blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: goud

Bouwen aan de Wilde Kust: infrastructuur in Suriname deel 1

door Jerry Dewnarain

Inleiding

Marcel Meyer was als jongen al geïnteresseerd in de geschiedenis van Suriname en tijdens zijn studie in Delft werd zijn interesse gewekt voor het ontstaan van de plantagepolders en de kanalen in Suriname. De interesse van Hillebrand Ehrenburg in de historie van de infrastructuur van Suriname ontstond tijdens zijn dienstjaren bij het Ministerie van Openbare Werken door gesprekken met vooral John Thijm, met wie hij toen een kamer deelde en met Marcel Meyer. Omdat er weinig bekend was over dit onderdeel van de Surinaamse geschiedenis besloten Ehrenburg en Meyer hierover een boek te schrijven.

read on…

Het echtpaar Muller-Douglas

door Nico Eigenhuis

Rond het jaar 1900 was het echtpaar Muller-Douglas van grote invloed op de gang van zaken in Suriname. Het was een bijzonder stel, dat relaties onderhield met verschillende gouverneurs, waarbij hij zich inzette voor de economische ontwikkeling van het land en zij zich inzette voor de positie van de vrouw en zich ontfermde over de zorg voor hulpbehoevenden.

read on…

Rien ne va plus in Suriname

door Walter Lotens

Op 25 mei zijn er presidentsverkiezingen in Suriname. Spannende tijden in tijden van het coronavirus, maar ook van corruptie, het Surinaamse virus waarmee dit land al jaren besmet is. Zal Bouterse zich als president weten te handhaven en daardoor zijn hachje redden of zal de Surinaamse kiezer daarover anders beslissen?

read on…

Chinezen vernietigen binnenland met cyanide

“Ik heb genoeg bewijs dat Chinezen nu geen kwik meer gebruiken, maar dat er gebruik wordt gemaakt van cyanide”, zei Erlan Sleur, voorzitter van de milieuorganisatie Probios, gisteren in het gebouw van Tori Oso. Sleur was een van de sprekers op deze avond die was georganiseerd door de initiatiefgroep Vrienden van het Binnenland. Het thema van deze avond was: De rechten van inheemsen en Marrons in relatie tot de effecten van goudwinning.

read on…

Reinier Artist – Indiaans verhaal (fragment)

Bezit verstoort de harmonie. Vooral goud. Het verhaal van de Indiaan met het goud is waar gebeurd toen ik zes of zeven jaar oud was. Het werd mij doorverteld, alhoewel, ik wist wel dat er iets gaande was in het dorp. Maar ik moet erbij vertellen dat deze man bekend is geworden in de Caraïbse samenleving in onze regio als a ingi nanga gowtu, de Indiaan met het goud. En hij is symbool geworden van de introductie van goud in Bigi Poika. read on…

Het liefdesepos van Sanne en haar eigen neger

door Sergio Bunsee

Het leek een sprookje. Onwerkelijk. Sanne, wit als een pier en net stagiaire af. Kenrich een stoere, zwarte rasta, met een gouden tand. Ze ontmoetten elkaar in een discotheek. Bij Kenni sloeg de vonk gelijk over. Bij Sanne niet. Zij viel aanvankelijk niet op negers. Ze vond hem alleen schattig. Ze keerde huiswaarts en verbrak het contact. Back in Surinam, troffen Sanne en Kelrich elkaar toevalligerwijs weer. Sanne herkende hem in eerste instantie niet. read on…

De Zwitser stemt vandaag over 2 miljard aan Nederlands goud

door Robert Giebels

Zwitsers kunnen Nederland vandaag 2 miljard euro door de neus boren. Ze stemmen over het voorstel dat de Zwitserse centrale bank geen grammetje goud meer verkoopt en al zijn goud uit het buitenland terughaalt. ‘Rettet unser Schweizer Gold’ is de naam van dat referendum, een initiatief van de rechts-nationalistische Zwitserse Volkspartij – bekend van het met een referendum afgedwongen minarettenverbod. read on…

Aantal Brazilianen in 2008 circa 20.000 man

Paramaribo – De Braziliaanse gemeenschap in Suriname moet al in 2008 uit tenminste 20.000 personen hebben bestaan. Dit blijkt uit onderschepte e-mails van het Braziliaanse Ministerie van Buitenlandse Zaken (Itamaraty) die vorige maand door hackers online beschikbaar werden gesteld. In de 200 megabytes aan geheim materiaal zit een 43 pagina’s tellend confidentieel document dat werd opgesteld naar aanleiding van het bezoek van de Braziliaanse minister van Defensie Nelson Jobim aan Suriname op 24 april 2008, alsook een telegrama “urgentíssimo” dat Machado verzond aan Itamaraty. read on…

De zwarte Lord herlezen

De rubriek Herlezen vraagt aandacht voor boeken die langer geleden zijn verschenen en de moeite van het herlezen waard zijn. Suggesties? Laat het ons weten via ons emailadres. Vandaag een stuk over De zwarte Lord uit 2009 van Rihana Jamaludin.


door Egmond Codfried

Een zeer verdienstelijke debuutroman van Rihana Jamaludin (Paramaribo 1959) van 525 bladzijden, inclusief bijlage en verklarende woorden- en begrippenlijst. Deze uitbundige historische roman die zich deels in Nederland en voor de rest in Suriname voltrekt, speelt rond het revolutionaire jaar van 1848. Door zijn benadering vormt dit werk een aanzet tot een vernieuwende en eigen postkoloniale, Surinaamse historische roman. Ondanks de titel gaat het boek over Regina Winter, een Brabantse gouvernante die naar Suriname gaat om een jonge plantage eigenaar, die als bijnaam heeft De Zwarte Lord, onderricht te geven. In een jaar maakt Regina zoveel mee, ze is deel van of getuige van zoveel bewegingen en incidenten die verbonden zijn met de Surinaamse geschiedenis, dat zij totaal veranderd is. Van een wat nuffig, kleurloos en benepen Nederlandse is ze een warmbloedige, levenslustige Surinaamse geworden. Ze heeft in zekere zin haar roots gevonden, of eerder bevochten, om de persoon te worden die ze moest zijn. Dit is een heel goed doordacht werk want op een metaniveau personifieert Regina Winter Suriname.

Het betreft ook een veelomvattend werk, Jamaludin heeft veel over te dragen. Ze richt zich, als product van de diaspora, niet tot de Surinaamse lezer, maar tracht de Nederlanders een beeld te geven van de Surinaamse geschiedenis, de overweldigende natuur, de Surinaamse beschaving, de kleurrijke cultuur, de vele talen, religies en de vele etniciteiten die samen met elkaar Suriname vormen. Misschien dat Nederlanders kunnen begrijpen hoe vreemd en uiterst negatief en nutteloos hun huidige xenofobische campagne op Surinamers overkomt. Hoewel Nederland als koloniserende entiteit en geoliede veroveringsmachine niet met Suriname te vergelijken is. Het boek vormt daartoe een mix van reisgids, geschiedenis boek, filosofische gesprekken, een verhandeling over flora en fauna, een liefdesverhaal en een aanklacht tegen koloniale onderdrukking en exploitatie van slaven en arbeiders. De revolutionaire gebeurtenissen, de neergang van de adel en de volksopstanden in het roerige Europa vinden hoe dan ook hun weerslag in Suriname, wat zeer tegen de wensen van de koloniale overheerser ingaat volgens Jamaludin’s gepresenteerde visie op Suriname. Deze benadering is in mijn persoonlijke beleving, als historische onderzoeker en schrijver, de grootste verdienste van Jamaludin en schept een band met een leeftijdsgenoot. Ze gebruikt veel verhaallijnen met veel bijpersonages die op het eind krachtig en dynamisch samenkomen in een toneelstuk en een rechtszaak tegen de toneelgroep. Het einde van de roman is pure virtuositeit van de schrijfster en deed mij denken aan de ademloos spannende boeken over solidariteit ondanks levensgevaar, onderduiken en vluchten tijdens de periode 1940-1945 die ik las als bronnen voor mijn essay Komt er weer een Holocaust? (2010).

Jan Vos
Ik moest dit boek lezen, dus dwong ik mezelf door het kleurloze begin te ploeteren, welke op geen enkele manier een voorspelling inhield van het mooie wat zou komen. Intensieve research maakt een Surinaamse nog niet tot een Nederlandse, dus is Jamaludin in het begin niet erg overtuigend, maar geforceerd. Pas in Suriname is zij in haar element en krijgt zij vleugels en raakt duidelijk opgewonden door haar materiaal, waar door er een functioneel contrast optreedt met de koudheid, de benepen ambities, het obsessieve standsbewustzijn, de verstikkende seksuele moraal en berekening van Regina in Nederland. Helaas is de schrijfster te vaak aan het vertellen, in plaats van door handeling haar verhaal door de lezer zelf te laten verbeelden. Show, don’t tell of ‘t doen gaat voor het zeggen, zoals de 17e eeuwse zwarte schouwburg regent Jan Vos (1610-1667) de gouden regel verwoordde. Verder gebruikt ze te veel abstracties die de vertelling als een beoogde continue droom in de gedachte van de lezer verstoren. Hierdoor blijkt dat ze zich soms onvoldoende in details of teveel in de onnodige details heeft ingeleefd. Details die daarom verder ook niet ter zake doen en even goed geschrapt kunnen worden omdat er ook weinig bruikbare informatie uit volgt. Enkele clichés zoals weerbarstige krullen, hoewel deze soms verkiesbaar zijn boven vreemde vondsten die door hun geforceerdheid weer kunnen afleiden. Regina is de verteller, maar ze weet dingen die de eerste persoon verteller niet kan weten, waardoor de verteller soms als een geschiedenisboek en toeristische gids klinkt. Deze informatie, zoals een uitgebreid verslag over de zeeschildpadden van Galibi, is vaak losgekoppeld van de handeling en draagt niet bij aan de plot. Verder stoor ik mij altijd aan schrijfsters die wat ik de vrouwelijke seksuele mystiekdoctrine noem, aanhangen. Ook omdat ik vermoed dat de schrijfsters zich teveel zorgen maken om hun eigen seksuele reputatie. Alsof zij, ondanks hun intellectualiteit zich niet hebben vrijgemaakt van hun tweederangspositie als vrouw en dus kuis moeten zijn. Zij lijken juist hun lezers te bevestigen in de algemene sociale hypocrisie en de onderworpenheid van vrouwen aan de dubbele moraal propageren. Wat ik wel erg mooi vond is de verandering in stijl als andere personages hun eigen verhaal in monoloogvorm afsteken, waardoor het perspectief voor even verandert en monotonie wordt vermeden. Ook de theaterteksten vind ik prachtig in hun subtiliteit en zeer effectief toegepast.
De plot is opgehangen aan de mysterieuze zwarte lord, maar de intrige rond deze zwarte slavenhouder is niet altijd geloofwaardig of doorleefd en soms zelf potsierlijk. Ook omdat de echte belangrijke gebeurtenissen die het verhaal voortjagen spelen rond de bijpersonages en niet de hoofdfiguren. Die blijven toeschouwers die de keus hebben om weg te lopen. Dit ervaar ik als het grootste gebrek aan dit zeer waardevol werk. Het is erg jammer dat het politieke verzet en het experimenteren met nieuwe sociale en politieke verhoudingen niet centraal staan in de ontwikkelingen van het hoofdpersonage. Regina Winters spuit revolutionaire ideeën, maar leeft ze niet uit. Ze kan zich zodoende steeds onttrekken aan de gevolgen, claimt soms dronkenschap als verklaring voor een uitspatting, waardoor haar uiteindelijke marginale verandering voor de kritische lezer onbevredigend is. Ze heeft zich aangepast aan een ongewenste situatie en een ongewenst economisch systeem van slavernij. Dus in feite een pessimistische boodschap, omdat ze zover heeft gereisd en zoveel meemaakt en zoveel tranen vergoten zonder een wezenlijke verandering te ondergaan. Regina als de personificatie van de geschiedenis van Suriname?
Koloniaal Suriname. Foto © Michiel van Kempen

Wij kijken echter naar een aanzet tot een nieuwe soort van Surinaamse roman die zich minder houdt aan de smalle kaders van de opgelegde, kolonialistische historiografie en laat zien dat Suriname minder geïsoleerd en ongeïnformeerd zou zijn als de vroegere schrijvers beweren. Een feit dat mijn historische onderzoeken bevestigen. Ook de Nederlandse commentaren op dit werk illustreren dat de Nederlanders een remmende werking uitoefenen op de ontwikkeling van de Surinaamse literatuur. Zij zijn nog steeds Suriname aan het ontdekken en zijn zich nog steeds aan het verwonderen over de zaken over zichzelf die Surinamers alle in geuren en kleuren kennen of dat Surinamers ook zelf romans schrijven. De nieuwe Surinaamse auteur gebruikt het verleden om iets over vandaag, iets dat Surinamers aangaat, te verklaren. En als een virtueel laboratorium om een gewenste verandering te visualiseren. Waarom Surinaamse schrijvers en schrijvers in het verleden en heden gehaat worden door plaatselijke en buitenlandse politieke elites.

Rihana Jamaludin

De historische romanvorm leent zich meer voor ongebreidelde, realistische politieke fantasie dan een verhaal dat zich in het heden afspeelt. Het heden is beter bekend bij de lezer, dus is de schrijver beperkt in zijn uitwerking van ideeën. Een historische evaluatie kan pas achteraf, maar kan ook als een vorm van een kritiek of een satire opgevat worden van wat vandaag gebeurt. De onderdrukkende staat houdt daarom graag een monopoly op de historiografie en behoudende krachten haasten zich om het publiek te waarschuwen voor fictie. Een roman is per definitie fictie, maar vaak onmisbaar om de lacunes tussen de historische bronnen te vullen om historische personen tot leven te brengen, om hun innerlijke motieven te kunnen onderzoeken. Zelf autobiografieën kunnen een vervalst beeld geven van deze personen.

Bij Jamaludin bespeur ik toch een tweestrijd om twee meesters te dienen, in plaats van onbevreesd te kiezen voor een helemaal vrije en anti-kolonialistische benadering. Omdat ik mij verdiept heb in de eerste, oorspronkelijke Cabale, wat in feite een RepublikeinseSurinaamse beweging was die tussen 1743-1753 Suriname onafhankelijk probeerde te maken, en er een studie, een romanmanuscript en een toneelstuk over schreef, begrijp ik niet waarom de auteur de Cabale als iets afzonderlijks en iets negatiefs beschreef. Ik herken een bron die zij letterlijk citeert wanneer Regina stelt dat latere, opeenvolgende gouverneurs ook geconfronteerd werden met een Cabale. Dat betreft overigens één van de beweringen waar de ik-verteller, correct toegepast, geen weet van kon hebben zonder een glazen bol. De protestbewegingen in haar boek zouden de Cabale moeten vormen, een beweging binnen de rijkste en gesurinamiseerde families, in plaats als een korte verwijzing naar een negatieve beweging. Hiermee speelt zij in tegenstelling tot haar eerdere stellingneming juist de koloniale beeldvorming onterecht in de kaart.

Plantagedirecteur
Tekening van Théodore Bray

Storend vond ik het verkeerde gebruik van de titel Gran Masra, Grootmeester voor een nederige directeur, terwijl dit de grandioze aanspreektitel was van de schatrijke Administrateurs, de machtige politici die naast hun eigen extensief plantagebezit, ook meerdere plantages en slavenmachten beheerden. Ik had graag meer details over 19e-eeuwse kleding en gebruiksvoorwerpen of meubels gezien, omdat ‘vroeger’ voor veel Surinamers slechts één brei is zonder kennis van ideeën, stijlen en neostijlen. Dat Jamaludin zich nationalistisch toont maar de slaven geen stem geeft, is conform de kolonialistische geschiedvervalsing. Terwijl ze wel een stem hadden. Arme, ongeletterde mensen kunnen hun situatie heel goed verwoorden, hoewel niet altijd gehoord door hun onderdrukkers. Alsof de schrijfster zich opnieuw niet voldoende heeft ingeleefd. Dit is extra pijnlijk omdat tot vandaag Surinamers, de afstammelingen van slaven en contractarbeiders, in Nederland nog steeds geen stem hebben. Surinaamse schrijvers worden op neokolonialistische wijze door Nederland geselecteerd, kostenbesparend uitgegeven, besproken en beperkt gepromoot als tweederangs literatuur. Daarom zijn Marokkaanse en Pakistaanse auteurs in Nederland vrijwel alleen die jonge, knappe vrouwen die schrijven hoe verschrikkelijk de Marokkaanse of Pakistaanse cultuur is. Precies wat de Nederlanders over moslims willen horen.

Het bedenken van een plot en intrige zijn moeilijke dingen en men moet soms zijn toevlucht nemen tot haast onmogelijke zaken. Dat geef ik toe en ik bewonder Jamaludins prestaties. Maar om een kleurlinge op te voeren die niet te onderscheiden zou zijn van andere witten, gaat mij toch te ver. Het klinkt als de rechtszaken rond de overtreding van Amerikaanse one-drop-rule waar zwarten zich uitgeven voor witten en trouwen met witten waar hen dat expliciet is verboden. Waar rechtsjury’s zich moesten buigen over het probleem of deze persoon zwart is, en of de ‘bedrogen’ partner dat had kunnen weten, of een schadevergoeding verdient. Een veronderstelde zwarte wetsovertreder moest zelf haar geslachtsdelen aan de jury tonen, want daar blijft bij gemengde zwarten de zwarte kleur het langst. Dat soort drama’s zijn allang ontmaskerd als pogingen om zwarten en witten in het gareel te houden en zwartheid als een ernstige besmettelijke aandoening te presenteren. Wat mij daarom ook erg stoort in deze roman is de suggestie dat zwarten pas mooi zijn als ze gemengd zijn en witte voorouders hebben. Tegelijk praat de schrijfster ook een beetje over Black History, dat zwarten wel degelijk een hoge beschaving hadden vóór de Europeanen Afrika aandeden. Het lijkt mij dat het vooral over Black History zou moeten gaan, als wij een eigen, postkoloniale Surinaamse literatuur nastreven.

Blackamoor. Frans schilderij

De actrice die in 2000 in mijn historisch toneelstuk speelde was een blonde, witte Nederlandse. Intussen beschouw ik het personage van Maria Susanna Du Plessis (1739-1795) als een zwarte Surinaams Europese. Ook vanwege een portret van haar neefje met sterke Afrikaanse gelaatstrekken en het feit dat haar tweede echtgenoot gekleurd was. Het betrof kolonisten die vanwege hun zwarte en gekleurde etniciteit tot de Europese elite behoorden. Blauw bloed is zwart bloed (1500-1789), en was de identiteit van de Europeanen die afstamden van de oorspronkelijke Europeanen, die uit Afrika kwamen en onderling huwden, ter behoud van kleur. In 1500-1789 heerste het Ancien Régime, welke zich identificeerde met de Moor, een klassieke Afrikaan, op adellijke portretten, in familiewapens, familie- en geografische namen. Ze waren ook in hun uiterlijk herkenbaar als afstammelingen van de blauwe mannen, de benaming van Europese zwarten in de middeleeuwen. De adel ontstond aan het eind van de Middeleeuwen en introduceerde afbeeldingen van de centrale zwarte koning bij de geboorte van Jezus rond 1100-1200. Rond 1500 was dit motief in heel Europa aangenomen, en markeert het begin van de Renaissance. Europa zoals wij haar vandaag kennen is het resultaat van de Renaissance. De Franse Revolutie (1789-1795) was het einde van de zwarte overheersing welke de vorm had van Omgekeerde Apartheid. Er is dus wel degelijk een oorzaak van racisme tegen zwarten aan te wijzen en een datum te noemen. Nadien waren er verschillende restoraties, maar vanaf 1848 was het voorgoed gedaan met de macht van de zwarte en gekleurde adel. Eurocentrisme en rassenleer zijn bedacht om deze episode te verbergen, en daarom lijkt het alsof zwarten, de eerste Mens, geen deel van de geschiedenis vormen. Dat vanwege de revisionistische mythe van witte superioriteit alle ontdekkingen en beschaving van witte mensen komt, terwijl witten albino’s zijn, afgeleide van zwarten. Dus niet superieur aan zwarten.Racisme kan daarom gedefinieerd worden als een overdreven bevrijdingsideologie om witten te bevrijden van zwarte adel en koningen, welke in de aanloop naar de Franse Revolutie werd bedacht. Hoewel de Franse Revolutie in de eerste plaats het werk was van de hogere, gestudeerde burgerij als Hume, Voltaire en Rousseau en progressieve adel die zwart en gekleurd was. Slavernij van Afrikanen ontstond onder deze gekleurde Europeanen en is geen uiting van racisme, maar van hebzucht en ongenadige uitbuiting. Het woord blanke moet opgevat worden als een Europeaan en niet dat deze personen perse ook wit waren. Mogelijk lichter dan sommige Afrikanen, maar vaak zal er geen verschil in kleur en trekken zijn geweest. De gekleurde Europeanen oogden als een gefixeerd mulattenras, waarvan sommigen meer Afrikaans, Aziatisch of wit oogden. Hun hoge status hing samen met hun gekleurde uiterlijk, wat de reden was om uitsluitend onderling te huwen.De Surinaamse planters waren tot in de 19e eeuw zwarte en gekleurde mensen, even als de gouverneurs. Dat is de reden waarom wij hen zelden te zien krijgen. De kleindochter van gouverneur Cornelis van Aerssen wordt door haar neef James Boswell beschreven als zwart als een schoorsteen en haar man, Aarnoud Joos van der Duyn, een baron van de oudste en hoogste adellijke familie als schoorsteenveger. Boswell, een Schotse baron met een Nederlandse grootmoeder, beschrijft zichzelf als zwart. Hij beschrijft Rousseau als een zwarte man. Rousseau beschrijft zijn weldoener Pierre-Alexander Du Peyrou, een Surinamer, schrijver en rijke plantagehouder als donkerbruin. Componist Van Beethoven werd De zwarte Spanjaard genoemd en zijn leermeester Haydn The Blackemoor. Charles II Stuart (1633-1685) was de Engelse koning die Willoughby een vergunning verleende om in Suriname een kolonie te beginnen, stond bekend als The Black Boy vanwege zijn zwart uiterlijk. Deze feiten worden voor ons verborgen doordat men ons uitsluitend de gewitte, propagandistische portretten toont. Er was blijkbaar een traditie bij de zwarte elite om zich als witten af te laten beelden, maar ook als zwarten. De witte portretten vormden een soort legitimatie en deferentie aan de witte ondergeschikten. Echter bestaan er kostbare boeken uit adellijke collecties die met mensenhuid zijn gekaft, wat een betere indicatie vormt van de waardering van de adellijke elite voor hun witte onderdanen. Nederland bracht de archieven tot 1795, van het zwarte Ancien Régime naar Nederland, zodat Surinamers een zwarte en gekleurde natie, deze feiten niet zouden kennen. Noch dat de Surinaamse planters beschaafde en gestudeerde mensen waren die al twintig jaar vóór de Amerikaanse onafhankelijkheidsstrijd in opstand tegen Nederland waren gekomen.

Veel Surinaamse bronnen zijn openbaar, maar een deel is nog in privé bezit en dient door zwarte en gekleurde onderzoekers nageplozen te worden. Nicolaas Beets bijvoorbeeld schrijft over een koloniale familie met een ‘West Indisch’ uiterlijk. De naam Beets komt ook voor in 18e-eeuws Suriname, een schoonzuster van Maria Susanna Du Plessis. Verder correspondeerde Beets met nakomelingen van gouverneur Crommelin. Een kleindochter van de gouverneur was getrouwd met een zoon van de schilder Jean-Etienne Liotard, die heel afrocentrische zelfportretten van zichzelf maakte. Dit is dus het dilemma welke speelt bij het schrijven van mijn roman Maria Susanna Du Plessis welke uitsluitend zwarte en gekleurde Europese en Afrikaanse personen betreft. Daarom moet ik de historische visie van Jamaludin en haar zorgvuldig uitgewerkt kleurschema ook op dit punt afwijzen en besef tegelijk dat mijn werk daarom nooit door een Nederlandse uitgever zal worden uitgegeven.

Den Haag, 28 maart 2010

[van freethinker.nl]

Vasthoudende zoektocht in de schemerige goudsector

door Peter Meel

 
Al aan het begin van zijn rapportage Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud  laat onderzoeksjournalist Jeroen Trommelen doorschemeren dat hij zichzelf een onmogelijke opdracht heeft gesteld. Aan de vragen waarmee hij op pad is gegaan, ligt het niet. Deze zijn hoogst relevant en houden iedereen bezig die ook maar enigszins geïnteresseerd is in de achtergronden van de goudkoorts die Suriname sinds de jaren 1990 heeft bevangen en die vanaf de eeuwwisseling in toenemende mate heeft bijgedragen aan de economische groei van de republiek. Trommelen wil weten wie de grote spelers zijn in de hedendaagse goudsector in Suriname, welke bedragen er omgaan, hoe de naar schatting tienduizenden kleine ploeteraars die met hun voeten in de modder staan zich verhouden tot de grote bazen die achter de schermen aan de touwtjes trekken, wat de opbrengsten betekenen voor de nationale schatkist, hoe de goudwinning en goudhandel zijn georganiseerd, en wat de ecologische effecten zijn van het op grote schaal afgraven van grond en het gebruik van kwik.
Op basis van naarstig verzamelde informatie en geholpen door een groepje deskundigen (onder wie de onderzoekers Marieke Heemskerk en Marjo de Theije) laat Trommelen zien dat op meerdere plaatsen in het midden en oosten van Suriname lokale bewoners, Brazilianen, Chinezen en stedelingen in een welhaast symbiotische relatie met elkaar leven en op grond van semilegale of ronduit illegale afspraken zoveel mogelijk aan de exploitatie van de begerenswaardige bodemschat proberen te verdienen. De inkomsten voor de gewone man en vrouw (goudzoekers, kokkinnen, winkeliers, prostituees) liggen tamelijk hoog (voor Brazilianen gemiddeld hoger of zelfs veel hoger dan in hun eigen land), maar fluctueren in bepaalde perioden sterk en worden gedempt door de hoge kosten van levensonderhoud en de benodigde investeringen (voor goudzoekers vooral in apparatuur en brandstof) die er tegenover staan. De veiligheid en bescherming van bezit zijn bovendien niet gegarandeerd, wat de bedrijfsrisico’s vergroot, en de verontreiniging van water en lucht hebben gevolgen voor de volksgezondheid en biodiversiteit, die echter nog altijd moeilijk te overzien zijn.
Het opkopen en exporteren van het gewonnen goud blijkt volgens de gegevens van Trommelen een zaak van een aantal Chinese handelaren, die niet zelden ook vergunninghouder zijn van een cambio (geldwisselkantoor) en banden onderhouden met een politieke partij (in meerderheid, maar niet uitsluitend, de NDP). Trommelen traceert fiscale gegevens waaruit blijkt dat het gros van hun bedrijven nauwelijks belasting betaalt. Het verlenen van exploratie- en exploitatieconcessies hangt in hoofdzaak af van de goodwill van de betrokken minister en is daarmee niet alleen ondoorzichtig, maar ook corruptiegevoelig. Het is vooral op dit niveau dat dwarsverbanden tussen bedrijfsleven, politiek, de presidentiële Commissie Ordening Goudsector en de onder dezelfde president en zijn zoon ressorterende Counter Terrorism Unit (CTU) – een elitegroep van gewapende krachten – hun invloed laten gelden. De politiek lijkt daarbij het laatste woord te hebben. In de top tien van grootverdieners in de goudindustrie nemen volgens Trommelen Ronnie Brunswijk de eerste en Desi en Dino Bouterse de tweede plaats in. Op de andere posities staan namen van andere bekende, maar ook minder bekende of onbekende Surinamers − wat lezers van Parbode (het tijdschrift waarin Trommelen eerder zijn lijstje publiceerde) al enige tijd bekend is. Overigens moet opgemerkt worden dat deze rangorde op basis van schattingen tot stand is gekomen en een enigszins willekeurige indruk maakt. Vooral de tweede plaats voor de president en zijn zoon is niet meer dan een educated guess, want in hoofdzaak gebaseerd op de politieke invloed van de president (die inderdaad groot is) en op de veronderstelling dat deze zich als zakenman bedient van stromannen (wat waarschijnlijk is, maar niet wordt hardgemaakt). Overtuigender is de conclusie die Trommelen trekt, namelijk dat – anders dan veel politieke retoriek en een deel van de publieke opinie willen – buitenlandse bedrijven als Lamgold en Newmont verhoudingsgewijs veel en Surinaamse bedrijven onvoldoende belasting over hun verdiensten in de goudsector betalen.
Trommelen doorspekt zijn relaas met een drietal casestudies: één over de spraakmakende moord op een jonge goudzoeker in oktober 2011 in Maripaston, één over de ‘free for all’ activiteiten in Benzdorp (Oost-Suriname) en één over de teloorgang van het beschermd natuurpark Brownsberg door illegale goudzoekers. Uit alle drie voorbeelden blijkt eens te meer hoe ondoordringbaar de goudsector in Suriname is. Basale gegevens over concessies, omzet- en winstcijfers en belastingafdrachten zijn geheim of gelden als onbetrouwbaar. Er wordt weinig geregistreerd en tegenover de buitenwereld wordt bij voorkeur het stilzwijgen bewaard, ook door de grote buitenlandse ondernemingen. Trommelen slaat deuken in dit gesloten bastion en werpt licht op aspecten van de sector, echter zonder de achterliggende zakelijke en politieke netwerken en de bijbehorende geldstromen geheel bloot te kunnen leggen. Dat doet echter niets af aan zijn inzet en vasthoudendheid om de onderste steen boven te krijgen. Zijn naspeuringen leveren een vlot lezende rapportage op, waarin, zoals de auteur het zelf formuleert, de reis in het Surinaamse informatiedoolhof evenveel aandacht krijgt als het resultaat van zijn belangwekkende graaf- en spitwerk.
Jeroen Trommelen. Gowtu; Klopjacht op het Surinaamse goud. Schoorl: Conserve, 2013. 223 p., ISBN 978 90 5429 346 0, prijs € 19,99.

[uit Oso 2013-2]

 

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter