blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: folklore

Surinaamse traditie: Baden op owru yari

Een owru yari wasi, baden vóór of na het afschieten van de pagara om 00.00 uur is bijna een must! “Je lichaam reinigen met switi watra is een Surinaamse traditie”, zegt directeur Anand Mahabier van A.S. Mahabier Store aan Starnieuws. “Deze traditie aan het eind van het jaar is niet cultuurgebonden. Kent geen gezicht, geloof of etniciteit.” read on…

Surinaamse boeken onder één dak

[advertentietekst]
Er is goed nieuws voor liefhebbers van boeken en Suriname-fans!
Het is afgelopen met eindeloos zoeken om boeken van of over Suriname te vinden. Kinderboek, kookboek, roman, thriller, reisboek of cultuur, de nieuwe website Suribooks.com voorziet in de behoefte aan boeken met die echte Surinaamse ´flavor`. In Suriname uitgegeven boeken zijn voor het eerst snel en gemakkelijk in Nederland verkrijgbaar. read on…

Happy New Year – Bon aña nobo – Voorspoedig Nieuwjaar

Inwoners van Willemstad op Curaçao verwelkomen het Nieuwjaar met het verjagen van boze geesten door zich door rookwolken te bewegen.

read on…

Werkgroep presenteert Tropengraf

Op de avond van 22 november verzorgt de Werkgroep Caraïbische Letteren de vertoning van de film Tropengraf in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. De werkgroep nestelt zich die avond bij stichting IBS in een avond gewijd aan de geschiedenis van Suriname en de Antillen. Noteer de avond in je agenda!

Tropengraf; een West-Indische overlevering – Op 27 augustus 1913 wordt op een struisvogelfarm in een buitendistrict van Curaçao de blanke assistent van een Nederlandse farmhouder dood aangetroffen. Geruchten doen de ronde dat er geld, overspel en jaloezie in het spel zijn. Maar door gebrek aan bewijs wordt de zaak gesloten en inmiddels zijn alle mogelijke getuigen overleden. Aan de hand van authentiek beeld- en geluidsmateriaal onderzoekt de documentaire de onopgeloste moord, zonder daarbij alsnog een schuldige te willen aanwijzen. read on…

Eerbetoon aan culturele voorgangers: Pater Paul Brenneker en Elis Juliana

door Ieteke ‘Inchi’ Witteveen
Verzamelen, bewaren, documenteren en overdracht van kennis van ouderen, het bestuderen van de geschiedenis en geheugen van onze mensen van binnen uit. Alleen op die manier kan de gedachtenwereld van onze bevolking begrepen worden.
Paul Brenneker, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 
Dé pioniers voor deze grote culturele taak op Curaçao zijn ongetwijfeld Pater P.H.F. (Paul) Brenneker (1912–1996) en Elis Juliana (1927-2013). In het kader van de viering van Kulturismo 2009 zette de Fundashon National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM). samen met APNA de schijnwerpers op deze grondleggers van cultureel onderzoek en van de nationale collectie cultureel erfgoed. Dat gebeurde via een expositie Altá di Kòrsou, over de voornaamste altaren van Curaçao een publicatie Altá i Santunan di Kòrsou en de onthulling van een naambord op de patio van het gebouw waar NAAM is gevestigd, bekend als de oude leeszaal.Paul Brenneker, een bevlogen katholieke geestelijke van de Orde van Dominicanen, geboren op 7 mei 1912 in Limburg, liet bij zijn overlijden op 7 februari 1996, een grote culturele erfenis achter: ruim honderd publicaties, prenten, foto’s, gedichten, een grote collectie met geluidopnames van zang en verhalen en duizenden artefacten, die hij samen met zijn vriend Elis Juliana vanaf de jaren vijftig verzamelde op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Maarten, St. Eustatius en Saba. Door publicaties als Lekete Minawa (1958) Benta – oude liederen- (1959), Curaçaoensia – volkskundige aantekeningen over Curaçao(1961), Brua (1966), en de tien delen Sambumbu (1969 -1975) geeft hij ons toegang tot directe bronnen voor nader onderzoek. Naar de ontwikkeling van Guene bijvoorbeeld als voorloper van het Papiamentu, naar volksreligie en verzet tegen de slavernij. Of voor het opdoen van inspiratie voor artistiek werk, zoals musici als Angel Salsbach, Etzel Provence in de jaren zestig, gevolgd door Ronchi Matthew tot Izaline Calister voor het scheppen van Curaçaose jazz. Brenneker combineerde zijn liefde voor de lokale cultuur met naastenliefde. Dat laatste maakte hij duurzaam via de stichting voor daklozen (Stichting Kas Pa nos Tur) en broodlozen (Stichting Pam Pa mi Ruman).
Elis Juliana, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 

Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 in Nieuw Nederland, tussen de Oranjestraat en Penstraat, geboren. Het was de tijd dat Shell migranten uit het hele Caribische gebied naar Curaçao bracht. De radio deed zijn entree, de showbizz en het verenigingsleven vierden hoogtij. Geconfronteerd met de veranderingen van de moderne tijd ging de jonge Juliana op zoek naar de eigen identiteit, die van zichzelf en die van het Curaçaose volk. Hij begon als voordrachtkunstenaar. Al spoedig ontpopte hij zich als een artiest van velerlei kunnen, – dichter, verteller, tekenaar, beeldhouwer, verhalenschrijver – , maar hij begaf zich ook op het pad van onderzoeker naar de eigen cultuur. Wat begon uit nieuwsgierigheid en om inspiratie op te doen voor verhalen en voordrachten, groeide uit tot een passie: het bezoeken van ouderen als bron van informatie en kennis. Daarbij ontmoette hij Paul Brenneker. Door hun verschillende culturele achtergrond, – een Curaçaose volksjongen en een Limburgse priester – , vulden ze elkaar bij dit etnografische veldwerk voortreffelijk aan. Elis Juliana kan bogen op een lijst van ruim 50 publicaties, waaronder zijn eerste dichtbundelFlor di datu, ziin verhalen als Wazo riba ròndu (1967, 1981, 1988), Guia Etnológiko I, II, III en zijn filosofie OPI I, II, III, IV, Organisashon Planifikashon Independensia (1979, 1980, 1983, 1988).

De grote verdienste van het onderzoek van Brenneker en Juliana is dat zij de cultuur van de jaren van voor en tijdens de modernisering in de twintigste eeuw op een systematische wijze hebben gedocumenteerd. Ze verzamelden een onvervangbare schat aan informatie met een rijkdom aan gegevens uit de orale geschiedenis, maar ook vele objecten, als getuigenis van de materiële culturele erfenis. Die objecten variëren van huisgerei, documenten, religieuze objecten tot muziekinstrumenten en kunst. De collectie zelf is in 2001 officieel overgedragen aan de Fundashon NAAM. Een representatief deel daarvan is ten toon gesteld in het Curaçaos Museum en Museo Tula en vanaf 17 september tot 12 februari 2010 in de expositie Altá di Kòrsou, bij NAAM.

Wat nog onvoldoende aandacht heeft gehad is de unieke verzameling van 1400 liederen, muziek en verhalen die Brenneker en Elis Juliana in de jaren vijftig, zes jaren lang op eigen kracht en met heel veel inzet hebben verzameld en dat in 1975 is overgedragen aan de Fundashon Zikinza, toen ondergebracht bij het Centraal Historisch Archief aan de Roodeweg. Angel Salsbach, initiatiefnemer en secretaris van Fundashon Zinkinza, memoreerde hun werk bij de opening van het documentatiecentrum Zikinza in 1975 aldus:

Curaçao. Foto © Bea Moedt
“Seis aña largu Elis i Brenneker a kana ku aparatonan primitivo, riba nan mes forsa sin medionan finansiero nesesario i kolektá e herensha kultural di e masa di pueblo Antiano ku tantu a wòrdu kritiká den “El Curaçao que se va”.
E prome kontako tabata ku Iya di Wanota ku e tempu ei, esta mas ku 10 aña pasá, tabatin 80 aña di edat. Mulando su maishi chikitu riba un piedra el a kanta e prome kantika “Zuntan, zuntan zun klintan”. Despues a tumba pa Seru Fortuna i otro luganan na Kòrsou i Boneiru. E kamindanan tabata kamindanan di problema, pasobra ta kon ta kanta un kantika di rema boto, planta maishi, kap palu, koba buraku sintá den un stul di zoya den kas o riba un banki pariba di kas? Hopi biaha un pal’i basora ku a funkshoná komo rema, chapi o piki a sirbi komo yabi pa habri porta di kanto. Pero hopi biaha tambe mester a bai kas i bolbe bèk despues ora machi o pachi su kurpa tin mas grasia.” (uit: na Apertura di Sentro di Dokumentashon Zikinza, Angel Salsbach, 7 di februari 1975)De serie ‘Het Nationaal Museum vormen we tezamen’ verschijnt ook in Extra en The Daily Herald. Reacties op en suggesties voor bijdragen zijn van harte welkom. U kunt National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM) bereiken op het Johan van Walbeeckplein 13, telefoon (09) 462 1933, fax (09) 462 1936, e-mail: info@naam.an, website www.naam.an
[van de website van NAAM, 19-09-2009]

Nog één keer: voor de allerlaatste keer over Zwarte Piet

 
‘Zwarte Piet is nooit een slaaf geweest’
door Arnold-Jan Scheer
Zwarte Piet bestaat niet sinds 1850. Jongemannen met zwart gemaakte gezichten kwamen al in de Oudheid voor.  Piet is geen Afro, geen creool, geen negerpage, geen etnisch equatoriale Afrikaan, geen Moor en geen slaaf of zelfs geen knecht van Sinterklaas. Robert Vuijsje schrijft dat Zwarte Piet moeiteloos kan worden vervangen door een rode, gele, blauwe, groene of zwarte (!) Piet. Omdat Kleurenpiet net zo veel lettergrepen heeft. Het valt me op dat iedereen ervan uitgaat dat Zwarte Piet een 19de-eeuwse uitvinding is. Van Andree van Es: ‘Tijd om afscheid te nemen van Zwarte Piet’ en prof. Stipriaan Luïscius: ‘150 jaar is nog niet eens zo lang geleden’ tot Van Helsloot van het Meertens Instituut: ‘Hij is in essentie een racistisch fenomeen’. Ik denk het niet.
Heidense elementen
Maar die oorringen, dat kroeshaar en die rode lippen dan? Ik antwoord: wat doet een negerslaaf met een roe? En waarom ontvoert deze kinderen in een zak, door de schoorsteen? Het klopt gewoon niet. Dat zijn heidense elementen, ouder dan de Bisschop van Myra.
Piet is geen Afro, geen creool, geen negerpage, geen etnisch equatoriale Afrikaan, geen Moor en geen slaaf of zelfs geen knecht van Sinterklaas.
Integendeel. Sinds meer dan dertig jaar bezoek ik Sinterklaas- en nieuwjaarsriten op afgelegen plekken in Europa. Daarnaast verdiep ik me in wat geschiedschrijvers uit de Oudheid (Herodotus, Tacitus) zeggen over in essentie sjamanistische gebruiken en hun betekenis (waaronder het zwart maken van het gezicht en de rest van het lichaam). Ik bezocht, filmde en fotografeerde rond 5 december en jaarwisselingen tientallen Sinterklaas- en winter­zonnewende-riten op ooit zeer geïsoleerde plekken, die alle in een oorspronkelijke vorm de tijd hebben doorstaan. En waar maar weinigen van weten.
Dat is andere speculaas. Tijdens deze Sinterklaasriten, die in modern Europa plaatsvinden, worden kinderen letterlijk doodsbang gemaakt (in onze ogen getraumatiseerd), vrouwen geslagen (waarmee ze geen emotionele problemen hebben) en breken er bloedige gevechten uit onder volwassen mannen (ambulances staan klaar). Overal onder aanvoering van Sint Nicolaas.
Archetype
Ik ontdekte op die afgelegen plekken ook dat die roe veel ouder is dan uit het stereotiep van Zwarte Piet dat wij sinds 1850 kennen van het uiterst populaire prentenboek Sint Nikolaas en zijn knecht, van de Amsterdamse onderwijzer en humorist Jan Schenkman. De slavernij moest door Nederland nog worden afgeschaft.
Zwarte Piet is een archetype, net als Sinterklaas zelf, een hybride wezen, het resultaat van wat ze in de godsdienstwetenschap noemen: syncretisme. Hij speelt een rol, zoals iemand die de nar speelt of in travestie gaat tijdens carnaval. Daarmee worden ook geen vrouwen beledigd. Hij is de ongrijpbare knecht van Sinterklaas, de vrolijke tegenhanger, Tijl Uilenspiegel, Jack Sparrow, Pan, Arlequino (die ook een zwartgemaakt gezicht heeft), de sjamaan, de duivel zoals Rome hem afschilderde, de genezer. Hij is altijd sluwer dan de clerus, de magistraten, de intellectuelen en de mensen op posities, die hem tot slaaf proberen te maken, of met hem proberen te sollen.
Vorig jaar om deze tijd mocht ik een lezing geven op een avond voor Caribische letteren. Op Curaçao hebben de nakomelingen van Afrikaanse slaven geen enkele moeite met Zwarte Piet. Ze verven zich nog zwarter dan ze zijn, inclusief kroespruiken, oorringen, roodgeverfde lippen en pagepakjes, tijdens een uitbundige vrolijke Sinterklaasintocht.
Zwartmaken van het gezicht
En in Cornwall, waar ze hun gezichten ook zwart verven, krijgen ze hetzelfde verwijt over racisme, maar daar hebben nooit slavenschepen aangelegd. Ook daar weten ze dat het gebruik heel oud is.
Het zwartmaken van het gezicht tijdens de jaarwisseling gebeurt van Engeland tot Macedonië, ontdekte ik, tot op heden. En nog verder naar het oosten. In Perzië wordt de komst van het nieuwe jaar, van de tijd van Zara-thustra tot nu, gevierd met zich dwaas gedragende zwartgemaakte jongemannen die dansen in een felgekleurde hansop, een week lang. Wanneer deze zwartgemaakte mannen verdwijnen, verschijnt een grijsaard met een lange baard die geschenken brengt, waaronder kiemen en noten. Deze traditie wordt door de islam bestreden, maar op het platteland gevierd. Ook Iraniërs in Nederland doen dat.
Kleurenpieten in Nederland, belachelijk. Deze discussie is verworden tot een oud-Hollandse geloofsstrijd waarbij de rekkelijken en preciezen, correcten en incorrecten elkaar in de haren vliegen.
De geschiedenis begint niet in 1850. Als je alleen het laatste stukje ervan meeneemt, slaat deze hele discussie nergens op. Zwarte Piet is geen slaaf, integendeel. Hij laat zich niet temmen. Hij duikt steeds weer op. Hij is ongrijpbaar. Hij is van het volk.

Arnold-Jan Scheer is journalist, televisiemaker en auteur van Wild Geraas.

[eerder verschenen in de Volkskrant, 15-1-2013]

Carubbian Festival: a neo-baroque creation in Sunrise City

by Joe Fortin

Every Thursday there is something going on in San Nicolas, Aruba. Maybe for some it is a celebration of life, while for others it refers to a feast of forgetting sorrow. But what is this Carubbian Festival really?

First some facts. During this celebration there are several entertainment shows, music bands and local people selling food, snacks and cakes. This party is an invention in order to give this ‘ghost town’ an economic boost, because since the closure of the oil refinery there is almost no commercial activity in this town also known by the local population as Chocolate City. How different it was between the 1950’s-1980’s. San Nicolas was a real cosmopolitan city with different shops, bars and dancing halls. Because of its multi-ethnic population, San Nicolas was a real creole Caribbean town where you could hear different languages from all over the world and taste a variety of foods and drinks that the English West Indians brought with them. Nowadays the main street is almost desolated. However, you can still find some shops and bars and taste the wealth of an opulence past. During the daytime you can find groups of local men sitting and chatting in front of The White Star bar and some ‘chollers’ (addicts) looking for a car to wash for money; at night the prostitutes take over the street, while looking bored and void at possible clients.
Tourists can buy tickets to assist the Carubbian Festival. This includes transport in air-conditioned luxury busses, seats during the shows and masks so that they can participate in the festivities. When they arrive at the festival plaza, near the barbed wired fences of the abandoned refinery, which during the day, is a desolated parking lot, they are guided to their seats enclosed in a barricaded terrain. On the plaza there is a podium with musical instruments, a lot of movement, and people going up and running down from the stage. This is only a prelude that foretells that something is going to happen soon. On the main street, near the parking lot, local people are gathering in small groups, chitchatting and laughing feverishly. They are well dressed and perfumed and ready for the evening. Small merchants and people with local stores ‘shap’ are installing their food and their handicraft on small tables. Stiltwalkers from The Party Animals are entertaining people, while greeting and waving to their acquaintances and making publicity for the popcorn machine.
Meanwhile, the show-master is announcing the local stars that are going to entertain the crowd. There is a variety of steel drums, traditional Aruban music and dance, like the well-known ‘ribbon dance’ (baile di cinta) on Caribbean mazurka or polka. There is a limbo dancer that brings us back in time with his hypnotizing dance of fire and several other typical Carubbian entertainments.
After these performances, some tourists are invited on stage in order to participate in a dance competition. At this point the locals are gathering and getting closer to the stage. On stage a local couple gives a demonstration on how to dance merengue, salsa, caiso or calypso, and afterwards, it is the turn of the visitors to try to make the same movements with their hips and shoulders. The show-master gives them instructions on how to move the hips and incidentally advises them on how to improve their amorous life. However, their movements are always too late or too soon. The witty, sharp and hilarious remarks of the show-master are cruel but never offensive. We can consider this festival as a mise en abyme, an infinite reproduction of an image. The visitors who paid money to watch a show, become part of the show. Some of them become performers on stage, while the rest, sitting and watching the show, are part of the festival as well. They are sitting on the plaza and are being watched by local people. Between the local people, you can find other tourists, looking at the locals, gazing at the tourists, watching the show.
Now it is the turn of all the invitees to participate in the local tradition of self-exposure in a street parade. The tourists get off their seats while walking in groups in the direction of the brass-band music coming from the main street. The locals, on the other side, are forming lines on the sidewalks to watch the upcoming parade. As the brass band is getting closer you can see a group of locals dressed in carnival costumes dancing to the rhythm of Caribbean sounds. Behind this group, you can see the tourists, some of them dancing, others trying in vain to swing, but most of them just walking like they have been zombified. Some of them wear their masks, which were included in the evening package; others are holding it in their hands, somewhat clumsy and waving to the gazing public, which now are the locals.
Sitting in their air-conditioned busses, satisfied and exhausted and somewhat surprised by an evening outside their confident and comfortable hotels and restaurants, the visitors are ready to return to their luxurious life. However, this is not the end of the fete… Now the locals are taking over the plaza, while the bands keep playing their music; people are dancing, children playing and scabbed mongrels sniffing and looking for some leftovers. Will the tourist ever know that when they left, the feast just started for the locals?
Now the meta-text. Interesting about this Carubbian bash is that it inverts the traditional standards and values. Generally it is the tourist that gazes at the local, ‘exotising’ him. The local becomes an object of fetish for the visitor, because he is strange, ‘other’, has another modus in quotidian life. As a passenger you can feel free to observe the other at ease. But now, at the Carubbian Festival, the tourist is the exotic one and he is being fetishized as the other. The local is free to look shameless at the tourist and laugh at him. At the same time, the local forms a mirror for the tourist, so he can look at his own image. Just like in the mirror-stage of Lacan, first he does not recognize himself. He thinks that his reflection is another person, the other. But then, he recognizes himself in the reflection and becomes aware that he is the other. But this reflection is fragmented, so it creates a partial double of himself. The tourist becomes the local: their separated life now comes very close to each other.
The Carubbian Festival creates another reality, an illusion, and a simulacrum of the Aruban reality. According to Baudrillard, simulacrum is a construction of a world that seems like ours but in reality doesn’t exist. Simulacra are copies that depict things that either had no reality to begin with, or that no longer have an original.[1]This bash is a simulacrum because it is a creation of a reality that at first did not exist. The shows and carnival parade are being organized firstly to give the ‘ghost town’ San Nicolas a boost (commercial invention) and secondly to give the tourist alternative entertainment (festivity invention). On the other side, this festival is also a simulation: it looks like something known, but it isn’t. It is a simulation of the carnival parade in February, but now in another setting as an invention for every Tuesday evening. It depicts real life during a weekly celebration. It is an intertextual reference to the ‘real’ carnival celebration, because it creates an allusion that seems like carnival, but in a totally different frame. On the other side, we can say that this festival is also metafiction, because it refers to itself as a fictional construction that is aware of its functionality. The audience (local and tourist), the show-master, the participants and the musicians all know that they are part of a constructed illusion.
Besides, we can say that the festival is an inversion of the reality. According to Bakhtin ‘[i]n carnival, laughter and excess push aside the seriousness and the hierarchies of “official” life. […] In Bakhtin’s work, the image of reversal symbolizes his intellectual ideal of rethinking: finding multiple levels of meaning in words, images, and tone.’[2]But the Carubbian Festival is an inversion of an inversion, a double-inversion. Now the local is playing the tourist who is looking at the tourist masqueraded (literally and figuratively) as the local.  In this setting, even the prostitutes and the chollers can be seen as part of the show; they are no longer considered as aberrant as they contribute to the inversion of the inversion of the reality.
The Carubbian Festival is a neo-baroque construction: it is an artificial reality and everybody is aware of this counterfeit. But on the other hand it is a space where you can be yourself by acting like the ‘other.’ The festival is a fiction that proposes a hyper reality: a reality that is even more real than daily life.
References:

Bakhtin, Mikhail.Rabelais and his World. Cambridge Massachusets: The M.I.T. Press, 1968.
Baudrillard, Jean. Simulacra and Simulation. University of Michigan Press, 1994.
Chiesa, Lorenzo. Subjectivity and otherness. A Philosophical reading of Lacan. Cambridge/ London: The Mitt Press, 2007.
Sarduy, Severo. Barroco. Buenos Aires: Editorial Sudamerica, 1974.
—. “Copy/Simulacrum”. In: Written on a Body. Lumen Books, New York, 1989.
Waugh, Patricia. Metafiction: The Theory and Practice of Self-conscious Fiction. Methuen, 1984.
Živković, Milica. “The Double as the ‘Unseen’ of culture: toward a definition of doppelganger.”
Facta Universitaties (121-128). Vol. 2– No 7, 2000.


[1]Robert Goldman; Stephen Papson. “Landscapes of Capital”, Information technology. St. Lawrence University, 2012.
[2] Shanti Elliot,  ‘Carnival and Dialogue in Bakhtin’s Poeticsof Folklore’, 1999.

Trommelgeesten (12 en slot)

door Fred de Haas
 
Gebruik van medicinale en/of hallucinogene kruiden in de Curaçaose ‘magie’
 
Zolang als de mensheid bestaat heeft men kruiden gebruikt voor geneeskundige en ‘magische’ doeleinden. Zaden, wortels en extracten van planten en kruiden werden ook gebruikt voor minder fraaie, zelfs criminele doeleinden, zoals het vergiftigen van mensen. Vijgenbladeren vermengd met tabak zijn een roesmiddel. De eik en de tamarinde zijn heilige bomen, ook bij de oude Kelten en Germanen. De aloë is een talisman. Wierook is een probaat middel om de boze geesten van het Oudejaar uit huis te jagen onder het uitspreken van de woorden ‘saka fuk’i aña bieu’ (=  het ongeluk van het oude jaar weghalen). Mijn vroegere buurvrouw deed dit elk jaar.
A.M.G. Rutten heeft in zijn boek Magische kruiden in de Antilliaanse folklore verslag gedaan van een etnofarmacologisch onderzoek dat hij in West-Indië heeft verricht in 1956/57. In zijn boek vind je talloze voorbeelden van planten en kruiden die het bewustzijn kunnen vernauwen, verruimen, verdoven en veranderen. Zo zijn er op Curaçao wel meer dan dertig plantensoorten die een psychedelische (= de geest beïnvloedende) uitwerking kunnen hebben. Yerba di glas en Hilo di diabel bevatten LSD-achtige verbindingen, de Barba di Yonkuman bevat looizuur en giftige narcotica, wortels en zaden van cactussoorten kunnen zeer hallucinogeen (= zinsbegoochelend) zijn.
Het gegiste sap van de karakteristieke Curaçaose agave of Pita plant is roesverwekkend en het gebruik ervan niet van gevaar ontbloot. Rutten merkt op (p.122): ‘wie voor magische doeleinden zijn toevlucht zoekt tot de Antilliaanse flora loopt altijd kans op vergiftiging. Een aantal kruiden dat als medisch getinte ‘Golden Herbs’ (= gouden kruiden) wordt gepropageerd veroorzaakt reacties die ernstig zijn, maar waarbij de herkomst van de reactie niet wordt onderkend’. En: ‘Atropine en Hyoscine uit planten van de Nachtschadefamilie zijn bruikbare geneesmiddelen, maar ook beruchte hallucinogenen en criminele wapens’.

 

Er zijn ‘magische’ kruiden of plantenextracten die je na gebruik ervan de indruk kunnen geven dat je in een andere wereld terecht komt, contact krijgt met het ‘bovennatuurlijke’ of zelfs de suggestie kunnen geven dat je ‘vliegt’. In de slaventijd vertelde men verhalen over slaven die ‘terugvlogen’ naar Afrika. Ongetwijfeld kwamen die verhalen voort uit ervaringen van mensen die bepaalde kruiden hadden gebruikt waardoor ze zware hallucinaties kregen. Een kwestie van pure zinsbegoocheling. Ook de Caiquetíos, de Indianen die vroeger op de Benedenwindse eilanden woonden, waren bekend met het gebruik van allerlei kruiden. Hun rotstekeningen zouden kunnen wijzen op ‘vliegervaringen’, te oordelen naar sommige afbeeldingen die de suggestie wekken van iemand die ‘opstijgt’.
De Afrikanen uit Senegal, Angola, Ghana en Nigeria kenden het bestaan van hallucinogene planten en brachten hun kennis hiervan mee overzee. De kennis van kruiden die Haïtiaanse Vodou-priesters hebben is fabelachtig. Wie kent niet de verhalen van mensen die in Haïti tot levende doden zijn gemaakt – zombis –  door hen te vergiftigen en te verlammen met o.a. sap van Dieffenbachia en extracten van de manzaliña? Dat soort praktijken geldt in het Wetboek van Strafrecht van Haïti als moord.
Kasha di huramentu (Kast met rituele benodigdheden). Foto @ Michiel van Kempen
Ook sterke drank kan een belangrijke rol spelen bij bepaalde ceremoniën. Van oudsher was rum altijd een geliefkoosde drank om een psychodynamische sfeer te creëren. Ook in Montamentu kan het gebruik van rum een functie hebben.
Het is niet moeilijk om je voor te stellen dat het gebruik van kruiden, drank, het uitspreken van bezwerende ‘religieuze’ formules, het spelen van ritmische muziek, een sfeer kan creëren die kan worden ervaren als ‘heilig’. Net als vele andere mensen is ook de Antilliaan zeer gevoelig voor dit soort zaken. Hun geest staat open voor invloeden van magische rituelen en de vraag is of er aanleiding is om hiermee rekening te houden in de reguliere gezondheidszorg.
Om deze vraag te beantwoorden neem ik u weer mee naar het artikel van Rose Mary Allen ‘Hende a hasi malu p’e’ (over volksgeloof in de Curaçaose cultuur).
De promotie van den ingebeelden zieken (1742),
vertaling J.J. Mauricius. Collectie Michiel van Kempen

 

Le malade imaginaire?
De vraag is in hoeverre de moderne geneeskunst rekening kan en/of moet houden met cultureel bepaalde denkbeelden omtrent de oorzaken van bepaalde geestelijke aandoeningen.
Ik citeer de openingsregels van het hierboven aangehaalde artikel van Allen:
‘De gedachte dat cultuur een steeds belangrijkere rol speelt in de geestelijke gezondheid krijgt steeds meer gedaante. In de psychiatrie worden culturele factoren steeds meer in acht genomen bij het diagnosticeren en behandelen van geestelijke aandoeningen. De bewustwording over de rol van cultuur in de psychiatrie ontstond toen westerse samenlevingen te maken kregen met een groeiend aantal migranten uit verschillende culturen. Psychiaters werden er zich meer van bewust dat bij het behandelen van geestelijke ziekten men ook niet-Westerse ideeën in acht diende te nemen’.
Deze positieve en op zich sympathieke gedachte vraagt wel om enig kritisch commentaar.
Er zijn nogal wat mensen die heilig geloven in het feit dat een boze geest er de oorzaak van kan zijn dat zij zich niet goed voelen. Dat geloof in magische zaken is al heel oud en laat zich niet zomaar wegredeneren. Als een moderne geneesheer goed contact wil hebben met zo’n patiënt kan het van belang zijn dat hij/zij rekening houdt met het magische denken van de patiënt. Als de patiënt merkt dat zijn denkbeelden niet worden weggewuifd als zijnde primitief dan kan er een vertrouwensband ontstaan tussen dokter en zieke, waardoor het mogelijk is dat de moderne geneesmethodes van de dokter effect krijgen en de zieke openstaat voor een ‘moderne’ behandeling.
Mijns inziens kan een moderne geneesheer dat alleen doen als hij, voor de effectiviteit van zijn behandeling, gebruik wil maken van de culturele achtergrond van zijn patiënt zonder zelf in die denkbeelden te geloven. Een moderne arts is geen montadó, mysteriewerker of medicijnman en zal nooit en te nimmer geneeswijzen toepassen op basis van een vermeende ‘Creoolse spiritualiteit’, een geloof in ‘boze geesten’, ‘magische’ krachten of ideeën die afkomstig zijn uit een ver Afrikaans of Indiaans verleden. Dat er mensen zijn die deze ideeën aanhangen is één ding, maar of je erin moet meegaan is een tweede. Als een patiënt zijn/haar ziekte verklaart uit het effect van ‘hekserij’ of ‘brua’ hoef je de integriteit van de patiënt zelf niet in twijfel te trekken, maar zijn/haar ideeën des te meer.
Het lijkt me geen goed idee om ‘Creoolse spiritualiteit’ (wat dat ook moge zijn) op een voetstuk te zetten en te beschouwen als een manier van denken die bewaard moet blijven als een soort permanent cultureel erfgoed. Als iemand denkt dat de heilige Barbara in staat is om boze geesten te verjagen moet ie dat zelf weten, maar een moderne arts kan zich zo’n opvatting niet veroorloven.
Nabeschouwing
Hoewel we slechts kort hebben kunnen ingaan op verschillende Afro-Caribische godsdiensten hoop ik dat de lezer zich een idee heeft kunnen vormen van de wijze waarop deze religies in de Nieuwe Wereld een verandering hebben ondergaan en zijn geïntegreerd in het denk- en belevingspatroon van grote delen van de bevolking. De vraag naar de reden van het hardnekkig voortbestaan van deze ‘zwarte’ godsdiensten is alleszins gewettigd. De reden hiervan is m.i. dezelfde als die welke geldt voor alle godsdiensten.
Het is een eigenschap van de mens om steun te zoeken bij iets machtigers, iets ‘hogers’ dan hijzelf. Op het wereldse gebied wordt de mens beschermd door sociale en politieke instellingen met aan het hoofd functionarissen die door de hele bevolking of door een deel van de bevolking zijn gekozen of gewoon benoemd (burgemeesters, ministers, wethouders, een koning, enzovoorts).
Voor het geestelijk welzijn van de meeste mensen blijkt de wereldse bescherming echter niet genoeg te zijn. In dat geval kunnen allerlei godsdiensten en magische praktijken uitkomst bieden. Hoe bevredigender de antwoorden zijn die een godsdienst op vragen van een mens heeft, hoe populairder deze is. En dan is het te hopen dat de ‘bedienaren’ van de godsdienst in kwestie geen misbruik maken van hun geestelijke macht en dat er evenmin gebruik wordt gemaakt van godsdienst voor politieke doeleinden. Een gevaar dat o zo reëel is en waar de kranten dagelijks vol mee staan.
In maatschappelijk opzicht kan religie voor mensen een heel belangrijke rol spelen. Godsdiensten kunnen mensen die een onopvallend leven leiden de mogelijkheid bieden om  ‘belangrijk’ te worden doordat hen een bepaalde functie wordt toegewezen. Bij Protestanten kan je ‘ouderling’ worden, bij Katholieken ‘pastor’, misdienaar, koster enz. Bij de Afro-Caribische religies is het niet veel anders. Vrouwen die in het maatschappelijk leven nederige arbeid verrichten kunnen ineens belangrijk worden in de ogen van de gemeenschap omdat ze ‘priesteres’of ‘medium’ zijn en mannen die in het gewone leven nauwelijks of niet opvallen kunnen ineens bekendheid krijgen en in aanzien stijgen omdat ze de ‘heilige’ trommels bespelen tijdens Vodou diensten.
Verder bieden godsdiensten ook de mogelijkheid om een latente nieuwsgierigheid naar het ‘bovenaardse’ te bevredigen en aan een brujo/a via het occulte om advies te vragen, een genezing te bewerkstelligen, een wraakoefening uit te voeren en wat je verder maar kan bedenken. We vinden dit in een milde vorm ook terug bij gevestigde godsdiensten als het katholicisme. Menigeen heeft wel eens een kaarsje opgestoken in de kerk om iemand te gedenken of in de hoop op een goed examenresultaat. En wat te zeggen van de zegen van de priesters, het vergeven van zonden, de transsubstantiatie (verandering van Brood en Wijn in het Lichaam van Christus. Overigens geen dogma), de Doop, het Heilig Oliesel, de ‘Zoon van God’, het door de straten dragen van beelden van Maria en andere heiligen… Zijn dat allemaal geen milde vormen van Brua? Wees eerlijk. De meesten van ons vinden al die zaken gewoon, omdat we eraan gewend zijn. Zo gewoon zijn ze toch niet? Toch geloven 1,2 biljoen mensen hier min of meer in. En wat te denken van de volgende uitspraak van een dominee van een Pinkstergemeente (‘Bida Nobo’) op Curaçao: ‘Christen worden is een proces. Eerst moet je je bekeren, daarna laat je je dopen met water en vervolgens word je gedoopt met de Heilige Geest wat spontaan of onder handoplegging kan gebeuren. Daarbij ontvang je gaven van de Geest zoals het spreken in tongen, het vertolken van tongen, profetie, het onderscheiden van goede en kwade geesten, het doen van wonderen of genezingen. […] Het spreken in tongen ‘wekt soms onbegrip bij buitenstanders op, omdat mensen die in tongentaal spreken emotioneel kunnen zijn en dat wordt wel eens verkeerd geïnterpreteerd. Het is bedoeld om de Heer te prijzen in een soort geheime gebedstaal’.
Is dat Brua of is dat geen Brua? De Pinkstergemeente voldoet in elk geval aan een diepgevoelde behoefte van een deel van de bevolking. Het is overigens de enige kerk op Curaçao die haar ledental zag verdubbelen van 3,5% in 2001 naar 6,6 % in 2011 (Central Bureau of Statistics Curaçao, Willemstad 2012).
Wat opvalt in de Afro-Caribische religies is dat ze allemaal bepaalde kenmerken met elkaar gemeen hebben. Er zijn veel rituelen met trance toestanden, er zijn mediums die – naar men gelooft –  met geesten kunnen communiceren, er is een Godsbegrip en een Opperwezen dat zich niet bemoeit met aardse zaken, er zijn godheden die tussen het Opperwezen en de mens in staan, er is een bepaalde structuur in de rituelen (al of geen Afrikaans gezang, het aanroepen van de goden, het brengen van offers, het dansen tijdens de dienst), er worden kruiden, tabak, drugs  en/of alcohol gebruikt, er is een dunne grens tussen religie en magie, religie en moraal zijn twee aparte zaken, je kan bovennatuurlijke krachten manipuleren, er is geen hiernamaals waarin je beloond of gestraft wordt, godheden hebben menselijke eigenschappen, meestal is er sprake van voorouderverering, men gelooft in reïncarnatie, het is mogelijk om zowel christelijk/katholiek te zijn en tegelijkertijd lid van een Afro-Caribische religieuze gemeenschap en bij haast al die erediensten is – vaak virtuoos – trommelspel onontbeerlijk.
De trommelgeesten kunnen de toekomst voorlopig nog met enig vertrouwen tegemoet zien.

St. Maarten bruist tijdens ‘long weekend’ van vijf dagen

door George Cheng Jr.

Kassav’ zanger en gitarist Jacob Desvarieux tijdens live optreden Carnival Village, St. Maarten. Foto @ George Cheng Jr. 
Terwijl Suriname aan het werk is, wordt op St. Maarten flink gefeest tijdens de Jouvert-Morning. Om 4 uur in de ochtend lokale tijd (5 uur in Paramaribo) vertrekt na de Calypso-Finals een enorme mensenmassa vanuit de ‘Carnival Village’ met muziek door de straten van St. Maarten. Een aantal sound-trucks met de calypso-bands begeleiden dansende feestgangers tot hun hoogtepunt, welke tot lang na zonsopkomst duurde. En dit is pas een deel van een veel groter geheel. 

Aan de Nederlandse kant van St. Maarten wordt het Carnavalsfeest na de Paasdagen gevierd. De hoofdreden is dat het dan niet samen met Carnaval aan de Franse kant van het eiland gehouden hoeft te worden en je beide mee zou kunnen maken. Maar verreweg de beste reden voor toeristen is wel dat het Carnaval tijdens het laag-seizoen valt en er vaak dan ook betaalbare tickets naar St. Maarten te vinden zijn.

Gedurende het hele Carnavalsseizoen wordt in de ‘Carnival Village’ ook genoten van grote shows en concerten, met diverse avonden verschillende thema’s. Enkele top optredens waren op de Zouk-Night: Carimi en Kassav’, op de Latin Night: Daddy Yankee, op Soca Night: Lady Saw, RDX, Tallpree, Konshens en Busta Rhymes en op maandag avond de Reggae-Night met Busy Signal en reggae-grootheid Damian Marley. Voor een ieder wat wils dus. Tussendoor de grote shows wordt op de andere dagen ook nog een Miss Mature Pageant, Cultural Night, Teen & Senior Pageant en Youth Extravaganza gehouden. Dit alles vindt plaats in de Carnival Village, een purpose-built verhard festival-terrein, omringd door bijna 80 etens-stands. Behalve BBQ en Oyster Soup, is de Surinaamse keuken ook vertegenwoordigd en kunnen de ‘locals’ hier terecht voor een Moksi Alesi of rijst Pastei.

Laatste Koninginnedag vieren 
Het Kindercarnaval (Junior Parade) is zondag 21 april gelopen en dinsdag gaat de Grand Carnival Parade door de straten in en rondom de hoofdstad Philipsburg. De parades bevatten kleurrijke praalwagens en deelnemers gekleed in prachtige kostuums. Ook de calypso-muziek mag niet ontbreken, om alles bewegend te houden. Het belooft dit jaar een waar spektakel te worden: wel 18 sound-trucks zullen met de Grand Carnival Parade meerijden.

Op St. Maarten wordt op 30 april nog Koninginnedag gevierd, en is de eerste werkdag na dit 5-dagen tellend long-weekend pas op donderdag. Het geheel wordt dan afgesloten met een Closing Jump Up en het verbranden van de ‘King Momo’.

[van Starnieuws, 29 april 2013]

Stoute wandelaars

door Nikki Mulder

Paramaribo – De Avondvierdaagse telt bijna zestig vrolijke kilometers. Vier dagen lang lopen, dansen, muziek maken, zingen en springen. Want de AVD is geen gewone wandelmars.
Met al die imposante koto’s, energieke dansgroepen en brassbands die zich van hun beste kant laten horen, is het een kruising tussen een groot sportevenement en carnaval. Een ongemakkelijke kruising, blijkt nu. Want hoever mag je gaan in je show? En wie bewaakt de grens tussen onschuldig schudden en een ordinaire performance?
Hoe ver mogen AVD-ers gaan in hun show? En wie bewaakt de grens tussen onschuldig schudden en een ordinaire performance? Foto © Stefano Tull
De brassband zweept op, het publiek vraagt om een show. Twaalf paar billen gaan de lucht in. Alles trilt en schudt, het liefst zo snel mogelijk. Een jongen komt ertussen staan, de performance wordt heter, het publiek vraagt om meer. Hij schudt zijn heupen mee, trekt zijn shirt omhoog, suggereert. Als in een paringsdans draaien de opgehitste wandelaars speels om elkaar heen. Want ze mogen kijken, maar niet aankomen.
Het bestaan van die regel lichamelijk contact is ten strengste verboden werd vorig jaar pijnlijk duidelijk. Voor het eerst in de geschiedenis van de AVD diskwalificeerde de Bedrijven Vereniging Sport en Spel (BVSS) een complete wandelgroep wegens ongepast gedrag. Volgens de organisatie overschreden de jongens en meisjes van Un Sa Yere in hun feestelijke enthousiasme de grenzen van het toelaatbare. Ze dansten te sexy, te obsceen, en dat midden op straat voor de ogen van het hele land.Ook de geluiden vanuit de samenleving waren niet mals: “beestachtig”, “losbandig”, “onbeschaamd”.
Uitspattingen
BVSS-voorzitter Purcy Olivieira noemde het “bewuste uitspattingen” en hij had zoiets “nog nooit” in zijn leven gezien. Verontschuldigingen mochten niet meer baten en de wandelgroep werd uitgesloten van deelname. Dergelijk “fout gedrag” is volgens hem geen goed voorbeeld voor onze kinderen en mag daarom niet getolereerd worden. (Ironisch genoeg nam het Jeugdjournaal de beelden van de wandelgroep op in hun uitzending.)
Nauwelijks twee weken geleden struikelde de samenleving nog over jongeren die zich seksueel zouden hebben misdragen tijdens de Anti-Discriminatieloop. “Als dat maar goed gaat”, moet de BVSS gedacht hebben in aanloop naar de 49ste editie van de wandelmars. Want, eerlijk is eerlijk, voor veel deelnemers zijn niet de afgelegde kilometers, maar de shows en de kleding de belangrijkste aspecten van de AVD.
Oplettendheid
De AVD 2013 stond dus in het teken van verhoogde oplettendheid. In zijn programmaboekje sprak Olivieira over Un Sa Yere als “een donkere plek in de schaduw” en waarschuwde dat de wandelmars bedoeld is voor de totale samenleving. Wandelaars en toeschouwers moesten er samen voor zorgen dat er geen herhaling van vorig jaar plaatsvond. De politie werd daarbij speciaal ingeschakeld om te letten op “onzedelijk gedrag”.
Woensdag was er bij de opening van de AVD op het sportveld van de BVSS echter nauwelijks iets te bespeuren van de nare voorgeschiedenis. De kostuums waren even kleurrijk, even spannend en sexy als de jaren ervoor. De serieuze en waarschuwende speeches van enkele ministers en organisatoren werden traditiegetrouw overstemd door de opgewonden vrolijkheid van de eerste wandeldag. De zon brandde en mensen waren er klaar voor: vier dagen zien en gezien worden.
Iedereen kijkt
Toch staat het gedrag van Un Sa Yere en hun diskwalificatie bij het gros van de deelnemers in het geheugen gegrift. “Je kunt niet zo ordinair dansen”, vindt Janine van The Colorful Pasha Crew. Ze houdt van het showelement van de vierdaagse, zegt ze met een grote glimlach. “Je loopt door de straten van Paramaribo, mensen kijken naar je, de president kijkt, iedereen kijkt.”
Al die ogen langs de kant van de weg en voor de televisie is voor haar het leukste onderdeel van de AVD, maar tegelijkertijd de reden om op je gedrag te letten. Dat hun knalrode jurkjes zo kort en strak zijn, maakt niet uit volgens haar, “want we dragen er een broekje onder”. Ook bij de Parbo Brassband is de boodschap aangekomen. “Die diskwalificatie was terecht. Je mag dansen, maar je moet de waarden en normen van de wandelmars hoog houden. Het is een sportactiviteit”, zegt danseres Xiomara. Ze is nog maar 22, maar al een echte AVD-stonfutu. Zelf danst ze “sexy, maar nog netjes”, beweert ze.
Schudden
“Je mag zo dansen op je huisfeestje, maar niet over straat. Als jij betaalt, mag je zo doen, ja toch?” Kotomisi Clarita van wandelgroep Mi Afi loopt voor de tweede keer mee en heeft de ophef vorig jaar meegekregen. Ze vindt het vooral belangrijk om je netjes te gedragen, “want er komen ook buitenlanders kijken”. Toch kan ze de spontaniteit van de AVD waarderen en geniet ze ervan om “lekker te schudden” tijdens de wandelmars.
Een andere spectaculair uitgedoste kotomisi haakt aan op Clarita’s argument. “We verkopen ons land, want ook in het buitenland kijken mensen mee”, zegt Namofani van Naks. “Je mag je daarom niet zo asociaal gedragen.” Ze heeft de koto’s van haar groep zelf ontworpen, maar wel zo dat alle vrouwelijke rondingen en bewegingen goed tot uiting komen door alle lagen heen. “Je ziet alles!” roept ze euforisch.
Sexy
Over het algemeen stellen de wandelaars zich op hetzelfde standpunt: dansen mag, en sexy ook wel, want dat ziet het publiek graag. Wordt je show echter te ordinair, dan moet de organisatie optreden. Maar, zoals de beroemde uitspraak niet voor niets luidt: in theorie is er geen tegenspraak tussen theorie en praktijk, maar in de praktijk vaak wel. Want wat voor de één nog gepast en niet te wild is, gaat voor de ander al te ver. De grens ligt bij iedereen anders.
Stoute wandelaars die een opwindend feestje wilden maken van elke hotspot en drukke kruising kregen daar de afgelopen dagen eigenlijk alle ruimte voor, ondanks de vermeende striktheid van de organisatie. De meisjes van The Classics meets the Superstars mochten voor de camera van TV2 hun trillende billen tegen elkaar schuren.Een jongen van Pets Promotion hield ongestraft een sexy show met zijn sixpack, en het publiek genoot.
Stoute wandelaars leven zich uit op een politiemotor. De één vindt het “ordinair” en een teken van “normvervaging”, de ander houdt het op onschuldige “fun”.
Grens
Op Facebook barstte bovendien een discussie los over twee dames van B-Fit. Die hadden de grootste lol met het ‘berijden’ van een geparkeerde politiemotor en werden op camera vastgelegd. De één vindt het “ordinair” en een teken van “normvervaging”, de ander houdt het op onschuldige “fun”. De wandelmars is geen wandelmars zonder show, maar hoeveel seksuele ingrediënten die show mag hebben, daar heeft iedereen zo zijn eigen ideeën over.
Twee politieagentes die bij de wandelmars surveilleerden moesten een beetje lachen toen hen gevraagd werd of ze specifiek letten op onzedelijke dansers. “Nee, want het is niet strafbaar. Iedereen heeft daarin een eigen verantwoordelijkheid.” Als wandelaars het iets te bont maken, dan willen ze wel een waarschuwing geven. Maar, vraagt één agent zich af, “waar ligt de grens? Als jouw grens ligt bij dansen tot op de grond, dan kan ik daar niets aan doen.”
[uit de Ware Tijd, 06/04/2013]
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter