blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Gobardhan-Rambocus Lila

Nummer zes van His/Her Tori, Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur

door Christine F. Samsom

Het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO) van onze Universiteit kwam in november 2015 uit met, hoe kan het ook anders, het nummer 40 jaar staatkundige onafhankelijkeid; Wi mu seti kondre bun van His/Her Tori, Tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur. Het siert de redactie, bestaande uit de wetenschappers Jerome Egger, Eric Jagdew en Hilde Neus-van der Putten, dat zij tegen de klippen opvarend, toch weer met een prachtig nummer is uitgekomen, een niet geringe prestatie na het eerste-lustrum-nummer over de Grondenrechten. Want in deze tijd in Suriname uitkomen met een boek, zo’n dik tijdschrift kan je gerust een boek noemen, getuigt van moed, doorzettingsvermogen en geloof in eigen kunnen, zullen we maar zeggen! read on…

Moedertalendag 2016

door Hilde Neus

Elk jaar wordt de dag van de Moedertalen herdacht. De Verenigde Naties heeft in 2000 bepaald dat dit op 21 februari moet geschieden. Voor de UNESCO zijn talen het instrument om het culturele erfgoed levend te houden. Door de moedertaal in ere te houden, blijft de taalkundige en culturele traditie bestaan en wordt men zich meer bewust van de verschillen tussen etnische groepen. Dit leidt mogelijk tot meer begrip. Ook Suriname besteedt er aandacht aan. Dit jaar kon er een extra tintje aan worden gegeven met een klein congres in het IGSR-gebouw, georganiseerd onder leiding van Lila Gobardhan. Een jaar geleden was Dr. Kofi Yakpo in Suriname. read on…

Lalla Rookh Revisited

Graag attenderen wij u op een drietal interessante bijeenkomsten in het  kader van het ‘Indian Film Festival The Hague’ dat deze weken plaatsvindt  in de Hindostaanse hoofdstad Den Haag. Deze activiteiten vallen samen onder  de titel: ‘Lalla Rookh Revisited’. read on…

Lila Gobardhan: ‘IOL moet terug naar de basis’

door René Gompers

Door de jaren heen heeft het Instituut voor de Opleiding van Leraren (IOL) zich allerlei oneigenlijke taken aangemeten. Het instituut is bedoeld om leerkrachten op voj- en vos-niveau te leveren zegt Lila Gobardhan-Rambocus, voorzitter van de raad van toezicht. “In principe moet het instituut terug naar de basis. Dat is waar de raad van toezicht samen met de directeur voor zullen zorgen.” read on…

Ingekomen reacties

door Christine F. Samsom

 
Dat er op een uitgesproken mening in de Ware Tijd Literair reacties komen is niet ongewoon. Daar zijn we altijd blij mee. Het betekent dat de literaire pagina goed wordt gelezen. Discussies kunnen tot meer diepgang leiden. Dat er op de ‘Srefidensi/Zelfdenken’-special van zaterdag 25 januari 2014 drie reacties kwamen was toch een verrassing.
Eva Essed-Fruin
Erg blij zijn we met de verduidelijking van Eva Essed-Fruin over Trefossa’s betrokkenheid bij ons volkslied in zijn huidige vorm, waarbij zij putte uit haar rijke ervaring. Hieronder haar reactie:
‘Jammer dat je niet even de pagina’s 101-104 van Ala poewema foe Trefossa (1977) hebt opgeslagen, waarin de totstandkoming van het volkslied wordt beschreven. Aan Henny de Ziel is nooit verzocht een Nederlandstalige strofe te dichten. De toenmalige Raad van Ministers wilde de tweede strofe van het door dominee Hoekstra geschreven volkslied als eerste gebruiken en vroeg via Frank Essed aan Henny om een strofe in het Sranan te maken, wat hij binnen enkele dagen deed. Deze door hem geschreven tekst is de officiële geworden. Omdat De Ziel de Nederlandse tekst erg negatief vond heeft hij enkele regels gewijzigd. De twee eerste en de laatste regel heeft hij gehandhaafd, de regels “Doch dat elk zich dan ook schame/ Die zijn ere maakt te schand!/ Recht en waarheid te betrachten,/ Zeed’lijk rein en vroom en vrij,/ Al wat slecht is te verachten,”, verving hij door “Hoe wij hier ook samen kwamen/ Aan zijn grond zijn wij verpand./ Strijdend houden we in gedachten:/ Recht en waarheid maken vrij:/ Al wat goed is te betrachten,”. Het woordje “strijdend” heeft de Raad van Ministers vervangen door “werkend”. De eerste strofe is hoogstens een bewerking van de traditionele tekst, waarbij de stijl van Hoekstra zoveel mogelijk is gehandhaafd. Het is beslist onjuist om Trefossa op grond hiervan stijfheid in het Nederlands te verwijten. Deze strofe is ook niet opgenomen in Ala poewema…, alleen in de commentaar.’ Tot zover Eva Essed-Fruin…
Hilde Neus. Foto © Michiel van Kempen
Neerlandicus Hilde Neus heeft zich de kritiek op de lezing van Lila Gobardhan erg aangetrokken:
‘Soms ga je naar een activiteit met bepaalde verwachtingen, maar je kunt je ook laten verrassen. Ik was dan ook teleurgesteld over de bespreking van Lila Gobardhans lezing door Els Moor. Haar bespreking bestaat uit opmerkingen over wat ze aan kwaliteit van het Sranan binnen de Trefossa-poëzie had verwacht, maar tegelijkertijd is haar artikel voornamelijk een opsomming van zaken die al eerder besproken zijn, vooral door Hein Eersel. De opdracht aan de verzorger van de Trefossa-lezing is niet uitsluitend een analyse van het werk van Trefossa. Vene zijn lezing (2011) bijvoorbeeld ging daar niet uitsluitend over en Eddy van der Hilst (2010) analyseerde werk van Johanna Schouten-Elsenhout. Aan de inleidster was gevraagd om over Trefossa en taal te praten; een brede opdracht. Mijns inziens heeft ze dat op zeer indringende wijze gedaan door vooral de dagboeken als bron te gebruiken, geheel in de traditie van haar werk als onderzoekster van archieven. Al eerder is daar kort uit geciteerd in het Mutyama-nummer over Trefossa (1990), maar die citaten werden niet binnen zo’n uitgebreide context geplaatst. Cynthia Abrahams heeft in 2010 het Trefossa-archief waartoe de dagboeken behoren mogen overdragen aan het Nationaal Archief van Suriname (NAS).
Het sterke van de lezing van Gobardhan was vooral dat ze liet zien hoe Trefossa zich als persoon al op jonge leeftijd uitdrukte op een nadenkende en zelfs poëtische wijze, die duidelijk de voorbode was van de verbinding tussen zijn levenshouding, het benaderen van talen en hoe hij daarmee omging in zijn kunst. Iemand met een andere dispositie en minder introspectie had geen sonnetten van zulke kwaliteit kunnen produceren. Zijn zwakke gesteldheid maakte dat hij alles overdacht en zijn leven zag in uitdagingen. Die is hij ook aangegaan met taal. Door het lezen van de dagboeken en de inbeddingen van citaten in Gobardhans lezing, blijkt dat hij al vanaf zijn jonge jaren worstelde en zijn producten niet uit zijn mouw schudde. Hij heeft veel moeite gehad om over kleine dingen heen te stappen, dingen die later heel wat groter bleken te zijn (zijn hartproblemen). We hebben een breder beeld gekregen van de mens achter deze grote kunstenaar. Misschien was een aantal zaken reeds bekend, maar de precaire wijze waarop de dichter daar zelf mee omging was dat beslist niet. Er zijn stromingen binnen de literatuur die een literair werk als autonoom gegeven willen zien, zonder welke biografische gegevens van de auteur dan ook daarbij te betrekken. Maar uit deze lezing bleek duidelijk hoe het leven van de man en de levenslust waarmee hij zijn problemen oppakte en er kleine dingen van maakte, zijn werk heeft getekend.’
Alphons Levens
Alphons Levens, actief lid van de Schrijversgroep ’77 en publicist, is niet blij met de opmerking van Johan Roozer tijdens de zesde Trefossa-lezing, dat er ‘weinig is gebeurd op literair gebied’ en stelt zich op achter het artikel ‘Van de redactie’: ‘Ik ben het volkomen eens met “Van de redactie. Srefidensi in de literatuur” in de Ware Tijd Literair. Ik zat namelijk op woensdagavond 15 januari 2014 (…) in het auditorium van Self Reliance en wist ook niet wat ik hoorde toen Johan Roozer dat zei.’ Waarvan akte…

Trefossa en taal

Trefossa
door Els Moor
‘Levenslust is ’t heenstappen over kleine dingen. Trefossa en taal’ Deze titel van de zesde Trefossa-lezing door Lila Gobardhan-Rambocus is intrigerend. Het leven van een mens is verweven met taal en dat geldt op  bijzondere  wijze voor schrijvers en vooral dichters. Voor hen is de taal behalve een middel tot communicatie, vooral  een middel tot verdieping van onze blik op het leven. Een aspect dat duidelijk tot uiting komt in de poëzie van Trefossa.
Ik verwachtte dan ook een lezing waarin Lila Gobardhan dit verschijsel met voorbeelden uit het werk van Trefossa zou toelichten en uitdiepen. Dat gebeurde niet: de hoofdlijn van de lezing was de biografie van Henri Frans de Ziel, waarbij zijn omgang met de taal slechts incidenteel aan de orde kwam. Ze besteedde aandacht aan de positie van het Nederlands dat steeds meer ‘eigen’wordt vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw, vooral na de taalconferentie in 1963-64, maar dat heeft niet zoveel met de poëzie van Trefossa te maken.
A.C.W. Staring
Overigens was Trefossa naast een Surinaamse dichter ook een echte Nederlander. Zijn favoriete dichters zijn dan ook Nederlanders, zoals A.C.W. Staring (1767-1840) in zijn tijd een moderne dichter met een krachtig vormgevoel, wat Trefossa ook heeft. Wat hij zelf doorleeft, wil hij uitdrukken in een adequate taalvorm.  Trefossa combineert wat hij bewondert in Hollandse dichters met eigenheid; hij geeft de ‘eigen taal’, het Sranan, een grote poëtische kracht. Zijn poëziebunde Trotji verscheen in 1957 en heeft een enorme stoot gegeven aan de opwaardering van het Sranan als literaire taal. Een belangrijk stap naar ‘eigenheid’ die in de zestiger jaren een doel is van een aantal schrijvers en dichters, bijvoorbeeld Dobru. Dit aspect komt wel aan de orde in de lezing.
Trefossa is ook de bewerker van het Surinaamse volkslied, vooral van het tweede couplet in het  Sranan waar hij ook meer durft dan in het stijve eerste couplet. ‘Werkend houden w’in gedachten’ is heel wat anders dan ‘Strey de f’ strey, wi no sa frede’! Lila Gobardhan heeft het wel over de stijfheid van het Hollandse couplet van het volkslied, maar een voorbeeld komt niet aan de orde.
Zo is het ook jammer dat de mooie analyse van het gedicht ‘Bro’ door Hein Eersel in het eerste nummer van het tijdschrift Mutyama (1990), een themanummer over Trefossa, na wan njoen kari niet aan de orde komt. Eersel geeft aan dat tussen droom en werkelijkheid de poëzie echt bloeit. Het gedicht ‘Bro’gaat over een stille kreek:
bro
no pori mi prakseri nojaso,
no kari mi foe loekoe no wan pe,
tide mi ati trusu mi foe go
te na wan tiri kriki, farawe.
no tak mi na lon mi wan lon gowe
foe di mi frede stré èn kré nomo,
ma kondre b’bari lontoe mi so te,
san mi moe doe? mi broedoe wani bro
na kriki-sé dren kondre mi sa si,
pe ala sani moro swit lek dja
èn  skreki- tori no sa trobi mi.
te m’drai kon baka sonten mi sa tron
wan pkinso moro betre libisma,
di sabi lafoe, sabi tja fonfon.
 
[uit Trotji, 1957]
Hein Eersel laat in zijn artikel zien hoe Trefossa niet alleen het Sranan heeft opgewaardeerd als literaire taal ten opzichte van het Nederlands, een soort Surinaamse renaissance dus, maar ook dat er met het Sranan een grote literaire kwaliteit bereikt kan worden met veel diepte.  Hij laat ook de historische lading van een aantal woorden zien uit de geschiedenis van ‘katibo’; met woorden als ‘troesoe’, ‘lon go’, ‘frede’, ‘kré’, ‘trobi’ en vooral ‘fonfon’ brengt hij de lezer terug naar de beleving van de slavernij, en dat in combinatie met de ‘moderne slavernij’ van het dagelijks leven.Vandaar ook‘skreki tori’ in de derde strofe. Een gedicht dat de diepte ingaat, in het Sranan… maar wel een sonnet, een vorm die stamt uit de Europese renaissance.  Prachtige ‘moksi’ dus: een vorm uit de werelliteratuur en taal, beelden en ritme uit de eigen cultuur en geschiedenis!
Zulke analyses had ik verwacht in de lezing over Trefossa en taal. Helaas bestond de lezing bijna helemaal uit feitelijkheden uit het leven van de dichter, niet in een ‘drenkondre’. Wat is een gedicht volgens Trefossa? In zijn gedicht ‘wan troe poewema’ laat hij het zien: ’wan troe poema na wan skreki sani / wan troe poewema na wan stré te f’dede / wan troe poewema na wan tra kondre, / pe joe kan go / te joe psa dede fosi  […]
De besproken feiten zullen de meesten van de aanwezigen wel gekend hebben. Mijn collega’s en ik wel tenminste, terwijl je van creatieve analyses van Trefossa’s gedichten altijd weer leert, over het Sranan, over creativiteit met taal. Je stapt over ‘kleine dingen heen’en  ontdekt grote!

Trefossa is onsterfelijk voor ons

Lila Gobardhan-Rambocus. Foto Regilio Derby
Trefossa heeft ons Volkslied geschreven en heeft zich daardoor onsterfelijk gemaakt. Trefossa is een van de gezichtbepalende dichters van de 20ste eeuw, die ons een verfijnd oeuvre nagelaten heeft, zegt Sunil Oemrawsingh, penningmeester van Henri Frans de Ziel Stichting. Deze stichting had afgelopen woensdag een lezing georganiseerd in het auditorium van Self Reliance. De Trefossa- avond wordt jaarlijks op 15 januari, de geboortedag van Trefossa in samenwerking met Self Reliance gehouden. Deze avond werd in 2009 ingesteld als eerbetoon aan deze markante Surinamer en staat in het teken van waardering voor de Surinaamse literatuur waarvoor hij zich op bijzondere wijze heeft ingezet. De eer voor het houden van de zesde Trefossalezing was aan Dr. Lila Gobardhan – Rambocus en droeg als titel: Levenslust is ‘t heenstappen over kleine dingen. De conferencier van de avond was Oemrawsingh. Het doel van de lezing is hoogwaardige literaire kunstvorm te promoten.Hiervoor worden Surinaamse deskundigen uit de literaire wereld gevraagd de Surinaamse gemeenschap voor te houden dat je de taal kan gebruiken om esthetische (bijvoorbeeld muzikale) en evocatieve (bijvoorbeeld beeldende) effecten te bereiken die de eigenlijke betekenis verhevigen, ontkrachten, omlijsten, mede bepalen of in een onverwachte richting sturen. De voorgaande Trefossa- lezingen zijn gehouden door respectievelijk Hein Eersel en Eddy van der Hilst, Ronald Venetiaan, Denise Jannah en August Duttenhofer.
De Regering achtte het wenselijk eind jaren 50 een couplet in het Surinaams toe te voegen aan ons volkslied. Minister Dr.Ir.Frank Essed benaderde de dichter Trefossa met het verzoek een Surinaams couplet te dichten welke de eenheid van het Surinaamse volk en de verbondenheid met het grondgebied zou benadrukken. Geen betere tekst kan ik mij voorstellen dan die door Trefossa is neergelegd, stelt Oemrawsingh. Tot 1959 was ‘het (Nederlandse) Wilhelmus’ het officiële volkslied van Suriname. Aan de oostzijde van het Presidentieel Paleis – buiten het terrein – is het borstbeeld van Henri Frans de Ziel beter bekend als Trefossa onthuld tijdens een speciale ceremonie gehouden door de Henri Frans de Ziel Stichting op donderdag 12 januari 2013.
Op 21 november 2005, bijna dertig jaar na zijn dood in Nederland, kreeg de Surinaamse volksdichter alsnog een laatste rustplaats in zijn vaderland. Ter gelegenheid daarvan werd er een grafmonument voor Trefossa onthuld op de begrafenis aan Dr. Sophie Redmondstraat in Paramaribo. De urnen met de as van Trefossa en zijn vrouw Hulda Walser, werden op die dag bijgezet. De Henry Frans de Ziel stichting legt het accent op behoud van cultuur. Wij stimuleren jong opkomend schrijftalent om in de moedertaal Sranan te dichten, aldus Oemrawsingh. De voorzitter van de stichting is Johan Roozer. De stichting heeft een Raad van Toezicht waarin zitting hebben “Oom” Hein Eersel, notaris Carlo Jadnanansingh en mevr Dr.Cynthia Abrahams.
[uit Dagblad Suriname, 17-01-2014]

 

Zesde Trefossa-avond op 15 januari

Lila Gobardhan

Paramaribo – De Henri Frans de Ziel Stichting houdt op 15 januari aanstaande de zesde Trefossa-avond. De Trefossa-avond wordt jaarlijks op 15 januari, de geboortedag van Trefossa, in samenwerking met Self Reliance gehouden. Deze avond werd in 2009 ingesteld als eerbetoon aan deze markante Surinamer en staat in het teken van waardering voor de Surinaamse literatuur.

Trefosa heeft zichop bijzondere wijze ingezet voor de Surinaamse literatuur. De zesde Trefossalezing wordt verzorgd door Lila Gobardhan-Rambocus en draagt als titel: “Levenslust is ‘t heenstappen over kleine dingen.”
De voorgaande Trefossa-lezingen werden gehouden door respectievelijk Hein Eersel, Eddy van der Hilst, Ronald Venetiaan, Denise Jannah en August Duttenhofer.

Flashnieuws Schrijversgroep ’77

14 januari – Skrifiman Taki op SRS om 21.00u. Een terugblik op 2013 en vooruitblik op 2014 door enkele prominente S77’ers.
15 januari – Trefossalezing door mevr. dr. Lila Gobardhan Rambocus. U kunt een uitnodigingskaart bij mij ophalen, als u wilt gaan. Inloop is om 19.30u. Plaats Self Reliance Tower.
Lila Gobardhan-Rambocus (hier aan de Zeedijk in Nickerie) houdt de Trefossalezing.
Foto © Michiel van Kempen
16 januari – presentatie ‘Ode aan Lise’, Een in memoriam van Elizabeth Burke. Geschreven door Irene Welles. YWCA. 19.30u inloop en van 20.00-21.00 presentatie.
29 januari – Tori Oso avond met de Top 3 van de Tori Battle. Guillaume Pool, Jorobodjie en Frits Wols. Aanvang 20.00u
1 februari – Een dag vol schrijfplezier. All-in schrijfworkshop. Opgave en info bij Arlette Codfried. 401543 of 8764449
3-5 februari – Kinderboekenfestival Nickerie
26 februari; Algemene Ledenvergadering S’77
Verder ook attentie dat inzendingen voor Write Now al mogelijk zijn. Zie de Write Now website. www.writenow.nu

De nieuwe Van Donselaar

Een korjaal van de TRIS
 

door Lila Gobardhan-Rambocus

 
Ruim drie maanden na het overlijden van Jan van Donselaar (12 april 2013) verscheen het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876, uitgegeven door het Meertens Instituut te Amsterdam in samenwerking met de Nederlandse Taalunie in Den Haag. In dit woordenboek, niet het eerste van Van Donselaar, worden 2100 woorden onder de loep genomen. Zijn doel was het vastleggen van de voorgeschiedenis van het moderne Surinaams-Nederlands. Deze publicatie werd verzorgd door Nicoline van der Sijs, hoogleraar historische taalkunde, bekend van de vele (woorden)boeken over de geschiedenis van het Nederlands.
In 1976 verscheen als eerste het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Dit boek beschrijft 1400 Surinaams-Nederlandse woorden. Een tweede, herziene en uitgebreide, druk verscheen in 1989, toen uitgegeven door Dick Coutinho, Muiderberg. De uitbreiding was enorm: 6600 trefwoorden. Voor dit woordenboek kreeg Van Donselaar de Johan de la Court-prijs van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Het is jammer dat dit laatste woordenboek in Suriname nauwelijks verspreid is.
In 2008 publiceerde Renata de Bies WSBN, Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands met ruim 5000 trefwoorden, dat in 2009 in Nederland uitkwam als Prisma Woordenboek onder de titel Woordenboek Surinaams-Nederlands. Over dit woordenboek stelt Nicoline van der Sijs in haar voorwoord bij de laatste Van Donselaar dat dit een aanvulling is op eerder werk van zijn hand. Volgens De Bies gaat het hier om typisch hedendaagse Surinaams-Nederlandse woorden van de laatste 50 jaar, terwijl Van Donselaar voor zijn twee eerdere woordenboeken vooral gebruik gemaakt heeft van eigentijdse schriftelijke bronnen.
Voor zijn laatste publicatie putte Van Donselaar uit schriftelijke bronnen van 1667 tot 1876, het jaar waarin de leerplicht werd ingesteld. Als beginjaar koos de auteur 1667, omdat vanaf toen het Nederlands de officiële taal werd. Veel Nederlands werd er echter niet gesproken en geschreven, omdat de bevolkingssamenstelling gemengd was: naast de indianen, waren er negerslaven, Engelsen en Portugese joden. Suriname was dus meertalig en is dat tot de dag van vandaag gebleven. Via plakkaten werd de bevolking er echter steeds aan herinnerd dat het Nederlands de enige ambtelijke taal was.
Het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 omvat zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de taal van de Nederlandse bewoners van Suriname tot 1876, het jaar van de instelling van de leerplicht met Nederlands als schooltaal. In hoofdstuk 2 staan de aanwijzingen voor het gebruik van het woordenboek. Bij de opgenomen woorden worden codes vermeld die informatie geven over zaken als de etymologie (herkomst en geschiedenis) van het woord, de tijdvakken en domeinen, waarin het aangetroffen werd. Circa 85% van de woorden kan verdeeld worden over 11 domeinen, die onder te brengen zijn onder de noemer natuur of cultuur. Het gaat hier om woorden voor dieren, wilde planten, cultuurplanten, enzovoort, vallend onder natuur en woorden voor zaken vallend onder de cultuur van de blanken, de slaven of de indianen. In hoofdstuk 3 beschrijft Van Donselaar zijn zoektocht in teksten naar Nederlandse woorden, die hij beschouwt als basis voor het Nederlands dat zich in Suriname ontwikkeld heeft, het Surinaams-Nederlands. Hij somt 54 van de voor hem belangrijkste auteurs over het Nederlands in Suriname tot 1876 op (p. 17-27). In hoofdstuk 4 staat de eigenlijke alfabetische woordenlijst (p. 31-245). Hoofdstuk 5 (p. 247-252) geeft zonder nadere verklaring in ruim vijf pagina’s een alfabetische woordenlijst van ‘duistere en/of onbetrouwbare woorden’ die niet als trefwoord zijn opgenomen.
Sika (tungiasis, zandvlo)
Hoofdstuk 6, getiteld ‘Contraregisters’ is onderverdeeld in drie paragrafen met een alfabetische woordenlijst: 6.1 geeft van hedendaags en/of toenmalig Europees-Nederlands het toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.2 geeft van het hedendaags (vanaf 1954) Surinaams-Nederlands het (ook) toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.3 is een lijst van wetenschappelijke namen van dieren en planten met de toenmalig Surinaams-Nederlandse naam, 1667-1876. Hoofdstuk 7 ten slotte bevat een lijst van literatuur en bronnen.
Een willekeurige greep uit de nieuwe Van Donselaar leverde de volgende nog in dezelfde betekenis gebruikte woorden op: bovenwaarts, dam (op plantage), bakove, banaan, bananenbakove, barbacotten, baskiet, binden (van een hangmat), boomrijp, dieken (uitgraven), districtscommissaris, dram, floridawater, gomma, hemd (overhemd), korjaal, kostgrond, laxans, lota, manja, mati, ogr’ai, pindakaas, het plein (officieel het Onafhankelijkheidsplein), rits (zand- of schelprits), sika, singel (dakbedekking), tomtom, treef, trens, uitlopen (vreemdgaan), zure oranje.
Alleen al hieruit zou men kunnen opmaken dat het Nederlands van 1667-1876 inderdaad, zoals Van Donselaar ook stelt, de basis is van het hedendaagse Surinaams-Nederlands. De basis is vooral sterker geworden in de 19de eeuw, toen de opkomende klasse van kleurlingen, gemanumitteerde en vrijgeboren negers er bewust voor kozen het Nederlands te gebruiken. Mede hierdoor konden ze zich onderscheiden van de slaven. De leerplicht, ingesteld in 1876, deed de rest en zorgde ervoor dat het Nederlands, het Surinaams-Nederlands, op grote schaal ingang heeft gevonden en daardoor een belangrijke taal is geworden in het meertalige Suriname, waar de officiële taal nog steeds Nederlands is. Het Surinaams-Nederlands kreeg, net als het Sranan, een unificerende functie, wat inhoudt dat bijna alle meertaligen met elkaar kunnen communiceren in deze twee talen als ze elkaars talen niet verstaan.
De fascinatie van de bioloog Van Donselaar voor de vreemde Nederlandse woorden, die hij tijdens zijn eerste verblijf in Suriname begon op te schrijven, heeft Suriname drie waardevolle woordenboeken opgeleverd, woordenboeken met een schat aan informatie voor de wetenschapper en de geïnteresseerde lezer. 
J. van Donselaar: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam/ Den Haag: Meertens Instituut/ Nederlandse Taalunie, [2013]. ISBN 9789070389772. Prijs: Euro 25,-
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter