht gehad de volgende rede te mogen uitspreken op de begraafplaats Vredenhof te Amsterdam, waar Hugo nu voor altijd te vinden zal zijn:

read on…

Surinaamse schrijver van nu durft meer

door Peggy Brader

De Surinaamse schrijver van tegenwoordig is vrijer, heeft lef en is meestal vrouw. De Surinaamse literatuur heeft in de afgelopen tien jaar nog nooit zoveel schrijvers erbij gekregen dan in de twee voorgaande eeuwen.

In Voor mij ben je hier staan verhalen van zestien prozaschrijvers. Zaterdag 11 december was de presentatie in Amsterdam. Met ‘jong’ wordt niet zozeer de leeftijd van de nieuwe lichting schrijvers bedoeld, maar de debuutperiode. Schrijfster Mala Kishoendajal denkt dat er verwarring kan ontstaan bij het publiek, want de meeste nieuwe generatie-auteurs zijn net als zijzelf de veertig allang gepasseerd. “Toch heeft ook Mala na het jaar 2000 gedebuteerd,” licht samensteller Michiel van Kempen toe.

Johan Herrenberg (half Surinaams-half Nederlands) werkt al veertien jaar aan een boek, waarmee hij volgend jaar wil debuteren. “Een mijlpaal”, zegt Herrenberg want het betekent zijn eerste publicatie in boekvorm. Hij heeft ook een verhaal geschreven voor de bundel. Herrenberg is één van de weinige mannen die deel uitmaakt van de jongste generatie. In de bundel staan vier mannen en twaalf vrouwen met een verhaal. De lijst met nieuwkomers is overigens niet volledig, zegt Van Kempen. Een paar schrijvers hebben volgens hem niet kunnen meedoen.

Het niveau van de Surinaamse schrijver nieuwe stijl is hoog, merkt Van Kempen op. Ook is Suriname lang niet altijd hét onderwerp in hun verhalen. Meestal kiezen de jonge schrijvers voor universele thema’s. En ze durven meer. Iets wat Rudy Bedacht (Corly Verlooghen) en John Leefmans al deden in de jaren zestig. Ze zwommen tegen de stroom in. Clark Accord bood de twee heren namens de jongste generatie schrijvers een exemplaar aan van de bundel.

Dat het in het Surinaamse schrijverswereldje niet altijd koek en ei is, blijkt uit de ervaringen van John Leefmans. Hij stond op een gegeven moment samen met Bedacht en Accord op het podium om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. “Het is ironisch. Ik heb vreselijke kritiek gehad op Clark Accord en ik heb tegen de poezië van Rudy Bedacht geschreven!”

Leefmans kan hartelijk lachen om dit moment. Hij is onder de indruk van de jongste generatie schrijvers, onder andere van Karin Amatmoekrim. Uiteraard gaat hij er als kritisch lezer vanuit, dat er vast wel ‘zwakke broeders’ tussen zullen zitten. Aan Voor mij ben je hier werkten zowel schrijvers uit Suriname als Nederland mee.

Voor mij ben je hier; verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers
Michiel van Kempen (red)
Amsterdam: Meulenhoff, 2010
ISBN: 9789029086790

[overgenomen van RNW]

Nieuwe Surinaamse verhalenbundel Voor mij ben je hier

door Chandra van Binnendijk

Wat maakt een verhalenbundel voor veel lezers zo aantrekkelijk? Dat is vooral de afwisseling, de variatie van de inhoud – als het ene verhaal je verveelt, sla je gewoon een paar bladzijden om en je bent bij al bij een nieuwe story die hopelijk beter bevalt. In een roman is die keuze er niet en moet je maar doorbijten tot het al dan niet bittere einde. Die veelheid aan aanbod binnen hetzelfde kaft geeft een lekker gevoel van ruim kunnen kiezen – een soort verwennerij. Zo een ruime keuze biedt de pas verschenen bundel Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers zeker wel: er staan zestien verhalen in van evenveel auteurs. Maar wordt de lezer daarmee ook verwend?

Vrijwel alle auteurs in deze bundel hebben al titels op hun naam staan, eentje zelfs een heuse bestseller (Clark Accord met De koningin van Paramaribo). Het gaat hier dus niet om nieuw en pas ontdekt talent, hoewel de ondertitel dat eigenlijk wel suggereert. Ook de tekst op de achterflap versterkt deze indruk nog eens, want die vermeldt wel héél érg nadrukkelijk – in vier achtereenvolgende zinnen maar liefst driemaal – dat het hier ‘de jongste generatie schrijvers/de jonge schrijvers/deze jonge generatie schrijvers’ betreft. Dergelijke terminologie schept verwachtingen. Qua leeftijd wordt die verwachting in ieder geval niet waar gemaakt – de gemiddelde leeftijd van de auteurs is vrij middelbaar, de oudste, Monkau, is 75 en de jongste, Karin Amatmoekrim, 34 jaar.

Deze ‘jonge Surinaamse schrijvers’ bevinden zich grotendeels buiten Suriname. De meesten zijn wel in Paramaribo geboren, maar ze waaierden later uit naar koudere streken elders op de aardbol. Zou dit een reden kunnen zijn voor het licht internationale sfeertje dat de bundel ademt? De verhalen spelen zich namelijk niet uitsluitend af in het land van herkomst zoals vaak het geval is met verhalen van Surinaamse schrijvers, maar ook in Havana (Clark Accord), India (Mala Kishoendajal), Haïti (Ismene Krishnadath) en Limburg (Guilly Koster). Een interessante uitbreiding van de horizon.

In zijn voorwoord maakt samensteller Michiel van Kempen melding van nog een andere uitbreiding, die van de kwantiteit. Hij rekent uit dat in de eerste tien jaar van de 21ste eeuw het aantal prozaschrijvers zodanig is toegenomen dat het er meer zijn dan alle schrijvers van de 19de en de 20ste eeuw samen. Dit is zeker een opmerkelijke ontwikkeling in het landschap van de Surinaamse letteren. Van Kempen is blij met deze literaire oogst en geeft de lezer het bevel om optimaal te genieten van de mooie verhalen. Dat is soms gemakkelijker gezegd dan gedaan.

De lezer zal zich in elk geval niet vervelen met deze bundel, want de inhoud is afwisselend genoeg om onderhoudend te zijn. De thema’s zijn aangenaam variërend: vrouwenleed en hartzeer, de vermeende gekte van een man, afscheid van en herinneringen aan een stervende vriendin, de worsteling van een migrantenjongen om een thuis te vinden in een nieuw land, gepieker over een zorg behoevende schoonmoeder en dan ook nog een plots opduikende geilheid van een vrouw op een pater, evenals die van een vrouwelijke dominee op een toevallige mannelijke bezoeker, de levensloop van een statige zwarte vrouw – met hier en daar ook nog wat brokken geschiedenis, cultuur en godsdienst die tussen de verschillende verhaallijnen zijn geweven.

Die vrouwelijke dominee van Surinaamse afkomst in het verhaal van Guilly Koster, nota bene in een klein dorp in het Nederlandse Limburg zegt aan het einde van het verhaal, na haar neukpartij met haar toevallige bezoeker op zijn vraag, ‘Hoe…rijm je dit?’: ‘Als ik ermee kan leven, dan kan God dat ook.’ Werkelijk een slot dat pakt, dat je even geweldig doet lachen.

De kwaliteit van de verhalen is eveneens wisselend. Van sommige auteurs zoals Tessa Leuwsha zijn we beter gewend dan wat we hier aantreffen. Van anderen zou het al te wijdlopige verhaal met een strakke redactie vlot getrokken kunnen worden zoals bij Mala Kishoendajal – haar gruwelijk prachtige scène (op p.107) bijvoorbeeld verdrinkt in de al te uitleggerige woordenzee er omheen. Sommige verhalen zijn vermoedelijk persoonlijke belevenissen die meer indruk op de auteur hebben gemaakt dan ze kunnen overbrengen (Guilly Koster, Herman Monkou) – anderen springen er bovenuit, zoals Marylin Simons en Annette de Vries die met vaardige pen een indringend verhaal vertellen dat blijft hangen. In deze korte bespreking kunnen uiteraard niet alle verhalen aan de orde komen.

De meest verrassende auteurs in dit gezelschap zijn voor mij Iraida Ooft, wel een Surinaamse schrijfster in Suriname zelf en Johannes Herrenberg. Ooft maakt in deze bundel sterk en overtuigend haar prozadebuut. Subtiel en ingehouden qua stijl, weet ze een sfeer op te bouwen waarbij de lezer zijn eigen verbeeldingskracht kan aanspreken. Herrenberg is smakelijk en origineel, en hanteert een geheel eigen taalgebruik, met frisse beeldspraak. Enkele juweeltjes: ‘de omfloerste dreun van een levende stad met vogels die daar onzichtbaar zingend gaatjes in pikten’ (p. 190) en ‘Een spijkerbroek zo smerig dat je er de geur bijna vanaf kon lezen’ (p. 195). Hopelijk horen we meer van hen!

Beeldend geschreven, boeiend en spannend of emotioneel van inhoud en met een creatieve, functionele structuur, dat zijn de kenmerken van goede verhalen en die vinden we helaas niet in alle verhalen van deze bundel uitgewerkt.

Tot slot: de woordenlijst achter in het boek is tamelijk overbodig, want veel van de daarin opgenomen zinnetjes en woorden zijn in de verhalen zelf al vertaald of verklaard.

Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers, Michiel van Kempen (red.) Amsterdam: Meulenhoff, 2010, ISBN 978 90 290 8679 0

[ook verschenen in de Ware Tijd Literair, 12 februari 2011]

Veel talentvolle prozaschrijvers met Surinaams bloed

door Armand Snijders

Echte boekenwurmen weten het natuurlijk allang: het aantal werken van schrijvers van Surinaamse komaf is de laatste jaren enorm toegenomen. Die constatering wordt bevestigd door Michiel van Kempen, de kenner van Surinaamse literatuur bij uitstek. In zijn voorwoord van Voor mij ben je hier stelt hij: ‘Sinds het jaar 2000 hebben de Surinaamse letteren een wonderbaarlijk aanzien gekregen: er zijn in de eerste tien jaar van de eenentwintigste eeuw meer prozaschrijvers bij gekomen dan alle schrijvers van de negentiende en twintigste eeuw tezamen’.

Niet zo gek dus dat Voor mij ben je hier werd geboren. Zestien schrijvers kregen de gelegenheid hun woorden met de lezers te delen. Sommigen met een al zeer gevestigde naam, zoals Ismene Krishnadath, Carry-Ann Tjong-Ayong, Rihana Jamaludin en Clark Accord, anderen voor het lezerspubliek behoorlijk onbekenden (Herman Hennink Monkau en Mala Kishoendajal). Het geheel is verworden tot een alleraardigste proza-mix, leuk om er in de hangmat of bij het haardvuur in weg te duiken. Soms moet je wel even doorbijten, de verhalen zijn niet altijd even luchtig. Het begint al direct met ‘Kuisheid’ van Rihana Jamaludin, zware kost over bedelmonniken en geloof. Ze heeft de irritante gewoonte veel te lange zinnen met veel te veel bijvoeglijke naamwoorden te schrijven: ‘Weliswaar ging de zelfverklaarde soefi altijd gekleed in een lang gewaad dat tot over de knieën van zijn broekspijpen viel, was zijn hoofd bedekt door het kleine witte gebedskapje en had hij een respectabele korte baard, maar tegelijkertijd was zijn zwaaiende tred net iets te nonchalant, zijn houding brutaal en hield de scherpe blik onder zijn warrige krullenbol de belofte van cynisme in, zodat menigeen hierover stilzwijgend zijn bedenkingen had’. Probeer dat maar eens in één ademteug te bevatten!

Daarna wordt het gelukkig een stuk leesbaarder, met ‘Blijf stil’ van Marilyn Simons, een Cubaans uitstapje (‘Una casa particular’) van Clark Accord, de nodige persoonlijke herinneringen van onder meer Tessa Leuwsha en Herman Hennink Monkau. Ook alle andere bijdragen zijn goed te verteren. Sla Jamaludin dus over en je hebt een heerlijk boek.

Met Voor mij ben je hier wordt bewezen dat de literaire wereld inderdaad veel talentvolle prozaschrijvers met Surinaams bloed bevat.

Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers Michiel van Kempen (samenstelling en redactie)
Amsterdam: J.M. Meulenhof, 2010
ISBN 9789029086790

[overgenomen van Parbode]

Verhalenbundel gedoopt: ‘Ik voel het Surinaamse DNA in mij’

door Stuart Rahan

In een stampvol literair theater Perdu in Amsterdam werd zaterdag de bundel Voor mij ben je hier; verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers ten doop gehouden. De eerste exemplaren werden aangeboden aan twee auteurs van de roemruchte generatie van de jaren ’60: Rudy Bedacht en John Leefmans.Na het welkomstwoord van Meulenhoff uitgeefster-ad-interim Michaëla van Grinsven werd de literaire aftrap gegeven door Mala Kishoendajal, een van de zestien auteurs die met een verhaal in de bundel vertegenwoordigd zijn. Daarop ging Patrick Meershoek, journalist bij Het Parool en de Parbode, in gesprek met Rihana Jamaludin, Johan Herrenberg en Karin Amatmoekrim. Rihana Jamaludin ˗ pas laat doorgebroken met haar grote historische roman De Zwarte Lord ˗ zei het belangrijk te vinden te kunnen bijdragen aan de literatuur van Suriname. Voor de andere twee schrijvers aan tafel gold dat veel minder. ‘Ik ben geboren in Nederland uit een Surinaamse vader en een Nederlandse moeder, en ik voel het Surinaamse DNA wel in mij,’ zei J.Z. Herrenberg, ‘maar ik ben nog nooit in Suriname geweest en mijn oom, Henk Herrenberg, heeft wel beloofd ons tickets te sturen, maar dat heeft hij nooit gedaan. Ik ben óók Nederlands en vind mijn inspiratie bij Rilke, Mann en andere Europese schrijvers.’ Enig tumult veroorzaakte zijn opmerking dat hij al veertien jaar lang werkt aan een 800 pagina’s grote roman die volgend jaar moet uitkomen, ‘maar of Meulenhoff daarvoor goed genoeg is, weet ik nog niet.’

In een kort interview met Michiel van Kempen, de samensteller van de bundel, gaf deze aan vooral te houden van eigenzinnige, zo niet eigenwijze schrijvers. Hij gaf als voorbeeld dat Johan Herrenberg per se geen punt achter een bepaalde zin van zijn verhaal wilde, wat strubbelingen gaf met de tekstcorrector. Goede literatuur laat zich niet dwingen en gaat over alle grenzen. De titel Voor mij ben je hier ˗ ontleend aan een zin uit het verhaal van Joanna Werners ˗ geeft zo ook mooi de verbondenheid van mensen aan twee kanten van de oceaan weer. De keuze van Rudy Bedacht (Corly Verlooghen) en John Leefmans om de eerste exemplaren te ontvangen verklaarde Van Kempen ook vanuit dat idee: ‘Zij hebben de moed gehad om in een nationalistische tijd hun heil ver buiten hun land te zoeken (Leefmans in onder meer Chili, Trinidad en Zimbabwe, Bedacht in Spanje, Zweden en Bonaire) en ook werk te schrijven dat eigenzinnig was, en dat niet met de grote stroom mee ging. Daarvoor zijn zij niet altijd naar waarde beloond geweest.’

Clark Accord bood daarop de eerste exemplaren aan. Hij memoreerde daarbij hoe hij zelf als 19-jarige met zijn eerste tekst voor goede raad aanklopte bij Edgar Cairo, ‘maar die leek er vooral op uit mij te willen versieren.’ Bedacht las een verhaaltje voor over taal en identiteit en bracht zijn gedicht ‘Kevertijd’.

Daarop las Garrie van Pinxteren, China-correspondent van het NOS-Journaal en aangetrouwde tante van Iraida Ooft, een ingekorte versie voor van Oofts verhaal ‘High Maintenance’. Iraida Ooft, woonachtig in Paramaribo en zelf afwezig, is de enige echte debutante in de bundel. De andere schrijvers maakte allemaal hun debuut de laatste tien jaar.

Vervolgens wist Raj Mohan, begeleid door de gitarist Lourens van Haaften, de zaal tot tranen toe te beroeren met een intimistische voordracht van twee liederen in het Sarnami, een op een tekst van hemzelf, de ander een vertaling van het bekende gedicht ‘Suriname’ van Shrinivási.

Een tweede tafelgesprek werd voorgezeten door Gloria Wekker, hoogleraar gender en diversiteit. Zij confronteerde Henna Goudzand Nahar, Clark Accord en Carry-Ann Tjong-Ayong met haar interpretatie van hun verhalen. Accord merkte op dat Van Apoera tot Oreala zijn dierbaarste boek is, omdat hij er helemaal uit zijn cultuur moest komen en zich verplaatsen in die van de Indianen. Herman Hennink Monkau sloot op het gesprek aan met een speciaal voor de gelegenheid geschreven column.

Twee topmusici sloten de avond muzikaal af: Pablo Nahar, contrabassist van de oudere generatie, met het grootste jazztalent van de jongste generatie: Sanne Landvreugd op altsax. Een staande ovatie viel hun ten deel.

Sytske Jellema, journaliste bij Omroep Gelderland, maakte als presentatrice benauwde momenten mee met het kritische publiek dat elke verspreking (Parimaribo) ongenadig corrigeerde, maar sloeg zich met flair en vrolijkheid door het programma.

J.Z. Herrenberg – Geistertrio

Op 29 oktober jl. droeg ik bij de Stichting Perdu de volgende tekst voor. Hij ontstond uit de vraag of zogeheten ‘Denkbilder’ nog mogelijk waren in deze eeuw. Een Denkbild is een filosofisch-poëtische prozavorm, waarin het onaanzienlijke gebruikt wordt voor complexe bespiegeling. Het ‘genre’ floreerde in Duitsland, bij mensen als Walter Benjamin, Th. W. Adorno en Ernst Bloch. Hieronder mijn poging tot een actualisering van de vorm.

I.

De macht kan niet zonder reclame voor haar aanwezigheid, geen god zonder doorgeefluik. Alle jongetjes in voetbalshirt zijn priesters die betalen voor de beeldpreek die ze zelf houden. De heilige van toen is de superster van nu, en belichaamt in optima forma de waarheid die de macht nodig heeft ter verhulling van haar leugen. Geile girlpower is wel het slimste masker totnogtoe van het eerbiedwaardige patriarchaat. En blank is zelfs nog de kleurigste regenboog. Heilige en superster scherpen ons in wat we van de macht belangrijk moeten vinden – goedheid toen, roem nu. De goedheid is de triomf van de deugdzaamheid, waarin de Kerk nooit uitblonk. De roem is de triomf van de totale zichtbaarheid, waar de macht juist in het donker huist. Zij heeft haar koude dode lichaam geheel gesluierd en dwingt alle leven tot naaktheid, het blote niksie. We moeten te allen tijde worden gezien, ook voor het misdaadprogramma. De macht werft dus altijd met de keerzijde van wat ze beoogt, vervolgt altijd datgene wat ze zelf is en kraait dan dat de vijand is verslagen. En daar offert ze miljoenen aan op. Geen beter bewijs van haar vitaliteit dan de vernietiging. De macht is de bescherming, indien we gehoorzaam zijn, tegen de dood die ze ons ontijdig aan kan doen – een dialectische en waarlijk maffiose protection racket.

II.

Ik droom dat het donker is. Ik kom van de Ten Katemarkt, samen met een man die beweert dat het gedaan is met de revolutie. Als ik zeg dat ik daar anders over denk, lacht hij alleen maar en loopt door. Ik arriveer bij de portiek van Hasebroekstraat 20, het thuis van mijn eerste veertien levensjaren. Een moeder en twee kinderen moeten er ook zijn. Ik open de deur en laat hen voorgaan in de donkere gang. Er hangt een vreemde, licht verschaalde lucht en op de grond liggen snippers van kranten. Ik zie een kat, de al decennia dode Poppie, en concludeer dat hij de kranten verscheurd moet hebben. De moeder en de twee kinderen zijn intussen al de trap opgegaan. Ik roep: ‘Het is hier wel erg donker!’, en rek me uit naar een knop die zich plotseling vlak boven mijn hoofd bevindt – geen licht. Twee katten zie ik nu, ze hollen de oude, houten trap op. In de duisternis ga ik achter ze aan, naar boven. De moeder en de twee kinderen, meen ik zeer zeker te weten, zijn op eenhoog. Ik buig met de trap mee, naar rechts, en zeg: ‘Nou, het licht wil niet aangaan, misschien volgende keer beter!’ De vrouw, niks dan haar gestalte, haar gezicht onzichtbaar, draait zich om met een kort en smalend ‘Ha!’ en staat dan vlak voor me. Ik voel haar koude adem, en haar twee duimen, in mijn keel.

III.

Schepper is het oudste beroep van de mannenwereld. Mooie tijden, waarin een half-negentiende-eeuwse, nog maar half-doorgerationaliseerde wereld je emblematische epifanieën kon geven. We leven in een ontnuchterend geheel van honderdduizenden beslissingen. In onze gemaakte wereld ontstaat niets zomaar en mag ook niets zomaar bestaan. Ruimte is geld. De boompjes zijn gewild, weten hun plaats, rillende kinderen. De werkelijkheid ‘betrap’ je amper, ze is permanent ‘in project’ en je struikelt over de tekentafels, wordt bebeukt door de al dan niet geslaagde vlagen van brainstormsessies. De waterwolf van toeval en spontaniteit wordt dagelijks bevochten. Planning heeft de ‘landjes’, de stukken nog oningevulde leegte tussen de huizen waar de kinderen konden spelen, uit de buurten verdreven. De zwerfhonden zijn verdwenen. En het geluid van een paard-en-wagen in de straat, op weg naar een stal aan de Kostverlorenkade. Nog verkopen zwervers krantjes met de blijde boodschap van hun dakloosheid. Zo helpt cosmetica het verminkte gezicht. Maar ook de armoede zal verhuizen, desnoods onder de groene zoden, de goedkoopste sociale woning. Wie de tekst van de westerse werkelijkheid nu deconstrueert, reconstrueert teams en intenties. ‘Publieke ruimte’ wordt allengs synoniem met ‘gemonitord interieur’. Alle wegen leiden naar stilstand en transactie. Het voetgangersgebied is tippelzone, de bepollerde straat één lokkende kleefstrip van party’s, braderieën, evenementen en terrassen, beveiligd. Door de autoluwe kernen circuleert eindeloos het geld, rollen de burgeroogbollen omhoog naar vervoering, verlichting en geluk. Maar de wenkende hemel is satellieten en afval. En de stad, trillend van actie als een liefdesnest, is een kunstig ervaringenweb, volbevliegd, in de open poort van de dood. Haar toekomst ligt nog slechts in haar goed bereikbare verleden.

CODA

Het westen, vergrijzend en verstard, blondeert zich en voert zijn eenoog blauwe pillen. Godvorm en Geldvorm, twee blinde reuzen, strompelen stampend over de Aarde, met grote vreze. Daagt er nog iets in het verre oosten? The dream is over. En de nieuwe eeuw ontmaskert de bodemloze macht, brengt ons eindelijk de mens, of een mislukte soort zijn geheel verdiende niets.

De toekomst van de planeet is bruin.

De jongste Surinaamse schrijvers bij elkaar

In november verschijnt bij uitgeverij Meulenhoff Voor mij ben je hier, nieuwe verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers, ter gelegenheid van 35 jaar onafhankelijkheid van de Republiek Suriname. Het boek wordt op záterdag 11 december 2010 in theater Perdu in Amsterdam gepresenteerd.

Aan de bundel, die samengesteld is door Michiel van Kempen, werkten 16 schrijvers mee. Dit zijn: Rihana Jamaludin, Marylin Simons, Herman Hennink Monkau, Carry-Ann Tjong-Ayong, Clark Accord, Henna Goudzand Nahar (foto links), Mala Kishoendajal, Guilly Koster, Iraida Ooft, Tessa Leuwsha, Karin Amatmoekrim, Joanna Werners, Annette de Vries, J.Z. Herrenberg, Ismene Krishnadath en Ruth San A Jong.

Voor mij ben je hier
omvat ca. 320 blz. en gaat € 18,95 kosten. Het omslag is van Roald Triebels.

ISBN 978 90 290 8679 0

J.Z. Herrenberg – Supermarkt

Supermarkt

hoe je haar viel
toen je hand greep
wat je mond zei

zo loop ik alleen
en schrijf de zin
die ik niet kreeg

op de band
ligt een speen
plus een familie
verpakking dood

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter