blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Ferrier Johan

Succesvolle Johan Ferrier Lezing 2016 in A’dam

Gisteren vond de Johan Ferrier Lezing 2016 plaats in Amsterdam. De bekende Surinaams/Nederlandse radio en televisiepresentator Humberto Tan was hoofdspreker. De organisatie is bijzonder gelukkig dat Humberto Tan zijn persoonlijke, inspirerende en kritische visie wilde delen. Naast Tan belichtte een panel bestaande uit columnist Anousha Nzume, cabaretier Johan Fretz en Dave Ensberg van het Johan Ferrier Fonds de lezing vanuit diverse invalshoeken. read on…

Humberto Tan geeft Johan Ferrierlezing

Op vrijdag 20 mei vindt de Johan Ferrier Lezing 2016 plaats. De organisatie is bijzonder gelukkig dat Humberto Tan zijn persoonlijke, inspirerende en kritische visie op mens en maatschappij wil delen met het publiek. Het thema is 40 jaar relaties tussen de Republiek Suriname en Nederland. Een panel zal commentaar geven op de lezing. read on…

Surinaamse kinderliteratuur

door Els Moor

Cher, een slim meisje van negen jaar, komt vaak bij mij en dan leest ze Surinaamse kinderboeken. Ik heb ze bijna allemaal. Ik vroeg haar welk boek ze het mooiste of leukste vindt en of ze wil opschrijven waarom ze dat vindt. Ze kwam met een boek van Nowilia Tawjoeram-Sabajo, Shaggy de superhond. Het is een eenvoudig verhaal over een jongen, Ramon, die een hond heeft, Shaggy. Als Ramon een keer niet thuis is, ziet zijn moeder Shaggy nergens. Ze is ongerust. Als ze in Ramons kamer moet zijn, ziet ze dat Shaggy ligt te slapen op het bed van zijn baasje. Als Ramon weer thuis is, lachen ze allebei erom. Op iedere bladzijde van het boek staat een grote tekening, zonder kleuren. De lezertjes kunnen aan het kleuren slaan! ‘Ik vind het boek leuk omdat het verhaal leuk is en ik vind die tekeningen mooi. En ik zou ze graag willen kleuren. Alles ervan vind ik mooi’, is het commentaar van Cher. read on…

Mallemolen van Surinaamse personages en hun namen (1)

door William L. Man A Hing

Aangenomen kan worden dat de verrommeling van Surinaamse namen en persoonsgegevens door een vloed van publicaties op gang is gekomen na de opstand van 1980. Dat daarbij niet steeds zorgvuldig wordt omgesprongen met gegevens van bekende actoren laat een kleine bloemlezing zien. read on…

Praatjes voor de West: Promotie Jos de Roo

Op vrijdag 12 september verdedigt Jos de Roo zijn proefschrift Praatjes voor de West. De Wereldomroep en de ontwikkeling van de Antilliaanse en Surinaamse literatuur: 1947-1958. Dit gebeurt om 13:00 uur in de Aula van de Universiteit Amsterdam (de Oude Lutherse Kerk aan het Spui). Promotor is Prof. dr. Michiel van Kempen. Toegang vrij. read on…

‘Wat blijft is de onbreekbare kracht van vrouwen’

In memoriam Joan Ferrier

Op Internationale Vrouwendag 8 maart overleed een bijzondere vrouw: Joan Ferrier, voormalig directeur van E-Quality, kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit.

Van 1998 tot 2012 heeft zij als directeur met passie en deskundigheid een voortrekkersrol vervuld in de opbouw van E-Quality en het verbinden van gender en etniciteit. In 2012 fuseerden E-Quality en Aletta tot het huidige Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis.Renée Römkens, directeur van Atria: “Joan heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de totstandkoming in 2012 van Atria, kennisinstituut voor emancipatie en vrouwengeschiedenis. Haar werk is van historisch belang en dat koesteren wij. De herinnering aan de prettige samenwerking blijft in onze gedachten. Namens alle collega’s van Atria wens ik haar familie, vrienden en dierbaren veel sterkte met dit grote verlies.”

Joan Ferrier met haar vader Johan Ferrier.
Foto dWT Archief


Interculturaliteit
Joan Ferrier wordt op 14 december 1953 in Suriname geboren, als dochter van Johan Ferrier, de eerste president van Suriname, en van Edmé Vas, lerares. Zij groeit achtereenvolgens op in Suriname en Nederland. In 1980 studeert zij af aan de Rijksuniversiteit Utrecht als orthopedagoog, met specifieke aandacht voor etnische groepen in Nederland en de situatie van kinderen en jeugdigen in ontwikkelingslanden. Na haar studie houdt zij zich in diverse functies bezig met interculturele jeugdhulpverlening. Zo zet zij onder meer in Amsterdam een opvanghuis op voor Marokkaanse jongens, en een tehuis voor meisjes met een islamitische achtergrond.Naast het geven van adviezen en trainingen op het gebied van interculturalisatie van organisaties, is zij werkzaam aan de Universiteit van Amsterdam bij de Vakgroep Orthopedagogiek en doceert zij lange tijd transculturele pedagogiek aan de Hogeschool van Amsterdam.
Een warm hart

In 1998 begint zij als directeur van het nieuw opgerichte ‘Instituut voor gender en etniciteit’, een fusie tussen Project Aisa – emancipatieondersteuning zwarte vrouwen, migranten- en vluchtelingenvrouwen, Arachne – vrouwenadviesbureau overheidsbeleid, het Instituut Vrouw & Arbeid (IVA) en het Women’s Exchange Programme International (WEP-I).Tijdens de openingsbijeenkomst op 22 juni 1998, bijgewoond door ruim 1400 mensen, in het Tropeninstituut Amsterdam lanceert de kersverse directeur de nieuwe naam van het instituut: E-Quality, experts in gender en etniciteit. Ook brengt zij de strategie van E-Quality naar voren. Met nationale en internationale overheden, maatschappelijke organisaties, instellingen en bedrijven werkt E-Quality samen om beleid te ontwikkelen “ten dienste van meer gelijke kansen en mogelijkheden in een multiculturele context.” Joan Ferrier geeft aan te zoeken naar bewegingen en organisaties die betrokken zijn bij veranderingsprocessen in de samenleving en die gender en etniciteit een warm hart toedragen.

Gender & etniciteit
Na een fusie in 2007 met de Nederlandse Gezinsraad ontwikkelt E-Quality zich onder haar leiding tot een kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit. De koppeling van gender en etniciteit in één perspectief neemt ook hierin weer een belangrijke plaats in. Deze verbinding verankeren in het denken en handelen van beleidsmakers, politici, trendsetters en andere gezaghebbende vrouwen en mannen ziet Joan als een steeds terugkerende uitdaging voor E-Quality.Veelzijdig bruggenbouwer
Mede uit diverse bestuurs- en nevenfuncties blijkt haar betrokkenheid bij het vormgeven van emancipatieprocessen van zowel vrouwen als diverse etnische groeperingen. Zo was zij bijvoorbeeld mede-oprichtster van ‘Vrouwenvlechtwerk’, een samenwerkingsverband van etnische en Nederlandse vrouwenorganisaties. Ook was zij vice-voorzitter van de werkgroep Vrouwen in de Pluriforme Samenleving van de Raad van Kerken Nederland.Naast haar werkzaamheden voor E-Quality was zij van 1999 tot 2002 lid van het Comité van Aanbeveling Nationaal Monument Slavernijverleden. Van 1 februari 2001 tot en met mei 2002 was zij secretaris van de commissie Arbeidsdeelname Vrouwen uit Etnische Minderheden (AVEM), de voorloper van de commissie PaVEM (Participatie van Vrouwen uit Etnis
che Minderheden).

Joan Ferrier in gesprek met koningin Máxima, terwijl koning Willem het volk toezwaait.
Amsterdam, 1 juli 2013 Foto @ Michiel van Kempen

Tot 2006 was zij voorzitter van de Phenix Foundation, een landelijke organisatie op het gebied van culturele diversiteit in de kunsten. Verder was zij onder andere lid van het bestuur van de Nationale Commissie voor Internationale Samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO), lid van de redactie van het Tijdschrift Jeugdbeleid en voorzitter van de Triomfprijs voor bijzondere bijdragen aan de emancipatie van de zwarte, migranten- en vluchtelingenvrouwen in Nederland. Ook vervulde zij bestuursfuncties bij Technika10 en YWCA en was zij adviseur van het bestuur van het Oranjefonds. Na het overlijden van haar vader in 2010 richt zij de Stichting Johan Ferrier Fonds op. Het doel van deze stichting is om kansrijke onderwijs- en culturele projecten in Suriname financieel te ondersteunen.


Verbindende kracht in de samenleving

Businessclub Zwarte Zaken Vrouwen Nederland (inmiddels omgedoopt tot Etnische Zaken Vrouwen Nederland) verkiest Joan in 2008 tot Zwarte Vrouwelijk Manager 2008. De jury roemt haar continue en onvermoeibare inzet voor het onder de aandacht brengen en houden van man-vrouw verhoudingen, leefvormen, etniciteit en diversiteit, bij zowel het brede publiek als politici en beleidsmakers: “Zij staat bekend als een vrouw die mensen met elkaar verbindt. Met haar charme, overtuigingskracht en vasthoudendheid heeft zij de afgelopen jaren laten zien dat tegenwind ook kansen biedt.”In 2009 wordt Joan genomineerd voor de Opzij Emancipatieprijs. In 2011 wordt zij voor haar werk benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Zij ontvangt de Koninklijke onderscheiding vanwege haar ‘persoonlijke bijzondere verdiensten in en al dan niet gerelateerd aan haar hoofdfunctie, in het bijzonder op het terrein van emancipatie, gezin en diversiteit, die voor de samenleving van bijzondere waarde zijn’.

De Frans Banninck-Cocqpenning

Op 17 augustus 2013 ontvangt zij van wethouder Andrée van Es de Frans Banninck Cocqpenning ‘voor haar grote verdienste in haar functie als voorzitter van de Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013.’

Met haar heengaan verliezen we een inspirerend rolmodel dat zich jarenlang en met tomeloze energie heeft ingezet voor emancipatie en diversiteit. Wij troosten ons met de gedachte aan wat zij ons heeft gebracht. Zoals zij zelf tot slot schreef in haar column van november 2013 in Opzij: ‘Wat blijft is de onbreekbare kracht van vrouwen’.

In december 2013 heeft Joan meegewerkt aan een oral history interview in het kader van het Atria-project Tweede Feministische Golf – Diversiteit. Dit deel van haar erfgoed kan straks aan nieuwe generaties worden meegegeven.

[van www.atria.nl, 10 maart 2014]

Dieren in de Surinaamse kinderliteratuur: info voor jeugdbegeleiders

 

door Els Moor

Kinderen hebben over het algemeen belangstelling voor dieren. Ze vinden het dan ook fijn om verhalen over dieren te horen of om er boeken over te lezen en de plaatjes te bekijken. In ons land met zijn rijke natuur leven veel-veel dieren, van verschillende soorten. Wilde dieren in het bos, maar ook tamme bij mensen. Er zijn verhalen over dieren van vroeger, zoals over Kantjil en Anansi, maar kinderboekenschrijvers van nu hebben zelf verhalen verzonnen waarin dieren een belangrijke rol spelen, of boeken met illustraties zodat kinderen de verschillende dieren leren kennen. We geven hieronder een overzicht van kinderboeken waarin dieren belangrijk zijn. Dat zijn er heel wat, maar vanwege de ruimte moeten we een keuze maken.
– ANANSI
Er zijn rijk geïllustreerde boeken met de oude anansitori. Het bekendste: Het grote Anansiboek van Johan Ferrier met tekeningen van Noni Lichtveld, bezorgd door uitgeverij Conserve in 2010. Hierin zijn de verhalen opgetekend zoals Ferrier ze voor de Nederlandse televisie vertelde. Noni Lichtveld heeft ook zelf een anansiboek gemaakt, Anansi de spin weeft zich een web om de wereld, de tweede editie is uitgegeven bij VACO in 2012. Er zijn redelijk veel anansiboekjes waarvan het verhaal verzonnen is door de schrijver. Van Ismene Krishnadath: Nieuwe streken van koniman Anansi (1989) en Bruine bonen met zoutvlees (1992). Moderne verhalen die aansluiten bij die moeilijke tijd van schaarste en de Binnenlandse Oorlog. Anansi moet alsmaar streken bedenken om zichzelf en zijn gezin te redden. Ook Marylin Simons heeft een grappig anansiboekje, Anansi Dala (PCOS, 2004), dat goed past bij de moderne tijd, waarin zoveel mensen altijd op geld uit zijn, op wat voor manier dan ook.
– KENNIS OVER DIEREN
Op een leuke manier kennis verwerven over verschillende dieren is een doel dat Wim Veer en Gerrit Barron nastreven met hun dierenboekjes. Van Wim Veer is de serie fotoboekjes over verschillende dieren, met een verhaaltje waarin veel info over het betreffende dier: tjamba de raaf; misi powisi; modo todo; kwibus de ibis; awari en de kip; het doksje dat niet wilde zwemmen en Wat vliegt daar? Vogels rond het huis (uitgegeven in eigen beheer met prachtige fotos.)
En van Gerrit Barron: Titri en Toto over twee jonge vogeltjes, met als thema zelfstandig worden, en zijn serie uit de jaren 90 over allerlei dieren, zoals Een korjaal vol dieren en Een sloot vol vissen.
Rupsje Regenboog van Indra Hu geeft op een beeldende manier in een verhalend gedicht weer hoe Rupsje Regenboog zich ontwikkelt tot een prachtige vlinder. Het verhaal kan kinderen aan het denken zetten: Rupsje wordt een mooie vlinder… wat word ík later?
– DIEREN IN HET BOS
Een leerrijk thema. Monique Pool heeft op dit gebied een prachtig experiment uitgevoerd. Carlize gaat naar het bos/… goes to the forest. Op verschillende manieren kunnen kinderen kennis nemen van de inhoud: het boek heeft alleen beeldende illustraties van Chad Abdoellah en er is een bijbehorende cd waarop Helen Kamperveen het verhaal vertelt. De kinderen kunnen aan de hand van de platen eerst hun eigen verhaal maken en dan luisteren naar dat van Monique Pool. Veelzijdig dus. We geven hier het verhaal niet: ga eerst kijken! Het boek is nog volop verkrijgbaar! Met Kwata op reis(2010) van de stichting Klimop, laat kennismaken met veel dieren. Vanuit het bos gaat de aap Kwata met zijn vrienden per korjaal naar de zee. Ze ontmoeten andere dieren en beleven avonturen. Spelenderwijs leren de kinderen de dieren kennen, ook door de illustraties van Ginoh Soerodimedjo. Aanbevolen!
Illustratie van Goenoh Soerodimedjo uit Met Kwata op reis
– DIEREN EN HET MILIEU
Een belangrijk en kritisch thema dat gelukkig niet aan de jongeren voorbijgaat. Avontuur bij de grote rivier is van Natasia Agard en verscheen in 2008 (in eigen beheer). Het onderwerp: de gevaren die het bos bedreigen door activiteiten van mensen – zoals goudzoekers – met de bedoeling veel geld te verdienen. Het einde van het verhaal is verrassend: dieren van alle soorten werken samen om het bos te redden. Samen bedreigen ze de mens-mannen die de rivier vervuild hebben met hun goudzoekersactiviteiten. Die mannen rennen dan doodsbang naar hun boten en geen dier heeft ze ooit teruggezien. Een boek dat op scholen thuishoort, waar de leerlingen en leerkrachten er samen over kunnen praten!
Cobi Pengel stelt deze thematiek aan de orde in enkele van haar verhalen. Wolkje en de groenhartboom bijvoorbeeld is een sprookjesachtig verhaal met een actuele thematiek: de mensen smijten vuil op straat, dat soms vreselijk stinkt, waardoor de mooie groenhartbomen hun bloei verliezen. Het meisje Cynthia dat vlak bij een groenhartboom woont, wordt door die boom uitgenodigd om samen met haar vriendin en het konijntje Wolkje met Mamabon mee te vliegen naar een krutu van bomen met de bedoeling om het probleem op te lossen.
– DIEREN EN MENSEN
Vooral voor jonge kinderen een herkenbaar thema. Honden spelen hierin een belangrijke rol, zoals in Lafu (VACO: derde druk 2007) van Cynthia Mc Leod. Lafu is een hondje en Sita is zijn bazinnetje. Wat beleeft Lafu allemaal in het gezin en in de buurt? Als het een keer kattenbrokjes heeft gegeten uit de bak van de kat, is het bang een kat te worden! Een leuk boekje voor iets meer gevorderde lezertjes (ongeveer klas 2 en 3), ook om thuis zelf te lezen. En dan is er nu een gloednieuw boekje verschenen, Bruno de zwervershond, debuut van Hetty Amat. Bruno zwerft, komt in het dierenasiel terecht en vindt daar zijn baasje weer. Binnenkort gaan we dit boekje bespreken. Er zijn veel boekjes over honden: Eveline Wielzen schreef Dagboek van een straathond met leuke illustraties van Reinier Asmoredjo en grappig geschreven. Marja Themen, onze redacteur van kinderliteratuur, die zelf veel met dieren bezig is, schreef Overpeinzingen uit een Hondenleven…. Ook in de drie delen over Manga, het paard uit Baboenhol van Susan van Dijk-Leefmans met beeldrijke illustraties van Reginald Kartowirjo, lezen we over het leven van een dier bij mensen, een paard op een boerderij. Hoe zij vriendschap sluit met een schaap, gedekt wordt door een paard van een andere boerderij en een veulen krijgt en hoe er in het derde deel feest voor haar gevierd wordt. Leuk om deze boeken te combineren met een uitstapje naar een boerderij, misschien wel naar Manga zelf!
– DIEREN IN FANTASIEVERHALEN
In veel boeken vinden we sprookjesachtige en/of spannende fantasieverhalen waarin dieren een belangrijke rol spelen. Twee toppers uit de Surinaamse kinderboekenwereld: Seriba in de schelp van Ismene Krishnadath dat gaat over het meisje Lilia, op vakantie in Galibi, dat door haar slimmigheid een groot probleem van een verliefd stel – watermeisje Seriba en sekrepatu Warana – oplost, waardoor ze een gelukkig leven tegemoet gaan… en van Effendi N. Ketwaru Rani en de slangenkoning met schitterende tekeningen van de auteur zelf. Die lieve slangenkoning, die Rani bijstaat in haar moeilijke leven met een heks, blijkt een betoverde jongen te zijn. Happy end!
Al deze boeken (er zijn er nog veel meer!) helpen mee om kinderen meer leesplezier te laten krijgen en vooral, als hun begeleiders ze ertoe aanzetten, om naar aanleiding van verhalen over dieren na te denken over wie ze zelf zijn! Ga met uw kinderen naar de boekwinkel!

Een Joods kolonisatieplan voor Suriname

door Hans Ramsoedh

Het Saramacca project is een studie over het plan van de Freeland League for Jewish Territorial Colonization (Liga) om dertigduizend Joden in de naoorlogse periode in Suriname te vestigen. De jurist en oud-Nederlandse diplomaat Alexander Heldring promoveerde eind 2010 op deze studie.

Rechts: de oprichter van de Freeland League, Isaac Nachman Steinberg in 1918

Als diplomaat op de Nederlandse ambassade in Polen begin jaren zeventig leidde Heldring een afdeling die verantwoordelijk was voor de afgifte van Israëlische visa aan Poolse Joden die door het communistische regiem het leven ernstig zuur werd gemaakt. Op verzoek van Jeruzalem behartigde de Nederlandse ambassade in Warschau de belangen van Israël. Begin jaren tachtig was Heldring werkzaam op de Nederlandse ambassade in Paramaribo. Zijn aandacht werd getrokken door een bladzijde in de Encyclopedie van Suriname waarin summier naar het Joodse kolonisatieplan van de Liga in Suriname werd verwezen. Na zijn uittreden uit de diplomatieke dienst wilde hij een politieke thriller over dit kolonisatieplan schrijven. Uitgevers toonden echter geen interesse en Heldring besloot het hele onderwerp van een historische en feitelijke kant te beschrijven.

De Liga werd in 1935 in Engeland opgericht tegen de achtergrond van de steeds ernstiger wordende Jodenvervolging door de Nazi’s. Zij zocht naar een dunbevolkt gebied waar Joodse kolonisten zich zouden kunnen vestigen zonder daarbij te streven naar een onafhankelijke Joodse staat. Op grond van deze doelstelling noemde de Liga zich ‘territorialistisch’, dit in tegenstelling tot de zionisten die wel naar een onafhankelijke Joodse staat streefden. Palestina was voor de Liga geen optie, omdat het nog onder een Volkenbondmandaat van de Britse regering stond, die een beperkt toelatingsbeleid voor Joden toepaste. Met haar doelstelling werd de Liga de concurrent van de zionisten. De laatsten vreesden namelijk dat de Britse regering (en later de Verenigde Naties) de territoriale plannen van de Liga als een acceptabel alternatief voor een Joodse staat in Palestina zouden beschouwen. Op het hoogste niveau in zionistische kringen werden territoriale plannen van de Liga als een dreiging opgevat. Hun inspanningen richtten zich op het dwarsbomen van de plannen van de Liga. Zo verspreidden zionisten de fabel dat de Liga als doel had van Suriname een Joodse staat te maken die zich van Nederland zou afscheiden.

In Het Saramacca project ligt de focus op het ontstaan en het verloop van de onderhandelingen tussen de Liga en de Surinaamse en Nederlandse autoriteiten en op de factoren die uiteindelijk hebben geleid tot het mislukken van dit plan. Deze studie is opgebouwd uit zeven hoofdstukken. In de inleiding bespreekt de auteur de keuze van de Liga voor Suriname en de bronnen die hij voor zijn onderzoek heeft gebruikt. In het tweede hoofdstuk komen de volgende onderwerpen aan de orde: een eerder plan van de Liga om vóór de Tweede Wereldoorlog vijfenzeventigduizend Joden in Australië te vestigen, het Plan Mussert uit 1938 van de Nederlandse Nationaalsocialistische Beweging om een Joods Nationaal Tehuis in de Guyana’s te vestigen, de eerste besprekingen tussen de Liga en Nederland en het eerste debat in november 1947 in de Surinaamse Staten.

In het derde hoofdstuk behandelt de auteur de geëmotioneerde debatten in de Staten over de plannen van de Liga en de reacties in de Surinaamse pers. Hoewel de Staten in april 1947 met een kleine meerderheid akkoord gingen met de immigratie van dertigduizend Joodse kolonisten in Suriname was er tegenstand, vooral van de zijde van de Creoolse Nationale Partij Suriname (NPS). Deze partij vreesde een politieke en economische overheersing door de nieuwe Joodse immigranten en een verlies van haar leiderschapsrol in de Surinaamse politiek. De vrees bij de NPS werd ook nog gevoed door de zionisten die, zoals eerder gesteld, hun eigen agenda hadden.

In het vierde hoofdstuk gaat Heldring in op de financiële aspecten van het plan, de toenemende zionistische tegenstand, de groeiende weerstand in Den Haag tegen het kolonisatieplan, de ontwikkelingen in Palestina als gevolg van de stichting van de staat Israël in 1948 en de weerslag daarvan in Suriname. Aanvankelijk enthousiasme van Nederlandse zijde voor het Joodse kolonisatieplan maakte plaats voor groeiende weerstand die onder meer samenhing met de Koude Oorlog. De Nederlandse regering vreesde namelijk dat door de kolonisatie grote groepen politiek ongewenste elementen (lees communisten) Suriname binnen zouden komen.

In hoofdstuk vijf bespreekt de auteur het kantelpunt in het proces rond dit kolonisatieplan, waarna het bergafwaarts ging met de plannen voor het Saramacca-project. Daarbij ging het onder meer om de gewijzigde verhoudingen tussen Nederland en Suriname, de grotere invloed van de NPS in het Surinaamse politieke bestel na invoering van het algemeen kiesrecht in Suriname en spanningen binnen de Freeland League en met name tussen het hoofdkwartier in New York en de officiële vertegenwoordiger van de Liga in Nederland.

In het voorlaatste hoofdstuk behandelt Heldring de laatste fase van het Saramacca-project, een fase die de auteur typeert als ‘gerommel in de marge’. Tot februari 1956 koesterde de Liga de hoop dat het in Suriname nog zou lukken met haar kolonisatieplan. In februari 1956 schreef de toenmalige Surinaamse minister-president Ferrier aan de Liga dat de regering in Paramaribo het kolonisatievoorstel zou bestuderen: ‘Zodra een besluit tot stand is gekomen, zullen we u dit laten weten’ aldus Ferrier (p. 299). Ferrier nam hierna geen actie meer en zijn brief kan worden beschouwd als de slotscène in het drama van het Saramacca project. Hierna viel definitief het doek. Het laatste hoofdstuk is een slotbeschouwing waarin de auteur resumerend ingaat op de deelvragen in de inleiding.

Deze studie kent een aantal omissies. De eerste betreft de bestaansmiddelen van de Joodse kolonisten. Zij zouden zich gaan richten op agro-industriële ontwikkeling. De lezer blijft in het ongewisse wat voor soort agrarische en industriële activiteiten het precies betrof. Een tweede onderbelicht thema betreft de financiën. De Liga verwees naar invloedrijke Joodse organisaties en personen die grote belangstelling toonden voor de oprichting van een fonds, maar heeft nimmer namen van deze organisaties genoemd. Hoe serieus waren deze toezeggingen? Heldring gaat hier al te makkelijk aan voorbij door te stellen dat er geen financiers over de brug zouden komen zolang er geen bindende overeenkomst met de Surinaamse en/of Nederlandse regering bestond. De Liga had de totale kosten begroot op dertig miljoen dollar, dat wil zeggen duizend dollar per persoon, een irrealistisch bedrag voor een kolonisatie van een groep met een dergelijke omvang. En hoe zat het met het levensonderhoud in de beginperiode van de kolonisatie? De kosten gaan immers voor de baat uit. Een derde punt dat onderbelicht blijft, betreft de werving van Joodse kolonisten uit de overlevingskampen en uit Oost-Europa. Onduidelijk blijft hoe de Liga dacht de kolonisten te werven en te vervoeren naar Suriname. Een laatste aspect dat eveneens onderbelicht blijft en dat de slagingskans van dit kolonisatieplan zeer zeker in negatieve zin zou hebben beïnvloed, betreft de relatie met de concurrerende en invloedrijke zionistische beweging die zowel vóór als na de stichting van de staat Israël als doel had zoveel mogelijk Joden naar de nieuwe Joodse staat over te brengen. Het is niet ondenkbeeldig dat de kolonisatieplannen van de Liga bij een effectuering zouden zijn gedwarsboomd door de zionistische beweging, zoals zij dat in een eerder stadium had gedaan. Was het kolonisatieplan van de Liga daarom niet meer dan een hersenschim van enkele idealisten met oprechte en humanitaire bedoelingen? Na lezing van deze studie ben ik, in alle voorzichtigheid, geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden.

Ondanks deze tekortkomingen heeft de auteur een lezenswaardige studie geschreven. Heldring is erin geslaagd het Joodse kolonisatieplan in Suriname, zoals hijzelf schrijft, onder het vloerkleed van de geschiedenis te voorschijn te halen en een plek te geven in de Surinaamse, Nederlandse en Joodse historiografie. Een interessante vraag is uiteraard hoe de geschiedenis van Suriname zou zijn verlopen als het kolonisatieplan van de Liga wel was gelukt. Maar dit is meer een thema voor speculatieve fictie of een politieke thriller.

Alexander Heldring, Het Saramacca project; Een plan van joodse kolonisatie in Suriname. Hilversum: Verloren, 2011. 348 p., ISBN 978 90 8704 207 3, prijs € 35,00.

[uit Oso, 2011, nr. 2]

Zie ook The Saramacca Project

Waarom Surinamers beter Nederlands spreken dan Antillianen (2)

door Fred de Haas

Factoren die het gebruik van het Nederlands in Suriname stimuleerden
De Surinaamse assimilatiepolitiek werd flink gesteund door de Creoolse (in Suriname: inwoners van Afrikaanse origine) elite. Omdat er veel Creoolse kinderen in de stad Paramaribo woonden en de meeste Hindustani en Javanen in de buitendistricten, kregen de Creoolse kinderen het Nederlands makkelijker onder de knie dan de kinderen van de twee andere groepen. In de stad werd immers het beste onderwijs gegeven. En de affectie voor het Nederlands in de Creoolse bevolkingsgroep is sindsdien altijd blijven bestaan.

Het onderwijs in het Nederlands werd sterk bevorderd door Bestuur, wetgeving, missie, de kerk, de Sticusa (1955) en de media.

Ferrier
De latere president Ferrier had in zijn proefschrift (1950) al aangegeven dat hij de mening was toegedaan dat de taal met het meeste sociale prestige – in zijn ogen dus het Nederlands – moest worden gebezigd in het onderwijs. Bovendien was het Nederlands de beste keus omdat de keus voor een andere onderwijstaal maar animositeit zou opwekken bij de andere bevolkingsgroepen. Een bijkomend voordeel was dat de Creools-Surinaamse en Hindoestaanse bovenlaag al vertrouwd was met het Nederlands. De heer Ferrier zorgde er ook voor dat er een kleuterklas vóór het basisonderwijs werd opgericht waar de kinderen alvast konden wennen aan het gebruik van de Nederlandse taal, waardoor ze makkelijker het begin van het basisonderwijs zouden kunnen volgen. Voor die kleuterklassen werden speciale leerkrachten opgeleid.

Albert Helman
Ook de Surinaamse schrijver Albert Helman (ps. van Lou Lichtveld, die minister van onderwijs was van 1949-51) zei op een congres in 1956 dat het een conditio sine qua non was dat elke Surinamer minstens één cultuurtaal goed zou moeten kennen. En dat was nu eenmaal het Nederlands.

Afb. links: Albert Helman, geschilderd door Erwin de Vries

Standaardnederlands
In 1962 werd er, op initiatief van de Sticusa en de Surinaamse regering, een Taalbureau in het leven geroepen dat zich bezig zou gaan houden met de opleiding in de Nederlandse taal. In 1963 werd er op een congres van taalleraren besloten dat het Standaardnederlands de norm moest blijven. Wel moet worden gezegd dat men tolerant stond ten opzichte van de Surinaamse variaties op het Standaardnederlands. In 1967 kwam er een volledige, gedegen MO-opleiding die veel taalleraren aan het voortgezet onderwijs heeft afgeleverd.

Algemeen Leerplan
In 1965 verscheen het Algemeen leerplan voor het gewoon lager onderwijs in Suriname dat een ‘stabiele tweetaligheid’ beoogde met als doel ‘…enerzijds om de leerlingen uit te rusten tot volledige actieve en passieve deelname aan de eigen Surinaamse cultuur, voor zover die uitdrukking vindt in het Nederlands en anderzijds de leerlingen de sleutel te verschaffen tot de voor hen vreemde Nederlandse cultuur’. Verder zou het Nederlands moeten worden onderwezen als een vreemde taal, een voorschrift waar tientallen jaren de hand mee werd gelicht. Men bleef immers gebruik maken van moedertaalmethodes die uit Nederland werden ingevoerd. Tegen het einde van de 20e eeuw kwam hierin eindelijk verandering.

Venetiaan
De heer Venetiaan, de voormalige president van Suriname stelde in het voortgezet onderwijs het Nederlands en Engels verplicht. De andere talen werden facultatief. In 1974 schreef de heer Venetiaan in een nota dat op lange termijn wellicht het Nederlands als officiële voer- en schooltaal zou worden vervangen door een andere.

Conclusie
Deze geschiedenis maakt duidelijk dat het Nederlands in Suriname betere kansen heeft gehad dan het Nederlands op de Antillen. Het gebruik ervan werd in Suriname aan alle kanten gestimuleerd en de bevolking werd gemotiveerd om zich het Nederlands eigen te maken om goed te kunnen functioneren in de Surinaamse maatschappij en voorbereid te zijn op verdere studie.

[vervolg klik hier]

Amaisa wint weer!

door Els Moor

Op het Kinderboekenfestival Paramaribo 2011 lieten we in de stand ‘Lees je wijs!’, waar bijna alle Surinaamse kinderboeken lagen, alle kinderen die dat wilden de titel van het boek dat ze het mooiste vinden of dat hen het meeste aantrekt op een flap schrijven. Dat deden we ook eind februari en eind maart op de Kinderboekenfestivals van Albina en Nickerie. In Albina had de serie van de stichting PCOS, samengesteld door Christine Feenstra over het dagelijks leven van het meisje Amaisa uit een dorp in het binnenland, de meeste stemmen. In Nickerie gingen Jack en Mia, de hoofdpersonen van de twee boekjes over onderwerpen uit de Surinaamse geschiedenis van Jerrel Pinas met de eer strijken.

Christine Feenstra (midden) aan het werk voor het Kinderboekenfestival

In Paramaribo hebben duizenden kinderen het festival op het terrein van KKF bezocht; tijdens de ochtenden met hun klas en juf of meester, in de middaguren met hun familie of vrienden en vriendinnen. ’s Morgens werden er creatieve activiteiten met de boeken gedaan, waarna ze een boek mochten kiezen voor de flap en ‘s middags kwamen kinderen zelf zitten lezen en schreven ze ook graag de titel van het boek van hun voorkeur op.

Enkele cijfers:
328 kinderen schreven de titels van 83 verschillende boeken uit de totale collectie op flappen
44 kinderen kozen voor de serie over Amaisa van de stichting PCOS
25 kinderen kozen voor de boekjes over Jack en Mia van Jerrel Pinas (foto rechts)
19 kinderen kozen voor de serie over het paard Manga van Susan van Dijk

Amaisa heeft deze keer dus glansrijk gewonnen. De Amaisaboekjes zijn zeker niet de spannendste, meest humoristische of meest creatief geschreven kinderboeken. Toch hebben ze al twee keer gewonnen. De serie is verschenen in het kader van het project ‘Vroege stimulatie taalontwikkeling’ dat tot voor kort door PCOS verzorgd werd in 9 dorpen aan de Boven-Suriname met Djoemoe als centrum en dat nu doorgezet wordt door bewoners van de dorpen met behulp van de boekjes. De doelgroep van het project bestaat uit moeders en andere opvoeders van jonge kindertjes die nog niet naar school gaan en uiteraard de kindjes zelf. Het doel is dat deze moeders en anderen in de moeilijke schooltaal, het Nederlands, leren praten met hun kindertjes over dagelijkse onderwerpen zoals eten, baden in de rivier, met de boot ergens op bezoek gaan, naar de poli gaan als je ziek bent en geld sparen. De zinnen in de vijf boekjes zijn dus uiterst eenvoudig en de duidelijke illustraties laten zien waar de zin over gaat. Het vijfde boekje werd tijdens het KBF gepresenteerd en heet: Amaisa gaat sparen.

Dat zoveel kinderen voor deze eenvoudige boekjes kiezen, ook in de stad en omgeving, zegt veel over het leesniveau van deze kinderen. Veel kinderen willen boekjes lezen waarin ze zichzelf herkennen, eenvoudig van taal en met leuke, aanschouwelijke tekeningen. Ook de boekjes van Jerrel Pinas en Susan van Dijk spreken de kinderen aan, van Pinas vanwege het aantrekkelijk maken van de geschiedenis en die van Susan omdat ze op een prachtige manier via het paard Manga herkenbare emoties verwoordt, ook alweer eenvoudig en met mooie illustraties.

Boeken die 10 of meer stemmen kregen zijn: Okorié en Agambé van Sherida Sabajo (17 stemmen) over twee jongens uit verschillende dorpen in het binnenland, Sam en Kim van Cynthia Mc Leod (13), over het dagelijks leven van enkele kinderen in de stad, Het grote Anansiboek van Johan Ferrier (11), waaruit er waarschijnlijk wordt voorgelezen op scholen, Mijn bijzondere bossen (11), een informatief boekje over zorg voor het milieu en de serie Moi boi (10) van de schrijversgroep Wagina uit Wageningen over een doodgewone jongen die overgaat naar de tweede klas en wat hij allemaal doet. De klassen die naar stand ‘Lees je wijs!’ kwamen, waren voornamelijk vijfde en zesde en een enkele vierde. Boeken met ingewikkelder verhalen met veel meer en moeilijker tekst, zoals bijvoorbeeld die van Gerrit Barron, kregen weinig stemmen. Een lach en een traan kreeg met 7 de meeste.

Wat leren we hieruit? De leescultuur in Suriname is langzaam groeiende. Zelf lezen is nog moeilijk voor veel kinderen. Er is nog veel behoefte aan eenvoudige, herkenbare boekjes met weinig tekst en veel illustraties. Deze fase is de eerste stap van zelfstandig lezen op weg naar de mooi geschreven fantasievolle of leerrijke, dikkere boeken met veel tekst die we ook in onze kinderliteratuur hebben en die op de scholen niet mogen ontbreken. Voorlezen is immers de perfecte stap om de kinderen naar zelf lezen te brengen!

Foto van Jerrel Pinas: @ Harmen Boerboom
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter