blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Hagenaars Albert

Gedichten van Carla van Leeuwen

door André Oyen

Carla van Leeuwen (Caracas, Venezuela 15 augustus 1955 – Willemstad, Curaçao 28 augustus 1980) was de dochter van Dorothy Debrot en van auteur Boeli van Leeuwen.

read on…

Een poëtische archipel

Bespreking van Het eiland en andere gedichten van Michiel van Kempen

door Albert Hagenaars

Michiel van Kempen (1957, Oirschot) is bijzonder hoogleraar Nederlands-Caraïbische Literatuur en maakte dus talloze reizen door het betreffende gebied. De neerslag daarvan komt volop aan bod in zijn tweede poëziebundel, qua sfeer, bijv. door opname van woorden als ‘makamba’s’, ‘faja lobi’ en ‘troepialen’ maar zeker ook qua stijl, gezien o.a. de doorlopende regels en het associatieve, beeldrijke karakter.

read on…

Het zoeken naar een dichter, het vinden van een wereld

Over Zoeken naar Slory van Ezra de Haan

door Albert Hagenaars

 

Suriname is door tal van draden met Nederland verbonden. Toch houdt de kennis van het land en al zijn culturen in de delta niet over. Hoe meer er dus over verschijnt, hoe beter.
De actieve publicist, dichter en radioprogrammamaker Ezra de Haan (1957, Amsterdam) bezocht het land om er een workshop schrijven te geven en deed verslag van zijn ervaringen in een boek dat net zo bont is als Suriname zelf. Hij presenteerde daarmee allerlei opmerkelijke zaken die je in de gangbare reisboeken niet gauw tegen zal komen. Behalve het uitvoeren van de werkwinkel was zijn doel een kennismaking met de dichter Michaël Slory (1935, Totness), wiens werk hij al zo lang bewondert. De Haan is ook redacteur bij een uitgeverij die al twee boeken van Slory uitgaf plus een cd die een interview van Rogeria Burgers met de dichter bevat. De bundeltitels zijn: Ik zal zingen om de zon te laten opkomen (1991) en Torent een man hoog met zijn poëzie (2012). read on…

Over Bloedkrans van Albert Hagenaars

door Ezra de Haan

De dichter moet als een Slauerhoff lang onrustig zijn geweest, gezien de landen die hij bezocht. Zelf dicht hij: ‘En joeg verder, andere lokkende landen in/ spiegelend wat de mens zichzelf onthoudt.’ Alleen de titels van de gedichten vormen al een wereldreis die van Parijs en Porto naar New York, Holland en Salt Lake City naar Los Angeles leidt. Vervolgens van Suez en Jeruzalem naar Nazca, Titicaca, Praag en Boston naar Mexico City. Dan komt Azië aan de beurt: Kun Ming, Macau, Hanoi, Hue, Danang en eindigen we in Yogyakarta. Eindelijk thuis zou je bijna zeggen. Wie de steden kent, herkent ze in de nauwkeurig gekozen woorden van Hagenaars. (…) Zodra je ze leest opent zich een wereld voor je.

Bijna zou je denken dat alleen verre reizen Albert Hagenaars tot schrijven kunnen brengen. Niets is minder waar. Ook de gedichten die van heel dichtbij komen, maken grote indruk. Albert Hagenaars heeft een indrukwekkende gedichtenbundel geschreven. Ieder gedicht staat op z’n plaats en doet ertoe. Het is te hopen dat we sneller dan voorheen een vervolg mogen verwachten. Tot dan zal ik deze bundel nog regelmatig herlezen.

Lees hier de hele recensie op Literatuurplein.nl

Albert Hagenaars – Witte donderdag 1955

De oorlog was koud, de fall-out
van atoomproef HA boven de woestijn
van Nevada verwoei over dit beloofde land,over de oceaan, het gehavende Engeland
waar een nerveuze Lord Eden Churchill verving,
over de Noordzee, stakingen, gemor over geld.Nog dichterbij, in de woonkamer, in het zichtveld
van de boogschutter uit het Zevende Huis,
zwoegde de vroedvrouw, met harde handen

zoekend naar het raken van taal en teken,
het breken van het vruchtwater dat om negen uur
in bloeddoordrenkte lappen werd bereikt.

Rood wordt roder op wit, paars met Pasen.
Moeders verse wond gaf zin aan mijn mond,
openend op een wereld van dwarse woorden.

[uit Bloedkrans, verschijnt mei 2012]

Schaamteloos Zwoegen onder de Zon

door Aart G. Broek

In december 2010 verscheen de dichtbundel Het lichten van de jaren bij uitgeverij In de Knipscheer, Haarlem. De bundel verhaalt van en verdicht weerbarstige ervaringen in de overstap van leven op Curaçao naar een nieuw bestaan in Nederland. Het onthaal stemt tevreden, zie bijvoorbeeld de besprekingen van Ezra Haan, André Oyen, en Albert Hagenaars.

Bij de presentatie van de dichtbundel heette het over de praktische inspiratiebron van de gedichten nog: “Zou ik u moeten vertellen uit welke praktijk aan ervaringen ik heb geput om die zevendelige dichtcyclus [‘De kus’] te schrijven? Wilt u enig zicht krijgen op de ‘verdichting’ die heeft plaatsgevonden? […] Zou u het allemaal moeten weten wat er ‘feitelijk’ plaatsvond? Feitelijk? – een uitgesproken dubbelzinnig woord in de context van dichtmaat. In zekere zin wordt wat er ‘feitelijk’ gebeurde, nu juist door de gedichtencyclus beter gevangen dan welk prozaïsch document zou kunnen. […] U moet de gedichten zélf willen horen spreken.”
Nu, een jaar later, wordt die ‘praktijk aan ervaringen’ toch enigermate nader uitgewerkt, als onderdeel van een essay, getiteld ‘Besturen of Het schaamteloos zwoegen onder de zon’. Werk in uitvoering.

Uit die praktijk ontstond al eerder ook het spotdicht ‘Bestuurlijke zinnen’. Dat haalde de dichtbundel niet, evenmin als het spotdicht ‘Mooie mannen in de mondi’. Bij literaire presentaties in de Openbare Bibliotheek Amsterdam (mei jl.) en Podium Mozaïek (Amsterdam, sept. jl.) kwamen de spotdichten wel naar buiten.
Toch geldt onverminderd de uitspraak bij de verschijningspresentatie: “De dichtbundel […] is er voor lezers om er hun eigen werkelijkheid in onder te brengen. [De dichter heeft] als het ware een poëtisch ‘casco’ aangereikt. De gedichten liggen er voor lezers om er zélf in te trekken en er zich tijdelijk in te vestigen, ze in te richten naar eigen believen.”

Zo zal de ongekende werkelijkheid achter het gedicht ‘Een eiland verzonken’ uit de bundel Het lichten van de jaren geen enkele invloed gehad kunnen hebben op de opname ervan in De 100 beste gedichten gekozen door Kathleen Ferrier voor de VSB Poëzieprijs 2012, die op 12 januari 2012 verschijnt bij de Arbeiderspers (Amsterdam). De gedichten leiden vooral een leven los van de maker ervan. Een jaar na het verschijnen van de dichtbundel ademen de gedichten nog steeds, niet alleen voor mij, maar ook voor lezers, zo blijkt. Dat stemt tevreden.

Een negatief van een Zuid-Amerikaanse Elckerlyc (2 en slot)

door Albert Hagenaars

Dagboek van de ruïnenbouwer

De tweede afdeling ‘Dagboek van de ruïnebouwer’, begint met een toepasselijk citaat van Flaubert: “Men staart naar de bodem van de put / zoals men staarde / naar de torenspits.”

Het eerste gedicht bevat een testament van een Chinese schilder, dat treffend diverse van Roca’s thema’s verbeeldt, zoals transformatie en de spanning tussen macht, beknotting en individuele vrijheid van keuze.

Testament van de Chinese schilder

Toen de overdaad schuwende Keizer
Me aanmaande op het schilderij een waterval uit te wissen
-Het aanhoudende gebruis hield hem uit de slaap-,
Gehoorzaamde ik als goede hoveling en verdoezelde de stroomversnelling.
Achter een nagetekende kersenboom verstopte ik evenwel
Een kikker die kwaakt
En die door de oude Keizer
Verward wordt met zijn hartkloppingen.
Op een linnen kamerscherm schilderde ik mezelf
Terwijl ik een paard zat te tekenen.
De volgende nacht verjoeg ik met mijn penseel het paard,
Want ik kon het gehinnik niet meer aanhoren.
Weldra zal ik – Keizer over eigen lichaam-
Mijn vervallen gestalte uitwissen op het doek
En zal men beseffen dat de afwezigheid van een mens
Of van een paard uit dezelfde stof bestaat.

Verderop neemt hij ons mee naar o.a. het Londen van Stevensons Jeckell en Hyde, Diogenes’ ton, Jona’s visverblijf, Crusoes hut, Piranesi’s kerkers en Kafka’s Gregor Samsa, even zovele andere vormen van transformatie. Het meest wordt dit echter uitgewerkt door motieven van bouw en verval, stenen. Maar ook hier weer blijven de vragen naar de mogelijkheid om te kiezen nadrukkelijk aanwezig, getuige onderstaand fragment uit het gedicht ‘Stenenlezer’:

Vóór het kathedraal was,
In zijn gotisch gebaar gevangen wind,
Kende steen het doopsel van de rivier, de beitel van de regen.

De stenenlezer
Loopt door hun bezworen en blinde vormen:
Hij weet dat tussen hen in
Goden uit een ingeslapen land verblijven.

Maar is het de hand van het toeval in Gods groeve
Die beslist welke steen kerker wordt,
Welke steen kerk of graf,
Klaagmuur, muur van de gefusilleerden?

Het is mij een raadsel waarom Roca deze drie voldragen strofen vooraf laat gaan door: “Stenen: / Kralen van een gigantisch telraam, / Wolkfossielen, maanvoorhoven, / Tijdsyllaben. // Van ’s hemels altaar af- / gevallen sterrenkruimels.” Het woord ‘stenen’ zit al in de titel en komt bovendien in elk van de drie laatste strofen terug. Neologismen als ‘wolkfossielen’, ‘maanvoorhoven’, ‘tijdsyllaben’ en ‘sterrenkruimels’, hoe geslaagd wellicht in een andere zetting ook, voegen feitelijk niets toe aan de bedoeling van het gedicht en blijven daarom Fremdkörper, leiden alleen maar de aandacht van de kern af. Hun concentratie is een goed voorbeeld van overkill. Het ‘hemels altaar’ is een bekend beeld maar de spirituele lading wordt evengoed aangetroffen in ‘kathedraal, ‘doopsel’ en ‘Gods groeve’. Hier staan Roca’s behoefte aan zowel taalspel als uitleg een succesvolle afronding van het gedicht in de weg. Ook op andere plaatsen komt de helderheid in het gedrang door effectbejag. De beste gedichten zijn ook bij hem nog steeds de teksten die slechts hier en daar een woordvondst opnemen, zoals ‘dat helwitte rijk’ in het eerste gedicht, en die in hun betoog een strakke lijn aanhouden.

Gaten in het water

De aandacht voor het instrumentarium van de dichter, de taal zelf, komt aan bod in de derde en, met 14 gedichten, tevens kortste afdeling, die de tot nadenken stemmende naam ‘Gaten in het water’ draagt. Die aandacht is niet sterk genoeg om de thematisch losse eindjes in dit blok te verbergen. Er staan prachtige gedichten in maar ze staan ook meer op zichzelf dan die in de voorgaande afdelingen.

Het motto is van T.S. Eliot: “De rivier loopt binnen in ons”, wat voor tweeërlei uitleg vatbaar is, afhankelijk van het accent op een van de twee voorzetsels.

In het titelgedicht is de poëzie een uitgesponnen personificatie en wordt de titel toegelicht:

Gaten in net water

Ontrouwe echtgenote
Liep de poëzie thuis weg
En bij haar terugkeer bracht ze
De talen van wie de slaap niet vindt.

Voortekenen negeerde ik:

-De poëzie, ongeluksster,
Vrouw van twijfelachtige levenswandel,
Handeldrijvend in drijfzand.

Ik herriep berichten:

-Een trein ontspoort niet
Als hij op het spoor over een roos rijdt.

-Gaten in het water slaan
Is een nutteloze passie.

-Zoiets als de wind bespioneren,
Als de rivier oplappen.

De onbetrouwbaarheid van de poëzie, of die van de werking van de taal, wordt echter krachtiger en overtuigender beschreven in het daarop volgende gedicht, ofschoon dit meer verhalend is, waarvan o.a. ook het andere hoofdlettergebruik voor de eerste regelwoorden getuigt.

Een man van het woord

Ik pen het woord vel. In een orgie van klauwen en veren wordt
het door het woord kraai uiteengereten als een gevild rund.

Ik zaai het woord jasmijn. Als zijn aroma zich los wil maken
veegt het woord woestijn het uit, verdonkeremaant zijn levens-
sap.

Ik schrijf het woord eeuwigheid en een roos verwelkt. Ik gooi
het woord vogel op en het stort dwarrelig neer, gepluimd en
uitgedroogd.

Van het woord ijs rest niet eens het woord water.

De slotregel, helder en raadselachtig tegelijk, is het beste einde van alle gedichten, hierin valt samen wat taal vermag én niet vermag, waarbij het aantonen van het laatste toch tegelijk een overwinning van de dichter is.

Dat de afdeling niet buiten de bundel valt, is te danken aan de herhaling van motiefwoorden die eerder aan bod kwamen zoals ‘muren’, ‘Keizer’ en het voortzetten van de wonderlijke, onnavolgbare wijze waarop Roca de werkelijkheid uiteenpulkt en met extra onderdelen poëtisch weer in elkaar zet.

Dat hij ook op het formaat van een aforisme of spreuk uit de voeten kan, bewijzen de korte stukjes uit respectievelijk ‘Portretten’ en ‘Stempelafdrukken van de nacht’.

Uit het eerste kies ik: “Mijn handen tasten in het woud van de taal, pennen met de inkt van de nacht een nutteloos traktaat over de kunst om water op te lappen.” En uit het tweede, nog beter: “Ik heb een man gekend die urenlang druppels nacht in een kwartvaas overgoot. Een druppel. Nog een. En de vaas liep vol met rouw.” En tenslotte, nog korter: “De nacht, valkenjacht op wat vergeten is.”

We mogen Stefaan van den Bremt dankbaar zijn, dat hij het belangwekkende werk van Juan Manuel Roca voor ons taalgebied bereikbaar heeft gemaakt. Hopelijk zal het vroeger of later z’n stille invloed uitoefenen in bundels van eigen bodem. Dat zou de Nederlandse poëzie goed bekomen want we hebben dan wel tal van vormvervormers maar te weinig vertellers die, op het niveau van een Roca, vanuit de traditie de werkelijkheid zodanig plooien dat we ons moeten afvragen met wie we ons het best identificeren: met een alomtegenwoordige Niemand of met diens tegenpool!

[Bron: De Verborgen Hoek, nr. 6]

Juan Manuel Roca is 28 september te gast in Mondiaal Literair
Een standbeeld voor Niemand is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer
Gedichten. Colombia
Vertaling uit het Spaans Stefaan van den Bremt
Nawoord Stefaan van den Bremt
Ingenaaid, 104 blz.,
ISBN 978-906265-632-5 € 18,50

Een negatief van een Zuid-Amerikaanse Elckerlyc (1)

Over Een standbeeld voor Niemand van Juan Manuel Roca

door Albert Hagenaars

De hedendaagse poëzie is zo divers dat het steeds moeilijker wordt om je nog nieuwe verschijningsvormen voor te stellen, althans wat poëzie betreft die zich van de traditionele middelen bedient.

Lezing van één gedicht van de Colombiaan Juan Manuel Roca (1946, Medellín), die vooral de inhoud wil laten werken, volstaat om een authentieke poëtica te herkennen. In ‘Een standbeeld voor Niemand’, de vertaling die Stefaan van den Bremt van Roca’s bundel ‘Las hipótesis de Nadie’ maakte, wordt de lezer geconfronteerd met een wijze van beschouwen en interpreteren die in onze dichtkunst nieuw is. Ik ben hem in elk geval nog nooit tegengekomen. Van den Bremt verzorgde ook het leerzame nawoord.

Roca begint zijn bundel met het titelgedicht, waaruit hieronder ongeveer de helft, dat programmatisch meteen orde op zaken stelt.

Hypothesen omtrent Niemand

Het kan de wind zijn.
Het onbeschreven blad. Kan zijn.
Het kan degene zijn die gaandeweg
Door de regen wordt weggeveegd.
Nu moet ik aan een blinde denken
In Freiburg toen het zachtjes schemerde.
Hij liep alleen door de sneeuw
Met een verzaligde glimlach
En een stok zo wit als de sneeuwvlokken.
Hij liep langs me en zag me niet;
Ik was zijn Niemand,
Een spook in dat helwitte rijk.
Het kan gebeuren dat wij
Niemands blinden zijn.
Niemand is misschien de wind
Die akkoorden breekt en ramen openstoot
Om ons te doen spreken in de taal van de droom.
Het kan degene zijn die
Aan een kapstok in het café
Zijn vergeten overjas voorgoed liet hangen,
Een overjas als vlag van de leegte
Die op een dag verdwijnt, zoals zijn eigenaar.
Het kan degene zijn die nooit geweest is,
Degene die nooit zal zijn,
Degene die het moe geworden is te zijn geweest.

Het gedicht opent met een mogelijkheid in de vorm van een veronderstelling, maar volhardt daar in, geeft geen uitsluitsel. Tegelijkertijd materialiseert elk alternatief zich door zijn naam of omschrijving. Het wordt genoemd en doet dus z’n werking gelden, of het nu terecht genoemd is of niet.

Door de herhalingen, één van Roca’s stijlkenmerken, wordt het geheel van mogelijkheden het gedicht zélf, of andersom natuurlijk. Ook van omkeringen maakt Roca immers veelvuldig gebruik.

Daarmee is nog steeds niet de eerste geïmpliceerde vraag beantwoord: wát kan wat zijn? In deze vraag ligt besloten dat er hoe dan ook wisselwerking plaatsvindt, op verschillende niveaus; niet alleen tussen de wind en het object waarin hij zich manifesteert, tussen mens en regen of, iets concreter, tussen een blinde en sneeuw, maar ook en vooral tussen de bedoeling van de dichter met deze beschrijvingen en de perceptie van de lezer. Het gedicht krijgt niet alleen een mogelijke vorm en betekenis door de bedoelingen van de maker maar óók door toedoen van de interpretaties van de lezer.

Wat Roca nastreeft is het opheffen van de tegenstellingen waarop zijn werkwijze steunt. Kijk maar, er wordt iemand door de regen weggeveegd, een witte stok gaat op in de sneeuw en de blinde hoeft zich niet bewust te zijn van de aanwezigheid van degene die hem observeert. Belangrijke uitspraak is: Ik was zijn Niemand. Niemand is met een hoofdletter geschreven en geeft dus een begrip of naam weer. Direct daarop volgt weer een omkering: de ik was een Niemand maar wij kunnen Niemands blinden zijn. Tegelijk bezit (de) Niemand de kracht om de gewaarwording te bepalen. Dat gebeurt in dit gedicht duidelijk, op niet mis te verstane wijze, door akkoorden te breken of ramen open te stoten opdat een onbepaald ‘wij’ anders gaat spreken, in een taal die niet op controleerbare feiten is gebaseerd. En het vindt op kleine, onopvallende wijze plaats zoals het vergeten van een overjas aan een kapstok, die uiteindelijk verdwijnt. De overeenkomst tussen beide beelden geldt de buitenkant, de officiële kant. Mooi is de gradatie: eerst verdwijnt de eigenaar van de jas en later diens uiterlijke kenmerk, waardoor het is alsof hij er nooit is geweest, wat Roca ook weer gradueel benadrukt. Eerst is er namelijk een mogelijkheid van nooit bestaan hebben. Deze mogelijkheid wordt omgeklapt tot de zekerheid dat dit er ook nooit van zal komen. Vervolgens is er toch weer iemand die bestaan heeft maar dat niet kon volhouden, wilde volhouden. De naam Niemand is dan de meest passende. De poëticale dialectiek vindt zijn parallel in de grammaticale tijden: voltooid tegenwoordig – onvoltooid tegenwoordig toekomend – tweemaal voltooid tegenwoordig. In dit opzicht is het jammer dat de originele tekst niet naast de vertaling staat. Nu moeten we ons afvragen of van den Bremt Roca op de voet heeft gevolgd. Het zou bijvoorbeeld logisch zijn als Roca de ovt had gebruikt. Maar ook de voltooide tijden bieden een voordeel. Al dit soort effecten geven Roca’s gedichten, omdat de lezer constant beproefd wordt op het vaststellen van de werkelijkheid, hoe dan ook een grote herleeswaardigheid.

De rest van het gedicht voegt vrijwel niks essentieels meer toe. Roca had het net zo goed na mijn cesuur kunnen laten eindigen. Maar hij gaat voort:

Wie weet is hij in het land van de verdwenenen
De enige die weer verscheen, het spook, zeggen wij,
Dat ’s nachts de trappen
Doet knarsen
Of in de keuken een braadpan laat vallen,
Degene die het bestek ergens laat legt
Waar we het niet meer vinden,
De dief van verten.
Het kan de man zijn die zichzelf bereist,
De zwerver in eigen ik.
Te onpas heeft hij ambachten beoefend:
Hij sleept papier door een verlaten straat,
Bestelt kranten van de dag voordien
In alle uithoeken van de stad,
Brengt een geur van buitenwijken naar het centrum,
Scheurt affiches af voor de film van gisteren,
Doet treinen vertrekken
Op het kleppen van een klik.
Het kan de wind zijn.
Het onbeschreven blad. Kan zijn.

Vrijwel; de enige uitzondering betreft namelijk ‘het land van de verdwenenen’, wat mij betreft is dit de duidelijkste verwijzing naar de politieke actualiteit van zijn geboorteland, die gedomineerd wordt door ontvoeringen, aanslagen, cocaïne en FARC. Roca groeide op in Medellín, dat zegt genoeg.

Het opsommend relaas hierna verleent aan Niemand de alledaagse handelingen van iedereen, van de naamloze massa, de noodzakelijke (“te onpas”), niet uit vrije wil gekozen handelingen die het leven vorm geven. Daarbij onderstreept Roca de spanning tussen het individu (een dief van verten, een man die zich zelf bereist, een zwerver, dus driemaal iemand die zich bewust is van geestelijke vrijheid) en de groepsleden die bezigheden uitoefenen die wel een functie hebben maar zinloos beleefd worden: verouderd nieuws bestellen.

In bijna alle gedichten van de eerste afdeling, die eveneens ‘Hypothesen omtrent Niemand’ heet, keert het Niemand-personage terug, in gedichten in de meest uiteenlopende vormen. Ze zijn lang of kort, strofenloos of juist doorregen van witregels maar hebben allemaal diezelfde vreemde, vaak onheilspellende sfeer, hoewel de verteltrant laconiek blijft. Regelmatig spelen kunstenaars en collega-dichters er een rol in zoals Gérard de Nerval, de schilder Antonio Samudio en, in het hieronder opgenomen gedicht, de Peruaanse dichter César Vallejo, die om politieke redenen in de cel belandde. De maandenlange opsluiting deed hem als dichter geen kwaad; hij kwam tot de principes van een poëzie die een volslagen nieuw mensbeeld moest opleveren. Het resultaat, ‘Trilce’, verscheen in 1922 en wordt sindsdien steeds meer gezien als een vroeg hoogtepunt van de Latijns-Amerikaanse avant-garde. In 1923 vertrok Vallejo naar Europa, waar hij grotendeels in Parijs verbleef en daar, in 1938 en in erbarmelijke omstandigheden, ook stierf. Roca laat Niemand met deze in onze contreien nog veel te weinig bekende dichter samenvallen:

Parijs, negentienhonderd en zoveel

Zo druk heeft Vallejo het
Met het tellen van uren op een telraam van schimmen
Dat hij niet merkt
Hoe Niemand voorbijkomt
Op het trottoir aan de overkant.

Zo in zichzelf verzonken lopen beiden
Dat ze de koffie koud laten worden, de stilte,
Het zilveren lepeltje,
De pijpen van wie zitten te praten
In het Café de l’Opéra
Nog vóór ze toe zijn aan hun nooit-
Ofte-nimmers.

Vallejo luistert
In de gebroken nacht van Parijs
Naar een huayno die afzakt uit gebergte,
Gehuld in mist, in duisternis,
In alpaca en gejammer.

Soms krijgt hij, met een schouderklopje,
Bezoek van een god die zelf wat aan de sukkel is,
En het fluiten van een trein
Overstemt wat hij hem komt zeggen.

Bij eerste lezing nam ik gemakshalve aan dat met een huayno een indiaan bedoeld wordt. Het woord huayno blijkt weliswaar verscheidene betekenissen te kennen maar heeft te maken met traditionele liederen van Andes-migranten. Die muziek heeft ook invloed gehad op de dans. Bij Roca kan zo’n lied de vorm aannemen waarmee Niemand zich over Vallejo ontfermt maar net als in diens poëzie loopt het contact vast in onverstaanbaarheid, onbereikbaarheid.

Door de verwijzingen naar andere onderzoekers van de definitie van de mens in moeilijke situaties verweeft Roca zijn werk in elk geval met een groter verband dan de Colombiaanse realiteit van de afgelopen decennia.

[Bron: De Verborgen Hoek, nr. 6]

Juan Manuel Roca is 28 september te gast in Mondiaal Literair
Een standbeeld voor Niemand is verschenen bij Uitgeverij In de Knipscheer

Nieuwe website voor poëzie & beeld

In december 2010 manifesteerde de nieuwe website http://www.ziepoezie.nl/ zich in de literaire kosmos. ZiepoeZie is een initiatief van de kunstenaars Kitty Doomernik, Marije Kos en Maria van Woezik. Zij willen op hun site vooral combinaties van woord en beeld laten zien. Het is de bedoeling minstens één bijdrage per maand op te nemen.

De redactie nodigde Albert Hagenaars uit en plaatste zijn inzending, ‘Surrender’, als vierde bijdrage op 2 maart 2011 op de site.

‘Surrender’ bestaat uit een drietalig gedicht, videobeelden, foto’s en muziek. Bij de origineel in het Nederlands geschreven tekst maakte de Britse maar in Denemarken residerende auteur John Irons een Engelse vertaling en de uit Surabaya afkomstige, al jaren in Bergen op Zoom wonende Agung Soemitro een versie in Bahasa Indonesia.

De videobeelden, waarvoor Bongers Productions in Hoogerheide amateurbeelden bewerkte, tonen een traditioneel Javaanse huwelijksceremonie. De daarbij passende muziek, het in Indonesië immens populaire ‘Kebo Giro’, werd uitgevoerd door het Indonesische ensemble Laras Utomo onder leiding van H. Soekarno. Het ontwerp van de pagina is van Marije Kos.

De voorgaande bijdragen:
1) Het gedicht ‘Pandora’ van Marije Kos bij de installatie ‘Les Fleurs du Mal’ van Kitty Doomernik.
2) Het gedicht ‘De wind’ van Pierre Maréchal‘ bij foto’s van Hans Jansen van de dansperformance ‘Tempeesten’.
3) Het gedicht ‘Icarus’ van Pien Storm van Leeuwen bij eigen beeldend werk.

Pendopo: brug tussen culturen

door Albert Hagenaars

Mij viel de eer te beurt als eerste dichter te worden opgenomen in de reeks publicaties van de nieuwe uitgeverij Pendopo in Yogyakarta, Indonesië. De bundel heet Palawija.

De naam pendopo verwijst naar de traditioneel vormgegeven open voorgalerij, meestal vrijstaand en voorzien van zuilen, bij grote Javaanse huizen. De ruimte wordt gebruikt voor ontvangsten, besprekingen en culturele uitvoeringen.

Uitgeverij Pendopo richt zich vooral op poëzie en wil een brug slaan tussen verschillende disciplines en culturen. Vandaar dat het niet alleen mogelijk was de Indonesische vertaling van Agung Soemitro op te nemen maar ook de originele Nederlandse versie en de Engelse omzetting van John Irons alsmede illustraties van beeldend kunstenaars met wier werk en gedachtegoed ik me verwant voel: Edith Bons, Dees Goosen, Juni Kusumanto, Ivan Sagito, Arfan Sunyono en Entang Wiharso, die elk een tekst kozen die hen aansprak.

Pendopo bereidt publicaties voor van meer Nederlandse dichters. Daar worden al vertalingen voor gemaakt.

De titel Palawija betekent ‘derde oogst’. Op het vulkanische en dus hoogst vruchtbare eiland Java kan drie maal per jaar geoogst worden. Om de kostbare bodem niet uit te putten worden twee oogsten van rijst afgewisseld door een derde van een ander gewas, bijvoorbeeld maïs. Dit inspireerde me het verschijnsel symbolisch te gebruiken in een aan Java gewijde reeks gedichten, waarin de cyclus van liefde, vruchtbaarheid en dood centraal staat. Een aantal gedichten hieruit verscheen als voorpublicatie in enkele Engelstalige uitgaven.

Als kennismaking bied ik het gedicht Yogyakarta aan:

Yogyakarta

De lijn vanaf de top van de vulkaan
over de kraton tot aan de afgrond in zee
overspant de sacrale ruimte van de cultuur

waarin jij tot het einde bent gevat.

Hij houdt de balans tussen de hemellichamen
en het dagelijkse leven van bidden en dienen
in stand, van baren, doodgaan, opgaan in rouw.

Niets verstore deze opgelegde harmonie

of buren zullen ons bezien met vertroebelde blik,
vuur zal opstijgen uit de Merapi, bloed
nederdalen uit de wereld van voorouders.

Zo leert men mij, onwetende die ik nog ben,

en ik ben een en al oor en zie verkoolde velden
waar de rijst nu in een zachte bries ruist, hoor
naijver in een vriendelijke stem, en buig

het hoofd vanwege zo weinig eigen macht.

Voor meer informatie (vertalingen en foto’s) verwijs ik naar http://wwwpalawija.blogspot.com/
Hopelijk tot ziens in de sawa’s van ‘Palawija’.

Met poëtische groet,

Palawija – Albert Hagenaars; Uitgeverij Pendopo, Yogyakarta; December 2010; 68 pagina’s; Prijs: € 12,50 (inclusief verzendkosten). Te bestellen via 44.40.21.825 (ABN-AMRO) t.n.v. A.M.M. Hagenaars.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter