blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Herrenberg J.Z.

Verrassing! Een letterkundig colloquium over de voormalige Nederlandse koloniën

Bij 12 ½ jaar leerstoel Nederlands-Caraïbische Letteren

Doelenzaal Universiteitsbibliotheek van Amsterdam, Singel 425, 1012 WP Amsterdam
Vrijdag 26 april 2019

Dit vrij toegankelijke colloquium staat in het teken van de verrassing: in cultuurresearch komen onderzoekers altijd wel eens verschijnselen tegen die ze niet verwacht hadden, die contingent zijn of waarmee ze zich niet zo goed raad weten, theoretisch of praktisch: verrassende links, moeilijk te plaatsen figuren, tussenfiguren, teksten die zich totaal niet verhouden tot het gehele oeuvre van een auteur, correspondentie tussen mensen van wie je dat in de verste verte niet verwacht enz. Een grote groep actieve literatuurwetenschappers geeft een letterkundige of cultuurhistorische presentatie met een duidelijk raakvlak met de voormalige koloniën van Nederland. Aan het einde van de dag zal ook een nieuwe uitgave van Albert Helman ten doop worden gehouden. read on…

Bestaat er een toekomst voor de Sarnámi literatuur?

Bestaat er een toekomst voor literatuur geschreven in het Sarnámi, de taal van de Surinaamse hindostanen? Op deze vraag zal prof. Michiel van Kempen a.s. vrijdag ingaan tijdens het Amsterdamse colloquium Verrassing! Een letterkundig colloquium over de voormalige Nederlandse koloniën (volledige programma, klik hier). read on…

Literatuur is geen kunstje

De afgelopen decennia is het realisme allesoverheersend in de Nederlandstalige literatuur. Zo niet bij J.Z. Herrenberg. Soms lijkt hij ook zelf te moeten bijkomen van zijn ‘uitbarstend schrijfimpressionisme’. read on…

Herrenberg hakt en boetseert zijn roman uit alle taalbronnen

Over het debuut Nederhalfrond van J.Z. Herrenberg

door Michiel van Kempen

Hoeveel museum kan een mens bevatten? Alle zalen van het Rijksmuseum op één dag doen: kan het? De Alte Pinakothek? Het Prado? Het Louvre? Het kan waarschijnlijk, ook als je geen marathonloper bent. Maar zie je ook nog iets, kun je zelfs maar één blik van enkele seconden op èlk tentoongesteld object werpen? Waarschijnlijk niet. read on…

Jesse Herrenberg

by Johan Herrenberg

My dear father, Eugène ‘Jesse’ Herrenberg, seated in the foreground, sailed from Suriname to Amsterdam in 1948, 19 years old, and started to make his life here. During the 1950s, apart from earning his living in construction and, later, in the timber business (Bruynzeel), he was a musician and bandleader. The band was called Conjunto Sibonay, and they brought the house down with swinging ‘kawina’ music at Surinamese parties in Amsterdam (places like Krasnapolsky, Brakke Grond, Tropenmuseum…) and even in Germany. When he married my mother, Alie Keizer, in 1957, he quit this career to become a devoted husband and terrific father.

[from Facebook]

J.Z. Herrenberg – Love Is Here

       Stil.
       Kille mist.
       Flats, alom, dof.
      
Kef, kort.
       Bek. Nek. Een hond, bont.
       En een band. Stok tikt bot. Een hand en een mouw en – een man, hompelend en nors, colbert een vod, op zijn romp een stoppelige kop, die krachtig kwat.
       De hond, nek gestrekt, snuffelt voort, speurt schuinweg door naar zijn beste plek in deze woestenij tussen dof gloeiende flats en keft, kort.
       Stopt.
       Wroet. En wroet.
       Piest.
       Poept …
       En springt erna blij op, ten spel!
       Echter, de bazin, kil, schopt hem te gronde, fixeert het dier, dat zielvol piept en peinst, stil.
       Grijnsjes verwringen haar kattengezicht. Vrouwtje knikt.
       Ze neemt, gebukt, de hond zijn bonte dekje af, wikkelt, gehurkt, haar rotte scharminkel in prikkeldraad en rukt dat, herrijzend, verbeten klem.
       Het bungelende beest, geil, het bungelende beest gilt!
       Ligt.
       Bedaard kijkt ze neer, hijgt ze na.
       Slentert weg.

       Empersende!
       Van je kalende top tot je kalkrijke teennagels, zo stinkveel als ik van jou hield! En nou, nou ben ik je voor altijd kwijt, niemand vult meer die krater in mijn borst, nee, nooit niet, ik ben nergens meer, je Geesje is niks.
       Ach, ik weet het, ik ben een verstokte romantica, ik weet het, hij zei het zo vaak, maar eerlijk, ik kon zijn pis wel drinken – Danaë en haar gouden regen –, ik zou, zonder dollen, ik zou wel kaviaar uit zijn oksels hebben kunnen eten, zo verkikkerd was ik …
       Empersende!
       Voorbij, voorbij.
       Neem me het alsjeblieft niet kwalijk dat ik zo lig te weeklagen, schat, ik kan er niets aan doen, ik voel me huilerig, hol en verzwakt, een klankkast waarin alleen nog maar het vleesloze verleden kan loeien.
       De nacht is koud en verschrikkelijk, een loden, sterloze leegte.
       Kut! Wees blij dat je met zo’n man hebt mogen werken!
       Ach ja, dat mysterieuze prozagedicht, ‘Baas en Hond’, ik hoor het hem nog zeggen, troostend schenkt de herinnering mij de innerlijke schijn van wat eens een concreet kloppende werkelijkheid was. Ik hoor Empersende diep in mijn koele schelpen, ja, ik zie hem hier in mijn eenzaamheid, zoals hij staat te acteren, zoals hij die snijdende woorden gewoonweg staat te dirigeren voor ons grote bed, mijn donkere Furtwängler, en hoe Pieter daar, of hij nou wil of niet, ontroerend geconcentreerd zit te luisteren met gesloten ogen, omdat zijn muzikantenoor wel gestreeld móest worden door zo’n perfect bekkende tekst!
       Zijn zwarte cape zwaaide, ruiste als een vleugel, de ringetjes aan zijn riem rinkelden lichtjes, zijn sterke armen, die me soms droegen (de branding in van, o.a., Zandvoort, Monster en Terschelling), boetseerden vormen in de lucht, terwijl de Afrikaanse donder van zijn stem maar rolde, imperatief, o hoe kon die niet galmen, ze vulde de luxueuze ruimte met haar hoge plafond volledig als ze dat wilde!
       Zijn orgaan, dat weet ik nog zo goed, was èn hard èn warm, bikkelwin­ter en schuimpjeszomer, voor iemand als ik een onweerstaanbare combinatie, die hem ook fysiek, met zijn uitgerekte en toch knuffelig gevulde lijf, zo bereaantrekkelijk maakte, een superteddy. Bij het formidabel ingezette ‘Stil’ had het intieme gezelschap abrupt gezwegen, als berispt, zelfs de vrouwe­hoer des huizes, en de gezichten, uit de plooi door een overlang change­ment, waren snel weer op waakzaam en gretig ingesteld.
       Regen sfeervol op de achtergrond, was men geboeid van Empie gaan smullen …

Wat is liefde? Een buffer, een hele broze buffer tegen overbodigheid, jeuk en dood. Hij wist dat, zoals hij alles wist, en ik weet dat nu. Hij heeft me nooit met eeuwigheid bedrogen, nooit – Empersende is het enige ware geloof geweest dat ik ooit heb aangehangen (en voor ik iets aanhang, hijg je eerst door een woestijn van barre twijfel!). Een momentje uit de derde maand van ons zieleneen-tweetje, gelicht uit vele soortgelijke, maakt misschien duidelijk wat ik bedoel.
       In opperste overgave spuwt zijn slang het wit van begin en einde copieus in mij, en Stoop hier volgt met enige vertraging en stukken minder spectaculair (de binnenpret van het vrouwe­lijke orgasme). Hij, ik, bonkend, we kijken elkaar aan uit smartelijk zoet gebroken ogen.
       —Ik wil je niet verliezen, nooit, fluister ik, inderdaad een beetje zwak en sentimenteel (alles was nog zo nieuw toen). Ik weet, ik weet dat het een keer moet, maar flik me dat nooit, hoor je?
       Stoer tracht ik de vloed te keren die stom achter mijn ogen prikt en brandt, maar helaas, de dijk is verzadigd, pure emotie overmant me en ik begin zachtjes te janken van mijn eigen tegenstrijdigheid.
       Empersende aait me lachend over mijn schokkende bolletje en schouders.
       —Mevrouw verwacht zoals gewoonlijk weer es het onmogelijke van me! bromt hij gemoedelijk in mijn gloeiende oor, op de toon van een overvraag­de heiland. Mijn macht strekt zich toch alleen maar uit over het leven, Gezepeesje? En zelfs dat slechts ten dele. Zolang ik er ben, ben ik er voor jou, met jou. En met mezelf, altijd met mezelf. Mijn bevoegdheden lopen tot de dood, wat dat ook is. Daarna moet ik jammer genoeg opgeven, lieve schat.

[uit Dietsche Warande & Belfort, 2009] 

Een persoonlijk afscheid van Hugo Kooks

door J.Z. Herrenberg

Op 31 juli jl. overleed de voorzitter van Ons Suriname, Hugo Kooks. Hij was de beste vriend van mijn vader. Afgelopen vrijdag, 5 augustus, heb ik het grote voorrecht gehad de volgende rede te mogen uitspreken op de begraafplaats Vredenhof te Amsterdam, waar Hugo nu voor altijd te vinden zal zijn:

Eigenlijk ben ik niet de aangewezen persoon om hier te staan. Bijna 33 jaar van Hugo’s leven was ik er nog niet en de 50 jaar daarna speelden zich vaak af buiten mijn gezichtsveld. Maar ik sta hier dan ook niet alleen maar voor mijn eigen verdriet. Er zijn twee hele belangrijke mensen die alleen maar niet rouwen, omdat ze Hugo zijn voorgegaan, en zij hebben ook een stem nodig. Er zijn mensen die de kracht niet hebben hier überhaupt te kunnen staan of die de woorden niet zouden kunnen vinden, en namens hen spreek ik hier dus ook. Ik sta hier voor Eugène ‘Jessy’ Herrenberg, mijn vader, Alie Keizer, mijn moeder, beiden overleden, Annie Keizer, mijn tante, Didi, mijn zus, Agnes, haar vriendin, en Lisa Doorson, die ik al mijn hele leven tante noem. Allemaal zijn we iemand kwijt die een deel van ons was, die het leven draaglijker en waardevoller maakte, een extra broer, zwager, oom, ja, zelfs vader.
Hugo en mijn vader waren bloedbroeders, symbolisch dan, want twee minder gewelddadige mannen heb ík nooit gekend, en bovendien: mijn vader kon niet tegen bloed. Hugo en Jessy waren allebei van 1928 – ze scheelden maar een paar weken – en kwamen een jaar na elkaar naar Nederland, mijn vader in 1948, Hugo in december 1949, waar mijn vader hem opving, want ze kenden elkaar eerder al in Paramaribo. Het lot wilde dat deze twee vrienden trouwden met twee vriendinnen uit de Amsterdamse Indische Buurt. Ik leerde Hugo al heel vroeg kennen, nog niet persoonlijk, maar door de verhalen van mijn moeder. De conclusie die ik eruit trok was dat die Hugo een grote grappenmaker moest zijn. Het komische wapenfeit waar mijn moeder het vaakst op terugkwam, was het volgende – ze nemen een taxi, ’s nachts, mijn vader zit voorin, en Hugo stelt vanaf de achterbank de chauffeur allemaal hoogst belangstellende vragen, vol wijs geknik en beamen, terwijl de dames naast hem, die hij steeds even snel toegrijnst, langzaam niet meer weten hoe ze hun lach in moeten houden… Ik ontmoette de joker in kwestie pas veel later in levenden lijve, in 1998, in het verenigingsgebouw van Ons Suriname, toen mijn vader en ik de Anton de Kom-tentoonstelling bezochten. Hugo Kooks bleek een innemende man te zijn, en in zijn kern rustiger dan mijn vader, die het alleen uiterlijk was. Later, bij verjaardagen in het ouderlijk huis, had ik gelegenheid mijn gebrekkige Kookskennis verder uit te diepen. Wat mij gelijk trof was dat Hugo veel meer dan mijn vader de trotse, zelfbewuste Surinamer was. Dat ik als bijna 40-jarige uit het boek van John Jansen van Galen, ‘Hetenachtsdroom’, moest vernemen dat mijn vader mede-oprichter was van de nationalistische beweging Wie Eegi Sanie, zou bij Hugo onbestaanbaar zijn geweest. Zoals bij wel meer dingen, is het zwijgen van mijn vader raadselachtig. Hugo zweeg niet. Hij was een ware ambassadeur van Suriname in Nederland en tegelijkertijd, in een arbeidzaam leven, bij de scheepswerf De Vries Lentsch, daarna de KNSM, helemaal verweven met de Nederlandse samenleving. Tekenend is wel dat Hugo zich aan het begin van de jaren ’60 in Suriname wilde vestigen, maar er om politieke redenen weg moest. Zijn leven had dus de laatste 50 jaar heel anders hebben kunnen zijn. Dan zou niet ik hier nu staan, in Amsterdam, maar iemand anders, in Paramaribo.
Maar wij hadden Hugo hier, heel lang, en dat is een groot voorrecht geweest. Hugo, we zullen je missen, een toonbeeld van vriendelijkheid en beschaving, en het bewijs van een geslaagde multiculturele samenleving, waarin je je herkomst niet hoeft te vergeten om toch een vreedzaam heden te kunnen delen. Voor mij persoonlijk, als een schrijver met een sterk politieke inslag, die ook zijn Surinaamse kant niet is vergeten, blijf je een aansporing en een inspiratie. Het is geweldig dat je er was.
Rust zacht.

Surinaamse schrijver van nu durft meer

door Peggy Brader

De Surinaamse schrijver van tegenwoordig is vrijer, heeft lef en is meestal vrouw. De Surinaamse literatuur heeft in de afgelopen tien jaar nog nooit zoveel schrijvers erbij gekregen dan in de twee voorgaande eeuwen.

In Voor mij ben je hier staan verhalen van zestien prozaschrijvers. Zaterdag 11 december was de presentatie in Amsterdam. Met ‘jong’ wordt niet zozeer de leeftijd van de nieuwe lichting schrijvers bedoeld, maar de debuutperiode. Schrijfster Mala Kishoendajal denkt dat er verwarring kan ontstaan bij het publiek, want de meeste nieuwe generatie-auteurs zijn net als zijzelf de veertig allang gepasseerd. “Toch heeft ook Mala na het jaar 2000 gedebuteerd,” licht samensteller Michiel van Kempen toe.

Johan Herrenberg (half Surinaams-half Nederlands) werkt al veertien jaar aan een boek, waarmee hij volgend jaar wil debuteren. “Een mijlpaal”, zegt Herrenberg want het betekent zijn eerste publicatie in boekvorm. Hij heeft ook een verhaal geschreven voor de bundel. Herrenberg is één van de weinige mannen die deel uitmaakt van de jongste generatie. In de bundel staan vier mannen en twaalf vrouwen met een verhaal. De lijst met nieuwkomers is overigens niet volledig, zegt Van Kempen. Een paar schrijvers hebben volgens hem niet kunnen meedoen.

Het niveau van de Surinaamse schrijver nieuwe stijl is hoog, merkt Van Kempen op. Ook is Suriname lang niet altijd hét onderwerp in hun verhalen. Meestal kiezen de jonge schrijvers voor universele thema’s. En ze durven meer. Iets wat Rudy Bedacht (Corly Verlooghen) en John Leefmans al deden in de jaren zestig. Ze zwommen tegen de stroom in. Clark Accord bood de twee heren namens de jongste generatie schrijvers een exemplaar aan van de bundel.

Dat het in het Surinaamse schrijverswereldje niet altijd koek en ei is, blijkt uit de ervaringen van John Leefmans. Hij stond op een gegeven moment samen met Bedacht en Accord op het podium om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. “Het is ironisch. Ik heb vreselijke kritiek gehad op Clark Accord en ik heb tegen de poezië van Rudy Bedacht geschreven!”

Leefmans kan hartelijk lachen om dit moment. Hij is onder de indruk van de jongste generatie schrijvers, onder andere van Karin Amatmoekrim. Uiteraard gaat hij er als kritisch lezer vanuit, dat er vast wel ‘zwakke broeders’ tussen zullen zitten. Aan Voor mij ben je hier werkten zowel schrijvers uit Suriname als Nederland mee.

Voor mij ben je hier; verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers
Michiel van Kempen (red)
Amsterdam: Meulenhoff, 2010
ISBN: 9789029086790

[overgenomen van RNW]

Foto: links: Clark Accord en Karin Amatmoekrim; rechts: John Leefmans en achter hem Rudy Bedacht; @ John Treffer

Nieuwe Surinaamse verhalenbundel Voor mij ben je hier

door Chandra van Binnendijk

Wat maakt een verhalenbundel voor veel lezers zo aantrekkelijk? Dat is vooral de afwisseling, de variatie van de inhoud – als het ene verhaal je verveelt, sla je gewoon een paar bladzijden om en je bent bij al bij een nieuwe story die hopelijk beter bevalt. In een roman is die keuze er niet en moet je maar doorbijten tot het al dan niet bittere einde. Die veelheid aan aanbod binnen hetzelfde kaft geeft een lekker gevoel van ruim kunnen kiezen – een soort verwennerij. Zo een ruime keuze biedt de pas verschenen bundel Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers zeker wel: er staan zestien verhalen in van evenveel auteurs. Maar wordt de lezer daarmee ook verwend?
.

John Leefmans was een van de twee “oudgedienden” die de eerste exemplaren van Voor mij ben je hier kregen aangeboden

Vrijwel alle auteurs in deze bundel hebben al titels op hun naam staan, eentje zelfs een heuse bestseller (Clark Accord met De koningin van Paramaribo). Het gaat hier dus niet om nieuw en pas ontdekt talent, hoewel de ondertitel dat eigenlijk wel suggereert. Ook de tekst op de achterflap versterkt deze indruk nog eens, want die vermeldt wel héél érg nadrukkelijk – in vier achtereenvolgende zinnen maar liefst driemaal – dat het hier ‘de jongste generatie schrijvers/de jonge schrijvers/deze jonge generatie schrijvers’ betreft. Dergelijke terminologie schept verwachtingen. Qua leeftijd wordt die verwachting in ieder geval niet waar gemaakt – de gemiddelde leeftijd van de auteurs is vrij middelbaar, de oudste, Monkau, is 75 en de jongste, Karin Amatmoekrim, 34 jaar.

Deze ‘jonge Surinaamse schrijvers’ bevinden zich grotendeels buiten Suriname. De meesten zijn wel in Paramaribo geboren, maar ze waaierden later uit naar koudere streken elders op de aardbol. Zou dit een reden kunnen zijn voor het licht internationale sfeertje dat de bundel ademt? De verhalen spelen zich namelijk niet uitsluitend af in het land van herkomst zoals vaak het geval is met verhalen van Surinaamse schrijvers, maar ook in Havana (Clark Accord), India (Mala Kishoendajal), Haïti (Ismene Krishnadath) en Limburg (Guilly Koster). Een interessante uitbreiding van de horizon.

In zijn voorwoord maakt samensteller Michiel van Kempen melding van nog een andere uitbreiding, die van de kwantiteit. Hij rekent uit dat in de eerste tien jaar van de 21ste eeuw het aantal prozaschrijvers zodanig is toegenomen dat het er meer zijn dan alle schrijvers van de 19de en de 20ste eeuw samen. Dit is zeker een opmerkelijke ontwikkeling in het landschap van de Surinaamse letteren. Van Kempen is blij met deze literaire oogst en geeft de lezer het bevel om optimaal te genieten van de mooie verhalen. Dat is soms gemakkelijker gezegd dan gedaan.

De lezer zal zich in elk geval niet vervelen met deze bundel, want de inhoud is afwisselend genoeg om onderhoudend te zijn. De thema’s zijn aangenaam variërend: vrouwenleed en hartzeer, de vermeende gekte van een man, afscheid van en herinneringen aan een stervende vriendin, de worsteling van een migrantenjongen om een thuis te vinden in een nieuw land, gepieker over een zorg behoevende schoonmoeder en dan ook nog een plots opduikende geilheid van een vrouw op een pater, evenals die van een vrouwelijke dominee op een toevallige mannelijke bezoeker, de levensloop van een statige zwarte vrouw – met hier en daar ook nog wat brokken geschiedenis, cultuur en godsdienst die tussen de verschillende verhaallijnen zijn geweven.

Die vrouwelijke dominee van Surinaamse afkomst in het verhaal van Guilly Koster, nota bene in een klein dorp in het Nederlandse Limburg zegt aan het einde van het verhaal, na haar neukpartij met haar toevallige bezoeker op zijn vraag, ‘Hoe…rijm je dit?’: ‘Als ik ermee kan leven, dan kan God dat ook.’ Werkelijk een slot dat pakt, dat je even geweldig doet lachen.

De kwaliteit van de verhalen is eveneens wisselend. Van sommige auteurs zoals Tessa Leuwsha zijn we beter gewend dan wat we hier aantreffen. Van anderen zou het al te wijdlopige verhaal met een strakke redactie vlot getrokken kunnen worden zoals bij Mala Kishoendajal – haar gruwelijk prachtige scène (op p.107) bijvoorbeeld verdrinkt in de al te uitleggerige woordenzee er omheen. Sommige verhalen zijn vermoedelijk persoonlijke belevenissen die meer indruk op de auteur hebben gemaakt dan ze kunnen overbrengen (Guilly Koster, Herman Monkou) – anderen springen er bovenuit, zoals Marylin Simons en Annette de Vries die met vaardige pen een indringend verhaal vertellen dat blijft hangen. In deze korte bespreking kunnen uiteraard niet alle verhalen aan de orde komen.

Garrie van Pinxteren, NOS-correspondent in China, las een fragment voor uit het verhaal van Iraida Ooft

De meest verrassende auteurs in dit gezelschap zijn voor mij Iraida Ooft, wel een Surinaamse schrijfster in Suriname zelf en Johannes Herrenberg. Ooft maakt in deze bundel sterk en overtuigend haar prozadebuut. Subtiel en ingehouden qua stijl, weet ze een sfeer op te bouwen waarbij de lezer zijn eigen verbeeldingskracht kan aanspreken. Herrenberg is smakelijk en origineel, en hanteert een geheel eigen taalgebruik, met frisse beeldspraak. Enkele juweeltjes: ‘de omfloerste dreun van een levende stad met vogels die daar onzichtbaar zingend gaatjes in pikten’ (p. 190) en ‘Een spijkerbroek zo smerig dat je er de geur bijna vanaf kon lezen’ (p. 195). Hopelijk horen we meer van hen!

Beeldend geschreven, boeiend en spannend of emotioneel van inhoud en met een creatieve, functionele structuur, dat zijn de kenmerken van goede verhalen en die vinden we helaas niet in alle verhalen van deze bundel uitgewerkt.

Tot slot: de woordenlijst achter in het boek is tamelijk overbodig, want veel van de daarin opgenomen zinnetjes en woorden zijn in de verhalen zelf al vertaald of verklaard.

Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers, Michiel van Kempen (red.) Amsterdam: Meulenhoff, 2010, ISBN 978 90 290 8679 0

[ook verschenen in de Ware Tijd Literair, 12 februari 2011]

Foto’s: @ John Treffer

 

Veel talentvolle prozaschrijvers met Surinaams bloed

door Armand Snijders

Echte boekenwurmen weten het natuurlijk allang: het aantal werken van schrijvers van Surinaamse komaf is de laatste jaren enorm toegenomen. Die constatering wordt bevestigd door Michiel van Kempen (foto rechts), de kenner van Surinaamse literatuur bij uitstek. In zijn voorwoord van Voor mij ben je hier stelt hij: ‘Sinds het jaar 2000 hebben de Surinaamse letteren een wonderbaarlijk aanzien gekregen: er zijn in de eerste tien jaar van de eenentwintigste eeuw meer prozaschrijvers bij gekomen dan alle schrijvers van de negentiende en twintigste eeuw tezamen’.

Niet zo gek dus dat Voor mij ben je hier werd geboren. Zestien schrijvers kregen de gelegenheid hun woorden met de lezers te delen. Sommigen met een al zeer gevestigde naam, zoals Ismene Krishnadath, Carry-Ann Tjong-Ayong, Rihana Jamaludin en Clark Accord, anderen voor het lezerspubliek behoorlijk onbekenden (Herman Hennink Monkau en Mala Kishoendajal). Het geheel is verworden tot een alleraardigste proza-mix, leuk om er in de hangmat of bij het haardvuur in weg te duiken. Soms moet je wel even doorbijten, de verhalen zijn niet altijd even luchtig. Het begint al direct met ‘Kuisheid’ van Rihana Jamaludin, zware kost over bedelmonniken en geloof. Ze heeft de irritante gewoonte veel te lange zinnen met veel te veel bijvoeglijke naamwoorden te schrijven: ‘Weliswaar ging de zelfverklaarde soefi altijd gekleed in een lang gewaad dat tot over de knieën van zijn broekspijpen viel, was zijn hoofd bedekt door het kleine witte gebedskapje en had hij een respectabele korte baard, maar tegelijkertijd was zijn zwaaiende tred net iets te nonchalant, zijn houding brutaal en hield de scherpe blik onder zijn warrige krullenbol de belofte van cynisme in, zodat menigeen hierover stilzwijgend zijn bedenkingen had’. Probeer dat maar eens in één ademteug te bevatten!

.


De presentatie van Voor mij ben je hier met aan tafel van links naar rechts Karin Amatmoekrim, Johan Herrenberg, Rihana Jamaludin en interviewer Patrick Meershoek. Foto © John Treffer

Daarna wordt het gelukkig een stuk leesbaarder, met ‘Blijf stil’ van Marilyn Simons, een Cubaans uitstapje (‘Una casa particular’) van Clark Accord, de nodige persoonlijke herinneringen van onder meer Tessa Leuwsha en Herman Hennink Monkau. Ook alle andere bijdragen zijn goed te verteren. Sla Jamaludin dus over en je hebt een heerlijk boek.

Met Voor mij ben je hier wordt bewezen dat de literaire wereld inderdaad veel talentvolle prozaschrijvers met Surinaams bloed bevat.

Voor mij ben je hier; Verhalen van de jongste generatie Surinaamse schrijvers Michiel van Kempen (samenstelling en redactie)
Amsterdam: J.M. Meulenhof, 2010
ISBN 9789029086790

[overgenomen van Parbode]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter