blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Heijer Henk den

Op een klein kurkje kan een land niet drijven

De ‘nieuwe realisten’ in het slavernijonderzoek claimen dat de traditionele wetenschappers tot voor kort uitmaakten wat wel en niet werd onderzocht en dat zaken als het economisch belang van de slavernij daardoor onderbelicht bleven. Een dubieuze claim.

read on…

Na de zweep de welvaart

Nieuw onderzoek naar de Atlantische slavenhandel toont dat de impact op de Nederlandse economie allerminst marginaal was. Een mijlpaal volgens onderzoekers. En belangrijk: zonder activisten was dit niet onderzocht.

door Niels Matthijsen read on…

De naamgever van het Mauritshuis deed wél zelf mee aan slavenhandel

Historici Emmer en Den Heijer verdedigen een conservatief verhaal over de Gouden Eeuw, bewijs of niet, betoogt collega-historicus Pepijn Brandon.

door Pepijn Brandon read on…

Niet alles had in de Gouden Eeuw met slavenhandel te maken, dus laten we ook niet doen alsof

De expositie over Johan Maurits lijdt her en der aan al te links-activistische ­geschiedschrijving, schrijven historicus Piet Emmer en emeritus hoogleraar zeegeschiedenis Henk den ­Heijer.

Een van onze mooiste kunstmusea, het ­Mauritshuis, presenteert momenteel een tentoonstelling die weinig met kunst, maar veel met geschiedschrijving te maken heeft. Er was namelijk commotie ontstaan over het feit dat bezoekers nergens werden geïnformeerd over het mensonterende koloniale verleden van de bouwheer. Johan Maurits, zo werd zonder bewijs beweerd, zou zijn ‘paleis’ hebben gebouwd met bloedgeld verdiend aan slaven.

read on…

Stichting MoWIC hoopt op veel Caribische belangstelling voor 2e Vrijburghconferentie

Bijna een jaar is verstreken sinds de Stichting MoWIC (Monuments of the Dutch West India Company) koos voor Slavernij als thema van de Vrijburgh Conferentie 2017 en vier maanden sinds de eerste uitnodigingen zijn verzonden. De publieke aandacht voor het onderwerp is sindsdien alleen maar toegenomen. En, gelet op de sprekers en de onderwerpen van de lezingen, hoopt MoWIC, naast de gebruikelijke deelnemers uit academia, openbaar bestuur en maatschappelijke organisaties, op veel belangstelling uit de Antilliaanse en Surinaamse gemeenschap in Nederland. read on…

‘Herstelbetalingen voor slavernij? Je moet niet overdrijven’

Interview emeritus hoogleraar Henk den Heijer

Henk den Heijer oogste nogal wat verontwaardiging met zijn bevindingen over de slavenhandel. Zo zouden volgens hem slaven op schepen minder wreed zijn behandeld dan werd gedacht. Nu de hoogleraar zeegeschiedenis afscheid neemt, blikt hij terug.

door Cor Speksnijder read on…

Geschiedenis van een handelsmaatschappij

door Jerry Egger

De West-Indische Compagnie (WIC) heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Suriname. Ze was mede-eigenaar van het gebied en heeft ook de aanvoer van slaven vanuit Afrika gedurende lange tijd gedomineerd. Een algemene geschiedenis van deze maatschappij is dan ook relevant om zo meer te weten te komen over de vroege geschiedenis van de Europese aanwezighied op de zogenoemde ‘Wilde Kust’. De Nederlandse historicus verbonden aan de Leidse universiteit, Henk den Heijer, wordt beschouwd als een deskundige en zijn boek Geschiedenis van de WIC is al vele malen herzien en herdrukt. In 2013 verscheen de vierde druk, die voor het eerst in 1994 uitkwam. De Walburg Pers heeft er een prachtige uitgave van gemaakt met zeer fraaie illustraties van de hoofdrolspelers bij de WIC die door verschillende bekende schilders van die tijd zijn geportretteerd. Er zijn ook tekeningen van gebouwen opgenomen – vooral in Amsterdam – die een rol hebben gespeeld bij de WIC, en enkele forten op de westkust van Afrika. Verder zijn er tekeningen van Benoit en Stedman die in Suriname zeker herkend zullen worden omdat die vaker in boeken zijn gepubliceerd.

 

In zijn inleiding geeft Den Heijer aan dat heel wat archiefmateriaal van de WIC verloren is gegaan. Het is tekenend dat een maatschappij die veel heeft bijgedragen aan de Nederlandse aanwezigheid in Amerika op onbenullige wijze is behandeld door officiële instanties aldaar. In 1821 gaf het departement van Koloniën de opdracht om een deel van het waardevol WIC-materiaal aan een lompenhandelaar te verkopen, en in 1844 verbrandde een ander deel dat was ondergebracht bij het departement van Marine. Heel wat verspreid liggend materiaal moest worden geraadpleegd om de geschiedenis van de WIC te vertellen. Aan de andere kant geeft het boek ook weer hoe werd gedacht over de WIC. Het mocht dan wel een belangrijke onderneming zijn, maar veel heeft zij niet echt opgeleverd voor de schatkist van diverse aandeelhouders. Dit in tegenstelling tot de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die geroemd wordt in de Nederlandse geschiedenis.

 

De WIC moest de tegenhanger worden van de VOC, die de handel op Azië monopoliseerde. Amerika was ook lucratief gelet op de hoeveelheden goud en zilver die Europa bereikten via Spanje. Dit idee circuleerde onder mensen in de verschillende provincies die later Nederland zouden worden. Uiteindelijk lukte het in 1621 de WIC op te richten. Den Heijer geeft een interessante beschrijving van de manier waarop de verschillende gebieden in Nederland betrokken raakten bij de Atlantische wereld. Een logisch gevolg was de poging een maatschappij op te richten die een handelsmonopolie zou krijgen op alle activiteiten die zouden worden ontplooid op de continenten rond de Atlantische Oceaan. En zo geschiedde. Het werd een combinatie van kaapvaart en handel drijven. Het meest bekende ‘succes’ was Piet Heyn die de Spaanse vloot vol zilver wist te kapen.
Den Heijer beschrijft uitgebreid het reilen en zeilen binnen de WIC. Dat maakt het boek tot een geschiedenis van een maatschappij, zonder dat de lezer veel te weten komt over de zeelieden, over het personeel in Afrika en Amerika en hoe die dachten en tegen de WIC aankeken. Af en toe is er een glimp die een beetje licht doet schijnen op de werkers, maar veel is dat niet. Het is een typische geschiedenis van bovenaf. Er wordt heel weinig van onderaf – bottom up – naar de WIC gekeken. Dat zou een ander verhaal opleveren dan in dit boek vastgelegd. De slavernij komt wel aan bod, maar dan voornamelijk vanuit de visie van de leiding. Den Heijer laat zien dat in eerste instantie de Nederlanders twijfelden of het tot slaaf maken van Afrikanen moreel wel kon. Dat liet men al heel snel varen toen de WIC delen van het noordoosten van Brazilië veroverde en inzag dat slavernij noodzakelijk was om bij het verbouwen, oogsten en verwerken van suikerriet deze vorm van arbeid op grote schaal toe te passen. Kortom, alle morele overwegingen liet men voor wat ze waren en Nederland begon zich steeds meer bezig te houden met het verhandelen van Afrikaanse gevangenen. Curaçao bleek een geschikte diepzeehaven te hebben. Gevangen genomen Afrikanen konden van daaruit verder worden verhandeld. Ook Suriname werd vooral in de achttiende eeuw – op het hoogtepunt van de plantagelandbouw – voorzien van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Dat leidde onder andere tot de ramp met de ‘Leusden’ in 1738 toen slaven vanuit West-Afrika naar Suriname werden getransporteerd. Het schip zonk voor de monding van de Marowijnerivier, maar het ruim werd dichtgespijkerd zodat de Afrikaanse gevangenen niet konden ontsnappen en verdronken. Den Heijer spreekt van een misdaad, die overigens nauwelijks punt van discussie was binnen de WIC. Waar wel over werd gesproken, was de geleden schade.

 

Zo laat de schrijver zien waar het bij de WIC om ging, om winsten zonder moeilijke morele vragen te stellen. De auteur laat zo genoeg ruimte om een ander verhaal te vertellen over de WIC, waarbij gebeurtenissen als die met de ‘Leusden’ meer naar de voorgrond worden gehaald.
Henk den Heijer: Geschiedenis van de WIC. Opkomst, bloei en ondergang, vierde herziene druk. Zutphen: Walburg Pers, 2013. ISBN 90-5730-891-6

Het Kasteel van Elmina: Europese slavenhandel minstens zo Afrikaans

door Stuart Rahan
Amsterdam – Met de presentatie van het boek Het kasteel van Elmina heeft schrijver en journalist Marcel van Engelen een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de discussie over slavernij en slavenhandel. De Nederlandse schrijver heeft de onderbelichte kant van slavernij en slavenhandel op het vaste continent van Afrika aan een nadere bespreking onderworpen.
Was de onderwerping van de Afrikaanse mannen en vrouwen door hun eigen rasgenoten net zo verwerpelijk als toen de witte Europeaan de trans-Atlantische slavenhandel opstartte?
Hij geeft daar antwoord op in zijn nieuwe boek. “Niet om de Europese bemoeienis met slavernij te vergoelijken”, verontschuldigt hij zich tijdens de presentatie. “Het doet niks af aan het aandeel van Nederland.” Wat hem tijdens zijn onderzoek trof, was hoe vervlochten de trans-Atlantische handel was met de Afrikaanse slavenhandel en het meest dramatische, de gruwelen van de slavernij, die nog moesten komen.
Langdurige discussies
Hij toonde diep respect voor Barryl Biekman van het Landelijk Platform Slavernijverleden, die de aanzet gaf voor het Slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark. “Het monument heeft als katalysator gewerkt op heel veel wat met het Nederlandse slavernijverleden te maken heeft gehad.” Hij overhandigde het eerste exemplaar van zijn boek aan haar. In zijn zoektocht naar het Nederlandse slavernijverleden heeft de schrijver al sinds 2001 contact met Biekman. In langdurige discussies hebben beiden op respectvolle wijze het gevoelige onderwerp met elkaar besproken. Maar de meningsverschillen en benaderingswijzen, ieder vanuit zijn eigen achtergrond, hebben niet echt tot consensus geleid.
Vergoelijken
In haar dankwoord prees Biekman, Van Engelen voor zijn bijdrage aan het de-taboeïseringsproces van de slavernij binnen de Nederlandse samenleving. “Als het slavernijsysteem toen als misdaad tegen de mensheid was verklaard en er een strafsysteem bestond, was het koningshuis voor levenslang opgesloten”, illustreert Biekman de betrokkenheid van de Nederlandse staat. Het verwerpelijke slavernijsysteem werd namelijk vanuit het koningshuis legaal in stand gehouden. Maar volgens Biekman willen ‘witte’ wetenschappers met hun Eurocentrische benadering vooral de aandacht afleiden van het Nederlandse aandeel in de ontwikkeling van het verwerpelijke systeem, van de misdaden die tegen Afrika en Afrikanen is begaan. “Zij halen de moderne slavernij er steevast bij om de aandacht af te leiden van de roep om excuses aan te bieden voor de misdaden tegen de mens. Ze halen ook de Afrikaanse slavernij erbij om de Europese slavernij te vergoelijken.”
Geen aandacht
Maritiem historicus Henk den Heijer, die zijn medewerking verleend heeft aan het boek is blij met de aandacht voor het Nederlandse slavernijverleden. In het Nederlandse onderwijs is volgens hem nauwelijks aandacht geweest. Met de komst van Surinamers naar Nederland is daar verandering in gekomen. Het kasteel van Elmina beschrijft hoe leven en handel rond Elmina verliepen. Van Engelen trok vanaf de kust het Afrikaanse binnenland in en bezocht de plaatsen waaruit de slaven werden weggevoerd. Gaandeweg verdiept hij zich in de discussie rond slavernij die de laatste jaren in Nederland zo hevig is opgelaaid. Was de slavenhandel niet minstens zo Afrikaans als Europees?
 [uit de Ware Tijd, 24/05/2013]

Slapjanussen en markante persoonlijkheden

 door Henk den Heijer
Op 10 oktober 2010 viel het doek voor de Nederlandse Antillen als land binnen het Koninkrijk. De zes eilanden die sinds de zeventiende eeuw met Nederland verbonden zijn, liggen nog steeds op dezelfde plaats en zijn nog steeds onderdeel van het Koninkrijk der Nederlanden, maar hun staatkundige positie is een andere geworden. In plaats van één land hebben de kleinste drie – Bonaire, Sint Eustatius en Saba − de status van gemeente gekregen, en de overige drie die van afzonderlijke landen binnen het Koninkrijk. De verzelfstandiging van Curaçao en Sint Maarten – Aruba had al een status aparte − werd in oktober 2010 feestelijk gevierd, maar inmiddels is er van die feestvreugde weinig meer over. Een jaar na de verzelfstandiging presenteerde Paul Rosenmöller een rapport over het bestuur van Curaçao, waarin de integriteit van minstens drie ministers ter discussie werd gesteld. Het rapport veroorzaakte op Curaçao veel onrust en ongenoegen. Ook op de andere eilanden werd gemord over de negatieve effecten van de bestuurlijke veranderingen.
In het onder redactie van Gert Oostindie verschenen boek De gouverneurs van de Nederlandse Antillen sinds 1815 wordt niet ingegaan op de huidige bestuurlijke perikelen, maar teruggeblikt op de dertig gouverneurs die het eilandenrijk tussen 1815 en 2010 in opdracht van Den Haag hebben bestuurd. Oostindie schetst in het inleidende hoofdstuk in kort bestek de bestuurlijke geschiedenis van de Antillen onder het Koninkrijk die aanvankelijk als wingewest, maar al vrij vroeg in de negentiende eeuw als financieel blok aan het been werden ervaren. De door de Nederlandse regering aangestelde gouverneur moest in de West op de koloniale winkel passen en zorgen dat de begrotingstekorten daar niet te hoog opliepen. Tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw was hij door Den Haag met vrijwel autocratische bevoegdheden bekleed. Pas na de moeizame voltooiing van het ‘Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden’ in 1954 kregen de Antillen een gelijkwaardige, en daarmee een bestuurlijk autonome positie binnen het Koninkrijk. Vanaf dat moment was de gouverneur vooral een symbolische figuur, te vergelijken met een constitutionele monarch in een parlementaire democratie.
De gouverneurs in het boek zijn in vier opeenvolgende tijdvakken ondergebracht die door evenzoveel auteurs worden beschreven. Wim Renkema behandelt de periode 1815-1866 die gekenmerkt wordt door slavernij, koloniale experimenten en uiteindelijk de afschaffing van de slavernij in 1863. Het daarop volgende tijdvak met de veelzeggende titel ‘Dood tij’ (1866-1919) is van de hand van Ronald Donk. In deze periode werd met wisselend succes gepoogd de economische positie van met name de Benedenwindse eilanden op te vijzelen door fosfaatwinning en experimenten in de landbouw die nauwelijks effect sorteerden. De gouverneurs hadden het regelmatig met de Venezolaanse regering aan de stok, die de eilandbewoners van wapenleveranties aan rebellen beschuldigden. Dirk Tang tekent voor de periode van modernisering (1919-1951), waarin de raffinage van Venezolaanse olie eindelijk geld in het laatje bracht.
Leonardus Fruytier
Leonardus Fruytier was in dit tijdvak de meest tragische gouverneur. Gedurende zijn eenjarige ambtstermijn drong een groep Venezolaanse revolutionairen onder leiding van Rafael Simón Urbina het Waterfort op Curaçao binnen, veroverde daar een partij wapens en gijzelde Fruytier. De gouverneur werd gedwongen om de revolutionairen met het schip Maracaibo naar Coro te brengen. Na zijn terugkeer op Curaçao werd Fruytier slap optreden verweten en riep de regering hem in oktober 1929 terug naar Nederland. De gouverneurs in de periode van statutaire autonomie (1951-2010) zijn door Aart Broek geportretteerd. Anton Struycken en Antonius Speekenbrink hadden in de beginfase van die bestuurlijke verandering duidelijk moeite met hun uitgeklede machtspositie. De markantste gouverneur uit deze periode was Nicolaas (Cola) Debrot, de op Bonaire geboren intellectueel die als de grondlegger van de Antilliaanse literatuur wordt beschouwd. Tijdens zijn ambtstermijn vond eind mei 1969 op Curaçao een geweldsuitbarsting onder Afro-Curaçaoënaars plaats die Nederland tot militair ingrijpen dwong. Vanaf Debrot waren alle gouverneurs van de Antillen afkomstig.
Cola Debrot arriveert als gouverneur op Curaçao
In het laatste hoofdstuk laat kunsthistorica Renske van der Zee haar licht schijnen over de geschilderde gouverneursportretten die het gouverneurshuis in Willemstad sieren. De negentiende- en begin twintigste-eeuwse gezagsdragers werden waarschijnlijk in opdracht van gouverneur Nicolaas Brantjes (1921-1928) door de Haagse fotograaf Ton Blom geschilderd. Historisch gezien zijn de in galakostuum en met onderscheidingen afgebeelde gouverneurs ongetwijfeld interessant, maar in artistiek opzicht valt van deze stereotiepe portretten een stuk minder te genieten. Dat geldt niet voor de schilderijen die na 1929 zijn vervaardigd. Bijzonder zijn die van Leonard Peters en Nicolaas Debrot, die door de magisch-realistische schilder Carel Willink zijn vervaardigd. De koele blauwgrijze tonen en de Antilliaanse scènes op de achtergrond geven deze schilderijen een beklemmende aanblik.
De dertig biografische schetsen van vier á vijf pagina’s per gezagsdrager hebben een vaste opbouw, waarin achtereenvolgens het geloof, de opleiding, de carrière en de bestuurlijke daden van de betreffende gouverneur de revue passeren. Opvallend is dat Den Haag tot ver in de negentiende eeuw de voorkeur gaf aan in Nederland geboren gouverneurs van protestantsen huize. In 1890 werd voor het eerst een katholieke bestuurder aangesteld. Aanvankelijk koos men militairen als ambtsdrager, maar geleidelijk werden steeds vaker gouverneurs met een bestuurlijke achtergrond aangesteld. De titel van het boek suggereert dat het over de bestuurders van de Nederlandse Antillen gaat, maar de nadruk ligt wel erg op het hun functioneren op Curaçao. In de negentiende eeuw bezochten de gouverneurs de andere eilanden niet of nauwelijks. Dat had deels te maken met de lastige bereikbaarheid van de Bovenwinden met zeilschepen, maar ook na de introductie van stoomschepen bleef de focus op Curaçao gericht. Hoe moeten we dit werk beoordelen? Een overzicht van de bestuurlijke ontwikkeling van Curaçao of de Nederlandse Antillen is het niet, hoewel die in grote lijnen wel uit de biografische schetsen te destilleren valt. Dat was natuurlijk ook niet de opzet van het boek. Van markante gouverneurs had ik graag meer willen weten en van slapjanussen minder, maar de keuze voor een beperkt aantal woorden per bestuurder heeft dat jammer genoeg geblokkeerd. De gouverneurs van de Nederlandse Antillen sinds 1815 is desalniettemin een nuttig naslagwerk. Per biografie is een beknopt overzicht van bronnen en literatuur toegevoegd, dat een mooi startpunt vormt voor degenen die behoefte hebben aan meer informatie.
Gert Oostindie (red.), De gouverneurs van de Nederlandse Antillen sinds 1815. Leiden: KITLV Uitgeverij, 2011. 251 p., isbn 978 90 6718 344 4, prijs € 29,95.
[uit Oso 2012.1]

Een feestje voor oude blanken (2)

door Rudie Kagie
 
Antikoloniale optiek
 
Sandew Hira

De vooraanstaande Nederlandse academici die álles van slavenhandel en de Gouden Eeuw meenden af te weten, schrokken hevig van de stroom publicaties waarin Hira hun zekerheden bekritiseert, becommentarieert of weghoont. De eminente emeritus-hoogleraar Piet Emmer, auteur van het standaardwerk De Nederlandse slavenhandel 1500-1850, verkondigde de volgens Hira ‘onbeschaafde’ stelling dat het afschaffen van de slavernij een kenmerk van de westerse beschaving was. ‘Maar wie heeft de slavernij dan ingevoerd? Dat waren zeker weer de Marokkanen?’ De historicus Gert Oostindie, directeur van het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde te Leiden en kenner van het koloniale verleden in de West, zou volgens Hira ‘geen wetenschap maar ideologie’ bedrijven, een verwijt dat de geattaqueerde auteur ‘intermenselijk gezien zwaar beneden de gordel’ noemde. Wijlen socioloog Rudolf van Lier, een autoriteit binnen zijn vakgebied, tuimelde bij Hira al eerder van zijn sokkel omdat hij in Samenleving in een grensgebied (1949) schreef dat Suriname tot stand is gekomen door een soort sociaal contract waarbij mensen afspraken om gemeenschappelijke doelen na te streven. Hira wijst erop dat bij zijn weten geen slaaf ooit met zijn meester had afgesproken om hem uit Afrika weg te plukken.
Alex van Stipriaan (links) en Henk den Heijer
De hoogleraren Alex van Stipriaan en Henk den Heijer – ach, best aardige lui om een biertje mee te drinken, maar volgens Hira collectief behept met een naïeve inschatting van wat het mensonterende slavendom in Suriname en op de Antillen aanrichtte. Een dieptepunt dunkt hem de in het najaar van 2011 uitgezonden vijfdelige serie De Slavernij, gemaakt onder auspiciën van Oostindie, Van Stipriaan en Den Heijer en gepresenteerd door Daphne Bunskoek en Roué Verveer, volgens Hira ‘de Sjors en Sjimmie van de NTR’. Op de site van zijn International Institute for Scientific Research (IISR) begeleidde Hira elke aflevering met kritisch commentaar. Wekelijks zag hij de oude leugens over het scherm voorbijtrekken die al eeuwenlang over slavernij worden verkondigd. Het doortrekken van de lijn uit het verleden naar het heden, zoals de makers deden (Roemeense vrouwenhandel of kinderarbeid in India zijn óók vormen van slavernij) berustte volgens hem op een dubbele denkfout. ‘Ten eerste, de transatlantische slavernij was gesanctioneerd door staten en geen aangelegenheid van particulieren. (…) Ten tweede, de moderne slavernij is niet het fundament van de wereldeconomie in wording.’

Sandew Hira zal laten zien hoe je zo’n televisieserie over slavernij ook vanuit een kritische, antikoloniale optiek kunt maken. Hij schreef een script voor een twaalfdelige documentaire over de geschiedenis van zijn geboorteland (Van Columbus tot Anton de Kom) en debuteert tijdens de inmiddels in Nederland en Suriname begonnen opnamen als televisiepresentator. De Surinaamse zender Sky TV zal het resultaat – twaalf afleveringen van veertig minuten – te zijner tijd op het scherm brengen. Boze tongen beweerden dat Bouterse het project financiert, maar hoewel diens politieke partij NDP aan Sky is gelieerd, verzekert Hira dat het project uitsluitend gefinancierd wordt door SKY en IISR en de regering en zijn partij er niets mee te maken hebben. ‘In Nederland zal de serie op dvd worden uitgebracht,’ zegt hij. ‘Nee, niet op de televisie. Misschien dat de publieke omroep over veertig jaar zover is om een zwart geluid te laten horen.’

Verzoenende rol

Bij een broodje in het centrum van Den Haag vertelt Barryl Biekman over de wapenfeiten van het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS) dat ze in 1998 hielp oprichten en waarvan ze sindsdien voorzitter is. Ze werd voor haar verdiensten voor de multiculturele samenleving geridderd in de Orde van Oranje Nassau. Dankzij inspanningen van haar forum werd bereikt dat koningin Beatrix tien jaar geleden het slavernijmonument in het Amsterdamse Oosterpark onthulde, al was het de toegestroomde menigte helaas niet vergund om een glimp van de ceremonie op te vangen. Nadat de dranghekken tegen de grond waren geduwd, kreeg het tafereel van blanke politieagenten die de nazaten van slaven met getrokken latten op afstand probeerden te houden een naargeestige symboliek, zeker in het licht van de aard van de plechtigheid. ‘Vreselijk dat deze dag in het tegendeel is verkeerd van wat de bedoeling was,’ zou toenmalig burgemeester Job Cohen er later over zeggen.

Dekoloniale geschiedschrijving

Dat in 2002 het instituut voor slavernijverleden NiNsee zijn deuren opende, was eveneens de verdienste van Barryl Biekman en haar landelijk platform. Al botste de radicale visie van de beoogde directeur Rick Derveld met de mening van het dagelijkse bestuur van het NiNsee. Derveld, onlangs overleden, vond dat het NiNsee het zwarte perspectief moest hanteren en vanuit de slachtoffers naar het verleden moest kijken. Die opvatting strookte niet met de verzoenende rol die de door rijk en gemeente gefinancierde instelling was toebedeeld en de directeur werd, terwijl zijn sollicitatie al was goedgekeurd, enkele weken later medegedeeld dat hij niet meer welkom was.Biekman vindt het jammer dat de noodzaak van het NiNsee niet goed uit de verf is gekomen door de richting waarin het instituut zich heeft ontwikkeld. Ze verwijt het Nederlandse kabinet de ‘hypocriete’ manier waarop en de argumenten waarmee de financiering van het NiNsee is gestopt. Het instituut, dat zowel een nationaal als een internationaal perspectief had moeten hebben, is nu verworden tot een stedelijke instelling die blij mag zijn met de gunsten van de stad Amsterdam. ‘De Nederlandse staat heeft hiermee gedemonstreerd dat zij geen enkele verantwoordelijkheid wenst te dragen voor de verwerpelijke barbaarse handelingen van de slavendrijvers, wettelijk toegestaan door de toenmalige Nederlandse gezaghebbers inclusief het koningshuis.’

Het was het platform niet alleen te doen om een slavernijmonument en een instituut, maar ook, zegt Biekman, om de bestrijding van ‘alles wat refereert aan de racistische ideologieën die het mogelijk maakten om het slavernijsysteem te consolideren’. ‘Wij zijn sinds 2001 betrokken bij de VN-mensen­rechten­activiteiten die racisme bij de wortel willen aanpakken. En dat heeft zijn nut al bewezen. Dat de slavernij en kolonialisme tot misdaad tegen de menselijkheid zijn verklaard, komt mede door de acties van mensen van Afrik­aanse afkomst wereldwijd. Ook het LPS heeft daaraan een belangrijke bijdrage geleverd. Toen ik dertig jaar geleden als voorzitter van de Afro-Europese Vrouwenbeweging riep dat Sinterklaas een racistisch feest is, kreeg ik nog een storm van verontwaardiging over me heen. Tegenwoordig staat het voortbestaan van Zwarte Piet maatschappelijk ter discussie. De actie van het LPS heeft er in ieder geval voor gezorgd dat de Unesco weet hoe mensen van Afrikaanse afkomst in Nederland over dit festijn denken. Nederland zal het moeilijk krijgen om pakjesavond op de lijst van Immaterieel Cultureel Erfgoed te krijgen.’Met justitie en politie loopt een levendige correspondentie over de kenmerken die in profielen van verdachten worden gehanteerd. ‘Die zijn doordrenkt van racistische vooroordelen. Men spreekt in rapporten bijvoorbeeld van een negroïde man.’

 

De aanklacht tegen de afbeelding op de Gouden Koets die naar de slavernijperiode zou verwijzen, bleef vooralsnog zonder resultaat. ‘We waren echt geschokt over de wijze waarop dit thema werd opgepakt door het kabinet en de politiek,’ zegt Barryl Biekman. ‘De Gouden Koets is een vernedering voor ons zwarte mensen. Stel je voor dat de koningin zou rondrijden in een koets die refereert aan de Joodse Holocaust! We kwamen met een voorstel: kabinet, we denken graag met jullie mee, vervang dat paneel door een schildering die verwijst naar de multiculturele samenleving. Die koets kan verder blijven zoals die is, maar dat element van de slavernij gaat eruit. Nodig kunstenaars uit om een creatief alternatief te bedenken. Wat denk je? Totaal geen reactie. De vraag is waarom wij niet serieus worden genomen. Er is totaal geen respect voor ons. Vanuit de homobeweging wordt wel begrip gevraagd en worden allerlei maatregelen getroffen om discriminatie tegen te gaan, maar als zwarte mensen iets naar voren brengen, dan heeft dat totaal geen waarde. Daar haat ik Nederland voor, maar dat mag ik niet zeggen, hè?’De opzet voor het herdenkingsjaar slavernijverleden beantwoordt niet aan de voorstellen die het LPS had ingediend. ‘Ze gaan het breed trekken, met aandacht voor moderne slavernij, prostitutie en kinderarbeid. Terwijl die onderwerpen al nationale aandacht hebben. Kinderarbeid is al strafbaar. Vrouwenhandel is ook al strafbaar. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat er van alles bij de herdenking wordt betrokken om de stilte rond slavernij te consolideren. Een Amsterdamse stichting gaat het organiseren, terwijl dit een nationaal verhaal had moeten worden over de misdaad tegen de menselijkheid die Nederland honderden jaren heeft begaan. Er is net zo lang gesleuteld, genuanceerd en afgezwakt totdat uiteindelijk dit programma eruit rolde.’

[wordt vervolgd]
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter