blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Herlezen

Mosa’s eiland

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Mosa’s eiland uit 1984 van Desiree Correa.

door Sara Faasse

Desiree Clotilde Correa (Daisy) (Aruba, 20 oktober 1953) is een Arubaanse kinderboekenschrijfster. Ze is geboren als dochter van Colombiaanse ouders. Naast het schrijverschap werkt ze al meer dan 25 jaar in het onderwijs. Ook werkt zij als vertaler. read on…

Don Walther Donner: chroniqueur pur sang

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Switi Sranan uit 1990 van Don Walther Donner, dat onlangs werd herdrukt.

door Carlo Jadnanansing

De eerste uitgave van Switi Sranan verscheen in 1990 maar deze is reeds decennia geleden uitverkocht. Kort geleden heeft de stichting Don Walther Fonds op verzoek van velen besloten een herdruk uit te geven. Ralicon heeft de taak op zich genomen het boek te redigeren en in een nieuw jasje te steken. read on…

De koning van Suriname

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De koning van Suriname uit 1993 van Cees Nooteboom.

 

door Cobi Pengel

De koningin van Paramaribo was het succesvolle debuut van de helaas veel te vroeg overleden auteur Clark Accord. Een onbetwiste bestseller niet alleen voor de Surinamers, gezien vertalingen in o.a. Duits, Spaans, zelfs Fins. read on…

De flonkering van het Papiamentu

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres.Vandaag een stuk over De kleur van mijn eiland van Aart G. Broek, Sidney M. Joubert en Lucille Berry-Haseth uit 2006.

 

door Michiel van Kempen

‘Voor degenen die de echte tambú gekend hebben, moet het een trieste zaak zijn de hedendaagse tambú te zien opvoeren door de jonge folkloristische groepen. Een tambú waar de man nu constant met opgeheven armen achter de vrouw aandanst totdat hij haar zo dicht nadert, dat zij hem een kontstoot geeft.’ Dat schreef de Curaçaose dichter Elis Juliana in 1983. Hij had het over de bekendste traditionele dans van de Nederlandse Antillen, maar het citaat geeft de hele ontwikkelingsproblematiek van de Antillen in een notendop: van de taal (het Papiamentu), van de cultuur in brede zin, van de hele samenlevingsvorm van de drie Benedenwindse eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao. Waar komen wij vandaan? wat kennen wij van die traditie?, wat is ervan overgebleven?, wat geven we op als we als minuscule samenlevingen meegaan in de vaart der grote volkeren? Hoe verhoudt zich de eilandelijke cultuur tot de Nederlandstalige van het Koninkrijk der Nederlanden en de machtige Spaanstalige van het nabijgelegen Zuid-Amerikaanse continent? Het zijn altijd kernvragen geweest van de Benedenwinders en nu, anno 2006, op de drempel van nieuwe belangrijke staatkundige hervormingen, zijn die vragen niet minder klemmend dan ooit ervoor. read on…

De langste maand herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De langste maand uit 1994 van Diana Lebacs.

door Pim Heuvel

WILLEMSTAD – De Curaçaose schrijfster, Diana Lebacs is bekend geworden met haar kinder- en jeugdromans en heeft op het terrein van de emancipatie van de Antilliaanse jeugdliteratuur baanbrekend werk verricht. read on…

Thea Doelwijt – Wajono

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over Wajono uit 1969 van Thea Doelwijt.

door Safira Kame

 

Wajono is een ‘wilde Indiaan’ die deels op eigen aandrang, deels naar de wens van zijn ‘beschaafde Surinaamse landgenoten’ in contact wordt gebracht met de beschaving van de stad. In Paramaribo komt hij in contact met verschillende culturen en hij maakt kennis met de manier van leven in de stad. Hij ervaart ook hoe zijn eigen cultuur botst met die van de stad. Deze ervaringen zal hij dan delen met zijn dorpsgenoten in het binnenland. Joyce krijgt de Indiaanse jongeman onder haar hoede en ze wordt uiteindelijk verliefd op hem. Echter, Wajono verdwijnt zonder iets van zich te laten horen. De politie neemt Wajono op den duur gevangen, omdat hij zo maar in de stad woont, zonder geregistreerd te zijn. Met behulp van een zekere professor Odenski en een politieke relatie van Joyce, komt Wajono tenslotte vrij, en in de armen van zijn Joyce. read on…

Verontrustend

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via onze contactbrief. Vandaag een stuk over de Romans en verhalen uit 1993 van J. van de Walle.

door Hans Groenewegen

 

J. van de Walle schreef in een korte periode (1956 – 1963) een vijftal romans. Ze spelen zich af in het Caribische gebied en in Suriname, tegen de achtergrond van het verleden van slavernij en koloniale verhoudingen. Hoe intrigerend het werk van deze onbekend gebleven schrijver eigenlijk is, blijkt uit de onlangs verschenen heruitgave. read on…

Mijn aap schreit is om te vlooien zo mooi

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag herleest Stine Jensen Mijn aap schreit van Albert Helman.
read on…

Clyde Lo-A-Njoe: Echolood

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor teksten die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag eerder al een gedicht van Clyde Lo A Njoe en nu zijn bundel Echolood.

Wim Rutgers toen
door Wim Rutgers
Clyde Lo-A-Njoe – Caresa

 

Clyde Lo-A-Njoe (Aruba 1948) volgde een opleiding als tekenaar-schilder en exposeerde zijn werk in Nederland, Duitsland en in het Caraïbische gebied. Naast beeldend kunste­naar is Clyde Lo-A-Njoe eveneens dichter. In 1982 gaf hij de tweetalige bundel Dansen / Baliamentu uit, waarin vierentwintig gedichten die alle een dans als uitgangspunt hebben en acht litho’s werden samengebracht. De oorspronkelijk Nederlands­talige gedichten werden door Luis H. Daal in het Papiaments vertaald. Lo-A-Njoe reisde veel, waar in zijn werk de neerslag van te vinden is. De thema’s van zijn poëzie, waarin hij persoon­lijke en mondiale noties verbindt, zijn het eigen verleden en zijn reiser­va­ringen, het verleden van de Caraïbische regio daarvan speci­fiek Aruba, maar ook de gevolgen van de atoombom op Hiroshi­ma aan het eind van de Tweede Wereld­oorlog en actuele Derde Wereld­proble­matiek. In het gedicht ‘Merengue in mijmering’ luidt het:
“Aruba, speldepunt waar mijn wereld om draait, / Refrésqueria en Latijnse melancholie, / je kromme bomen, / waardoor het spel van de / eeuwigdurende wind schiet. / Stil denk ik aan je overzoute lucht / en je verdwaalde blanken op de ‘waaf’.” (Dansen / Baliamentu, p. 43)
Clyde Lo-A-Njoe behoort tot die moderne Caraïbische dichters die zowel ge­nspi­reerd worden door het eigene als door de wereld buiten het eigen eiland, waarnaartoe de vensters wijd worden opengezet. (Skol y Komunidat XV-7, 1984: 10-13)
Aruba, jaren ’60

 

Na jaren verscheen in 1989 de bundel Echolood, een doorgeconstrueerde bundel in drie delen met respectievelijk twintig, drie en zeven gedichten, waarin de dichter opnieuw een persoonlijke positiebepaling van zijn persoon en kunstenaarschap onderneemt – dat wat een echolood doet: het peilen van de diepte of de hoogte.
Echolood bevat een drievoudige zoektocht en ontdekkingstocht naar het zelf: naar de innerlijke wereld van de eigen persoonlijkheid, vervolgens naar het eiland en de wereld daarbuiten en tenslotte naar het dichterschap dat deze positiebepaling ver­woordt.
De eigen identiteit wordt beschreven in enkele gedichten waarin de spiegel als middel tot zelfont­dekking een grote rol speelt, omdat de dichter er zichzelf in tegenkomt. De derde afdeling draagt zelfs de titel ‘aan de keerzijde van de Ebonieten spiegel’. In het gedicht ‘Voedingsbodem’ heet het daarom
“Ik vond / in deze spiegel­salon mijn voedings­bodem, / waarin ik helemaal hem werd, die ik / ooit was, en altijd wilde / zijn. / En daarom juist vooral mezelf. Ik ben / tegelijk pode-antipo­de, maar hoe / dan ook: alleen en / één met mezelf.” (p. 10)
In ‘Echolied’ blijkt dat de uitkomst van deze innerlijke zoektocht niet zonder meer direct positief is:
“Ik ken de geur van mijn eigen bloed, / het kruipen van mijn angst, / de kadans van mijn hulpeloze adem. / Er is geen steen der Wijzen.” (p. 19)
Maar naar het einde toe is het uiteindelij­ke resultaat van de zoektocht positief:
“Ik reisde niet meer vermomd… maar trof mezelf in het midden aan. Ik was er.” (p. 37)
De reismetafoor wordt ook gebruikt om de positie ten opzichte van het eiland te bepalen. Enkele stadia van die zoektocht zijn met de volgende ci­taten weer te geven. In het begin luidt het nog “het eenzame tropenkind .. ergens in het land Grenze­loos” (p. 8) Het eiland is “Zomaar een plek. Het is wel mijn plek.” (p. 22) Buiten het eiland is de dichter op weg naar Niemands­land (p. 24). Maar hij komt thuis zoals we al zagen, als hij zich in een positie bevindt van harmonie met de Umwelt, die pregnant gekarakte­ri­seerd wordt met het beeld van de ibis en de merel, kortom het Caraïbische gebied en Europa. Hij heeft zichzelf gevonden in een dubbele culturele ervaring.
De bundel Echolood opent met het derde motief, de geboorte en de macht van het woord dat schept. Vóór het woord was er niets, dóór het woord ontstaat alles – deze allusie op de schepping wordt ver­sterkt in het tweede gedicht dat om licht vraagt: “Ik schreeuwde om licht… licht… licht… Ik was blind op zoek naar mezelf.” (p. 6) Het titelgedicht ‘echolood’ dat direct daarna komt, beschrijft een nog prenataal stadium. De moeder wordt aanvan­ke­lijk verbonden met het eiland, later met het beeld van Moeder Aarde zelf. ‘Mijn inktschip’, de titel van het tweede centrale deel van de bundel, voert de dichter op zijn tocht naar het zelf naar de uiteindelijke vrijheid die in het slotgedicht van de bundel, waarin Moeder Aarde haar wieken als een condor uitslaat naar de vrijheid, verbeeld wordt met de vier oerelemen­ten die het – dit – dichterschap beheersen. Clyde Lo-A-Njoe’s aardse dichterschap verwoordt zo de vier oer-elementen. In Moeder Aarde “spiegel­den zich vuur / en lucht. Beneden haar ont­sproot / een bron van puur helder water.” (p. 39) Toch wordt de vraag niet beantwoord, het raadsel niet ontdekt, wordt het geheim van de creativiteit niet ontsluierd, klinkt het verlossende woord niet, want de uiteinde­lijke waarheid is niet blijvend vast te leggen, hooguit soms benaderd gedurende ‘een eindelo­ze afgewo­gen seconde’ in de woorden van een dichter.
Clyde Lo-A-Njoe schrijft hermetische en doorgeconstrueerde poëzie waarin de aardse menselijke existentie resoneert. In de eerste bundel kwamen nogal wat aan de Bijbel ontleende beelden voor; de poëzie in deze bundel is weliswaar onaards in die zin dat ze de aarde ontstijgt, maar desondanks volstrekt geseculari­seerd.

Een gedicht van Clyde Lo A Njoe

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor teksten die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over een gedicht van Clyde Lo A Njoe.

door Klaas de Groot
Een werk van Clyde Lo A Njoe

 

Dertig jaar geleden, in 1984, verschijnt Doodverf,  een bundel gedichten met werk van Lo A Njoe,Ton Luiting, Raoul-Maria de Puydt en Simon Vinkenoog. Het boek is een uitgave van de Kofschip-Kring (Hilversum – Brussel).
Clyde Roël Lo A Njoe  (Aruba,1948) staat erin met beeldende kunst en acht gedichten. Het is zijn tweede publicatie na de bundel Dansen / Baliamentu die in 1983 verscheen bij In de Knipscheer in Haarlem. Na Doodwerf verschijnt er nog een bundel: Echolood bij Kwadraat in Utrecht. Het is dan 1989. Daarna zwijgt de dichter, althans in het openbaar. Maar ja, een dichter mag dan zwijgen, gedichten blijven klinken, zolang er lezers zijn die ogen en oren openhouden. Herlezen is altijd mogelijk.
De beeldend kunstenaar die Lo A Njoe ook is, doet luider van zich spreken. Doodverf liet werk zien. De omslag van de dichtbundel van Henry Habibe Vukanisch samenzijn  (Haarlem 2008) toont een indringend beeld en de site van Lo A Njoe laat nog veel meer zien.
Dansen / Baliamentu is een kleurrijke bundel. Niet alleen dat er helder gekleurde litho’s van de beeldend kunstenaar in staan,maar ook de vertaling van de gedichten in het Papiaments (door Luis Daal) werkt mee aan de die veelkleurigheid. Net zo goed als het feit dat, de titel zegt het al, de dans een belangrijk motief is. De tango, de rumba , de merengue en vele andere ‘bewegingen’ roepen kleurassociaties op.
Opvallend is nu dat de bundel Echolood, waarin veel elementen uit de beeldende kunst, met name uit de schilderswereld, een rol vervullen, helemaal niet geïllustreerd is. Dat boek roept om kleur, maar de kleuren zitten er alleen in als literair motief. We zien de dichter en de beeldend kunstenaar aan het werk maar de beelden zullen in het hoofd van de lezer moeten ontstaan. En dat gebeurt ook vanaf het eerste gedicht: ‘Ontstaan’ met de eerste regel: ‘Starend in de kern van het trage licht’.
Over een soortgelijk  ontstaan gaat het gedicht ‘Een ingehouden snik’. Dat is een schitterend gedicht uit Doodverf, het is ook te lezen op de site van Lo A Njoe.
Een ingehouden snik
Een droom, een illusie, een loos moment,
dat je goed aangekomen bent.
De steppe van een ogenblik,
veel korter dan een ingehouden snik.
Terug, terug naar het voorlaatste woord,
dat alleen de tijd heeft gehoord.
Geperst uit een benauwd strottenhoofd,
eer-, eergisteren door dronken tekst verdoofd.
Toevallig als de plooi in het tafelkleed
komt er een kreukel in het blad;
kruipen punten en komma’s weg…
Oeroude tover, één pagina breed,
beweegt boven ‘t blad, ik strijk ‘t glad,
vóór ik de formule opzeg…
Het gedicht lijkt te gaan over het scheppingsproces. Het is een poëticaal gedicht over wat er op het papier ontstaat in woorden, punten en komma’s. Het papier ligt op een kleed met een kreukel, die zich voortplant naar het papier. En wat er op het  papier komt, is een formule, het is oeroude tover. Het is de magie van het woord dat onder invloed is ontstaan, nu naar buitenkomt en genoteerd wordt. Als een droom, als een illusie. Dan is het loze moment ‘goed aangekomen’. En deze aankomst is alleen paradoxaal te ervaren als ‘de steppe van een ogenblik’. En wat voor een ogenblik: ‘veel korter dan een ingehouden snik’. Maar dat wat ontstaat is een snik, die de ik kan opzeggen. Hij kan het gedicht voorlezen.
Over goede gedichten kan veel gezegd worden, maar nooit alles. Dat is mooi: ‘de steppe van een ogenblik’ moet je zien en de woorden moet je (her)lezen. De paradox moet de lezer voelen. Dat gebeurde ook al in 1984, toen Wim Rutgers een stuk schreef over de eerste bundel van Lo A Njoe met de paradoxale titel ‘De minuut van de constante extase’. In de introductie van het stuk, popgenomen in zijn Dubbeltje lezen, stuivertje schrijven, beklemtoonde hij dat die eerste bundel veel meer aandacht verdiende. Ik denk dat we dat in 2014 nog steeds kunnen zeggen, ook voor de gedichten in Doodverf en Echolood.

Meer info op http://www.clyderloanjoe.com

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter