blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: folklore

Tambú als Immaterieel Erfgoed in het Haagse Museon

door Fred de Haas

Er stond een straffe westenwind, die zaterdag in maart 2019 en de gutsende regen kreeg vrij toegang tot een gezicht dat al was getekend door chagrijn over het feit dat parkeren bij het Haagse Museon op dat moment haast onmogelijk was gebleken. Dat werd dus een kilometer lopen voordat ik arriveerde bij een manifestatie ter ere van het feit dat het Curaçaose Tambú (‘tamboerfeest’ zou de oude kolonisator hebben gezegd) sinds 2015 definitief was toegevoegd aan de Nationale Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed en nu zou komen te beschikken over een uitstalkast in het Haagse Museon, tussen de vitrines met ‘vreemde vogels’ en primitieve ‘Hollandse kustbewoners’. read on…

Sambumbu van Paul Brenneker

“Foutief interpreteren is ook folklore”

Volkskunde van Curaçao, Aruba en Bonaire, folklore, opgetekend door Paul Brenneker (1912-1996), oorspronkelijk uitgegeven in 10 deeltjes van 1969 tot 1976 is onlangs, in 2017 en in het huidige jaar, heruitgegeven in 4 delen. read on…

‘Magische traditie’ of ‘racistisch spektakel’

Zoals elk jaar viert een dorp in Alicante vrijdagavond Driekoningen met zwart geschminkte knechten.

door Coen Greven read on…

Surinaamse traditie: Baden op owru yari

Een owru yari wasi, baden vóór of na het afschieten van de pagara om 00.00 uur is bijna een must! “Je lichaam reinigen met switi watra is een Surinaamse traditie”, zegt directeur Anand Mahabier van A.S. Mahabier Store aan Starnieuws. “Deze traditie aan het eind van het jaar is niet cultuurgebonden. Kent geen gezicht, geloof of etniciteit.” read on…

Surinaamse boeken onder één dak

[advertentietekst]
Er is goed nieuws voor liefhebbers van boeken en Suriname-fans!
Het is afgelopen met eindeloos zoeken om boeken van of over Suriname te vinden. Kinderboek, kookboek, roman, thriller, reisboek of cultuur, de nieuwe website Suribooks.com voorziet in de behoefte aan boeken met die echte Surinaamse ´flavor`. In Suriname uitgegeven boeken zijn voor het eerst snel en gemakkelijk in Nederland verkrijgbaar. read on…

Happy New Year – Bon aña nobo – Voorspoedig Nieuwjaar

Inwoners van Willemstad op Curaçao verwelkomen het Nieuwjaar met het verjagen van boze geesten door zich door rookwolken te bewegen.

read on…

Werkgroep presenteert Tropengraf

Op de avond van 22 november verzorgt de Werkgroep Caraïbische Letteren de vertoning van de film Tropengraf in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. De werkgroep nestelt zich die avond bij stichting IBS in een avond gewijd aan de geschiedenis van Suriname en de Antillen. Noteer de avond in je agenda!

Tropengraf; een West-Indische overlevering – Op 27 augustus 1913 wordt op een struisvogelfarm in een buitendistrict van Curaçao de blanke assistent van een Nederlandse farmhouder dood aangetroffen. Geruchten doen de ronde dat er geld, overspel en jaloezie in het spel zijn. Maar door gebrek aan bewijs wordt de zaak gesloten en inmiddels zijn alle mogelijke getuigen overleden. Aan de hand van authentiek beeld- en geluidsmateriaal onderzoekt de documentaire de onopgeloste moord, zonder daarbij alsnog een schuldige te willen aanwijzen. read on…

Eerbetoon aan culturele voorgangers: Pater Paul Brenneker en Elis Juliana

door Ieteke ‘Inchi’ Witteveen
Verzamelen, bewaren, documenteren en overdracht van kennis van ouderen, het bestuderen van de geschiedenis en geheugen van onze mensen van binnen uit. Alleen op die manier kan de gedachtenwereld van onze bevolking begrepen worden.
Paul Brenneker, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 
Dé pioniers voor deze grote culturele taak op Curaçao zijn ongetwijfeld Pater P.H.F. (Paul) Brenneker (1912–1996) en Elis Juliana (1927-2013). In het kader van de viering van Kulturismo 2009 zette de Fundashon National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM). samen met APNA de schijnwerpers op deze grondleggers van cultureel onderzoek en van de nationale collectie cultureel erfgoed. Dat gebeurde via een expositie Altá di Kòrsou, over de voornaamste altaren van Curaçao een publicatie Altá i Santunan di Kòrsou en de onthulling van een naambord op de patio van het gebouw waar NAAM is gevestigd, bekend als de oude leeszaal.Paul Brenneker, een bevlogen katholieke geestelijke van de Orde van Dominicanen, geboren op 7 mei 1912 in Limburg, liet bij zijn overlijden op 7 februari 1996, een grote culturele erfenis achter: ruim honderd publicaties, prenten, foto’s, gedichten, een grote collectie met geluidopnames van zang en verhalen en duizenden artefacten, die hij samen met zijn vriend Elis Juliana vanaf de jaren vijftig verzamelde op Curaçao, Bonaire, Aruba, St. Maarten, St. Eustatius en Saba. Door publicaties als Lekete Minawa (1958) Benta – oude liederen- (1959), Curaçaoensia – volkskundige aantekeningen over Curaçao(1961), Brua (1966), en de tien delen Sambumbu (1969 -1975) geeft hij ons toegang tot directe bronnen voor nader onderzoek. Naar de ontwikkeling van Guene bijvoorbeeld als voorloper van het Papiamentu, naar volksreligie en verzet tegen de slavernij. Of voor het opdoen van inspiratie voor artistiek werk, zoals musici als Angel Salsbach, Etzel Provence in de jaren zestig, gevolgd door Ronchi Matthew tot Izaline Calister voor het scheppen van Curaçaose jazz. Brenneker combineerde zijn liefde voor de lokale cultuur met naastenliefde. Dat laatste maakte hij duurzaam via de stichting voor daklozen (Stichting Kas Pa nos Tur) en broodlozen (Stichting Pam Pa mi Ruman).
Elis Juliana, illustratie: Philip ‘Fifi’ Rademaker/NAAM 

Elis Juliana werd op 8 augustus 1927 in Nieuw Nederland, tussen de Oranjestraat en Penstraat, geboren. Het was de tijd dat Shell migranten uit het hele Caribische gebied naar Curaçao bracht. De radio deed zijn entree, de showbizz en het verenigingsleven vierden hoogtij. Geconfronteerd met de veranderingen van de moderne tijd ging de jonge Juliana op zoek naar de eigen identiteit, die van zichzelf en die van het Curaçaose volk. Hij begon als voordrachtkunstenaar. Al spoedig ontpopte hij zich als een artiest van velerlei kunnen, – dichter, verteller, tekenaar, beeldhouwer, verhalenschrijver – , maar hij begaf zich ook op het pad van onderzoeker naar de eigen cultuur. Wat begon uit nieuwsgierigheid en om inspiratie op te doen voor verhalen en voordrachten, groeide uit tot een passie: het bezoeken van ouderen als bron van informatie en kennis. Daarbij ontmoette hij Paul Brenneker. Door hun verschillende culturele achtergrond, – een Curaçaose volksjongen en een Limburgse priester – , vulden ze elkaar bij dit etnografische veldwerk voortreffelijk aan. Elis Juliana kan bogen op een lijst van ruim 50 publicaties, waaronder zijn eerste dichtbundelFlor di datu, ziin verhalen als Wazo riba ròndu (1967, 1981, 1988), Guia Etnológiko I, II, III en zijn filosofie OPI I, II, III, IV, Organisashon Planifikashon Independensia (1979, 1980, 1983, 1988).

De grote verdienste van het onderzoek van Brenneker en Juliana is dat zij de cultuur van de jaren van voor en tijdens de modernisering in de twintigste eeuw op een systematische wijze hebben gedocumenteerd. Ze verzamelden een onvervangbare schat aan informatie met een rijkdom aan gegevens uit de orale geschiedenis, maar ook vele objecten, als getuigenis van de materiële culturele erfenis. Die objecten variëren van huisgerei, documenten, religieuze objecten tot muziekinstrumenten en kunst. De collectie zelf is in 2001 officieel overgedragen aan de Fundashon NAAM. Een representatief deel daarvan is ten toon gesteld in het Curaçaos Museum en Museo Tula en vanaf 17 september tot 12 februari 2010 in de expositie Altá di Kòrsou, bij NAAM.

Wat nog onvoldoende aandacht heeft gehad is de unieke verzameling van 1400 liederen, muziek en verhalen die Brenneker en Elis Juliana in de jaren vijftig, zes jaren lang op eigen kracht en met heel veel inzet hebben verzameld en dat in 1975 is overgedragen aan de Fundashon Zikinza, toen ondergebracht bij het Centraal Historisch Archief aan de Roodeweg. Angel Salsbach, initiatiefnemer en secretaris van Fundashon Zinkinza, memoreerde hun werk bij de opening van het documentatiecentrum Zikinza in 1975 aldus:

Curaçao. Foto © Bea Moedt
“Seis aña largu Elis i Brenneker a kana ku aparatonan primitivo, riba nan mes forsa sin medionan finansiero nesesario i kolektá e herensha kultural di e masa di pueblo Antiano ku tantu a wòrdu kritiká den “El Curaçao que se va”.
E prome kontako tabata ku Iya di Wanota ku e tempu ei, esta mas ku 10 aña pasá, tabatin 80 aña di edat. Mulando su maishi chikitu riba un piedra el a kanta e prome kantika “Zuntan, zuntan zun klintan”. Despues a tumba pa Seru Fortuna i otro luganan na Kòrsou i Boneiru. E kamindanan tabata kamindanan di problema, pasobra ta kon ta kanta un kantika di rema boto, planta maishi, kap palu, koba buraku sintá den un stul di zoya den kas o riba un banki pariba di kas? Hopi biaha un pal’i basora ku a funkshoná komo rema, chapi o piki a sirbi komo yabi pa habri porta di kanto. Pero hopi biaha tambe mester a bai kas i bolbe bèk despues ora machi o pachi su kurpa tin mas grasia.” (uit: na Apertura di Sentro di Dokumentashon Zikinza, Angel Salsbach, 7 di februari 1975)De serie ‘Het Nationaal Museum vormen we tezamen’ verschijnt ook in Extra en The Daily Herald. Reacties op en suggesties voor bijdragen zijn van harte welkom. U kunt National Archaeological Anthropological Memory Management (NAAM) bereiken op het Johan van Walbeeckplein 13, telefoon (09) 462 1933, fax (09) 462 1936, e-mail: info@naam.an, website www.naam.an
[van de website van NAAM, 19-09-2009]

Nog één keer: voor de allerlaatste keer over Zwarte Piet

 
‘Zwarte Piet is nooit een slaaf geweest’
door Arnold-Jan Scheer
Zwarte Piet bestaat niet sinds 1850. Jongemannen met zwart gemaakte gezichten kwamen al in de Oudheid voor.  Piet is geen Afro, geen creool, geen negerpage, geen etnisch equatoriale Afrikaan, geen Moor en geen slaaf of zelfs geen knecht van Sinterklaas. Robert Vuijsje schrijft dat Zwarte Piet moeiteloos kan worden vervangen door een rode, gele, blauwe, groene of zwarte (!) Piet. Omdat Kleurenpiet net zo veel lettergrepen heeft. Het valt me op dat iedereen ervan uitgaat dat Zwarte Piet een 19de-eeuwse uitvinding is. Van Andree van Es: ‘Tijd om afscheid te nemen van Zwarte Piet’ en prof. Stipriaan Luïscius: ‘150 jaar is nog niet eens zo lang geleden’ tot Van Helsloot van het Meertens Instituut: ‘Hij is in essentie een racistisch fenomeen’. Ik denk het niet.
Heidense elementen
Maar die oorringen, dat kroeshaar en die rode lippen dan? Ik antwoord: wat doet een negerslaaf met een roe? En waarom ontvoert deze kinderen in een zak, door de schoorsteen? Het klopt gewoon niet. Dat zijn heidense elementen, ouder dan de Bisschop van Myra.
Piet is geen Afro, geen creool, geen negerpage, geen etnisch equatoriale Afrikaan, geen Moor en geen slaaf of zelfs geen knecht van Sinterklaas.
Integendeel. Sinds meer dan dertig jaar bezoek ik Sinterklaas- en nieuwjaarsriten op afgelegen plekken in Europa. Daarnaast verdiep ik me in wat geschiedschrijvers uit de Oudheid (Herodotus, Tacitus) zeggen over in essentie sjamanistische gebruiken en hun betekenis (waaronder het zwart maken van het gezicht en de rest van het lichaam). Ik bezocht, filmde en fotografeerde rond 5 december en jaarwisselingen tientallen Sinterklaas- en winter­zonnewende-riten op ooit zeer geïsoleerde plekken, die alle in een oorspronkelijke vorm de tijd hebben doorstaan. En waar maar weinigen van weten.
Dat is andere speculaas. Tijdens deze Sinterklaasriten, die in modern Europa plaatsvinden, worden kinderen letterlijk doodsbang gemaakt (in onze ogen getraumatiseerd), vrouwen geslagen (waarmee ze geen emotionele problemen hebben) en breken er bloedige gevechten uit onder volwassen mannen (ambulances staan klaar). Overal onder aanvoering van Sint Nicolaas.
Archetype
Ik ontdekte op die afgelegen plekken ook dat die roe veel ouder is dan uit het stereotiep van Zwarte Piet dat wij sinds 1850 kennen van het uiterst populaire prentenboek Sint Nikolaas en zijn knecht, van de Amsterdamse onderwijzer en humorist Jan Schenkman. De slavernij moest door Nederland nog worden afgeschaft.
Zwarte Piet is een archetype, net als Sinterklaas zelf, een hybride wezen, het resultaat van wat ze in de godsdienstwetenschap noemen: syncretisme. Hij speelt een rol, zoals iemand die de nar speelt of in travestie gaat tijdens carnaval. Daarmee worden ook geen vrouwen beledigd. Hij is de ongrijpbare knecht van Sinterklaas, de vrolijke tegenhanger, Tijl Uilenspiegel, Jack Sparrow, Pan, Arlequino (die ook een zwartgemaakt gezicht heeft), de sjamaan, de duivel zoals Rome hem afschilderde, de genezer. Hij is altijd sluwer dan de clerus, de magistraten, de intellectuelen en de mensen op posities, die hem tot slaaf proberen te maken, of met hem proberen te sollen.
Vorig jaar om deze tijd mocht ik een lezing geven op een avond voor Caribische letteren. Op Curaçao hebben de nakomelingen van Afrikaanse slaven geen enkele moeite met Zwarte Piet. Ze verven zich nog zwarter dan ze zijn, inclusief kroespruiken, oorringen, roodgeverfde lippen en pagepakjes, tijdens een uitbundige vrolijke Sinterklaasintocht.
Zwartmaken van het gezicht
En in Cornwall, waar ze hun gezichten ook zwart verven, krijgen ze hetzelfde verwijt over racisme, maar daar hebben nooit slavenschepen aangelegd. Ook daar weten ze dat het gebruik heel oud is.
Het zwartmaken van het gezicht tijdens de jaarwisseling gebeurt van Engeland tot Macedonië, ontdekte ik, tot op heden. En nog verder naar het oosten. In Perzië wordt de komst van het nieuwe jaar, van de tijd van Zara-thustra tot nu, gevierd met zich dwaas gedragende zwartgemaakte jongemannen die dansen in een felgekleurde hansop, een week lang. Wanneer deze zwartgemaakte mannen verdwijnen, verschijnt een grijsaard met een lange baard die geschenken brengt, waaronder kiemen en noten. Deze traditie wordt door de islam bestreden, maar op het platteland gevierd. Ook Iraniërs in Nederland doen dat.
Kleurenpieten in Nederland, belachelijk. Deze discussie is verworden tot een oud-Hollandse geloofsstrijd waarbij de rekkelijken en preciezen, correcten en incorrecten elkaar in de haren vliegen.
De geschiedenis begint niet in 1850. Als je alleen het laatste stukje ervan meeneemt, slaat deze hele discussie nergens op. Zwarte Piet is geen slaaf, integendeel. Hij laat zich niet temmen. Hij duikt steeds weer op. Hij is ongrijpbaar. Hij is van het volk.

Arnold-Jan Scheer is journalist, televisiemaker en auteur van Wild Geraas.

[eerder verschenen in de Volkskrant, 15-1-2013]

Carubbian Festival: a neo-baroque creation in Sunrise City

by Joe Fortin

Every Thursday there is something going on in San Nicolas, Aruba. Maybe for some it is a celebration of life, while for others it refers to a feast of forgetting sorrow. But what is this Carubbian Festival really?

First some facts. During this celebration there are several entertainment shows, music bands and local people selling food, snacks and cakes. This party is an invention in order to give this ‘ghost town’ an economic boost, because since the closure of the oil refinery there is almost no commercial activity in this town also known by the local population as Chocolate City. How different it was between the 1950’s-1980’s. San Nicolas was a real cosmopolitan city with different shops, bars and dancing halls. Because of its multi-ethnic population, San Nicolas was a real creole Caribbean town where you could hear different languages from all over the world and taste a variety of foods and drinks that the English West Indians brought with them. Nowadays the main street is almost desolated. However, you can still find some shops and bars and taste the wealth of an opulence past. During the daytime you can find groups of local men sitting and chatting in front of The White Star bar and some ‘chollers’ (addicts) looking for a car to wash for money; at night the prostitutes take over the street, while looking bored and void at possible clients.
Tourists can buy tickets to assist the Carubbian Festival. This includes transport in air-conditioned luxury busses, seats during the shows and masks so that they can participate in the festivities. When they arrive at the festival plaza, near the barbed wired fences of the abandoned refinery, which during the day, is a desolated parking lot, they are guided to their seats enclosed in a barricaded terrain. On the plaza there is a podium with musical instruments, a lot of movement, and people going up and running down from the stage. This is only a prelude that foretells that something is going to happen soon. On the main street, near the parking lot, local people are gathering in small groups, chitchatting and laughing feverishly. They are well dressed and perfumed and ready for the evening. Small merchants and people with local stores ‘shap’ are installing their food and their handicraft on small tables. Stiltwalkers from The Party Animals are entertaining people, while greeting and waving to their acquaintances and making publicity for the popcorn machine.
Meanwhile, the show-master is announcing the local stars that are going to entertain the crowd. There is a variety of steel drums, traditional Aruban music and dance, like the well-known ‘ribbon dance’ (baile di cinta) on Caribbean mazurka or polka. There is a limbo dancer that brings us back in time with his hypnotizing dance of fire and several other typical Carubbian entertainments.
After these performances, some tourists are invited on stage in order to participate in a dance competition. At this point the locals are gathering and getting closer to the stage. On stage a local couple gives a demonstration on how to dance merengue, salsa, caiso or calypso, and afterwards, it is the turn of the visitors to try to make the same movements with their hips and shoulders. The show-master gives them instructions on how to move the hips and incidentally advises them on how to improve their amorous life. However, their movements are always too late or too soon. The witty, sharp and hilarious remarks of the show-master are cruel but never offensive. We can consider this festival as a mise en abyme, an infinite reproduction of an image. The visitors who paid money to watch a show, become part of the show. Some of them become performers on stage, while the rest, sitting and watching the show, are part of the festival as well. They are sitting on the plaza and are being watched by local people. Between the local people, you can find other tourists, looking at the locals, gazing at the tourists, watching the show.
Now it is the turn of all the invitees to participate in the local tradition of self-exposure in a street parade. The tourists get off their seats while walking in groups in the direction of the brass-band music coming from the main street. The locals, on the other side, are forming lines on the sidewalks to watch the upcoming parade. As the brass band is getting closer you can see a group of locals dressed in carnival costumes dancing to the rhythm of Caribbean sounds. Behind this group, you can see the tourists, some of them dancing, others trying in vain to swing, but most of them just walking like they have been zombified. Some of them wear their masks, which were included in the evening package; others are holding it in their hands, somewhat clumsy and waving to the gazing public, which now are the locals.
Sitting in their air-conditioned busses, satisfied and exhausted and somewhat surprised by an evening outside their confident and comfortable hotels and restaurants, the visitors are ready to return to their luxurious life. However, this is not the end of the fete… Now the locals are taking over the plaza, while the bands keep playing their music; people are dancing, children playing and scabbed mongrels sniffing and looking for some leftovers. Will the tourist ever know that when they left, the feast just started for the locals?
Now the meta-text. Interesting about this Carubbian bash is that it inverts the traditional standards and values. Generally it is the tourist that gazes at the local, ‘exotising’ him. The local becomes an object of fetish for the visitor, because he is strange, ‘other’, has another modus in quotidian life. As a passenger you can feel free to observe the other at ease. But now, at the Carubbian Festival, the tourist is the exotic one and he is being fetishized as the other. The local is free to look shameless at the tourist and laugh at him. At the same time, the local forms a mirror for the tourist, so he can look at his own image. Just like in the mirror-stage of Lacan, first he does not recognize himself. He thinks that his reflection is another person, the other. But then, he recognizes himself in the reflection and becomes aware that he is the other. But this reflection is fragmented, so it creates a partial double of himself. The tourist becomes the local: their separated life now comes very close to each other.
The Carubbian Festival creates another reality, an illusion, and a simulacrum of the Aruban reality. According to Baudrillard, simulacrum is a construction of a world that seems like ours but in reality doesn’t exist. Simulacra are copies that depict things that either had no reality to begin with, or that no longer have an original.[1]This bash is a simulacrum because it is a creation of a reality that at first did not exist. The shows and carnival parade are being organized firstly to give the ‘ghost town’ San Nicolas a boost (commercial invention) and secondly to give the tourist alternative entertainment (festivity invention). On the other side, this festival is also a simulation: it looks like something known, but it isn’t. It is a simulation of the carnival parade in February, but now in another setting as an invention for every Tuesday evening. It depicts real life during a weekly celebration. It is an intertextual reference to the ‘real’ carnival celebration, because it creates an allusion that seems like carnival, but in a totally different frame. On the other side, we can say that this festival is also metafiction, because it refers to itself as a fictional construction that is aware of its functionality. The audience (local and tourist), the show-master, the participants and the musicians all know that they are part of a constructed illusion.
Besides, we can say that the festival is an inversion of the reality. According to Bakhtin ‘[i]n carnival, laughter and excess push aside the seriousness and the hierarchies of “official” life. […] In Bakhtin’s work, the image of reversal symbolizes his intellectual ideal of rethinking: finding multiple levels of meaning in words, images, and tone.’[2]But the Carubbian Festival is an inversion of an inversion, a double-inversion. Now the local is playing the tourist who is looking at the tourist masqueraded (literally and figuratively) as the local.  In this setting, even the prostitutes and the chollers can be seen as part of the show; they are no longer considered as aberrant as they contribute to the inversion of the inversion of the reality.
The Carubbian Festival is a neo-baroque construction: it is an artificial reality and everybody is aware of this counterfeit. But on the other hand it is a space where you can be yourself by acting like the ‘other.’ The festival is a fiction that proposes a hyper reality: a reality that is even more real than daily life.
References:

Bakhtin, Mikhail.Rabelais and his World. Cambridge Massachusets: The M.I.T. Press, 1968.
Baudrillard, Jean. Simulacra and Simulation. University of Michigan Press, 1994.
Chiesa, Lorenzo. Subjectivity and otherness. A Philosophical reading of Lacan. Cambridge/ London: The Mitt Press, 2007.
Sarduy, Severo. Barroco. Buenos Aires: Editorial Sudamerica, 1974.
—. “Copy/Simulacrum”. In: Written on a Body. Lumen Books, New York, 1989.
Waugh, Patricia. Metafiction: The Theory and Practice of Self-conscious Fiction. Methuen, 1984.
Živković, Milica. “The Double as the ‘Unseen’ of culture: toward a definition of doppelganger.”
Facta Universitaties (121-128). Vol. 2– No 7, 2000.


[1]Robert Goldman; Stephen Papson. “Landscapes of Capital”, Information technology. St. Lawrence University, 2012.
[2] Shanti Elliot,  ‘Carnival and Dialogue in Bakhtin’s Poeticsof Folklore’, 1999.
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter