blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Gajadin Chitra

Mohan torst in zijn eentje de Sarnámi traditie

door Michiel van Kempen

Met de literatuur in het Sarnámi, de moedertaal van de Surinaamse Hindostanen, is het een wisselvallige geschiedenis geworden. Na 1977 swingde de boel de pan uit rond arts/dichter/taalpropagandist Jit Narain in Den Haag, met zijn zingende broer Rabin Baldewsingh (the singing detective van het Haagse college van B & W), met de lederen feministe Gharietje Choenni, met de ragfijn dichtende Chitra Gajadin (de schrik van het eerste Sarnámi festival in Paramaribo), met Hindi hopman Surj Biere en de wandelende megafoon van de Sarnámi grammatica Moti Marhé. En natuurlijk met Cándani, vers van onder een districtskoe uitgekropen, niet gehinderd door enige kennis van welke schrijfwijze dan ook, maar wel wonderschoon zingend als een treurige leeuwerik aan het hof van koning Akbar. En dan, ploef, zakt het hele zaakje in elkaar, begraaft Narain zich in Saramacca, begint Choenni aan een striptease en kruipt er uit het zwarte leder nog slechts een pensionhoudster op Bonaire, encanailleert Cándani zich met de stankbel van Scientology en lijken alle anderen zich tevreden te hebben gesteld met de rol van voetnoot in de literaire geschiedenis. Rabin Baldewsingh verklaart publiekelijk dat schrijven in het Sarnámi geen zin heeft en de Hindostanen alleen maar terugdringt in groepselement; hier spreekt de brede burgervader in de dop.
Als die storm is overgewaaid duikt opeens Raj Ramdas op, broer van de zoveel beroemdere essayist Anil die nooit iets met de Hindostaanse beweging had, maar die zich wel als een echte pasja in India vestigde, voorzien van tuinman, chauffeur en kokkie. Raj Ramdas maakt indruk op het festival Winternachten met zijn voordracht uit zijn fraai uitgegeven bundel Kahán hai u/Waar is zij (2003). Als ook van die weldadig aanvoelende Sarnámi windvlaag helemaal niets meer te merken is, kondigt Raj Mohan zich aan, hij lijkt bereid de Sarnámi traditie in zijn eentje voort te zetten, eerst met de tweetalige bundel Bapauti/Erfenis (2008), nu met de omvangrijke bundel Tihá/Troost.
De tweede afdeling van de nieuwe bundel geeft 22 gedichten enkel in het Nederlands. De eerste afdeling bevat zeventien gedichten in het Sarnámi met een Nederlandse vertaling ernaast, waarbij direct gezegd moet worden dat deze vertalingen zich soms tamelijk ver van de oorspronkelijke taal begeven. Een dichter mag natuurlijk met zijn teksten doen wat hij wil, maar voor iemand die toch graag de twee versies wil vergelijken is het tamelijk hinderlijk dat de regels niet parallel lopen, ja, dat de Nederlandse vertaling soms meer dan een halve bladzijde langer uitpakt. Neem deze strofe van mooie zegging:

áj phir chhui ke jáylá tor ego puráná dukh

Wat dan in de vertaling tot klein brandhout verhakkeld wordt in zeven versregeltjes, alsof aan elk woord een gewicht van veertig kilo hangt:

vandaag
raak ik
weer eens
een oud
verdriet
van jou aan
en vertrek

Wat direct opvalt is hoezeer de twee afdelingen uiteenlopen naar inhoud én naar taal. De Sarnámi gedichten zijn intiem, geven kleine familiescènes, ontspruiten bijna altijd uit de melancholie over een verdwenen of een verdwijnende wereld. Ze worden gedragen door het verdriet van de migrant die ergens tussen India, Suriname en Nederland de coördinaten van zijn leven en – vooruit maar – zijn identiteit probeert te zoeken. Dat zijn allemaal motieven die ook uit het werk van de andere Sarnámi dichters bekend zijn. Natuurlijk speelt ‘áji’, de grootmoederfiguur, er een belangrijke rol in; bij welke van de Sarnámi auteurs wordt zij – de witgehaakte orhni op het hoofd, de koemest aan de hielen en de moede rimpels in het gezicht – niet tot leven gewekt in vaak liefdevolle versregels? Opmerkelijk is ook hoe eenvoudig het taalgebruik in die eerste afdeling is, hoe beperkt het vocabulaire (ik bedoel dat niet negatief!) en hoezeer dat vocabulaire helemaal in het verlengde ligt van de woordenschat van Narain en Cándani.

tor hawá men milal bá mahak hamár cháhe tor matti jagghá na de hai enrhi dhansáwe khát

mijn geur is vermengd met je wind
al geeft jouw aarde geen plek
om mijn hiel in te planten

De taferelen en metaforen die Mohan ons voortovert zijn traditioneel, het olielampje is er natuurlijk, het vuur, de rijst, de vleermuizen, de bruidsstoet, de diya, kortom: de hele setting van het rurale Hindostaanse leven. Naar de soms overdonderende metaforen die Jit Narain wist te vinden, zoek je bij Raj Mohan tevergeefs. Maar het is misschien niet helemaal fair om hem te vergelijken met een dichter waarvan er maar één per generatie, zo niet per eeuw voorkomt.

Op zich zijn Mohans vertalingen wel acceptabel, al haalt er niet één zelfs maar in de verte de klankrijkdom van het Sarnámi (de gedichten zijn ook als liedteksten bedoeld en je moet er Mohans CD Daayra eigenlijk bij beluisteren). Op enkele plaatsen zijn de vertalingen tenenkrommend prozaïsch, zoals in deze regels waarbij men wijlen J.-P. Balkenende zuinigjes-goedkeurend ziet knikken:

hoe red ik mijn cultuur
te midden van honderd rassen
normen en waarden van anderen

De afdeling met gedichten in het Nederlands herneemt wel enkele motieven uit de eerste afdeling, maar is veelvormiger, het gaat daar ook over het Suikerfeest, over een schietincident in Amerika en zowaar over dik-zijn! Het vocabulaire is ook veel uitgebreider, wat misschien ook wel komt doordat er geen beperking is om de tekst in een liedvorm te brengen. Voor Raj Mohan betekent dat dan dat het fijnzinnig oproepen van een sfeer zoals in de eerste afdeling plaats maakt voor benoemen. De Nederlandse poëzie is veel cerebraler dan die in het Sarnámi:

de muzen van Apollo
worden erbij geroepen.
gewekt uit een eindeloze droom
over kosmische muziek en aards vermaak.

deze fijnzinnigheid van twee werelden
verborgen in een halssnoer van parabels,
tooisel van de nieuwe keizers van theater

Mij lijkt dat de laatste twee versregels de poëzie uitmaken en dat de regel ervóór liever iets had kunnen beschrijven dat de genoemde fijnzinnigheid oproept, dan dat die regel zelf de fijnzinnigheid expliciet benoemt. Dat oproepen lukt Mohan overigens soms wel, zoals in een gedicht over een vakantie in Suriname, waar hij een hete asfaltweg in Suriname laat contrasteren met de schoorsteenmantel in Nederland. Hinderlijk in de bundel zijn wel verschillende taalfouten, zoals ‘jouw ellende kan ik/ niet meer te verdragen’, ‘zonder enig steun’ en ‘een interactief/ breedbeeld tv’. Gewoon niet aandachtig genoeg geredigeerd.
Maar goed, laat ik er nu maar het zwijgen toe doen, tenslotte kreeg ik op pagina 66 toch al een subtiele tik op de neus in het gedicht ‘geschiedenis’:

de blanke
vertelt mij zijn verhaal
en ik luister
de blanke
vertelt mij mijn verhaal
en ik luister

Raj Mohan, Tihá/Troost, Haarlem: In de Knipscheer, 2011. 74 p., ISBN 978 90 6265 661 5, prijs € 16,90.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Chitra Gajadin – zwart omrande ogen spelen wolken

Voor Ton Wolf

 

zwart omrande ogen spelen wolken

op een middag dat ik er ben en niet
raapt mijn hand een blad op het erf
waar ben ik nu waar onderweg heen
volgt de schaduw van een droom mij
waarheen verlangen armen uitstrekt
ontvouwen verwarde vleugels zich uit
de middag droogde gulzige sporen in
mijn vingers kleefden aan wat raakt

Ah had ah right to leave an go…

door Effendi N. Ketwaru

Mensen verhuizen. Dat doen ze al eeuwen. Duizenden jaren terug verplaatsten indianen zich uit Siberië naar Noord- en Zuid Amerika en kwamen zo in Suriname terecht. Europa onderging de grote volksverhuizingen waarbij volkeren uit Azie en Oost-Europa zich te vuur en te zwaard daar vestigden. Ieren vluchtten na de grote hongersnood van 1848 naar Amerika, Turken begonnnen in de jaren zestig van de vorige eeuw West-Europa schoon te maken en Surinamers vluchtten in de jaren zeventig en tachtig massaal naar Nederland. Tegenwoordig lopen Mexicanen zich te pletter tegen de grens van de Verenigde Staten, wagen Afrikanen in schamele bootjes de oversteek naar Europa en komen Chinezen met vliegtuigladingen en – volgens velen – met winkelvergunningen aan in Suriname.
Ruim een eeuw geleden kwam de migratie van hindostanen uit India door contractarbeid naar Suriname op gang. Wie migreert, laat echter niet alleen zijn geboortegrond maar ook vaak zijn vrienden en familieleden achter. Hoe ervaren en hoe vangen zij dit vertrek op? Kahe gaile bides, Why did you go overseas? gaat over de wijze waarop van elkaar gescheiden familieleden (zowel in India als in Suriname) uiting aan deze scheiding gaven.

Hindostanen in traditionele klederdracht. Foto P.H. Hiss, ca. 1945, collectie Tropenmuseum 60006530. Deze foto siert het omslag van de besproken uitgave

Bides
In Calcutta werden de gerekruteerde contractarbeiders bijeengebracht en van hieruit werden ze naar plantages, verspreid over de aardbol, verscheept. Reeds aan het einde van de negentiende eeuw duidden de dorpelingen van Bhojpur met de term ‘bides’ een ver gebied, een onherbergzaam eiland ergens in het Oosten (in de richting van Calcutta), aan. En ‘bidesia’ sloeg zowel op een permanent vertrek naar een onherbergzaam gebied met het karakter van een bannelingenoord als op degene die daarheen vertrokken was.

In veel liederen en toneelstukken werd de scheiding van familieleden, vooral de scheiding tussen man en vrouw, gevarieerd en geproblematiseerd. Vaste thema’s in de liederen en toneelstukken waren slechte schoonmoeders, grote armoede en onmenselijke werktijden voor de vrouw (omdat haar man als buffer tegen de familieleden en als werkkracht thuis, maanden en soms jaren of zelfs permanent afwezig was). Het duurde niet lang of men kon van de zogenaamde Bidesia-cultuur van Bhojpur spreken: de vertolking in muziek, dans of drama van het verdriet om de scheiding van een geliefde die zich langdurig elders bevond.

Groene spin
Om dit verdriet, de eenzaamheid en het lijden, te uiten en te verlichten, schiepen de achtergeblevenen ‘migratie’-goden die ze van tijd tot tijd raadpleegden en offers brachten. Een van de migratiegoden had volgens het volksgeloof zelfs een postbestelwagen als vervoermiddel om de brieven naar het plaatselijke postkantoor te brengen. En als de post weer eens in gebreke bleef, hadden de dorpelingen nog altijd allerlei voortekenen waarop ze konden rekenen: wanneer de roep van een bepaalde vogel klonk, zou de man thuiskomen met geld en geschenken, wanneer een groene spin de linkerschouder van de vrouw zou beklimmen, betekende dit dat de man opmaakmiddelen voor de vrouw mee zou brengen. En jeuk aan de linkerhandpalm of dromen over kleine vissen of een bijtende slang was eveneens een goed voorteken.

Bidesia-project
Een tiental jaren geleden vroeg een socioloog in Allahabad zich af of de bidesia-cultuur van Bhojpur een pendant had in de gebieden waar de migranten zich gevestigd hadden. Suriname was een van die migratiegebieden en zo werd een onderzoek, het Bidesia-project, geboren. Drie onderzoeksinstituten – het G.B. Pant Social Science Institute in Allahabad, het Koninklijk Institituut voor de Tropen in Amsterdam en het IMWO van onze universiteit – bogen zich vanaf 2005 over dit onderwerp. Echter, louter onderzoek naar bidesia-parallellen was de instituten niet voldoende: men zou de orale erfenissen van de drie landen optekenen en bestuderen, de muziek- en dramatradities van Bhojpur vergelijken met die van de hindostanen in Nederland en Suriname en de structuur en beeldspraak van het Sarnámi en het Bhojpuri met elkaar vergelijken.

Zand tussen de kiezen
Helaas hebben de auteurs/onderzoekers er met de pet naar gegooid. Het begint al op de binnenflap van het boek: ‘…a massive global churning in the form of huge populations of Indians to various countries like Suriname, Fiji, Mauritius, Guyana, Trinidad, and other Caribbean countries. All these Indians, most of whom belonged to the Bhojpuri region of Bihar…‘ Sinds wanneer bevinden Fiji en Mauritius zich in het Caraïbisch gebied? En elke geïnteresseerde leek weet inmiddels dat het gros van de contractarbeiders voor Suriname niet uit Bhojpur maar uit de toenmalige United Provinces (het huidige Uttarakhand en het noordelijk deel van Uttar Pradesh) kwam!

Herkomstgebieden van de Brits-Indische contractarbeiders die naar Suriname migreerden

Wie het boek openslaat, krijgt meteen zand tussen de kiezen bij de eerste regels van de inleiding: In the colonial period when the European colonial countries like the United Kingdom, France and the Netherlands were extending their domain across the globe through their colonies, they set up a large number of sugar, coffee, cocoa, jute and other plantations in some of the Caribbean countries that were their colonies like Suriname, Fiji, Mauritius, Guyana, Trinidad etc. These plantations, which were owned and overseen by Europeans from the colonial countries, needed labourers to work in them. After the abolition of slavory from the world… [11]
Het heeft er veel van weg dat de oorspronkelijke tekst eerst in een soort Broek-in-Waterland-Nederlands opgesteld was om deze vervolgens in Kaaskoppen-Engels aan de lezers te presenteren. Nog een kleine greep: …started being met from population rich regions… (19), …narrate a funny joke (155), Gradually however the Hindustanis rapidly progressed socially…. (89), And one who doesn’t know it better (107), enzovoorts, enzovoorts.

Natte vingerwerk
Het zou te ver voeren om uitgebreid op de potpourri van misslagen, verwarrende passages, mythes en tegenstrijdigheden in dit boek in te gaan. De hoofdstukken lijken zonder inhoudelijk overleg tussen de auteurs geschreven te zijn. Vrijwel nergens wordt de folkloristische cultuur van Bhojpur met die van Suriname vergeleken en zo dit gebeurt, is er geen diepgang, gewoon omdat er veel te weinig wetenschappelijk onderzoek naar gedaan is. Over beeldspraak in het Sarnámi, laat staan een vergelijking met het Bhojpuri, rept men met geen woord. Over de positie van het Sarnámi in Suriname en Nederland zijn de auteurs erg onduidelijk: The status of Suriname is once again reviving... (96), Since the beginning of the 1990s, however, hardly any activity has been discernable in the area of Sarnámi, and the movement does not seem to have had a lasting impact (135), However there seems to be hope for Sarnámi language, (…), a few concerned persons including poets and researchers have been trying hard over the years to make the Hindustanis aware of the richness of the language and revive its lost prestige in their eyes so that the language does not die out althogether (136/137). Met het muziek- en dramagedeelte van het boek is het niet veel beter gesteld. Veel beweringen over de muziek van de hindostanen ontberen enige wetenschappelijke grond en lijken vooral op natte vingerwerk. Helemaal verwarrend is het gedeelte over de chutney-stijl waarbij we niet weten wanneer we te maken hebben met louter commerciële dansmuziek met scabreuze teksten die we zouden moeten toejuichen of afkeuren, want de auteurs steken niet onder stoelen of banken dat ze alles wat ‘eigen’ is – of, paradoxaal genoeg, sterk op de Bhojpuri-cultuur lijkt – bijzonder waarderen. Over het dramagedeelte valt weinig te zeggen. De meeste informatie leunt op het verkennend onderzoek van Michiel van Kempen en veel verder is men met dit boek niet gekomen.

Brahmanen
Het is opvallend dat de auteurs van het boek de kritiek van Jit Narain, Chitra Gajadin en Cándani (foto links) op bepaalde aspecten van de contractarbeiders en hun nakomelingen – een toch wel heel wezenlijk deel van het oeuvre van deze dichters – niet belichten. Waarschijnlijk laten de auteurs dit na omdat het niet in het beeld past dat zij van de hindostaanse groep wensen te scheppen: door list en bedrog naar Suriname gelokt, dwangarbeid op de plantages verricht, tegen de verdrukking in muziek, literatuur en drama geschapen en van dwangarbeider tot succesvolle zakenman of intellectueel opgeklommen. Een hardnekkige mythe over de contractperiode is die van de misleiding door de wervers. De auteurs blijken aanhangers van deze mythe omdat ze instemmend Rahman Khan ten voorbeeld stellen die in zijn autobiografie vertelt dat hij door de glib tongue (21) van de wervers overgehaald werd om naar Suriname te gaan. Dit is op zich al heel merkwaardig omdat Rahman Khan een ontwikkeld persoon was en bovendien door zijn vader voor de wervers gewaarschuwd was. Rahman Khan had zijn vader zelfs geantwoord dat hij zich niet zou laten pakken door de gladde praatjes van de wervers. Hoe dan ook, deze mythe, namelijk dat het merendeel van de contractanten onontwikkeld en goedgelovig was en daarom gemakkelijk door de wervers bedrogen en misleid kon worden – tussen haakjes, hebben de auteurs ooit wel eens een hedendaagse wervingsadvertentie voor de marine gezien? – wordt door de auteurs zelf tussen neus en lippen door ontkracht: Since no high cast Brahmins were allowed to immigrate, many Brahmins changed their name by dropping their surnames and giving up religious symbols like the holy thread (25) Brahmanen waren ontwikkelde mensen, ze waren alfabeten en ze konden niet gemakkelijk voor de gek gehouden worden (behalve munshi Rahman Khan dan). Maar blijkbaar was de armoede zo schrijnend dat zelfs Brahmanen – die toch wel wisten dat ze niet naar een vakantiekamp gingen – voor ‘bides’ kozen.

Tegendraads
De passages over de bidesia-cultuur en de hedendaagse arbeidsmigratie van Bhojpur zijn het interessantse deel van het boek omdat ze enerzijds een poëtisch en anderzijds een schrijnend beeld geven van respectievelijk muziek en drama in Bhojpur en van de huidige seizoensmigratie. Ronduit verfrissend en tegendraads is het hoofdstuk waarvoor Chitra Gajadin (foto rechts) tekende. Openlijk heel subjectief – dus niet in omfloerste quasi-wetenschappelijke taal – gaat ze lijnrecht tegen tal van (politiek correcte) beweringen van de andere auteurs in en ze is niet bang de plank mis te slaan (wat ze dan ook vaak doet). Zij is niet voor niets de enige persoon die expliciet als auteur van een hoofdstuk wordt opgevoerd, waarschijnlijk omdat de overige auteurs – die als medewerkers in het colofon worden vermeld – zich van haar bijdrage wensten te distantiëren.

In dezelfde no-nonsense stijl van de Nederlandse Chitra Gajadin en de Trinidadiaanse chutney-queen Rawytee Ramroop zou daarom het antwoord van de migrant op de vraag ‘Why did you go overseas?’ eenvoudigweg luiden: ‘Ah had ah right to leave an go!

Kahe gaile bides, Why did you go overseas?; Mango Books/KIT Publishers/Spot Creative Services, Amsterdam/Allahabad, 2010
Compiled and edited by Mousumi Majumder. Contributions by:Badri Narayan Tiwari and Nivedita Singh (India), Narinder Mohkamsingh, Elizabeth den Boer, Sahiensha Ramdas en Maurits Hassankhan (Suriname), Chitra Gajadin (the Netherlands) ISBN 987 90 6832 740 3

Rabindranath Tagore in de literatuur

door Els Moor

In 1913 kreeg Rabindranath Tagore de Nobelprijs voor literatuur. Hij was de eerste niet-westerling die deze eer te beurt viel. ‘Voor zijn gevoelige, levende en schone verzen, waarmee hij met groot vakmanschap zijn poëtische gedachten met eigen Engelse woorden tot deel van de wereldliteratuur heeft gemaakt.’, staat in het rapport van de jury. Hij kreeg de prijs voor zijn bundel Gitanjali (1909) die in het Nederlands vertaald werd in 1912 door Frederik van Eeden onder de titel Wij-Zangen. In alle gedichten richt hij zich tot ‘U’ of ‘Gij’, de ‘Onnoembare’, die hij ook vaak als ‘Liefde’ aanduidt ‘Op Liefde alleen zit ik te wachten, om mij eindelijk in hare handen te geven./ Daarom is het zo laat geworden, daarom ben ik schuldig aan zoveel verzuim.’(XVII) Of: ‘Die mij liefhebben in deze wereld willen mij op allerlei wijzen beveiligen./ Maar met Uwe liefde, die zoveel groter is dan de hunne, is het anders, Gij laat mij vrij’. De vrijheid van geest klinkt in deze poëzie duidelijk door. Steeds verbindt hij de mystiek met het leven.

De bundel De hovenier uit 1914 is ook door Frederik van Eeden vertaald. Hij staat in de verhalenbundel Mijn ziel antwoordt in muziek. De mooiste verhalen van Rabindranath Tagore, die in 2000 werd uitgegeven bij Uitgeverij Wereldbibliotheek. De gedichten in ‘De hovenier’ zijn geschreven vanuit het mens-zijn met alles wat daarbij hoort. De natuur speelt er een belangrijke rol in. Eerlijkheid over de goede en kwade dingen van het leven geven zicht op Tagore als mens. ‘Neen, vrienden, een asceet word ik nooit, wat jullie ook beweren.’ (XLIII). Het zijn prachtige, goed leesbare gedichten met verrassende beelden, humor en sociaal bewustzijn. In het laatste gedicht spreekt hij óns aan: ‘Wie bent u, lezer, die mijn gedichten leest over honderd jaar? Hij hoopt dat wij in ons hart de levende vreugde voelen van een lentemorgen, die haar stem over honderd jaar heenstuurde.’
De vierentwintig korte en langere verhalen in het boek zijn boeiend, geven een beeld van het leven in India in Tagore’s tijd, met zoveel onvrijheden, en de pogingen van mensen om die te doorbreken.

Zelf houd ik erg van Amal en de brief van de koning, de bewerking in proza van het toneelstuk The Post Office van Tagore door Chitra Gajadin. Zij is schrijver en dichter van Surinaamse afkomst in Rotterdam. Het verhaal gaat over Amal, een zieke jongen die van de dokter niet naar buiten mag. Hij wil zo dolgraag toch gaan en praat erover met voorbijgangers. De joghurtverkoper ; hij wil met hem mee om de wereld te zien aan de andere kant van de heuvel. En de postbode, die zegt dat Amal op een dag een brief van de koning zal krijgen en het meisje Sudha dat belooft hem bloemen te brengen. Het einde van het verhaal is ontroerend open, laat de lezer vrij om zijn conclusie trekken: de hofdokter is bij Amal, met de brief van de koning… en de belofte dat de koning zelf zal komen. Dan komt het meisje Sudha met haar bloemen; Amal slaapt. Ze vraagt: ‘ “Wanneer wordt hij wakker?”/ “Zodra de koning er is en hem roept”/ “Wilt u dan iets in zijn oor fluisteren?”/ “Wat dan?”/” Zeg tegen Amal dat Sudha hem niet is vergeten.” ’ De eenvoud van een meesterschrijver.

Chitra Gajadin: Amal en de brief van de koning, illustraties: Helen Ong, Uitgeverij Lemniscaat, 1992. De uitgever heeft geen exemplaren meer; wel sommige boekenantiquariaten die op internet bereikbaar zijn. Het boek is ook vertaald in het Engels.

Geblinddoekte schaduwen


door Chitra Gajadin

Op straat zie ik vaak een lange, magere Afrikaanse man met een bezem in de hand. In donkerblauw en fel oranje gekleed, steunt hij op zijn bezem en staart voor zich uit. De verte, het land, een zekere horizon kleeft aan hem alsof hij er net vandaan komt. Hij moet iemand zijn die gewend is lange afstanden af te leggen. Aan hem kun je zien dat reizen niet per se met kilometers te maken heeft. De wind voert hem mee, wolken nodigen hem uit.

Als ik in een dorp zou wonen, had ik hem een kop koffie kunnen aanbieden. In een grote stad doe je dat niet. Het enige dat ik kan, is hem met een welgemeende glimlach begroeten. Zijn gezicht straalt, alsof de zon doorbreekt. Dankbaar voor een vriendelijk woord, een lach van een onbekende in het beloofde land. Natuurlijk, in eigen land liep hij gevaar. Had hij niet genoeg te eten. Kende hij geen vrijheid. Had hij door oorlogsterreur geen werk. Werd zijn vrouw verkracht voor zijn ogen. Zoiets zal het zijn. Je hoort het nog elke dag op de radio. Elke dag.

Als alleenstaande vrouw nodig ik niet gauw een onbekende man uit voor een kop koffie. In de cultuur van de man en ook in die van mij is dat geen gebruik, ook al zou je dat in je hart wel willen. Onlangs had ik een jonge Turkse man uit een notenwinkel, die ik best leuk vind, spontaan uitgenodigd voor mijn verjaardag. Op verjaardagen mag iedereen komen, vind ik. Het verraste mij dat hij de uitnodiging accepteerde. Later hoorde ik van anderen dat dit weer een Turks gebruik is, uit respect. Aangezien hij vele jaren jonger is dan ik ben en er tamelijk goed uitziet, acht ik mijn kansen zeer gering. Maar het was wel de eerste keer dat er iemand van Turkse afkomst aanwezig was tijdens zo’n familie- en vriendengebeuren bij mij thuis.

Als kind groeide ik op in een omgeving met andere culturen. Ik hoorde een andere taal, rook andere geuren. Maar de tantes in onze familie spraken altijd geringschattend over andere culturen. Andere eetgewoonten en gebruiken. Ze plakten een etiket met grote letters op alles wat ze niet kenden: ONREIN. De scheidslijn van Rein en Onrein was bepalend en definitief in de omgang met anderen. Mijn grootvader bijvoorbeeld, at nooit buitenshuis. En, o, wat voelden de tantes zich verheven boven alle andere culturen. Mijn vader was een grote uitzondering, hij was de enige die geen onderscheid maakte. Zelf was ik meer dan geinteresseerd in al het onbekende. Vooral in voedsel, de krokante garnalenkoppen in rempejeh die je op het schoolplein kon kopen, de trassilucht vond ik heerlijk.
Dat wil niet zeggen dat ik nu een voorkeur heb voor extreme voedingswaren. Ik hoef niet per se een opgegraven eendenei te proeven. Ik merk nu zelfs een zekere reserve tegenover allerlei nieuwigheden en een herwaardering voor juist het eten waarmee ik ben opgegroeid. Hoe eenvoudiger, hoe beter.

Wat ergens wel een onderliggende gedachte blijft in het grote onderzoek naar andermans gewoonten en gebruiken, is natuurlijk het ontroerende moment van herkenning. Wanneer je bij de ander hetzelfde gebaar vindt of ontdekt. De praktijk toont echter meer het gedrag van mijn tantes. Hun vooroordeel, hun zichzelf verheven voelen boven anderen. Hun onverdraagzaamheid. Hun ongezouten uitspraken vol negativiteit jegens mensen die zij niet kennen.
Jezelf onderscheiden van anderen leek een doel op zich in het leven. Misschien heb ik meer van mijn vader dan ik weet, maar voor mij is elk mens even waardevol.
Maar. Nu komt het.

Er zijn mensen die vervelend zijn. Die zitten met hun schoenen op de bank in de trein. In stiltecoupé’s voeren ze het hoogste woord. Ze blijven hinderlijk tegen je stoel aanbonken. Meestal worden gedrag (voorkomen en gewoonten) van deze mensen verbonden aan hun afkomst. Koppelen van een nationaliteit aan hinderlijk gedrag, is algemeen gebruik, ook door de media. Etnische scheidslijnen bepalen wie of wat je bent. En als je dat niet bent, dan hoor je dat tenminste te zijn of te worden. Identiteit wordt opgelegd. Je uiterlijk, kleur van ogen en haar. De schedelmaat, al of geen hoog voorhoofd. Al deze fysieke kenmerken zijn bepalend voor de bejegening die je zult ondergaan.

In de tijd van mijn tantes waren er geen invloeden van buitenaf. De wereld was net zo breed en lang als je oog reikte. De avond viel als een neergelaten donker gordijn. Een ieder viel al vroeg, uitgeput door gezond hard werken, in slaap en stond de volgende dag weer vroeg op. Het liefst nog voor zonsopgang. Het leek zo’n veilige wereld zonder turbulentie. Ziekte en dood hoorden bij het leven. Toch lag er altijd iets op de loer en juist daarom hield men waarschijnlijk alles krampachtig zoals het van generatie op generatie was geweest. De ingrediënten van een vertrouwde wereld, de geur van die tijd… alles raakte op zijn kop. Ik vertrok en werd voor altijd een vreemdeling aan wie ongelimiteerd de vraag gesteld mag worden: waar kom je vandaan, wat heb je gegeten. Hoe maak je dat klaar? Wanneer ga je terug?

De aarde was niet meer bol maar plat en dichtbevolkt. Over mijn aanwezigheid in dit gebied werd gefronst. Ondanks alle vaderlandse geschiedenis op school en de komijnekaas die mijn grootvader meenam als traktatie uit de stad. Ondanks alle jeugdboeken vol verhalen die zich in winterlandschap afspeelden waar warme anijsmelk werd gedronken. Ik bleef een vreemdeling met aanpassingsproblemen. Achteraf vind ik dat ik meer dan mijn best heb gedaan. Ik heb getracht uit te blinken. Accentloos Nederlands te spreken, aan de telefoon kun je in ieder geval niet horen waar ik vandaan kom. Ik kan zuurkool en andijviestamppotten klaarmaken en voortreffelijke gestoofde peertjes. In gedrag val ik niet op. Een zekere intolerantie tegen katten in de tuin heb ik behouden, maar verder ben ik een goede buur.
Alleen heel soms zet ik de muziek luid, wanneer ik het hele huis wil drenken in de stem van Fairuz. Maar verder groet ik vriendelijk wanneer ik de tram binnenstap.

Toch! Er blijft altijd iets in de lucht hangen. Iets onverklaarbaars. Een vraag en vaag gevoel. Word ik geaccepteerd? Lach ik niet te luid? Teveel? Ik heb er nooit een vinger op kunnen leggen. Laatst zei iemand tegen mij dat hij moet lachen om hoe ik praat. Het heeft iets geaffecteerds, zei hij. Alweer doorgeschoten in de aanpassing dus.

Eerlijk gezegd ben ik nu weer terug bij af. Het kan me allemaal niet meer schelen of men mij gezellig vindt of niet. Ik hoef niet meer ergens bij te horen. Ik heb de positie van noch bij de een of de ander thuis te horen, inmiddels aanvaard. Natuurlijk voel ik wel iets van jaloezie als ik mijn vriendin hoor over haar familie. Ze huren meerdere keren per jaar een huisje waar de hele familie bij elkaar komt. Haar broers staan altijd klaar om te helpen. Ze geeft al jaren les aan buitenlanders, maar ze zal niet een gezamenlijke iftar-maaltijd delen, want je weet nooit waar de bouillon in de linzensoep van getrokken is. Ik ben echt een kind van dit land geworden, ik vind alles goed, maar met mate! Ik heb geen principiële bezwaren. Onderbroeken en theedoeken gaan gezamenlijk in de was, mijn moeder zou er een beroerte van krijgen! In het begin had ik een afkeer van al die mensen die zo lelijk deden. Ook ik verbond dat aan hun nationaliteit. De praktijk leert echter dat we niets meer zijn dan mensen met allerlei tekortkomingen. Een natuurlijke neiging jezelf te onderscheiden en te denken dat je het beter weet. De wereld vertellen wat goed is, geleund tegen een dominante cultuur. Wijd en zijd verbreid door geraffineerde verkooptechnieken. Verpakt in films, series. Verwerkt als smaakmaker, trendsetter.

In de afgelopen decennia is wel gebleken dat niet iedereen op deze uitverkoop zit te wachten. Tegenwoordig wordt er nu hoofdzakelijk over geloof gesproken en tolerantie. Aanpassing is weer de norm. Essentials, rituals zijn de nieuwe etiketten. Wij zijn niets meer dan voorbeeldige consumenten. Onbehagen wordt gesmoord met hapklare brokken waarvan we de kleine lettertjes op de verpakking allang niet meer kunnen ontcijferen. Wat is essentieel en wat zijn rituelen? Paradijs en hel zijn verenigd in verlangen het altijd voorbijgaande moment vast te houden. Gelukservaringen te bevriezen. Een ultiem concept te ontwikkelen dat een gelukkige staat moet waarborgen. Sommigen offeren zich letterlijk op en menen daarmee garantie op eeuwigdurend geluk te verkrijgen na hun dood. Anderen verzamelen alle denkbare designtrofeeën om hun geluk in dit leven ten volle te proeven. Dat gaat met zoveel inspanning gepaard dat ze het vermogen om nog te kunnen genieten, kwijtraken. Optimaal opgaan in het moment blijkt niet meer mogelijk.
Dan maar, zoals de meesten van ons, in het juk van alledaags familiair samenzijn stappen. Waarbij het onmogelijk is je individualiteit te bewaren. Dat deel van ons leven dat verbonden is met een hoger bewustzijn, raakt aan lager wal.

Er zijn nogal wat theorieën ontwikkeld over hoe je een beter mens wordt. De bedoeling en betekenis van het leven. Hoe ga je om met je medemens. Wat deel je met wie en wanneer. De rode draad in elk menselijk samenzijn is er op gericht dat je er beter van wordt. Je moet er wat aan hebben. Het liefst direct of in ieder geval later, anders is het zo’n zonde van onze kostbare tijd. Sommigen werken aan een bewustzijn waarin zij afgunst, jaloezie, begeerte proberen om te zetten in mededogen voor hun medemens. In de praktijk blijkt accepteren van alle onhebbelijke karaktertrekken waarmee mijn uitverkorenen (mijn vrienden) behept zijn, moeilijk genoeg. Anderen die onze wegen kruisen zijn vreemdelingen, passanten. Zodra we de ander hebben gedetermineerd en in een hokje hebben geplaatst, gaan we over tot een definitievere stap. Is hij/zij interessant genoeg om toegelaten te worden tot onze kennissenkring? Kan hij/zij wellicht van enig nut zijn? Is hij/zij wellicht de persoon waar we levenslang naar op zoek zijn?

We kunnen in één blik milieu, scholing, werk classificeren. Sommigen dragen overduidelijke statements op hun shirts. Op allerlei denkbare wijzen worden signalen uitgezonden. ‘Hoofd’cultuurdragers. Merkkleding en subculturen. Hippe hebbedingetjes als de ‘ik-bel’, de ‘ik-liefkoos’. Waar komt de behoefte toch vandaan om zich te distantiëren van elkaar? De ander tot vreemdeling te verklaren? Hem of haar te determineren? Willen we voorbereid zijn, onaangename verrassingen voorkomen? Of willen we weten wat we aan die gasten kunnen slijten. De vader van die bekende gekuifde politicus, die zich zo afzet tegen andere culturen die volgens hem geen manieren hebben, was vast kruidenier van beroep, geconfronteerd met winkeltjes en toko’s waar je naar hartenlust mag knijpen en voelen. Proeven. Of had hij juist een voorouder die het verre vreemde dichtbij heeft gehaald? Kent hij zijn eigen geschiedenis, is hij zich daar van bewust?

Boven alles waar de mens over wikt en beschikt, hangt een natuur die hij nooit de baas wordt. Niet alleen regen en zonneschijn, overstromingen en droogte zijn bepalende omstandigheden. De blauwdruk van de natuur, van alles wat onzichtbaar, onverdeelbaar is, zijn wij de dragers. De een doet dat met vertoon van rituelen, de ander laat dat uitwaaieren in de iconen van deze tijd, een digitaal fotoalbum. Twitter. Niet onze maaginhoud, maar ons digitaal profiel vertelt wie we zijn. Het ‘Ik-tijdperk’ in de digitale en virtuele wereld en tegelijkertijd het gevoel van alles en iedereen verlaten te zijn. Al verbindt een klik met de muis mij met de buitenwereld, ik mis een arm om mij heen. Dat moet ik dan maar door middel van meditatietechnieken visualiseren. Voor mijn welbevinden heb ik niet noodzakelijk een ander nodig. Maar wat te doen met de vraag wie ik ben, wat ik wil, waar ik heen ga? Gaat er niet alsmaar kostbare tijd verloren terwijl ik hier zit? Dit moment, is dat voldoende?

De vlucht naar vrijheid, de rangschikking van tijd naar eigen believen en daarmee het hercreëren van een eigen veilige wereld. De deur achter je dichttrekken. Je eigen gangen nagaan. De totale fixatie op het ik-bewustzijn. Het is mogelijk om die eigen wereld om je heen te draperen en je overal veilig te voelen. Afstand tot de ander wordt paradoxaal genoeg groter, terwijl je juist inlogt op Air Asia.

We mogen zeggen wat we denken, in de praktijk is dat vooral iets zeggen zonder (na)denken. Opdreunen wat hoort, wat past of wat ons wordt voorgekauwd en soms zelfs voorgespiegeld. Klopt het wel met je eigen waarheid? Wat is waar of gelden er verschillende waarheden? Bestaat er een universele waarheid? Is er nog een waarheid onaangetast door leugentjes-om-best-wil? Zijn we in staat om iets waar te nemen zoals het in wezen is? Ideeën, vormen, gedachten die aan ons zijn overgedragen en met de paplepel zijn ingegoten, bepalen de manier waarop we kijken. Niet het beeld, maar het concept bepaalt wat wordt waargenomen. Kijken zonder al een bijgedachte is dus niet mogelijk. In de loopgraven van andermans gedachten draven we door. Er is geen plek, geen blad, geen veld, waar opdringerige gedachten niet postvatten om de zogeheten argeloze voorbijganger te overvallen. Angst om wat ons kan overkomen, is de basis van veel overbodige gedachten. Deze angst wordt door vrijwel alles om ons heen bevestigd. Bijna alles.

Geketend door angst voor verlies, verblind door gemanipuleerde denkbeelden, durven we de vreemdeling niet meer in de ogen te kijken. Grootgebracht met het maken van onderscheid op basis van huidkleur en geloof. Er moet altijd een ander zijn aan wie je je eigen tekortkomingen kan ophangen. De ander is oorzaak en gevolg tegelijk van ons eigen onvermogen en blinde kennis.

De vreemdeling is iemand die huis en haard verlaten heeft om in ons land een nieuw leven te beginnen. Stel dat nou juist die zwarte man met de vuilniszak en de bezem van een hogere orde is? Wie weet draagt hij nog de korrel van waarheid bij zich die ons zou kunnen bevrijden. Een waarheid die niet meervoudig is ontleed en verdeeld. Intuïtie? Zonder dik bovenop gelegde waarden is de ander ons niet veel waard. In nauwer wordende cirkeltjes van geloof, cultuur en afkomst zijn we allen medeplichtig. Leven we in een schijnwereld. Niets is wat het lijkt. Achter elke zogenaamde waarheid schuilt weer een andere. Wie daar van uitgaat hoeft niet meer zijn best te doen. Grenzen tussen goed en kwaad vervagen. Er is niet één waarheid wordt gezegd, omstandigheden bepalen het hedendaagse waarheidsgehalte. Hoe maak je dan nog onderscheid tussen goed en kwaad?
Hoe weet ik of mijn gedrag te rechtvaardigen is? Waarom is de innerlijke stem altijd in discussie? Zo simpel klinkt de karma-gedachte: elke misère is een kans om opgebouwd saldo van slechte daden in te lossen. Hoe zit het dan met de duizenden die worden meegesleurd door een rivier die buiten zijn oevers is getreden? Wat hebben al deze mensen, baby’s en peuters op hun conto staan? Of gaat het meer om ons karma die aan de kant staat en toekijkt?

Als de zon maar de donkere schaduwen oplicht van mijn relativerende geest. Dan kan ik weer leven en ben ik in staat om de man met de bezem op straat te begroeten met een glimlach. We zijn deel van het heelal, zwervende deeltjes in de lucht, angstvallige blikken op straat, geluiden van een verre claxon, een voetstap die zich verwijdert. Volledig overgeleverd aan de zuigkracht van zwaartekracht en de zuignappen van het zwarte gat, tuimelen we als zuigelingen in de ruimte. We bidden voor dagelijks brood maar bedoelen dagelijkse structuur om te verankeren in plaats van mee te drijven als wrakhout.

We verbinden ons met iemand voor een levenslange les. Ge zult mij niet in de steek laten, is het refrein waarmee we opstaan en ons te ruste leggen. De zoektocht naar wie we zijn leidt een eigen leven. Zijn wij slechts de schaduw van een ander? Een mislukt afgietsel van een oervorm? Ons welbevinden wordt bepaald door beelden elders op de wereld waar mensen onder modderstromen bedolven worden. Of uiteengereten door ontploffingen. Op één been op de wereld door een granaatscherf. Waar de Mme’s Bovary in andere culturen gestenigd worden.

Nee, maar dan mogen we ons gelukkig prijzen door de mate aan vrijheid en tolerantie die ons tot de lippen stijgt. Het vreemde en het eigene zijn huismerken, permanent in de aanbieding. Er zijn mensen die altijd willen weten waar iets of iemand vandaan komt. Optellen van zoveel mogelijke verschillen, is een spel waarmee je kunt scoren. Wat zeg ik? Je kunt ermee verdienen. Het is een tradesmark. En dat is maar goed ook, de ander als curiosum bestuderen en je eigen geschiedenis blijvend verbinden met oost west thuis best, geeft de burger moed.

Juweeltjes in het Sarnami

Interview met Raj Ramdas

door Chitra Gajadin

Karakteristiek aan hem is zijn rebelse geest. Analytisch en vlijmscherp is hij over het intellectuele niveau van de Hindostaanse gemeenschap. Een groep die niet in staat blijkt tot scheppend vermogen van enig benul. Onverzoenlijk is zijn houding tot die groep. En toch liggen zijn mooiste herinneringen verankerd in jeugdervaringen temidden van dezelfde groep. In hartje Corantijnpolder waar hij altijd zodra hij in Suriname was, de speelkameraad uit zijn jeugd placht op te zoeken. Veertig jaar geleden leerde hij als zevenjarige een deel van het leven in Suriname kennen die een blijvende plek in zijn hart zou veroveren. Ver van stedelijke bekrompenheid probeerde hij te ontsnappen aan de benauwende bescherming van zijn ouders. Waar districtsjongens droomden van de verre grote stad, confectiekleding en schoeisel, popelde hij om na school zijn schoenen uit te schoppen om joel te kunnen spelen. Om de weidsheid van de polder te verkennen en te voetballen tot het vallen van de avond. ‘Dat was een heel mooie periode in mijn leven. Door met die kinderen te spelen heb ik de Hindostaanse taal goed leren spreken. Ik heb tot mijn achttiende Hindostaans gesproken met mijn moeder en Nederlands met mijn vader. De eerste zes maanden in Nickerie verbleven we in Hamptoncourtpolder. Mijn eerste les in het Sarnami vergeet ik nooit, dat was al op de eerste schooldag. Ik zag een roestige spijker in het gebouw en zei “dekh i khillá murcán hai” en toen zei een van de jongens “e bai..khillá ká yár” en toen zei de ander “u nail ke bole hai”. Daar heb ik het Sarnami geleerd, van die jongens.

Als oudste zoon van een schoolhoofd moest hij echter het goeie voorbeeld geven. En of dat gepaard ging met rake klappen of niet, luisteren moest hij. Voetballen wilde hij in plaats van ‘s middags naar de Hindischool gaan om ka-kha-ga-gha-nga van het alfabet op te dreunen. Dat verlangen om wild met zijn vriendjes rond te rennen op het voetbalveld werd gesmoord in ‘Eenvoudige teksten lezen in Bharti Bodh deel een, deel twee. Daarna kreeg je weer de Bharti reader een, twee. En als die Hindileraar in een goeie bui was dan moesten we na afloop ook nog bhajans zingen, terwijl ik het daglicht zwakker en zwakker zag worden. Niet dat ik niet van muziek hield, want die radio van oom Hastram, de overbuurman, stond boven in de zitkamer maar de mensen die beneden in de keuken aan het werk waren wilden graag horen wie er dood was of wie er gaat trouwen, dus die radio stond heel hard. Het was zo’n oude radio met een geweldig geluid. Door liederen uit die tijd kan ik soms de geuren weer ruiken en zie ik alles weer in details. Liederen van Jis desh men Ganga bahati hai, Yád ná aye. Apne huwe paráye.’

Ontsnappen aan zoals hij dat benoemt ‘de verstikkende bescherming van mijn moeder’ en meedogenloze strengheid van zijn vader was alleen mogelijk als beide ouders voor het een of ander een tijdje naar Paramaribo afreisden. ‘Mijn grootmoeder kwam uit de Van Drimmelenpolder op ons letten. Dat was een leuke tijd. Ze was makkelijk en verwende ons. Ik hoefde maar iets te vragen of ze maakte het voor mij. Ze was de enige die heel lief was. Op mijn elfde moest ik toelatingsexamen doen voor de muloschool in Paramaribo. Toen ik vertrok uit Nickerie, overleed zij. We verlieten Nickerie om weer in de Selinastraat in Paramaribo te gaan wonen.’

Met schrijven begon hij rond zijn vijftiende. ‘Van die Hindi-rijmelaarijtjes. Pas toen ik in Nederland zat begon ik in het Sarnami te experimenteren. Ik wist niet eens dat je in het Sarnami kon schrijven, alles was altijd Hindi-Hindi-Hindi.’ En het Sranantongo, lag dat niet voor de hand voor een stadsjongen? ‘Ik dacht, laat dat aan Dobru en kornuiten over. Ik associeerde schrijven in het Sranantongo met strijdbare gedichten. Ik schreef over liefde, pijn. Mijn Nederlandse gedichten waren in een quasi Tagoriaanse stijl. Ik had veel van Tagore gelezen, al op de middelbare school en probeerde dat na te bootsen. We hadden al die Tagore-boeken in huis. Mijn vader kocht altijd boeken. Als kind groeide hij op in een omgeving waar de Ramayan het enige boek in een huis was, daarom had hij zich voorgenomen om te zorgen voor boeken in zijn eigen huis. Mijn eerste gedicht in het Sarnami schreef ik in de Merenwijk in Leiden in 1974. Ik had de gewoonte om gedichten te schrijven als ik depressief was, ik dacht dat het me zou helpen om me beter te voelen maar meestal voelde ik mij nog ellendiger daarna. Het was weer zo’n dag dat ik samen met mijn vader in de woonkamer zat. Mijn vader en ik konden niet rustig praten zonder ruzie te maken. Ik ben naar boven gegaan en pakte een kladblok dat ik in België had gekocht, geruit papier helemaal vergeeld en schreef toen het gedicht “Kausilia”. Ik begon met schrijven en stopte met het gevoel in al mijn ledematen, of zoals men dat in het Hindostaans zegt ‘har ek rowán bolat rehá’ dit is af zoals het nu is, ik moet er niet aan komen. Kausilia had in essentie mijn leegte, mijn depressie, mijn verdriet, mijn eenzaamheid, het gevoel van verstotenheid verwoord.’

Wat betekent het Sarnami voor jou?
‘Voor mij is dat gewoon een taal, het is niet zo dat ik op de barricade wil staan voor het Sarnami of dat ik mezelf met benzine zou overgieten en mezelf in brand zou steken voor het Sarnami. Maar ik ben er wel op uit om te laten zien dat je juweeltjes kan maken in het Sarnami.’ Liefde, afscheid en de leegte zijn terugkerende thema’s in de gedichten die Raj schrijft. Bewust vermeed hij nostalgische getinte gedichten over het zware leven van de contractanten. ‘Ja, je moet of gedichten of geschiedenis gaan schrijven,’ vindt hij. De vraag hoe het verder moet schrijven in het Sarnami, ontlokt hem een mismoedig: ‘Wees eerlijk, wie zit er nou te wachten op een bundel in het Sarnami? Hoeveel Hindostanen zijn er nou die rustig met een gedichtenbundel in een hoek gaan zitten om te lezen? Die kerels kopen liever een videootje van drie of vier uur en kijken liever naar een episode van de Ramayan. De Surinaamse Hindostanen zijn in feite een volkje dat niet verdient om dichters in hun midden te hebben.’

Kahán hai u [dichtbundel met CD]
door Raj Ramdas – Uitgeverij Maya Rotterdam
Bestellen klik hier

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter