blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: globalisering

Felle discussie over de literaire canon gaat nu over schrijvers

Toen in 2002 een lijst klassieke werken werd opgesteld, ging het over literaire kwaliteit en historische waarde, schrijft René van Stipriaan.

read on…

Mondiaal toerisme en de pandemie

Bernard Duterme, directeur van het CETRI (Centre Tricontinental) uit Louvain-La-Neuve, is onder meer auteur van La domination touristique in de reeks Alternatives Sud. Op 14 augustus 2020 werd hij geïnterviewd door Radio France Internationale (RFI) over de laatste ontwikkelingen in het mondiaal toerisme.

read on…

Naar het einde van de Amazone

door Jerry Dewnarain

Pitou van Dijck, de auteur van het boek Naar het einde van de Amazone, was als econoom verbonden aan CEDLA, het onderzoeksinstituut voor Latijns-Amerika aan de Universiteit van Amsterdam. Dit is een overzichtelijk boek over de vernietiging van het grootste woud ter wereld.

read on…

Achille Mbembe’s Necropolitics

In Necropolitics Achille Mbembe, a leader in the new wave of francophone critical theory, theorizes the genealogy of the contemporary world, a world plagued by ever-increasing inequality, militarization, enmity, and terror as well as by a resurgence of racist, fascist, and nationalist forces determined to exclude and kill.

read on…

Englishes

Tentoonstelling door Nicoline van Harskamp over de wereldwijde varianten van het Engels. read on…

Streamlines: oceanen, wereldhandel en migratie

De tentoonstelling Streamlines; Ozeane, Welthandel und Migration in de Hamburgse Deichtorhallen snijdt de grote thema’s van vandaag aan: handel, migratie, globalisering, milieu. Een foto-impressie van Michiel van Kempen. read on…

Sex and the Citizen: Interrogating the Caribbean

Sex and the Citizen, edited by Faith Smith, is a multidisciplinary collection of essays that draws on current anxieties about “legitimate” sexual identities and practices across the Caribbean to explore both the impact of globalization and the legacy of the region’s history of sexual exploitation during colonialism, slavery, and indentureship. Speaking from within but also challenging the assumptions of feminism, literary and cultural studies, and queer studies, this volume questions prevailing oppositions between the backward, homophobic nation-state and the laid-back, service-with-a-smile paradise or between giving in ignominiously to the autocratic demands of the global north and equating postcolonial sovereignty with a “wholesome” heterosexual citizenry.

 

The contributors use parliamentary legislation, novels, film, and other texts to examine Martinique’s relationship to France; the diasporic relationships between the Dominican Republic and New York City, between India and Trinidad, and between Mexico’s capital city and its Caribbean coast; “indigenous” names for sexual practices and desires in Suriname and the Eastern Caribbean; and other topics. This volume will appeal to readers interested in how sex has become an important register for considerations of citizenship, personal and political autonomy, and identity in the Caribbean and the global south.

 The Editor
Faith Smith is Associate Professor in the departments of African and Afro-American Studies and English and American Literature, with appointments in the Latin American and Latino Studies and Women and Gender Studies programs at Brandeis University. She is the author of Creole Recitations: John Jacob Thomas and Colonial Formation in the Late Nineteenth-Century Caribbean (Virginia).
 

Contributors

• Vanessa Agard-Jones
• Odile Cazenave
• Michelle Cliff
• Susan Dayal
• Alison Donnell
• Donette Francis
• Carmen Gillespie

• Rosamond S. King
• Antonia MacDonald-Smythe
• Tejaswini Niranjana
• Evelyn O’Callaghan
• Tracy Robinson
• Patricia Saunders
• Yasmin Tambiah
• Omise’eke Natasha Tinsley
• Rinaldo Walcott
• M. S. Worrell

Editorial Review by Deborah Thomas
Sex and the Citizen is an extremely important contribution to the fields of Caribbean studies and gender/sexuality studies. While there has been quite a lot of work on gender in Caribbean studies, attention to sexuality has been more recent, in part because of the imposed silences upon transgressive sexualities that disturb nationalist renderings of postcolonial Caribbean societies. Tackling this topic from a range of disciplinary sites including law, cultural studies, and sociology as well as literary theory, Sex and the Citizen offers critical and original perspectives. People are hungry for this sort of analysis, and it is a much-needed critical intervention both in terms of work on nationalism in the Caribbean and in terms of sexuality studies.

Sex and the Citizen: Interrogating the Caribbean. Ed. by Faith Smith

  • ISBN-13: 9780813931135
  • Publisher: University of Virginia Press
  • Publication date: 4/22/2011
  • Series: New World Studies
  • Pages: 304
  • Product dimensions: 6.10 (w) x 9.20 (h) x 0.80 (d)

De globaliserende wereld valt buiten de kaders

door Ton Robben
Een tocht van drie maanden langs rivierdorpen in verschillende delen van het Surinaamse binnenland heeft de sociaalbewogen fotograaf Thijs Heslenfeld honderden foto’s opgeleverd die samen met een reisverslag gepubliceerd zijn in het fraai uitgegeven boek Au! Er tikt een tijdbom in het Surinaamse oerwoud. De titel refereert aan de ongebreidelde goudexploitatie die het oerwoud vernietigt en rivieren vergiftigt door het gebruik van kwik om het gouderts gemakkelijker te zuiveren. Heslenfeld’s reportage dient echter niet om die verwoesting te documenteren − slechts een dozijn foto’s geeft een glimp van een gouddelversnederzetting in het Meriangebied − maar om zijn visie op de bedreigde levenswijze van Marrons en Inheemsen weer te geven. Hij is daarin geslaagd met indrukwekkende portretten, adembenemende vergezichten en serene momentopnamen van de dagelijkse bezigheden in de dorpen. Het toegevoegde verslag is bedoeld om de teloorgang van deze wereld te verhelderen met reiservaringen en eigen overpeinzingen.
Paradoxaal genoeg bereikt hij hiermee het tegenovergestelde. Enerzijds ondergraaft de afgebeelde werkelijkheid het verslag en anderzijds boeten de foto’s in aan zeggingskracht door het vertoog.
De fotograaf-auteur Heslenfeld construeert in zijn reisverslag een oppositie tussen natuur en cultuur. De ‘indianen’ staan voor de natuur en leven op traditionale wijze in harmonie met het oerbos, terwijl stadsmensen en toeristen de moderne cultuur vertegenwoordigen en vervreemd zijn van de ongerepte natuur. Deze visie is doordrenkt van culturele zelfkritiek op het Westers consumptisme en de hang naar materieel bezit van een gehaaste samenleving. Die moderne cultuur bedreigt, volgens de auteur, ‘natuurmensen’ die al duizenden jaren onveranderd en op ecologisch verantwoorde wijze van het oerwoud leven en ook de Marrons die reeds een paar honderd jaar hun bestaan aan het bos te danken hebben, alhoewel die ‘toch niet het respect voor de natuur [hebben] dat je bij de indianen meteen wel voelt’ (p.5). In Pikin Slee, op een dag reizen van Paramaribo, meent de auteur de kwade invloed van de hoofdstad te herkennen ‘aan de kleding en de kapsels, aan het gedrag van de mensen. Voor het eerst zie ik hangjongeren, die komen zeuren om geld met een of ander kletsverhaal’ (p.20). Hij positioneert hiermee Surinamers op een natuur-cultuur continuüm dat sterk doet denken aan het cultureel diffusionisme en het rural-urban continuum uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw: indianen – marrons – stadsbewoners – buitenlandse toeristen – Braziliaanse gouddelvers. Hoe verder van Paramaribo en hoe dieper het binnenland in, hoe respectvoller de bewoners voor het bos en de natuur zijn.
Klopt deze analyse? De mythe van de ecologisch bewuste natuurmens is reeds in de achttiende eeuw bij Rousseau te vinden maar wordt al lange tijd niet meer geloofd. Archeologisch en antropologisch onderzoek in het Braziliaanse Amazone-bekken hebben aangetoond dat tribale samenlevingen een gebied blijvend kunnen uitputten. Hun vermeende status als ecologisch bewuste hoeders van de natuur is weliswaar een welkome maar desalniettemin recent aangemeten imago om zich te beschermen tegen rubbertappers, houtkappers, veehouders, sojaboeren en een overheid die de grondstoffen wil exploiteren en waterkrachtcentrales wil aanleggen ten koste van het kwetsbare habitat. Het themanummer De wetten van de jungle(OSO april 2011) toont een aanzienlijk genuanceerder en complexer beeld van het Surinaamse binnenland dan Helsenfeld; een binnenland waarin Marrons en Inheemsen zowel verzet bieden tegen als profiteren van de goudexploitatie. De foto’s van Heslenfeld ondergraven zijn beschrijving van een binnenlandse bevolking die in isolement van de moderniteit leeft. De kijker ziet vele producten die diep in het binnenland aanwezig zijn en de bevolking blijvend afhankelijk maken: buitenboordmotoren, jachtgeweren, aanstekers, vishaakjes en mobieltjes. Een foto van drie Marronkinderen met papieren mobieltjes vat de verwevenheid van het Surinaamse binnenland met de globaliserende wereld prachtig samen en ontkracht daarmee het gehele betoog over ‘natuurmensen’ en traditie versus cultuurmensen en moderniteit. Tot slot, het is niet vanzelfsprekend dat bovengenoemde goederen de eigenaren van hun omgeving doen vervreemden en het is ook niet aan ons om hen die keuze te onthouden.
Wat laten de foto’s zien, los van het reisverslag? Heslenfeld is zich ervan bewust dat hij anders naar het oerwoud kijkt dan de Inheemsen. De kijker krijgt alleen de visie van de fotograaf te zien omdat de foto’s zijn verbeelde verbeelding manifesteren. De fotograaf zet zich af tegen de buitenwereld, in het bijzonder de buitenlandse toeristen, als een reiziger die meent een authentieke locale cultuur te ervaren. Zodra dorpelingen niet aan het gezochte onbedorven beeld voldoen, dan wordt teleurgesteld geconstateerd dat ‘de mensen hier het contact met hun roots, hun eigen verhaal kwijt zijn’ (p.6), dat ‘de indianen… de afgelopen decennia snel verwesterd’ zijn (p.21), dat ze niet beschikken ‘over een vooruitziende blik’ (p.22). Wat er zich buiten de sterk gekadreerde foto’s afspeelt, lezen we in het reisverslag. We leren dat de bewoners van Apetina hoge kwikwaarden in hun bloed hebben, dat diverse kerkgenootschappen een grote aanwezigheid hebben en dat de bevolking in het verre Kwamalasamoetoe − ver van Paramaribo over land maar bereikbaar via een wekelijkse luchtverbinding − bouwmaterialen, kinderfietsjes en zelfs afhaalmaaltijden bestellen. Deze vele sporen van globalisering worden nauwelijks getoond. De fotograaf wil kennelijk de schijnbaar onaangetaste plekken zó paradijselijk mogelijk in beeld brengen om de kijker te doordringen van de noodzaak dit allemaal te behoeden voor verlies. Het gevolg is echter dat het reisverslag dan moet dienen om deze romantische weergave in een bedreigende realiteit te plaatsen.
Een weloverwogen inleiding die de problemen van de roofzuchtige goudwinning, de druk van houtkap en mijnconcessies, de groeiende aanwezigheid van toeristen en de steeds grotere integratie van inheemse bevolkingsgroepen in de globaliserende wereld bondig had beschreven was meer op zijn plaats geweest dan een reisverslag vol gemeenplaatsen. Wellicht zou het beter zijn geweest het reisverslag geheel achterwege te laten. De menselijkheid die uit de portretten spreekt toont dat de fotograaf Heslenfeld met empathie naar zijn omgeving heeft gekeken en daarom weinig commentaar hoeft toe te voegen om de kijker te overtuigen van de schoonheid van het Surinaamse binnenland en de bijzondere levenswijze van de bevolking.
.
Thijs Heslenfeld, Au! Er tikt een tijdbom in het Surinaamse oerwoud. Amsterdam: KIT Publishers, 2011. Foto’s 168 p., tekst, 32 p., isbn 978 94 6022 1743, prijs € 34,50.
[uit Oso 2012.1]

Gebroken evenwicht tussen Oost en West

De zon komt op in het Oosten… De traditionele historiografie gaat te veel uit van de “Noord-Atlantische” of de zogenaamde “Westerse” geschiedenis. Al te vaak leidt dit tot een vertekening van de historische werkelijkheid, zeker van de sociaal-economische wereldgeschiedenis. Haalde het Westen niet de mosterd in het Oosten?

In de globaliserende wereld verlegt het economische zwaartepunt zich opnieuw naar het Oosten. Het enorme belang van Aziatische en andere niet-Europese culturen in het ontstaan van de hedendaagse wereld kan niet genegeerd worden. Gebeurt dat toch, dan zijn interculturele communicatie en internationaal erkende regels onmogelijk.

Het identificeren van de relevante paradigma’s, die vaak steunen op cultureel-godsdienstige concepten, biedt een verhelderende kijk op het ‘Oosterse’ economische denken en handelen. Een noodzakelijke connectie? Dr Gerret De Vylder houdt hierover een avondlezing.

Dr. Gerrit De Vylder doceert Economische Geschiedenis, International Political Economy en Cross-Cultural Negotiations aan de Subfaculteit Handelswetenschappen/Lessius University College, Antwerpen van de KU Leuven. Familiaal bevindt hij zich zowel in de christelijke, West-Europese als in de islamitische, Zuid-Aziatische wereld. Hij is auteur van onder meer Gebroken evenwicht tussen Oost en West.

Datum: dinsdag 13 november 2012, 19.00 uur – 21.00 u

Het Boekenpodium – Centrum voor het non-fictionboek
Somersstraat 13-15, 2018 Antwerpen
vlak bij Centraal Station en Parking Centraal
(routebeschrijving)
Deelnemen is gratis, aanmelden is noodzakelijk
Wilt u aanwezig zijn, klik dan hier, of telefoneer naar Garant-Uitgevers: +32 (0)3 231 29 00.

Om meer te weten over het boek, klik hier

Indonesische diaspora

door Peter Meel

Wie het is ontgaan, heeft deze zomer onder een steen geleefd. Twee weken lang hield het nieuws de gemoederen bezig. Radio en televisie verkeerden in een verhoogde staat van paraatheid, sociale media waren oververhit, kranten raakten er niet over uitgeschreven. Zoals dat in Nederland met sportief succes gaat, bestond de rest van de wereld even niet en vloeiden opluchting, blijdschap, trots, vaderlandsliefde, aanstellerigheid en verdwazing onbekommerd in elkaar over. De triomfen van Ranomi Kromowidjojo op de Olympische Spelen in London waren er dan ook naar. Als winnares van twee gouden medailles (50 en 100 meter vrije slag) en een zilveren medaille (4 x 100 meter vrije slag) verzamelde ze van de Nederlandse deelnemers het meeste eremetaal en ontpopte ze zich als de koningin van de Olympische sportploeg. Kromowidjojo werd gehuldigd in Den Bosch (door ‘het Nederlandse volk’), in Den Haag (door premier Rutte), in Eindhoven (door haar zwemvereniging) en in Sauwerd (door haar thuisbasis). Ze was ook het middelpunt van een Olympisch gala dat in Amsterdam plaatsvond.

De zegetocht van Kromowidjojo vond plaats in dezelfde maand als een aantal gerelateerde gebeurtenissen waarvoor in de nationale en internationale pers minder aandacht was. Van de herdenking van de Javaanse immigratie op 9 augustus en de viering van de onafhankelijkheid van Indonesië op 17 augustus werd wel verslag gedaan, maar deze gebeurtenissen hadden vooral een routinematig verloop. Wel bijzonder was het congres van de Indonesische diaspora dat van 6 tot 8 juli in Los Angeles werd gehouden. Het was voor het eerst dat Jakarta het op zich nam om vertegenwoordigers van de over vijf continenten verspreide Indonesische diaspora bij elkaar te brengen en na te gaan wat de leden voor de ontwikkeling van Indonesië zouden kunnen betekenen. Volgens Jakarta kan de diaspora met zijn kennis, vaardigheden en kapitaal een impuls geven aan de economische groei van Indonesië, de sociale ongelijkheid in het land helpen terugdringen en bijdragen aan het realiseren van de politieke ambities van de regionale grootmacht.

De Indonesische regering volgt met deze politiek het voorbeeld van India dat vanaf de eindjaren tachtig een vergelijkbare weg insloeg. Het introduceren van twee nieuwe categorieën – People of Indian Origin and Non-Resident Indians – en het binden van beide groepen aan ‘moeder India’ was en is bedoeld om de politieke macht van Delhi te versterken en sociaal-economische vooruitgang op het subcontinent te bespoedigen. India maakt al enige tijd deel uit van de snel opkomende economieën die bekend staan onder de naam BRIC-landen (Brazilië, Rusland, India, China). Sinds een aantal jaren probeert Jakarta zich te positioneren als een N-11 (next eleven) economie, samen met onder andere Turkije, Mexico, Zuid-Korea en Nigeria, met de bedoeling op zeker moment eveneens de status van BRIC-land te verwerven. Volgens de slotverklaring die op het congres in Los Angeles werd aangenomen, heeft de 21ste eeuw het in zich om de beste eeuw voor Indonesië te worden. De synergie van de diaspora met Indonesië en de ontwikkeling van een dynamisch partnerschap bieden de mogelijkheid om gedeelde voorspoed voor alle betrokken bevolkingsgroepen tot stand te brengen.

In The Jakarta Poststelde de spiritueel activist Anand Krishna dat het diasporacongres uitdrukking gaf aan ‘het ware gezicht van het nationalisme’. Hij herinnerde eraan dat volgens de Pancasila ideologie het Indonesische nationalisme geen benepen stelsel van opvattingen was, maar een levensbeschouwing ingekaderd in het grotere raamwerk van internationalisme en humanisme. De doelstellingen van de conferentie dienden volgens Krishna te worden beschouwd als een flinke stap in de richting van de verwezenlijking van Sukarno’s ideaal. Dat de gevoerde diasporapolitiek een gedeeld belang propageert, maar een Indonesisch belang de boventoon laat voeren, liet Krishna onvermeld. President Susilo Bambang Yudhoyono was er in zijn welkomstwoord open over. Hij sprak van de ‘grote familie van de Indonesische natie’ en benadrukte het voornemen van de Indonesische regering om (in navolging van India) visaprocedures te versoepelen en speciale visa voor de Indonesische diaspora in het leven te roepen. Op de invoering van een duaal burgerschap (een verlangen vanuit de diaspora) wenste hij zich niet vast te leggen. Yudhoyono: ‘Indonesia today is a new regional power with a global outreach. Indonesia has become the world’s third largest democracy. Indonesia has grown to be Southeast Asia’s largest economy, with the largest middle class in ASEAN. […] Let us make our nation as one of the world’s top-ten largest economies.’ Yudhoyono’s afscheidsgroet – ‘tot ziens in Indonesië’ – was een oproep om de blik naar het ‘thuisland’ te richten, maar wees tevens vooruit naar het tweede diasporacongres dat voor augustus 2013 in Jakarta staat gepland.

De Indonesische ambassadeur in de Verenigde Staten (en drijvende kracht achter het congres) Dino Patti Djalal deed evenmin geheimzinnig over de vruchten die Jakarta van de Indonesische diaspora hoopt te plukken. Hij legde zijn gehoor voor dat het per capita inkomen van de Indonesische diaspora naar schatting vijf keer hoger ligt dan het per capita inkomen in Indonesië. Jaarlijks maakte de Indonesische diaspora naar zijn zeggen 7 miljard Amerikaanse dollars aan Indonesië over. Naar het oordeel van Djalal was het geheim van de Indonesische diaspora dat deze beschikte over brain power, heart power en will power. Die zouden als cement dienen bij het opbouwen van een Indonesisch diaspora netwerk (IDN). Dit netwerk – een van de uitkomsten van het congres – heeft tot doel de Indonesische gemeenschappen beter te organiseren en hechter met elkaar te verbinden, de Indonesische regering (in het bijzonder de afdeling diasporazaken) met ideeën te voeden en strategische allianties te smeden met publieke en private organisaties om speciale diasporaprogramma’s uit te voeren. Ten slotte is het de taak van het netwerk om ‘kampioenen’ uit de Indonesische diaspora te identificeren die de diaspora-agenda verder kunnen zetten en als speciale ambassadeurs binnen en tussen de Indonesische gemeenschappen kunnen optreden.

Ranomi Kromowidjojo lijkt de juiste papieren te bezitten om zo’n ambassadeur te kunnen worden. Ze is slim, knap, evenwichtig, gedisciplineerd, representatief, communicatief en internationaal georiënteerd. Los van haar prestaties hebben haar ontspannen omgang met publieke en sociale media belangrijk aan haar naamsbekendheid en uitstraling bijgedragen. In Suriname worden haar verrichtingen al langere tijd met veel belangstelling gevolgd. In Indonesië zijn haar overwinningen in London gevierd als waren zij van een landgenoot. Veel Indonesiërs beschouwden de huzarenstukjes van Kromowidjojo als een welkome compensatie voor de teleurstellende prestaties van de eigen Olympische ploeg (één zilveren en één bronzen medaille bij het gewichtheffen). Ook de betekenis van haar achternaam (‘opeenvolgende overwinning’ of ‘voortdurende uitmuntendheid’) spreekt tot de verbeelding van de Indonesische diaspora en is medebepalend voor de aantrekkingskracht die er van de zwemster uitgaat.

Er moet tegelijk wat worden afgedongen op Kromowidjojo’s geschiktheid voor de rol van diaspora-ambassadeur. Het bleef niet onopgemerkt dat de Olympisch kampioene bedankte voor een ‘cultureel eerbetoon’ dat vanuit de Surinaamse en Indonesische gemeenschap in Nederland was voorbereid. Volgens haar zaakwaarnemer vond Kromowidjojo het wel mooi geweest, al die huldigingen, en had ze geen behoefte aan nog een feestelijk onthaal. Deze reactie is veelbetekenend. Bij alle opwinding rond haar persoon blijft Kromowidjojo nuchter, vastbesloten om zich niet van de wijs te laten brengen. Daarbij voegt zich nog iets anders. Kromowidjojo is trots op haar Surinaams-Javaanse wortels, houdt van het geboorteland van haar vader en is een liefhebber van de Javaanse keuken. Tegelijk lijkt het haar te ontbreken aan de behoefte om deze achtergrond te verbijzonderen. Daarvoor is ze teveel een kind van het Nederlandse noorden en te zeer vergroeid met de cultuur van de polder. Als topsporter appelleert zij aan mensen die zich etnisch verwant aan haar voelen, maar persoonlijk ziet zij die identificaties als secundair en beschouwt zij haar gemengde afkomst als een gegeven. Het is maar een dun draadje dat haar met de Indonesische diaspora verbindt.

Conferentie erfenis slavernij en contractarbeid internationaal

In het kader van de herdenking van 150 jaar emancipatie, 160 jaar immigratie van Chinezen en 140 jaar immigratie van Hindoestanen zal er een internationale wetenschappelijke conferentie in Paramaribo worden gehouden. Deze vindt plaats in juni 2013. Het thema van de conferentie is “Vrije en gedwongen migratie, diaspora en identiteitsvorming: De erfenis van slavernij en contractarbeid in historisch en hedendaags perspectief”. Daarbij zal worden gekeken naar de erfenis van de slavernij en de contractarbeid.

Invloed

Tijdens deze conferentie zal een verband gelegd worden tussen de historische gebeurtenissen van slavernij en contractarbeid en de actuele vraagstukken van globalisatie, identiteitsvorming, nationalisme en transnationalisme. De inleiders zullen nieuwe perspectieven aandragen over de invloed van vrije en onvrije migratie op de samenleving. Door deelnemers uit Suriname en overige landen bij elkaar te brengen wordt het uitwisselen van ideeën bevorderd. De bedoeling is om de presentaties van de conferentie als boekwerk beschikbaar te stellen.

Organisatiecomité

Op 4 september 2012 is een Protocol van Afspraken aangenomen door de navolgende negen organisaties die achter deze conferentie staan. Het gaat om NAKS, Federasi fu Afrikan Srananman, de Culturele Unie Suriname (CUS), de Nationale Stichting Hindostaanse Immigratie (NSHI), de Vereniging Herdenking Javaanse Immigratie (VHJI), de Commissie 10 oktober, het Nationaal Archief Suriname (NAS), het Instituut voor Maatschappij Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO), en Institute for Graduate Studies & Research (IGSR). Elke organisatie is vertegenwoordigd in het organisatiecomité dat de conferentie voorbereidt. Tijdens deze eerste vergadering is drs. Maurits Hassankhan tot voorzitter benoemd en dr. Hans Breeveld tot ondervoorzitter.

Composities van een uitgesteld leven (7)

door Willem van Lit

Dit is deel 7 van het hoofdstuk 5 over het leven in de Caribische omgeving. In dit deel het vervolg op mijn beschouwing over het leven volgens de tambú zoals Girigori dit ziet voor Curaçao. 

De tambú als totem (vervolg)

Girigori schetst het belang van de tambú en dat komt voort uit de onderdrukking door kolonialisme, slavernij, de functie van de katholieke kerk hierbij, maar zelfs ook die van de huidige politieke situatie; hieruit is een massaal psychotrauma gegroeid zegt hij en dit betreft dan de constante en overweldigende verdringing van de eigen leefwijze, de tambú. “The rhythms and songs of the Tambú have been identified through its history with struggle, protest and revolution …”[1] . En die tambú moet dan de basis worden voor een andere leefwijze, een nieuwe identiteit. Het is een leefwijze die vanuit traditionalisme stamt en die voor het volk dan een nieuwe culturele identiteit moet brengen met een nieuwe collectieve mentaliteit, waarbij men bevrijd is van schaamte en angst. Het is tevens de basis voor een nieuwe etnische identiteit en deze zal het geluksgevoel brengen, die ver weg staat van het psychotraumatische verleden. De tambú heeft zijn betekenis in het verleden zelf. Het is een oermodel en dat wordt zelf als oeridee gebruikt: het is puur, eenduidig, helder en vrij van smetten volgens de schrijver. De tambú is de traditioneel zuivere leefwijze en daardoor direct en rechtstreeks verbonden met de natuur “where he/she can relax and recharge energy can thus obtain the required strength through the Tambú in order to face challenges in life” [2].

Deze leefwijze verkondigt eveneens wederzijds menselijk respect en dit betreft dan het respect aan een zekere hiërarchische ordening die op de een of andere wijze “natuurlijk van aard” is. De schrijver is in dit geval niet heel helder met wat hij bedoelt. Hij refereert aan een ordening waarbij degenen die de tambú, de oude leefwijze “levend houden” ook van nature degenen zijn aan wie dit respect als vanzelf toekomt[3]. Dat de tambú in zijn oervorm een natuurlijke oorsprong heeft, ligt ook besloten in het gegeven dat de muzikanten veelal voortkomen uit landbouwfamilies. Tambú behoort in zijn meest natuurlijke vorm aan de grond, de bodem, het verbouwen. Het heeft ook een sterk spiritueel karakter zegt de schrijver. Dat komt vooral tot uitdrukking in de bijbehorende dans[4]. Voorts zegt hij dat de tambú een leefwijze is die rust uitstraalt en die tegelijkertijd iemand van nieuwe levenskrachten voorziet. Het is een van oorsprong religieuze praktijk, een Afrikaanse rituele muziek van aanbidding[5]. In originele staat is de trommel een heilig instrument. Het is gemaakt van natuurproducten “where it was essential to keep the state of the moon and the sun into consideration. The leather used in the manufacturing of the bari is such an example”. Dat leer is gemaakt van schaapsvel en dat is een bijbels symbool voor het lam Gods dat alle zonden wegneemt. Het instrument in zijn geheel verkrijgt daardoor een zeer bijzondere betekenis voor de samenleving als geheel en verbindt mens aan natuur [6].

Met de tambú in zijn meest pure vorm in het Afrikaanse verleden kan naarmate de tijd vordert alleen maar verval optreden. De leefwijze kan niet meer authentiek zijn. De mensen die door Girigori zijn geïnterviewd, vertellen dat de tambú in zijn moderne vorm minder diepgang heeft; dat betreft zowel muziek als de woorden die bij het zingen worden gebruikt. Hierdoor is er minder ontspanning en/of meditatie mogelijk. De moderne tambú wordt ook steeds meer vercommercialiseerd. Die mensen vertellen Girigori ook dat de teksten steeds brutaler worden; er zit geen terughoudendheid meer in. Er is verlies aan respect [7]. Bij andere passages is er sprake van verlies van ethische normen en een ontwikkeling die men aanduidt als vulgair worden. En bij de dans is er verlies van elegantie; er treedt zelfs degeneratie op [8]. Een ander voorbeeld van verlies van authenticiteit is dat het Gueni, een oorspronkelijk Afrikaanse taal niet meer wordt gebruikt bij de tambú [9].

Het verval van de betekenis van de tambú is ook te merken aan de veranderingen van het taalgebruik zelf. De schrijver heeft de teksten van vroegere tambú-liederen vergeleken met de moderne. Hij constateert veranderingen in woordgebruik. Hij zegt dat in de loop van de tijd het subtiele gebruik van specifieke uitdrukkingen en zegswijzen uit de liederen is verdwenen. In de moderne versies ontbreekt het aan creativiteit van taalgebruik, beweert hij. In de nieuwe versies ziet hij het volgende: “the words are raw and plain and have no second connotation. It only means what it says”. De moderne liedtekstschrijvers missen kennelijk het intieme en authentieke vermogen de teksten met subtiele en pakkende diepte te schrijven. Er zit een tendens in die neigt naar het onderhoudend en amuserend karakter van de tambú, terwijl voorheen de geest van verzet en protest de teksten veel krachtiger maakten. Het gaat dan om kracht in de betekenis van verzet en maatschappelijk verwoorde boosheid in combinatie met spirituele en religieuze inslag en strekking van de boodschappen [10]. Ook hierin zit de tendens tot verval, denkt de schrijver.

In dergelijke constateringen zit ook een impliciet verwijt: mensen ontaarden en het volk verwelkt. Deze verwijten komen bij Girigori op sommige momenten ook uitdrukkelijk naar voren. We vinden dit terug in passages als: “The Afro-Curaçaon community still does not know where it belongs on its own territory and therefore embraces everything that according to the social accepted standards might give her/him an own identity”. De schrijver wijt dit aan de neiging de dominante cultuur na te bootsen door gebrek aan vertrouwen in het eigen vermogen. Hij meent voorts dat er een groot gebrek is aan patriottisme. Dit ontstaat uit het feit dat men zichzelf niet kent en de eigen identiteit ontkent, sterker nog, men drijft er steeds verder vanaf, beweert hij. “Therefore people still does not know who they are, where they came from and let alone to know where they are going. The Afro-Curaçaon community lacks a sense of belonging because it has not been passed over from generation tot generation” [11]. Men weet dus niet waar vandaan men komt en waar men naar toe gaat.

Ook de seú – dat is het oogstfeest – als uiting van een authentieke Afrikaanse geest is niet meer wat het is; het is – net zoals de tambú – ook vercommercialiseerd. Mensen laten zich te veel leiden en verleiden door de commercie die steeds meer vat krijgt op de cultuur en daardoor ook de oorspronkelijkheid van het leven. Hij noemt het ook culturele verpaupering[12]. Daarnaast heeft vulgariteit het overgenomen van de oude normen en waarden van respect en schoonheid. Kortom, de geest van verzet verdwijnt; er is geen trots meer, mensen weten geen richting meer en alles drijft weg van de pure kern. Men laat de oude moraal van eerbied en schoonheid los en het leven wordt brutaal en onverschillig[13].

Om zichzelf te kunnen herontdekken in de lijn van de Afrikaanse geest en de leefwijze van de tambú is het noodzakelijk dat mensen onderwezen en gevormd worden: educatie, opvoeding en onderwijs. Dat zijn de sleutelwoorden. Alleen op deze manier kan men een ontwikkeling doormaken naar de oude waarden en normen en zichzelf herontdekken. Dit zal ook bijdragen aan een versterkt nationalistisch bewustzijn en elan, een sterke nationale cultuur en een stabiele volksgeest zonder angst en schaamtegevoelens[14]. De tambú is de totem voor het volk.

Het is duidelijk dat dit proefschrift veel kenmerken bevat van de hang en drang naar de gesloten samenleving, de oproep tot het construeren van een utopische samenleving. Girigori vecht met de invloed van buiten, de externe krachten waarmee de samenleving tot ontwikkeling moet komen, de wisselwerking met de rest van de wereld. Dat is de evolutie die steeds sterker om zich heen grijpt. Hij begrijpt goed dat deze invloed voortdurend voelbaar zal zijn en dat dit op zichzelf ook niet fout hoeft te zijn, maar hij wil er wel grenzen aan stellen omdat die veranderingen de eigenheid aantasten. De leefwijze van de tambú komt uit een oude traditie waar men in de zuivere vorm steeds verder vanaf drijft. Girigori herhaalt op verschillende plaatsen zijn nostomanie: men raakt steeds verder verwijderd van de stam, het Afrikaanse ideaal en leefwijze, de beslotenheid van die gemeenschap, waaraan je identiteit ontleent.

Daarnaast is het verleden ook traumatisch geweest. De tambú heeft in zijn pure vorm steeds een leefwijze vertegenwoordigd waar enerzijds verzet tegen verdrukking en beschaming tot uiting (kracht) kwam en anderzijds respect, rust en ontspanning. Dat zat vanouds vooral in de gebruikte taal (subtiel met een diepgaande betekenis) en die verwatert geleidelijk aan. Vooral de bijbehorende dans is ontaard in vulgarisme. Hij zegt met spijt dat er geen zuivere vorm van de tambú meer is; de kern die teruggaat op de gezamenlijk diep beleefde ervaring en collectivistische leefstijl, is verlaten. Hij laat ook geregeld doorschijnen dat dit te wijten is aan een vals bewustzijn: men kent zijn afkomst niet (meer). Dit ligt voor een groot deel aan de beschaming door de heerser, de kerk en de overheid, die de oude cultuur steeds hebben geminacht. Hij besteedt relatief veel aandacht aan de krachten van de traumatisering. Het volk moet daarom de oude wortels leren ontdekken en zal dan in een hernieuwde genezing brengende cultuur tot ontwikkeling komen. Hij is hier op zoek naar de betovering van de mythen uit het verleden. Voor een ander deel wordt dat valse bewustzijn veroorzaakt door de moderne tijd: de vercommercialisering. Men is ontheemd en vervreemd beweert Girigori. Het volk is vorm, inhoud en richting kwijt. Hierdoor mist men ook het geluk. Educatie en vorming zijn hard nodig. In feite schuilt in deze bewering ook weer een verwijt: het volk weet niet goed wat goed voor hem is. Op de keper beschouwd is dit een nieuwe vorm van beschaming. Het verwijt van verlies van bewustzijn vindt men onder andere ook terug in het grove nationalisme en het rudimentaire marxisme.

Dit verwijt treft nog meer als Girigori impliciet beweert dat men zich losmaakt van sacrale of religieuze karakter van de tambú (een symboliek, die soms ontleend is aan het christendom, die toch ook geen Afrikaanse oorsprong heeft). De toekomst, die nieuwe gelukzaligheid zal brengen, is het spiegelbeeld van trauma in het verleden, een belofte, zolang het volk zich maar bewust wordt van haar afkomst, het collectieve authentieke verleden en de lotsbestemming. Men wil zich terugtrekken in die geïdealiseerde ruimte. Het is bijna letterlijk de subtitel van zijn proefschrift Constructing a Collective Ethnic Identity for Curaçao through the Tambú. Girigori verbeeldt exact wat Vanobbergen schreef over de utopie: “Het heden gaat zwanger van de toekomst. Niettemin blijft de reis in de toekomst (…) een projectie van de tradities uit het verleden”. Niets nieuw dus.

De tambú is dus ook het verondersteld kristallisatiepunt voor het insularisme en tribalisme: de geneigdheid tot isolatie en verzet.

[wordt vervolgd]

[1] Girigori, pag. 21.
[2] Girigori, pag. 20.
[3] Girigori, pag. 20.
[4] Girigori, pag. 24.
[5] Girigori, pag. 4.
[6] Girigori, pag. 5.
[7] Girigori, pag. 21.
[8] Girigori, pag. 25.
[9] Girigori, pag. 22.
[10] Girigori, pag. 24.
[11] Girigori, pag. 9.
[12] Girigori, pag. 15, 21 en 25.
[13] Girigori, pag. 32.
[14] Girigori, pag. 30 en 31, 33 en 34.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter