blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Hagenaars Albert

Een poëtische archipel

Bespreking van Het eiland en andere gedichten van Michiel van Kempen

door Albert Hagenaars

Michiel van Kempen (1957, Oirschot) is bijzonder hoogleraar Nederlands-Caraïbische Literatuur en maakte dus talloze reizen door het betreffende gebied. De neerslag daarvan komt volop aan bod in zijn tweede poëziebundel, qua sfeer, bijv. door opname van woorden als ‘makamba’s’, ‘faja lobi’ en ‘troepialen’ maar zeker ook qua stijl, gezien o.a. de doorlopende regels en het associatieve, beeldrijke karakter.

read on…

Het zoeken naar een dichter, het vinden van een wereld

Over Zoeken naar Slory van Ezra de Haan

door Albert Hagenaars

 

Suriname is door tal van draden met Nederland verbonden. Toch houdt de kennis van het land en al zijn culturen in de delta niet over. Hoe meer er dus over verschijnt, hoe beter.
De actieve publicist, dichter en radioprogrammamaker Ezra de Haan (1957, Amsterdam) bezocht het land om er een workshop schrijven te geven en deed verslag van zijn ervaringen in een boek dat net zo bont is als Suriname zelf. Hij presenteerde daarmee allerlei opmerkelijke zaken die je in de gangbare reisboeken niet gauw tegen zal komen. Behalve het uitvoeren van de werkwinkel was zijn doel een kennismaking met de dichter Michaël Slory (1935, Totness), wiens werk hij al zo lang bewondert. De Haan is ook redacteur bij een uitgeverij die al twee boeken van Slory uitgaf plus een cd die een interview van Rogeria Burgers met de dichter bevat. De bundeltitels zijn: Ik zal zingen om de zon te laten opkomen (1991) en Torent een man hoog met zijn poëzie (2012). read on…

Over Bloedkrans van Albert Hagenaars

door Ezra de Haan

De dichter moet als een Slauerhoff lang onrustig zijn geweest, gezien de landen die hij bezocht. Zelf dicht hij: ‘En joeg verder, andere lokkende landen in/ spiegelend wat de mens zichzelf onthoudt.’ Alleen de titels van de gedichten vormen al een wereldreis die van Parijs en Porto naar New York, Holland en Salt Lake City naar Los Angeles leidt. Vervolgens van Suez en Jeruzalem naar Nazca, Titicaca, Praag en Boston naar Mexico City. Dan komt Azië aan de beurt: Kun Ming, Macau, Hanoi, Hue, Danang en eindigen we in Yogyakarta. Eindelijk thuis zou je bijna zeggen. Wie de steden kent, herkent ze in de nauwkeurig gekozen woorden van Hagenaars. (…) Zodra je ze leest opent zich een wereld voor je.

Bijna zou je denken dat alleen verre reizen Albert Hagenaars tot schrijven kunnen brengen. Niets is minder waar. Ook de gedichten die van heel dichtbij komen, maken grote indruk. Albert Hagenaars heeft een indrukwekkende gedichtenbundel geschreven. Ieder gedicht staat op z’n plaats en doet ertoe. Het is te hopen dat we sneller dan voorheen een vervolg mogen verwachten. Tot dan zal ik deze bundel nog regelmatig herlezen.

Lees hier de hele recensie op Literatuurplein.nl

Albert Hagenaars – Witte donderdag 1955

De oorlog was koud, de fall-out
van atoomproef HA boven de woestijn
van Nevada verwoei over dit beloofde land,over de oceaan, het gehavende Engeland
waar een nerveuze Lord Eden Churchill verving,
over de Noordzee, stakingen, gemor over geld.Nog dichterbij, in de woonkamer, in het zichtveld
van de boogschutter uit het Zevende Huis,
zwoegde de vroedvrouw, met harde handen

zoekend naar het raken van taal en teken,
het breken van het vruchtwater dat om negen uur
in bloeddoordrenkte lappen werd bereikt.

Rood wordt roder op wit, paars met Pasen.
Moeders verse wond gaf zin aan mijn mond,
openend op een wereld van dwarse woorden.

[uit Bloedkrans, verschijnt mei 2012]

Schaamteloos Zwoegen onder de Zon

door Aart G. Broek

In december 2010 verscheen de dichtbundel Het lichten van de jaren bij uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem. De bundel verhaalt van en verdicht weerbarstige ervaringen in de overstap van leven op Curaçao naar een nieuw bestaan in Nederland. Het onthaal stemt tevreden, zie bijvoorbeeld de besprekingen van Ezra Haan, André Oyen, en Albert Hagenaars.

Bij de presentatie van de dichtbundel heette het over de praktische inspiratiebron van de gedichten nog: “Zou ik u moeten vertellen uit welke praktijk aan ervaringen ik heb geput om die zevendelige dichtcyclus [‘De kus’] te schrijven? Wilt u enig zicht krijgen op de ‘verdichting’ die heeft plaatsgevonden? […] Zou u het allemaal moeten weten wat er ‘feitelijk’ plaatsvond? Feitelijk? – een uitgesproken dubbelzinnig woord in de context van dichtmaat. In zekere zin wordt wat er ‘feitelijk’ gebeurde, nu juist door de gedichtencyclus beter gevangen dan welk prozaïsch document zou kunnen. […] U moet de gedichten zélf willen horen spreken.”
Nu, een jaar later, wordt die ‘praktijk aan ervaringen’ toch enigermate nader uitgewerkt, als onderdeel van een essay, getiteld ‘Besturen of Het schaamteloos zwoegen onder de zon’. Werk in uitvoering.

Uit die praktijk ontstond al eerder ook het spotdicht ‘Bestuurlijke zinnen’. Dat haalde de dichtbundel niet, evenmin als het spotdicht ‘Mooie mannen in de mondi’. Bij literaire presentaties in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (mei jl.) en Podium Mozaïek (Amsterdam, sept. jl.) kwamen de spotdichten wel naar buiten.
Toch geldt onverminderd de uitspraak bij de verschijningspresentatie: “De dichtbundel […] is er voor lezers om er hun eigen werkelijkheid in onder te brengen. [De dichter heeft] als het ware een poëtisch ‘casco’ aangereikt. De gedichten liggen er voor lezers om er zélf in te trekken en er zich tijdelijk in te vestigen, ze in te richten naar eigen believen.”

Zo zal de ongekende werkelijkheid achter het gedicht ‘Een eiland verzonken’ uit de bundel Het lichten van de jaren geen enkele invloed gehad kunnen hebben op de opname ervan in De 100 beste gedichten gekozen door Kathleen Ferrier voor de VSB Poëzieprijs 2012, die op 12 januari 2012 verschijnt bij de Arbeiderspers (Amsterdam). De gedichten leiden vooral een leven los van de maker ervan. Een jaar na het verschijnen van de dichtbundel ademen de gedichten nog steeds, niet alleen voor mij, maar ook voor lezers, zo blijkt. Dat stemt tevreden.

Een negatief van een Zuid-Amerikaanse Elckerlyc (2 en slot)

door Albert Hagenaars

Dagboek van de ruïnenbouwer

De tweede afdeling ‘Dagboek van de ruïnebouwer’, begint met een toepasselijk citaat van Flaubert: “Men staart naar de bodem van de put / zoals men staarde / naar de torenspits.”

Het eerste gedicht bevat een testament van een Chinese schilder, dat treffend diverse van Roca’s thema’s verbeeldt, zoals transformatie en de spanning tussen macht, beknotting en individuele vrijheid van keuze.

Testament van de Chinese schilder

Toen de overdaad schuwende Keizer
Me aanmaande op het schilderij een waterval uit te wissen
-Het aanhoudende gebruis hield hem uit de slaap-,
Gehoorzaamde ik als goede hoveling en verdoezelde de stroomversnelling.
Achter een nagetekende kersenboom verstopte ik evenwel
Een kikker die kwaakt
En die door de oude Keizer
Verward wordt met zijn hartkloppingen.
Op een linnen kamerscherm schilderde ik mezelf
Terwijl ik een paard zat te tekenen.
De volgende nacht verjoeg ik met mijn penseel het paard,
Want ik kon het gehinnik niet meer aanhoren.
Weldra zal ik – Keizer over eigen lichaam-
Mijn vervallen gestalte uitwissen op het doek
En zal men beseffen dat de afwezigheid van een mens
Of van een paard uit dezelfde stof bestaat.

Verderop neemt hij ons mee naar o.a. het Londen van Stevensons Jeckell en Hyde, Diogenes’ ton, Jona’s visverblijf, Crusoes hut, Piranesi’s kerkers en Kafka’s Gregor Samsa, even zovele andere vormen van transformatie. Het meest wordt dit echter uitgewerkt door motieven van bouw en verval, stenen. Maar ook hier weer blijven de vragen naar de mogelijkheid om te kiezen nadrukkelijk aanwezig, getuige onderstaand fragment uit het gedicht ‘Stenenlezer’:

Vóór het kathedraal was,
In zijn gotisch gebaar gevangen wind,
Kende steen het doopsel van de rivier, de beitel van de regen.

De stenenlezer
Loopt door hun bezworen en blinde vormen:
Hij weet dat tussen hen in
Goden uit een ingeslapen land verblijven.

Maar is het de hand van het toeval in Gods groeve
Die beslist welke steen kerker wordt,
Welke steen kerk of graf,
Klaagmuur, muur van de gefusilleerden?

Het is mij een raadsel waarom Roca deze drie voldragen strofen vooraf laat gaan door: “Stenen: / Kralen van een gigantisch telraam, / Wolkfossielen, maanvoorhoven, / Tijdsyllaben. // Van ’s hemels altaar af- / gevallen sterrenkruimels.” Het woord ‘stenen’ zit al in de titel en komt bovendien in elk van de drie laatste strofen terug. Neologismen als ‘wolkfossielen’, ‘maanvoorhoven’, ‘tijdsyllaben’ en ‘sterrenkruimels’, hoe geslaagd wellicht in een andere zetting ook, voegen feitelijk niets toe aan de bedoeling van het gedicht en blijven daarom Fremdkörper, leiden alleen maar de aandacht van de kern af. Hun concentratie is een goed voorbeeld van overkill. Het ‘hemels altaar’ is een bekend beeld maar de spirituele lading wordt evengoed aangetroffen in ‘kathedraal, ‘doopsel’ en ‘Gods groeve’. Hier staan Roca’s behoefte aan zowel taalspel als uitleg een succesvolle afronding van het gedicht in de weg. Ook op andere plaatsen komt de helderheid in het gedrang door effectbejag. De beste gedichten zijn ook bij hem nog steeds de teksten die slechts hier en daar een woordvondst opnemen, zoals ‘dat helwitte rijk’ in het eerste gedicht, en die in hun betoog een strakke lijn aanhouden.

Gaten in het water

De aandacht voor het instrumentarium van de dichter, de taal zelf, komt aan bod in de derde en, met 14 gedichten, tevens kortste afdeling, die de tot nadenken stemmende naam ‘Gaten in het water’ draagt. Die aandacht is niet sterk genoeg om de thematisch losse eindjes in dit blok te verbergen. Er staan prachtige gedichten in maar ze staan ook meer op zichzelf dan die in de voorgaande afdelingen.

Het motto is van T.S. Eliot: “De rivier loopt binnen in ons”, wat voor tweeërlei uitleg vatbaar is, afhankelijk van het accent op een van de twee voorzetsels.

In het titelgedicht is de poëzie een uitgesponnen personificatie en wordt de titel toegelicht:

Gaten in net water

Ontrouwe echtgenote
Liep de poëzie thuis weg
En bij haar terugkeer bracht ze
De talen van wie de slaap niet vindt.

Voortekenen negeerde ik:

-De poëzie, ongeluksster,
Vrouw van twijfelachtige levenswandel,
Handeldrijvend in drijfzand.

Ik herriep berichten:

-Een trein ontspoort niet
Als hij op het spoor over een roos rijdt.

-Gaten in het water slaan
Is een nutteloze passie.

-Zoiets als de wind bespioneren,
Als de rivier oplappen.

De onbetrouwbaarheid van de poëzie, of die van de werking van de taal, wordt echter krachtiger en overtuigender beschreven in het daarop volgende gedicht, ofschoon dit meer verhalend is, waarvan o.a. ook het andere hoofdlettergebruik voor de eerste regelwoorden getuigt.

Een man van het woord

Ik pen het woord vel. In een orgie van klauwen en veren wordt
het door het woord kraai uiteengereten als een gevild rund.

Ik zaai het woord jasmijn. Als zijn aroma zich los wil maken
veegt het woord woestijn het uit, verdonkeremaant zijn levens-
sap.

Ik schrijf het woord eeuwigheid en een roos verwelkt. Ik gooi
het woord vogel op en het stort dwarrelig neer, gepluimd en
uitgedroogd.

Van het woord ijs rest niet eens het woord water.

De slotregel, helder en raadselachtig tegelijk, is het beste einde van alle gedichten, hierin valt samen wat taal vermag én niet vermag, waarbij het aantonen van het laatste toch tegelijk een overwinning van de dichter is.

Dat de afdeling niet buiten de bundel valt, is te danken aan de herhaling van motiefwoorden die eerder aan bod kwamen zoals ‘muren’, ‘Keizer’ en het voortzetten van de wonderlijke, onnavolgbare wijze waarop Roca de werkelijkheid uiteenpulkt en met extra onderdelen poëtisch weer in elkaar zet.

Dat hij ook op het formaat van een aforisme of spreuk uit de voeten kan, bewijzen de korte stukjes uit respectievelijk ‘Portretten’ en ‘Stempelafdrukken van de nacht’.

Uit het eerste kies ik: “Mijn handen tasten in het woud van de taal, pennen met de inkt van de nacht een nutteloos traktaat over de kunst om water op te lappen.” En uit het tweede, nog beter: “Ik heb een man gekend die urenlang druppels nacht in een kwartvaas overgoot. Een druppel. Nog een. En de vaas liep vol met rouw.” En tenslotte, nog korter: “De nacht, valkenjacht op wat vergeten is.”

We mogen Stefaan van den Bremt dankbaar zijn, dat hij het belangwekkende werk van Juan Manuel Roca voor ons taalgebied bereikbaar heeft gemaakt. Hopelijk zal het vroeger of later z’n stille invloed uitoefenen in bundels van eigen bodem. Dat zou de Nederlandse poëzie goed bekomen want we hebben dan wel tal van vormvervormers maar te weinig vertellers die, op het niveau van een Roca, vanuit de traditie de werkelijkheid zodanig plooien dat we ons moeten afvragen met wie we ons het best identificeren: met een alomtegenwoordige Niemand of met diens tegenpool!

[Bron: De Verborgen Hoek, nr. 6]

Juan Manuel Roca is 28 september te gast in Mondiaal Literair
Een standbeeld voor Niemand is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer
Gedichten. Colombia
Vertaling uit het Spaans Stefaan van den Bremt
Nawoord Stefaan van den Bremt
Ingenaaid, 104 blz.,
ISBN 978-906265-632-5 € 18,50

Een negatief van een Zuid-Amerikaanse Elckerlyc (1)

Over Een standbeeld voor Niemand van Juan Manuel Roca

door Albert Hagenaars

De hedendaagse poëzie is zo divers dat het steeds moeilijker wordt om je nog nieuwe verschijningsvormen voor te stellen, althans wat poëzie betreft die zich van de traditionele middelen bedient.

Lezing van één gedicht van de Colombiaan Juan Manuel Roca (1946, Medellín), die vooral de inhoud wil laten werken, volstaat om een authentieke poëtica te herkennen. In ‘Een standbeeld voor Niemand’, de vertaling die Stefaan van den Bremt van Roca’s bundel ‘Las hipótesis de Nadie’ maakte, wordt de lezer geconfronteerd met een wijze van beschouwen en interpreteren die in onze dichtkunst nieuw is. Ik ben hem in elk geval nog nooit tegengekomen. Van den Bremt verzorgde ook het leerzame nawoord.

Roca begint zijn bundel met het titelgedicht, waaruit hieronder ongeveer de helft, dat programmatisch meteen orde op zaken stelt.

Hypothesen omtrent Niemand

Het kan de wind zijn.
Het onbeschreven blad. Kan zijn.
Het kan degene zijn die gaandeweg
Door de regen wordt weggeveegd.
Nu moet ik aan een blinde denken
In Freiburg toen het zachtjes schemerde.
Hij liep alleen door de sneeuw
Met een verzaligde glimlach
En een stok zo wit als de sneeuwvlokken.
Hij liep langs me en zag me niet;
Ik was zijn Niemand,
Een spook in dat helwitte rijk.
Het kan gebeuren dat wij
Niemands blinden zijn.
Niemand is misschien de wind
Die akkoorden breekt en ramen openstoot
Om ons te doen spreken in de taal van de droom.
Het kan degene zijn die
Aan een kapstok in het café
Zijn vergeten overjas voorgoed liet hangen,
Een overjas als vlag van de leegte
Die op een dag verdwijnt, zoals zijn eigenaar.
Het kan degene zijn die nooit geweest is,
Degene die nooit zal zijn,
Degene die het moe geworden is te zijn geweest.

Het gedicht opent met een mogelijkheid in de vorm van een veronderstelling, maar volhardt daar in, geeft geen uitsluitsel. Tegelijkertijd materialiseert elk alternatief zich door zijn naam of omschrijving. Het wordt genoemd en doet dus z’n werking gelden, of het nu terecht genoemd is of niet.

Door de herhalingen, één van Roca’s stijlkenmerken, wordt het geheel van mogelijkheden het gedicht zélf, of andersom natuurlijk. Ook van omkeringen maakt Roca immers veelvuldig gebruik.

Daarmee is nog steeds niet de eerste geïmpliceerde vraag beantwoord: wát kan wat zijn? In deze vraag ligt besloten dat er hoe dan ook wisselwerking plaatsvindt, op verschillende niveaus; niet alleen tussen de wind en het object waarin hij zich manifesteert, tussen mens en regen of, iets concreter, tussen een blinde en sneeuw, maar ook en vooral tussen de bedoeling van de dichter met deze beschrijvingen en de perceptie van de lezer. Het gedicht krijgt niet alleen een mogelijke vorm en betekenis door de bedoelingen van de maker maar óók door toedoen van de interpretaties van de lezer.

Wat Roca nastreeft is het opheffen van de tegenstellingen waarop zijn werkwijze steunt. Kijk maar, er wordt iemand door de regen weggeveegd, een witte stok gaat op in de sneeuw en de blinde hoeft zich niet bewust te zijn van de aanwezigheid van degene die hem observeert. Belangrijke uitspraak is: Ik was zijn Niemand. Niemand is met een hoofdletter geschreven en geeft dus een begrip of naam weer. Direct daarop volgt weer een omkering: de ik was een Niemand maar wij kunnen Niemands blinden zijn. Tegelijk bezit (de) Niemand de kracht om de gewaarwording te bepalen. Dat gebeurt in dit gedicht duidelijk, op niet mis te verstane wijze, door akkoorden te breken of ramen open te stoten opdat een onbepaald ‘wij’ anders gaat spreken, in een taal die niet op controleerbare feiten is gebaseerd. En het vindt op kleine, onopvallende wijze plaats zoals het vergeten van een overjas aan een kapstok, die uiteindelijk verdwijnt. De overeenkomst tussen beide beelden geldt de buitenkant, de officiële kant. Mooi is de gradatie: eerst verdwijnt de eigenaar van de jas en later diens uiterlijke kenmerk, waardoor het is alsof hij er nooit is geweest, wat Roca ook weer gradueel benadrukt. Eerst is er namelijk een mogelijkheid van nooit bestaan hebben. Deze mogelijkheid wordt omgeklapt tot de zekerheid dat dit er ook nooit van zal komen. Vervolgens is er toch weer iemand die bestaan heeft maar dat niet kon volhouden, wilde volhouden. De naam Niemand is dan de meest passende. De poëticale dialectiek vindt zijn parallel in de grammaticale tijden: voltooid tegenwoordig – onvoltooid tegenwoordig toekomend – tweemaal voltooid tegenwoordig. In dit opzicht is het jammer dat de originele tekst niet naast de vertaling staat. Nu moeten we ons afvragen of van den Bremt Roca op de voet heeft gevolgd. Het zou bijvoorbeeld logisch zijn als Roca de ovt had gebruikt. Maar ook de voltooide tijden bieden een voordeel. Al dit soort effecten geven Roca’s gedichten, omdat de lezer constant beproefd wordt op het vaststellen van de werkelijkheid, hoe dan ook een grote herleeswaardigheid.

De rest van het gedicht voegt vrijwel niks essentieels meer toe. Roca had het net zo goed na mijn cesuur kunnen laten eindigen. Maar hij gaat voort:

Wie weet is hij in het land van de verdwenenen
De enige die weer verscheen, het spook, zeggen wij,
Dat ’s nachts de trappen
Doet knarsen
Of in de keuken een braadpan laat vallen,
Degene die het bestek ergens laat legt
Waar we het niet meer vinden,
De dief van verten.
Het kan de man zijn die zichzelf bereist,
De zwerver in eigen ik.
Te onpas heeft hij ambachten beoefend:
Hij sleept papier door een verlaten straat,
Bestelt kranten van de dag voordien
In alle uithoeken van de stad,
Brengt een geur van buitenwijken naar het centrum,
Scheurt affiches af voor de film van gisteren,
Doet treinen vertrekken
Op het kleppen van een klik.
Het kan de wind zijn.
Het onbeschreven blad. Kan zijn.

Vrijwel; de enige uitzondering betreft namelijk ‘het land van de verdwenenen’, wat mij betreft is dit de duidelijkste verwijzing naar de politieke actualiteit van zijn geboorteland, die gedomineerd wordt door ontvoeringen, aanslagen, cocaïne en FARC. Roca groeide op in Medellín, dat zegt genoeg.

Het opsommend relaas hierna verleent aan Niemand de alledaagse handelingen van iedereen, van de naamloze massa, de noodzakelijke (“te onpas”), niet uit vrije wil gekozen handelingen die het leven vorm geven. Daarbij onderstreept Roca de spanning tussen het individu (een dief van verten, een man die zich zelf bereist, een zwerver, dus driemaal iemand die zich bewust is van geestelijke vrijheid) en de groepsleden die bezigheden uitoefenen die wel een functie hebben maar zinloos beleefd worden: verouderd nieuws bestellen.

In bijna alle gedichten van de eerste afdeling, die eveneens ‘Hypothesen omtrent Niemand’ heet, keert het Niemand-personage terug, in gedichten in de meest uiteenlopende vormen. Ze zijn lang of kort, strofenloos of juist doorregen van witregels maar hebben allemaal diezelfde vreemde, vaak onheilspellende sfeer, hoewel de verteltrant laconiek blijft. Regelmatig spelen kunstenaars en collega-dichters er een rol in zoals Gérard de Nerval, de schilder Antonio Samudio en, in het hieronder opgenomen gedicht, de Peruaanse dichter César Vallejo, die om politieke redenen in de cel belandde. De maandenlange opsluiting deed hem als dichter geen kwaad; hij kwam tot de principes van een poëzie die een volslagen nieuw mensbeeld moest opleveren. Het resultaat, ‘Trilce’, verscheen in 1922 en wordt sindsdien steeds meer gezien als een vroeg hoogtepunt van de Latijns-Amerikaanse avant-garde. In 1923 vertrok Vallejo naar Europa, waar hij grotendeels in Parijs verbleef en daar, in 1938 en in erbarmelijke omstandigheden, ook stierf. Roca laat Niemand met deze in onze contreien nog veel te weinig bekende dichter samenvallen:

Parijs, negentienhonderd en zoveel

Zo druk heeft Vallejo het
Met het tellen van uren op een telraam van schimmen
Dat hij niet merkt
Hoe Niemand voorbijkomt
Op het trottoir aan de overkant.

Zo in zichzelf verzonken lopen beiden
Dat ze de koffie koud laten worden, de stilte,
Het zilveren lepeltje,
De pijpen van wie zitten te praten
In het Café de l’Opéra
Nog vóór ze toe zijn aan hun nooit-
Ofte-nimmers.

Vallejo luistert
In de gebroken nacht van Parijs
Naar een huayno die afzakt uit gebergte,
Gehuld in mist, in duisternis,
In alpaca en gejammer.

Soms krijgt hij, met een schouderklopje,
Bezoek van een god die zelf wat aan de sukkel is,
En het fluiten van een trein
Overstemt wat hij hem komt zeggen.

Bij eerste lezing nam ik gemakshalve aan dat met een huayno een indiaan bedoeld wordt. Het woord huayno blijkt weliswaar verscheidene betekenissen te kennen maar heeft te maken met traditionele liederen van Andes-migranten. Die muziek heeft ook invloed gehad op de dans. Bij Roca kan zo’n lied de vorm aannemen waarmee Niemand zich over Vallejo ontfermt maar net als in diens poëzie loopt het contact vast in onverstaanbaarheid, onbereikbaarheid.

Door de verwijzingen naar andere onderzoekers van de definitie van de mens in moeilijke situaties verweeft Roca zijn werk in elk geval met een groter verband dan de Colombiaanse realiteit van de afgelopen decennia.

[Bron: De Verborgen Hoek, nr. 6]

Juan Manuel Roca is 28 september te gast in Mondiaal Literair
Een standbeeld voor Niemand is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer

Nieuwe website voor poëzie & beeld

In december 2010 manifesteerde de nieuwe website http://www.ziepoezie.nl/ zich in de literaire kosmos. ZiepoeZie is een initiatief van de kunstenaars Kitty Doomernik, Marije Kos en Maria van Woezik. Zij willen op hun site vooral combinaties van woord en beeld laten zien. Het is de bedoeling minstens één bijdrage per maand op te nemen.

De redactie nodigde Albert Hagenaars uit en plaatste zijn inzending, ‘Surrender’, als vierde bijdrage op 2 maart 2011 op de site.

‘Surrender’ bestaat uit een drietalig gedicht, videobeelden, foto’s en muziek. Bij de origineel in het Nederlands geschreven tekst maakte de Britse maar in Denemarken residerende auteur John Irons een Engelse vertaling en de uit Surabaya afkomstige, al jaren in Bergen op Zoom wonende Agung Soemitro een versie in Bahasa Indonesia.

De videobeelden, waarvoor Bongers Productions in Hoogerheide amateurbeelden bewerkte, tonen een traditioneel Javaanse huwelijksceremonie. De daarbij passende muziek, het in Indonesië immens populaire ‘Kebo Giro’, werd uitgevoerd door het Indonesische ensemble Laras Utomo onder leiding van H. Soekarno. Het ontwerp van de pagina is van Marije Kos.

De voorgaande bijdragen:
1) Het gedicht ‘Pandora’ van Marije Kos bij de installatie ‘Les Fleurs du Mal’ van Kitty Doomernik.
2) Het gedicht ‘De wind’ van Pierre Maréchal‘ bij foto’s van Hans Jansen van de dansperformance ‘Tempeesten’.
3) Het gedicht ‘Icarus’ van Pien Storm van Leeuwen bij eigen beeldend werk.

Pendopo: brug tussen culturen

door Albert Hagenaars

Mij viel de eer te beurt als eerste dichter te worden opgenomen in de reeks publicaties van de nieuwe uitgeverij Pendopo in Yogyakarta, Indonesië. De bundel heet Palawija.

De naam pendopo verwijst naar de traditioneel vormgegeven open voorgalerij, meestal vrijstaand en voorzien van zuilen, bij grote Javaanse huizen. De ruimte wordt gebruikt voor ontvangsten, besprekingen en culturele uitvoeringen.

Uitgeverij Pendopo richt zich vooral op poëzie en wil een brug slaan tussen verschillende disciplines en culturen. Vandaar dat het niet alleen mogelijk was de Indonesische vertaling van Agung Soemitro op te nemen maar ook de originele Nederlandse versie en de Engelse omzetting van John Irons alsmede illustraties van beeldend kunstenaars met wier werk en gedachtegoed ik me verwant voel: Edith Bons, Dees Goosen, Juni Kusumanto, Ivan Sagito, Arfan Sunyono en Entang Wiharso, die elk een tekst kozen die hen aansprak.

Pendopo bereidt publicaties voor van meer Nederlandse dichters. Daar worden al vertalingen voor gemaakt.

De titel Palawija betekent ‘derde oogst’. Op het vulkanische en dus hoogst vruchtbare eiland Java kan drie maal per jaar geoogst worden. Om de kostbare bodem niet uit te putten worden twee oogsten van rijst afgewisseld door een derde van een ander gewas, bijvoorbeeld maïs. Dit inspireerde me het verschijnsel symbolisch te gebruiken in een aan Java gewijde reeks gedichten, waarin de cyclus van liefde, vruchtbaarheid en dood centraal staat. Een aantal gedichten hieruit verscheen als voorpublicatie in enkele Engelstalige uitgaven.

Als kennismaking bied ik het gedicht Yogyakarta aan:

Yogyakarta

De lijn vanaf de top van de vulkaan
over de kraton tot aan de afgrond in zee
overspant de sacrale ruimte van de cultuur

waarin jij tot het einde bent gevat.

Hij houdt de balans tussen de hemellichamen
en het dagelijkse leven van bidden en dienen
in stand, van baren, doodgaan, opgaan in rouw.

Niets verstore deze opgelegde harmonie

of buren zullen ons bezien met vertroebelde blik,
vuur zal opstijgen uit de Merapi, bloed
nederdalen uit de wereld van voorouders.

Zo leert men mij, onwetende die ik nog ben,

en ik ben een en al oor en zie verkoolde velden
waar de rijst nu in een zachte bries ruist, hoor
naijver in een vriendelijke stem, en buig

het hoofd vanwege zo weinig eigen macht.

Voor meer informatie (vertalingen en foto’s) verwijs ik naar http://wwwpalawija.blogspot.com/
Hopelijk tot ziens in de sawa’s van ‘Palawija’.

Met poëtische groet,

Palawija – Albert Hagenaars; Uitgeverij Pendopo, Yogyakarta; December 2010; 68 pagina’s; Prijs: € 12,50 (inclusief verzendkosten). Te bestellen via 44.40.21.825 (ABN-AMRO) t.n.v. A.M.M. Hagenaars.

Gedichten over eilanden (IV)

Saba

door Albert Hagenaars

Hoe groot kan de poëtische opbrengst zijn van een eilandje dat, afhankelijk van de bronnen, tussen de 1500 en 2000 inwoners telt inclusief 200 meestens Amerikaanse studenten van de Saba University School of Medicine, plus (maar alleen in het vakantieseizoen) drie keer zoveel toeristen, van wie de meeste echter dagjesmensen zijn die een excursie vanuit Sint-Maarten maken? Normaal gesproken niet groot. Daarom verbaast het enigszins dat Klaas de Groot en assistenten nog met zeven dichterlijke teksten op de proppen kwamen die betrekking op Saba hebben, waaronder het zeker niet poëtische volkslied. Een volkslied hoeft echter geen gedicht te zijn om toch een prima tekst te kunnen bieden.

Van deze zeven bijdragen zijn er zes oorspronkelijk in het Engels en een in het Nederlands en dat is nog een positieve vertekening voor het belang van het Nederlands want officieel heeft 88% van de inwoners Engels als thuistaal, 5% Spaans, 4 % anders, 2% Nederlands en 1% Papiaments. Zetten we dat af tegen het hoogst genoemde bevolkingsaantal, 2000, dan spreken er dus 40 mensen op de eerste plaats Nederlands, gemakshalve verdeeld over 10 tot 15 gezinnen.

Ik gebruikte met opzet al ‘dichterlijke teksten’ i.p.v. ‘gedichten’ omdat het poëziegehalte helaas ook als bescheiden beschouwd moet worden. De eerste tekst is van Albert Helman, pseudoniem van Lodewijk ‘Lou’ Lichtveld (geboren in 1903 in Paramaribo en overleden in 1996 te Amsterdam). Helman behoort tot de voornaamste literatoren in Vaar naar de vuurtoren. Zijn bibliografie is indrukwekkend; hij is niet voor niets 92 jaar geworden. Tussendoor, ben je geneigd te zeggen, had hij nog tijd om de meest uiteenlopende activiteiten uit te oefenen. Ik som een deel op: seminariestudent, organist, componist, onderwijzer, journalist, romancier, combattant in de Spaanse Burgeroorlog (aan Republikeinse zijde), redacteur van verzetsblad De Vrije Kunstenaar, Landsminister van o.a. Onderwijs en Volksontwikkeling en ook nog gevolmachtigd minister op de Nederlandse ambassade te Washington. Zijn lange levensloop kende tal van hoogte- en dieptepunten, zodat Helman wist wat dramatiek is. Wie anders kun je dan nog wensen als dichter om het poëtisch reservoir van Saba te ontsluiten?
Maar de keuze van De Groot stelt teleur, aanvankelijk toch. Het is weliswaar een lang stuk van drie delen, dat in dit boek 5 pagina’s in beslag neemt, maar het doet door z’n vele verkleinwoorden, rijmen en sprookjestoon toch vooral denken aan een voor de eigen kring bedoeld kindervertelsel.

Het begint aldus:

Huisje op Saba

In majeur

Ik heb een huisje op Saba.
Dat wist je niet.

Gehurkt naast een goayaba.
Wist jij ook niet.

’t Is keurig, maar wat kleintjes,
met luiken en gordijntjes.
Dat wist je niet.

’t Heeft een rood zadeldakje.
Opzij staat het gemakje
en droomt er heel allenig.
Wist je dat niet?

Maar ’t uitzicht is el enig:
helblauwe zee en verder
veel schaapjes zonder herder
boven de strakke einder.
Dat wist je niet

En zo kabbelt het verhaal verder, in elke strofe wat kruimels informatie verstrekkend over het eiland. Deel 2 heeft als toevoeging ‘2. In mineur’ (en terecht want de schrijver legt er in uit dat hij z’n huisje heeft moeten verkopen en ‘lieflijk Saba’ verlaten. En dan, boven het derde en kortste deel, verrast Helman met een perspectiefwending die in plaats van vreemd eerder bizar genoemd mag worden:

3. In hypo-mixolydisch

Ik roep al sinds de twaalfde eeuw:
‘Kabouter Wout, mijn metgezel,
Waar ben je toch gebleven?
Heb jij de dood geproefd en laat
Je mij zo-maar in leven?

Je was een fijne kameraad,
Dus moet ik ’t je vergeven.
Nu woon je weer, heel hoog verheven,
Achter de Helpoort in de berg,
Terwijl ik hier alleen moet leven.

Het is wel erg…’

Voor wie net als ik niet weet wat de toevoeging betekent volgen hier eerst de resultaten van de online encyclopedie Encyclo: “1) Hypomixolydisch: Spelling van 1858, bijnaam van de oude toonsoorten der Grieken, welke de beide halve toonen tusschen den derden en vierden en tusschen den zesden en zevenden trap der klankladder bevat hielden.” Voor wie dit de pet te boven gaat is er nog een simpelere maar ook vagere betekenis gegeven: ”2) Kerktoonsoort”. Helman laat z’n achtergrond als musicus dus stevig doorklinken.

Maar wat doet die twaalfde eeuw hier? Waar wil Helman met het noemen van die periode ons aan doen denken? In Europa hoorde men, een zeer beperkte groep dan nog, pas op het eind van de 15e eeuw over de Antillen. Hoogstwaarschijnlijk heeft Columbus in 1493 Saba ontdekt maar hij is er toen, voor zover bekend, wegens de gevaarlijke rotskust niet aan land gegaan. Hij noemde het eiland San Cristóbal, wat afgekort en verbasterd Saba op zou leveren. Er is ook een hardnekkige theorie die de naam afleidt van het Arawak-woord Siba, dat rots betekent, iets wat bijzonder goed past bij Saba. Tevens wordt geloofd dat de naam afkomstig is van het Arabische woord Sheba, dat ochtend beduidt. De theorieën zijn te mooi om ze niet te vermelden.
Maar, nogmaals, de twaalfde eeuw? Helman moet er toch een goede reden voor hebben gehad dit te vermelden. Het was de tijd van de strooptochten naar het oosten van de feodale adel met aanhang in naam van de Heilige Stoel, wat behalve de nodige buit ook de kennis opleverde voor o.a. het vroegste Humanisme, ook wel de Renaissance van de Middeleeuwen genoemd. Zou het leed, waarover Helman in woorden als dood, verlies en ‘Helpoort’ spreekt, hem daarom extra inzicht geschonken hebben? Weliswaar is Hell’s Gate, officieel Zion’s Hill, een van de vier nederzettingen van Saba maar een dichter als Helman hanteerde zeker niet toevallig de meer populaire naam, die iedere rechtgeaarde dichter natuurlijk als een symbolisch geschenk moet zien.
Is de Helpoort dan een ‘door of perception’. Dit idee wordt versterkt door de koppen: majeur – mineur – hypomixolydisch. Daarmee wordt wat aanvankelijk een sprookje leek een dialectisch leervers. Met betrekking tot Saba kan ‘de berg’ ondanks andere hoogten niets anders zijn dan Mount Scenery, met bijna 880 meter sinds kort het hoogste punt van Nederland.
De slotregel geeft een negatief gevoel door maar klinkt dankzij de hypomixolydische toon opvallend laconiek.” Het is wel erg…”. Hoe dan ook, met deze korte bespreking zijn we er nog niet voor ‘Huisje op Saba’. Ik hoop de aanzet wel te hebben gegeven maar hoop op een vervolg door de lezers.

‘Drifting’, ‘wrinkling’, ‘dripping’, ‘trembling’, ‘bleeding’, ‘glimmering’, ‘falling’, ‘touching’, ‘dancing’, ‘nestling’, nogmaals ‘dripping’, dan ‘slumbering’, en opnieuw ‘drifting’. Dat zijn wel érg veel tegenwoordige deelwoorden in een kort gedicht. Een bewijs te meer dat je moet oppassen met deze grammaticale functie. In de handen van een gelegenheidsdichter of een beginnende lyricus vormt de woordsoort een groot risico, overvloedig gebruik tast de handeling aan.
Ho Hagenaars, dat is misschien te kort door de bocht want wie weet was het juist de bedoeling van Rik Lina (º 1942) om met deze bijdrage, getiteld ‘From the elfin forest’ (hij zette geen hoofdletters in de naam), een durende, niet veranderende staat aan te geven. In dát geval zou het inzetten van al die op –ing eindigende woorden functioneel verantwoord zijn. Alleen hijzelf kan natuurlijk duidelijkheid verstrekken.
In een interview merkte de kunstenaar, die jarenlang in het Caraïbisch gebied woonde en bekendheid geniet vanwege zijn surrealistische schilderijen, onder meer op: “Elk schilderij dat ik maak, begin ik ‘automatisch’. Ik gebruik datgene wat ik vind tijdens het ‘automatische’ proces, ik probeer dat vorm te geven, te ontdekken en dan stuur ik het ook. Als ik daarin te ver ga, doe ik weer een ‘automatische’ ingreep, waardoor ik weer ontregeld wordt. Ik ben dus steeds met orde en chaos bezig. Ik begin met chaos. Wat er uit mijn onderbewustzijn tevoorschijn komt, moet er eerst op de een of andere manier in opgeslagen zijn. Als ik nu ‘automatisch werk, dan komen er onmiddellijk planten en vogels en dat soort dingen tevoorschijn, omdat ik maandenlang in de jungle heb rondgetrokken. // Mijn hele leven ben ik bezig geweest om landschappen te zoeken die me interesseren en dan liefst zo leeg mogelijk, onaangetast. Waar ik aan werk met mijn tekeningen: om al tekenende één te worden met het landschap. Met de grote Chinese meesters wil ik stellen dat de natuur mijn grote leermeester is.”
Precies hetzelfde is ook van toepassing op het hier opgenomen gedicht dat, zoals verreweg de meeste Nederlandse lezers niet weten, verwijst naar het gelijknamige bos op Saba. Het wordt ook wel ‘Cloud Forest’ genoemd omdat de plek vrijwel steeds schuilgaat in nevel. Dat wil wel druppelen ja, vandaar het tweemaal voorkomende ‘dripping’.

From the elfin forest
The strange soft hands
Of moss and mist drifting
Clouds a wrinkling blanket
Of green sculpted by wind
Dripping trees mud and moans
From elsewhere

Dinosaur time of dreams
Trembling vines bleeding
Moss-clad treefern and
Proud erection of mountain-
Palm in slow Indian dance
From elsewhere

In glimmering embrace falling
Steep from the screech of rock
Long trails and tracks aerial-
Roots over the rainbow orchids
Orange and red lips and claws
From elsewhere

Fingers touching sounds
A prayer of zebra butterfly
Silently dancing together
Invisible in the ferns
The nestling tongues
From elsewhere

The sea is all around
Dripping green wit?
The slumbering crater
Breakers of bracken?
Motionless drifting
Echo from elsewhere

Nou, als dit gedicht niet volgeladen is met surrealistische beelden: ‘hands of moss’ (dat ‘soft’ is natuurlijk overbodig), ‘Dinosaur time of dreams’, ‘trembling vines bleeding’ en ga maar door. Lina moet het hierbij voornamelijk hebben van de inhoud want net als bij de meeste andere surrealisten is zijn vorm (ik doel hierbij o.a. ook op de manier waarop de verf aangebracht wordt) heel wat minder interessant. Het blijft voor de beschouwer meestal bij mooie plaatjes bekijken, het vertalen van voorstellingen die in een nieuw verband geplaatst worden. En dat is jammer, zeker als je Lina’s bovenstaande uitspraken over chaos serieus neemt. Qua bouw is ‘From the elfin forest’ zeer geordend om niet te zeggen braafjes uitgewerkt. Chaos en ontregeling leiden hier dus dus tot de behoefte alleen controle over de opgeroepen béélden uit te oefenen, die eventueel te bezweren, maar zijn zelf nergens te bespeuren. Er is geen sprake van het samenvallen van vorm en inhoud, integendeel. De beeldspraak, soms origineel en prachtig, blijft netjes binnen de omlijsting van elke keer een zesregelige strofe, elk inclusief een identieke en dus voorspelbare slotregel. Als Lina ook de niet picturale elementen aan chaos had willen blootstellen, meer durf aan de dag had gelegd, zou z’n gedicht een behoorlijk niveau hebben kunnen bereiken.

Toch is Lina’s vers poëtisch gesproken nog altijd interessanter dan de bijdrage van Cecile Peterson. Het meest opvallende van haar ‘Saba’, dat het best gecategoriseerd kan worden als keurig verzorgd gerijmel, is de actuele toets van de politiek (die nu langzaam vervaagt). Alleen al hierom is opname in de anthologie verantwoord. De twee laatste strofen, die een prettig ritme hebben en met gemak apart gepubliceerd kunnen worden, roeren het belangrijkste thema van de laatste jaren aan: een land binnen het koninkrijk worden of een bijzondere gemeente, ofwel Openbaar Lichaam. Peterson laat geen enkele twijfel bestaan over haar standpunt. De koppeltekens in het slotwoord geven een humoristisch accent. Je hoort er haar stem vol ongeloof en spot over andere standpunten in doorklinken:

When Columbus discovered this treasure
He didn’t realize
It was the pearl of the Carribean
For him a big surprise

But now our island’s peacefulness
Is shattered by suspense
We beg you, keep this threat away
That’s called ‘In-de-pen-dence’.

Het neemt niet weg dat ze ongeloof bij mij oproept door de reactie van Columbus. Als die zich namelijk niet realiseert dat Saba de parel van de Caraïbische archipel is, wat is er dan wel zo’n grote verrassing voor hem?

Ook de gedichten van Stella Richardson-Sloterdijk (914-2000) en Lorna M.F. Simmons blijven met respectievelijk ‘Adieu Saba’ en ‘Saba, How Beautiful You Are’ steken in aangenaam meanderende zinnen, clichématige beelden en een melancholische dan wel bewonderende toon. Typisch is dat elk uit drie strofen van acht regels bestaat. Een grapje van Klaas Groot, of zocht hij gezien de overeenkomsten tussen beide teksten naar extra parallellie? Feit is dat ik bij het zoeken naar de achtergronden van Stella Richardson-Sloterdijk op een artikel van Will Johnson stuitte, getiteld ‘The women of Saba’, waar een versie van ‘Adieu Saba’ in staat die niet alleen een stuk langer is (11 strofen) maar ook uit strofen van 4 regels bestaat in plaats van 8. Hier geeft de inhoudsopgave van Vaar naar de vuurtoren verder geen informatie over.

Over de inhoudsopgave gesproken: daar staat over het debuut van de volgende dichter, Wycliffe Smith, genoteerd: ‘My Island’, Uit: From W-inward, 1976’. De naam van die bundel intrigeerde me maar blijkt op een fout te berusten. Wycliffe (º1948, Saba) , behalve dichter en onderwijzer ook enkele jaren gezaghebber van het eiland, debuteerde in dat jaar namelijk met A voice from Windward en dat is wat mij betreft evengoed een puike titel.
Wycliffe laat zich er op voorstaan dat hij behalve aan de schoonheid van de Bovenwindse Eilanden ook aandacht schenkt aan politieke en sociale misstanden. Van dit laatste is in ‘My Island’ niet veel te merken, of het zou een vroege waarschuwing moeten zijn voor een uit de hand lopend toerisme. Saba’s waarden zijn natuurlijk ook zeer precair. Het betreffende fragment:

Freely
people in jeep in cars
move along
the wriggling roads
from village to village
buying, selling, laughing
talking
bumping
against the coloured wall
invisible
to the outside eye

Laat dit nu, op de drie laatste regels na, de minst imponerende strofe zijn. Beter acht ik de volgende strofe die bijna iets magisch heeft, vooral omdat ‘the coloured wall’ ditmaal verbonden wordt aan het vrouwelijk lichaam, dat trouwens volgens het begin (met beelden als ‘her head on a pillow of fog’ en ‘the wriggling roads cling to her breast like love weed on a flamboyant tree’) met Saba zelf samenvalt. Ook de vooropstelling van de objectconstructie in de regels 4, 5 en 6 doet de lezer ineens beter lézen.

My island
bore many a son
in her ambitious womb
many a son
both black and white
did she digest
in the secrets of her bowels
where
they now pass
the coloured wall

‘What Can I Say’ van de op Saba geboren maar elders residerende Ingrid Zagers valt dan weer tegen. Met name de eerste regels van dit gedicht roepen een kritisch weerwoord op:

What can I say about Saba,
that hasn’t been said before?

Juist een heleboel, zou ik zeggen. En bewijs dat dan ook maar eens. Maar dat doet Zagers nu juist níet:

How can I begin to describe
the lush green hills,
the quaint, white houses,
the splendour of the underwater world?

Where can I find the words
to make you see,
children playing together in the grass,
trees swaying in the breeze,
sea sparkling like a thousand diamonds?

En zo gaat het nog even door. Tja, als je je als dichter afvraagt hoe je moet beginnen, waar je de juiste woorden kan vinden en vervolgens weinig treffende beschrijvingen geeft die al ontelbare malen vastgelegd werden, kom je uiteraard niet op poëzie uit. Critica Joyce Peters-McKenzie (van Saint-Vincent) was positiever over Zagers’ kunnen, maar die had een veel breder overzicht. Over het debuut ‘Images of me’, merkte zij namelijk op: “Images Of Me woos us like a meadow in springtime … fresh, colorful, compelling, warm.” Dat maakt pas echt nieuwsgierig naar ander werk van Zagers.

Het volkslied ‘Saba, you rise from the ocean’ van Zuster Waltruda (Cristina Maria Jeurissen) sluit dit deel van Saba af. Het is te vinden op de site http://www.sabatoerist.com/. De laatste regels ervan zullen vooral voor toeristen die het eiland aandeden een bijzondere betekenis hebben:

Saba, Oh Jewel most precious,
In the Carribean Sea.
Mem’ries will stay of thy beauty,
Though we may roam far from thee.

Concluderend kan gesteld worden dat de gemiddelde kwaliteit van de gedichten die Klaas de Groot voor Saba opnam lager is dan die van de poëzie van de eerder besproken eilanden. Met vier i.p.v. zeven bijdragen zou het karaat hoger uitgevallen zijn. Maar dit boek heeft ook historische c.q. archiverende waarde en vanuit die gedachte is opname van alle besproken teksten dik in orde, op de eerste plaats voor de bewoners van de in zoveel opzichten gezegende Unspoiled Queen, zoals de mooiste en meest passende bijnaam van Saba luidt.

Alle teksten in Vaar naar de vuurtoren werden in de originele taal afgedrukt, die in het Fries en Papiaments op een paar na tevens in vertaling, de Engelse om begrijpelijke redenen niet.

Het resultaat is hoe dan ook een in alle opzichten afwisselend boek dat velen zal boeien én zelfs de koffers doen pakken!

Vaar naar de vuurtoren – gedichten over eilanden. Samenstelling en redactie: Klaas de Groot. Uitgeverij In de Knipscheer. ISBN: 978-9062-656585.€ 18,50

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter