blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: feminisme

Aafke In Wonderland: Suitsupply

door Aafke Romeijn


Aafke Romeijn doet nuchter verslag van gestoorde scènes in de wondere wereld van onze maatschappij, media en onderwijs.

Deze week hingen ze er opeens weer, de jaarlijks terugkerende reclameposters van Suitsupply. Inmiddels is het een traditie met drie vaste ingrediënten: lekkere naakte wijven, mannen in pak en een flinke portie smakeloosheid. En jawel hoor, ook dit jaar hebben de reclamemakers zich van hun taak gekweten: kleine mannetjes in pak gebruiken grote, naakte, donkere vrouwen als speeltuin. De pakken die verkocht moeten worden, zijn nauwelijks te zien. Een relletje is geboren. Missie: wederom geslaagd. read on…

The Rise of Beyoncé, The Fall of Lauryn Hill: A Tale of Two Icons

by Janell Hobson

Fifteen years ago, the stardom of then-23-year-old Lauryn Hill had peaked when she released what would become her defining musical legacy. After rising to popularity as part of the hip-hop trio The Fugees, with fellow members Wyclef Jean and Pras, she later released her solo album, The Miseducation of Lauryn Hill, read on…

Who’s Afraid of Black Sexuality? (5)

by Stacey Patton

Among scholars, much of the early work was done by historians, particularly black feminist historians, says Johnson. They brought out of the shadows the violation of black women under slavery—and the women’s response to it. They discussed the ways black women had kept their sexual lives private throughout history, to protect themselves against racism. In medical and literary studies, theorists like Evelyn M. Hammonds, Hortense J. Spillers, and Claudia Tate drew on psychoanalysis to understand the psychosexual dynamics of that privacy. Other scholars dealt with the emasculation of black men through lynching. But many early studies of the period focused on black sexuality as something that whites violated, suppressed, or exaggerated to justify discrimination. Few said anything about black sexual agency, pleasure and intimacy, or same-sex relationships.
 
And the reason that those might be explored as a category separate from human sexuality in general—without employing what Darieck Scott calls “essentially racist logic”—is the enduring history of black bodies, living under an exploitative and objectifying gaze.
 
In the early days, however, black nationalists and segments of the civil-rights movement accused black feminists of diverting attention from the urgent work of eradicating racism and restoring black manhood. Others objected that, for example, Alice Walker’s depiction of incest reinforced stereotypes about dysfunctional black masculinity.
 
“It’s easy for people to forget all the hostility,” says Spelman’s Guy-Sheftall. That history made it more difficult to include sexuality discourse in black studies as the field developed, she says.
 
It was in the late 1980s that queer studies began to make its mark in black studies. In 1986 came the publication of In the Life, an anthology of writing by black gay men, edited by Joseph F. Beam, an African-American gay-rights activist who died of an HIV-related illness in 1988. “The bottom line is this: We are Black men who are proudly gay,” he famously declared. And when Beam wrote that he wanted the truth to be told instead of watered-down versions of black life that excluded people like him, queer scholars heeded his call.
 
Everything has a price. Image © Nicolaas Porter
 
In 2000, frustrated by what he saw as silence about race in queer studies, Northwestern’s E. Patrick Johnson organized the first black queer academic conference, at the University of North Carolina at Chapel Hill, with Mae G. Henderson, who is straight. “I understood that identity is something that is created,” Johnson says. “Race might be an invention, but racism is not. It’s very real, and white gay men didn’t get that. They didn’t have to, because they are white men.” The conference drew 400 attendees, many of them graduate students who, he says, “came seeking affirmation of the research they wanted to do.”
 
The time was finally right. Younger scholars had grown up exposed to work by black LGBT writers and filmmakers like Marlon Riggs, Essex Hemphill, and Melvin Dixon. They had taken courses in gender studies and queer theory in college and were ready to see sexuality as a performance, a social construct, a varied phenomenon.
 
After Magic Johnson’s November 1991 news conference announcing that he was HIV-positive, black America could no longer insist that it was not at risk for the infection, which had been associated most closely with white gay men. In the years following, it became clear that AIDS activism would have to extend to communities of color being ravaged by the disease. The urgency of the AIDS crisis “really prompted folks to say that we cannot continue to proceed as if we don’t have a gay community within the black community, and we can’t proceed in the academy as if queer studies does not matter,” says Johnson. “The young folks are saying, ‘Let’s talk about sex, because people’s lives depend on it.'”
Those young people are also frustrated, and willing to say so. For decades, the “welfare queen” has been a standard cultural image, illustrated with oversexed addicts and promiscuous single mothers who bankrupt the country (and, in a recent iteration, drive up the federal deficit). “The visual for those stories has always been a black person,” says Celeste Watkins-Hayes, a black-studies professor at Northwestern. She recalls President Ronald Reagan’s stereotype of a welfare queen who used 80 names, 30 addresses, 12 Social Security cards, and was collecting $150,000 worth of Medicaid, food stamps, and veterans’ benefits.
“Racial oppression is diminishing and limiting,” Watkins-Hayes says. “Black-sexuality studies is about being liberatory, reinforcing, and life-affirming. Those two tensions end up making for fruitful scholarship. The confluence of those ingredients has led to a deliberate and clear articulation of a subfield called black sexuality studies.”
 
[to be continued]

N*ggab*tch

Klik op afbeelding voor groter formaat

Joan Ferrier vertrekt als directeur van E-Quality

Kenniscentrum voor emancipatie, gezin en diversiteit E-Quality fuseert met Aletta, instituut voor vrouwengeschiedenis. Reden voor directeur Joan Ferrier om per mei aanstaande plaats te maken voor een nieuwe directeur. Joan Ferrier stond aan de wieg van E-Quality.

Beide organisaties moeten bezuinigen en door de bundeling van krachten ontstaat er volgens Ferrier een sterk instituut op het gebied van informatie voor vrouwen. Ferrier kan met trots E-Quality verlaten, want het is in de loop der jaren uitgegroeid tot een gezaghebbend kenniscentrum, stelt ze. Ze is vooral trots omdat het haar met haar collega’s is gelukt om in woelige tijden meer aandacht te krijgen voor diversiteit van vrouwen in Nederland.

Gemeenschappelijke idealen
Helemaal afscheid nemen doet ze niet, zegt Ferrier. Ze zal het nieuwe instituut altijd een warm hart toedragen en ze is ervan overtuigd dat ze haar collega’s weer tegen zal komen, gezien de gemeenschappelijke idealen. In welke hoedanigheid zij dat doet, weet Joan Ferrier nog niet. Daar gaat ze zich in mei over buigen. Tot die tijd zal ze nog druk zijn met E-Quality.

Wat ze al wel weet, is dat ze voorzitter wordt van de Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013. Ze zal de nationale herdenking vormgeven van de afschaffing van slavernij, op 1 juli 2013 precies 150 jaar geleden.
[RNW, 9 februari 2012]

Kritische reflectie over wetenschapsbeoefening in Suriname

door Els Moor
Op 20 augustus 2010 werd er op de Anton de Kom Universiteit van Suriname een seminar gehouden onder de titel: Het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname: problemen en alternatieven. Het seminar werd georganiseerd door het Institute for Graduate Studies and Research (IGSR) en de leerstoel ‘Sociale Wetenschappen in technieken van onderzoek’. Docenten, promovendi en andere onderzoekers en geïnteresseerden namen deel. De inleidingen, discussies en evaluatie zijn nu vastgelegd in boekvorm onder redactie van Jack Menke (foto rechts), wat een goed initiatief is. Het is de eerste publicatie in een serie Occasional Papers, die door IGSR gepubliceerd zal worden. Deze eerste publicatie effent de weg voor kritische discussie binnen de samenleving over wetenschappelijk onderzoek aan onze universiteit.Jack Menke is de auteur van de ‘Introductie’. Hij geeft de drie lijnen aan waaruit de bundel is voortgekomen. De eerste is meteen al raak: een wetenschappelijke methode is altijd een instrument en functioneert dus binnen een groter verband. Dat betekent dat elke methode eerst getoetst moet worden aan de bruikbaarheid binnen de eigen samenleving. De tweede lijn is het onderzoeksklimaat dat zich binnen ISGR begint af te tekenen, vooral door kritische discussies onder studenten over de context en de grondslagen van wetenschappelijke kennis. De derde lijn is die van de presentaties en discussies tijdens het seminar.Jack Menke heeft het in zijn inleiding over het traditionele westerse standaardbeeld van de wetenschap tegenover de waarden, kaders en benaderingen binnen bepaalde tradities. Zo is het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname voornamelijk het universele beeld van wetenschap, gebaseerd op logica en realiteit, dus wat met de zinnen kan worden waargenomen. Positivisme heet dat in wetenschappelijke taal. Dit standaardbeeld is nauw verbonden met de ontwikkelingen van logica en wiskunde in Europa rond 1900, de basis van de huidige wetenschapsbeoefening. Binnen de traditionele wetenschapsbeoefening zijn twee factoren essentieel: dat het resultaat alleen gebaseerd is op ervaringen binnen het onderzoek en dat wetenschap gevrijwaard moet zijn van waardeoordelen, dus alleen berust op logische, rationele oordelen.

Een probleem binnen de wetenschapsbeoefening via ADEK is dat er vaak onderzoek gedaan wordt door buitenlanders. Dat kan tot grote misverstanden leiden. Jack Menke geeft een leuk voorbeeld: onderzoek naar natievorming. Maar dat woord heeft in Suriname een geheel andere betekenis gekregen dan het had in de koloniale tijd. Toen betekende het: een natie inrichten volgens eurocentrische opvattingen, dus één gemeenschappelijke taal en cultuur (godsdienst wordt niet genoemd, maar hoort er uiteraard bij). In Suriname ging het echter net andersom: er werden steeds nieuwe bevolkingsgroepen geïmporteerd en aan de samenleving geplakt. Het begrip ‘natie’ is dus eigenlijk verwarrend als we ‘de Surinaamse natie’ moeten typeren. Het komt ook nog steeds voor dat een buitenlandse onderzoeker onderzoek doet naar een aspect van een inheemse samenleving en op grond van de positivistische werkwijze tot een verkeerd resultaat komt, omdat de doelgroep zelf geen controle op de juistheid heeft kunnen uitoefenen.

De wetenschapsbeoefening in Suriname is aanvankelijk gebaseerd op positivistische principes en nog steeds speelt dat sterk. Gelukkig komt er nu langzaam maar zeker een benadering vanuit de eigen situatie. Er wordt steeds meer gepleit voor alternatieve benaderingen die ruimte geven aan kritische reflectie en die openstaan voor participatie van de doelgroep. Sociale wetenschappers laten tegenwoordig steeds meer van zich horen en behalve strikt wetenschappelijke doelen zijn er vaker ook sociale doelen, bijvoorbeeld gericht op emancipatie van groepen uit de samenleving. Dit is bijvoorbeeld meestal het geval binnen de feministische wetenschap. Net als de ‘Filosofie van de Derde Wereld’ geeft deze benadering een andere draai aan het begrip ‘objectiviteit’ dan binnen de positivistische visie. Als wegbereider van de filosofen van de derde wereld noemt Jack Menke uiteraard Frantz Fanon (1925-1961). Deze arts en activist is geboren op Martinique, studeerde medicijnen in Frankrijk en werkte van 1952-1956 als psychiater in een ziekenhuis in Algerije. Hij sloot zich aan bij het Front de Libération Nationale en werkte toen als arts in het Algerijnse bevrijdingsleger. Bekende werken van hem zijn Zwarte huid, blanke maskers (1952) en De verworpenen der aarde dat uitkwam in 1961, toen de auteur stervende was aan leukemie. De kern van deze ‘filosofie’ is de eenheid van theorie en praktijk, treffend verwoord door de Afrikaanse dichter Sékou Touré: ‘Het schrijven van een revolutionair lied is niet voldoende om deel te nemen aan de Afrikaanse revolutie; men moet deze revolutie maken met het volk. Met het volk, en de liederen komen dan vanzelf wel.’ Conclusies van Menke zijn dat de scheiding tussen de verwerving en de toepassing van kennis opgeheven moet worden. Wetenschap is veel maatschappelijker dan het positivisme doet voorkomen. Wetenschap wordt in de derde wereld vaak gezien als een instrument tot bevrijding waarbij waarden zoals emancipatie en humanisering centraal staan. In Suriname is het standaardbeeld van het positivisme, ook in andere vormen van onderwijs, nog te veel vastgeroest. Er is grote behoefte aan alternatieve benaderingen.

Kees van der Wolf bespreekt in ‘Mixed methoden in onderwijsstudies’ waartoe we kennis ontwikkelen, wat we ermee willen bereiken. Het beeld van objectiviteit, herhaalbaarheid en controleerbaarheid (positivisme) is nog te sterk aan onze faculteit van Maatschappijwetenschappen. Het is belangrijk dat we in de wetenschap speculaties en vooroordelen voorkomen. We kunnen om problemen op te lossen kennis van elders zeker gebruiken, maar we kunnen hier ook samen kennis ontwikkelen in de context van probleemoplossing.

Julia Terborg (foto links) heeft het in haar inleiding over feministische wetenschapsbeoefening. In de tachtiger jaren vond er in de wetenschapsbeoefening rondom het feminisme een verschuiving plaats van het ‘concept vrouw’ naar het ‘concept gender’. Dit begrip staat voor de gedrags- en identiteitsaspecten van een sekse. Dus niet de lichamelijke aspecten. Hierbij krijgen bij onderzoek de onderzochte personen de ruimte om mee te praten over de onderzoeksdoelstelling. De onderzoeksmethode wordt gekozen op grond van het onderwerp van onderzoek. Daarbij is het van essentieel belang dat de onderzoeker het echte probleem ziet, niet kijkt vanuit een beperkte visie. Wie veroorzaken de problemen van overbevolking? De vrouwen? Zij gebruiken toch geen voorbehoedsmiddelen (vaak vanuit hun cultuur)? Of de scherpe sociaal-economische ongelijkheid in de wereld? Op de wereldconferentie over dit onderwerp in 1994 zijn feministen als collectief erin geslaagd om een andere wending te geven aan de discussie over bevolking en ontwikkeling, meer vanuit de erkenning en bescherming van de rechten van vrouwen en worden bevolkingsvraagstukken meer in verband gebracht met sociale vraagstukken, zoals armoede.

De derde inleiding van Monique Veira (foto rechts) gaat over rechten en samenleving: moet de juridische manier van denken onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen gewijzigd worden? Dit onderwerp roept vaak weerstanden op bij juristen. Monique Veira bespreekt Surinaamse gevallen om de aanpak te beoordelen. Zij besluit dat de typisch wetenschappelijke juristerij verrijkt moet worden door ook open te staan voor andere disciplines, wanneer de casus erom vraagt.

Er waren twee discussierondes tijdens het seminar. Veel vragen en opmerkingen maakten duidelijk dat het onderwerp aanslaat en dat is prima. Ook de evaluatie was grondig. Jack Menke kwam met een treffer: moet ook academisch onderwijs niet creatiever zijn, in een meer ongedwongen sfeer? En werken al die typisch academische termen niet vervreemdend, vooral naar een algemener publiek toe? Hiermee ben ik het roerend eens. Wat een moeite heb ik gehad om dit boekje te begrijpen, terwijl de stof me zeer na aan het hart ligt. Soms vier moeilijke wetenschappelijke woorden in één zin! En creatiever onderwijs: dat is mijn stokpaardje, voor alle leeftijdsklassen en niveaus!

Toen ik het boekje eindelijk uit had en klaar was met een overzicht voor dit artikel, pakte ik mijn ‘lijfblad’, het weekblad De Groene Amsterdammer, van 14 juli. Is het toeval dat daar net nu een artikel van Caspar Thomas en Yvonne Zonderop in staat over wat drie planbureaudirecteuren, tevens hoogleraren aan universiteiten, vinden van de wetenschap in Nederland? Een van de drie begint met een voorbeeld: ‘Ik had laatst iemand die wilde promoveren op werkloosheid. Mooi onderzoek, maar de cijfers waren twintig jaar oud. Je kunt daarop promoveren, maar de maatschappelijke relevantie is nul komma niks’. En zo gaat het door: de universiteiten worden zelfs ‘ivoren torens’ genoemd. Er wordt ook gepleit voor een intensievere samenwerking tussen wetenschap en beleid. Het einde van het artikel is aldus: ‘Als de overheid zegt: wij moeten een alternatief vinden voor accu’s, dan moet de TU Delft toch zeggen: wij doen mee, we gaan ervoor? Als wetenschappers dan nog steeds klagen dat ze niet gehoord worden, ach ja…’
In onze kleine samenleving met maar één universiteit kunnen we de handen toch makkelijker ineenslaan? Kunnen we toch verder komen met de ontwikkeling van aan ons land en de tijd aangepaste wetenschap, die wel wetenschappelijk blijft?

Institute for graduate Studies and Research. Occasional paper 1. Het standaardbeeld van de wetenschap in Suriname: problemen en alternatieven. Redactie: Jack Menke. Anton de Kom Universiteit van Suriname, 2011
De Groene Amsterdammer. Onafhankelijk weekblad sedert 1877. 14 juli 2011.

Carry-Ann Tjong-Ayong – Na de feministische golf

Vroeger waren heren nog galant. Bij het betreden of verlaten van een etablissement hielden zij de deur voor je open, hielpen je uit of in je jas en hingen die op. Schoven een stoel voor je aan. “Wat wil je drinken?” vroegen zij vriendelijk en zij hielpen met het uitkiezen van een wijntje.

De feministische golf maakte daar abrupt een einde aan. Wij moesten immers zo nodig zelf naar binnen lopen, de jas aanhijsen en de rekening betalen, als wij een baan hadden.
“Neen, dat kan ik zelf,” hijgden wij, met een zware doos worstelend op de trap. En op het botte af negeerden wij de opengehouden deuren. Wij waren immers zelfstandig en self-supporting geworden.

De rolstoel brengt ons weer terug tot de juiste proporties. Worstelend bij de toegangsdeur laat ik mij graag helpen door de heren, die hun natuurlijke galantheid eindelijk weer de vrije loop kunnen laten en mij zorgzaam binnen of buiten helpen. Je ziet hen bevrijd zuchten, een glimlach op hun gelaat. Eindelijk kunnen zij weer het galante mannetje van weleer zijn.

cat 26/2 2011

Foto: @ Michiel van Kempen

Slang bijt meid

door Michiel van Kempen

Op 17 maart gaat het nieuwe RTL televisieprogramma Echte Gooische Meisjes in de Jungle in première. RTL 5-baas Remko van Westerloo heeft gemeld dat het een grappig realityprogramma wordt waarin meisjes uit allerlei RTL 5-programma’s een tocht afleggen in de jungle in Suriname.

Wat het binnenland daar dan van denkt, vermeldt de RTL-baas niet. Maar zoals men weet kan men de natuur niet ongestraft aan zijn liaan trekken. Eerder deze maand moest een van de deelneemsters vanuit de jungle (want zo heet dat, ‘tropisch regenwoud’ klinkt natuurlijk niet spannend genoeg) met spoed naar het Academisch Ziekenhuis in Paramaribo worden gebracht. Ze was door een slang gebeten. Mediajournaal.nl meldde: ‘Slang bijt echt RTL5-meisje’. Er zijn dus ook andere RTL-meisjes: van plastic, van bijenwas, van siliconen vooral ook. Maar dit was een echt meisje. Het had de moed gehad een doos met een slang te openen en die beet haar in de hand. Mazzel: het was geen gifslang, maar een wurgslang, een anaconda of aboma. Levert vervelende ontstekingen op, maar RTL-wicht is niet gewurgd, afkloppen.

De dienstdoende reporter ˗ Starnieuws kwam er als eerste mee op 10 januari ˗ had niet geïnformeerd naar de betekenis in de winti-cultuur bij de binnenlandbewoners. Maar de boa constrictor, zo meldt ons de goeie ouwe Encyclopaedie van Nederlandsch West-Indië uit 1914-17 is de afgodslang, de dagoewesneki of Papasneki, en die kan men maar beter met rust laten, want hij is de machtigste foduwinti, erg belangrijk in de communicatie tussen goden- en mensenwereld. Terecht dus dat de RTL-huppelkutjes hun mobieltjes niet mochten meenemen naar het binnenland. De reporter noteerde ook niet hoe lang die slang was. De Encyclopaedie schrijft, alsof ze het zelf ook niet helemaal gelooft: ‘Volgens de oude reizigers: Schomburgk en Maximiliaan Prins von Wied, zouden zij zelfs 6 à 10 Meter lang kunnen worden, met een dikte als een mansdij.’

In het najaar van 2008 ontving ik de onderstaande foto’s van een anaconda die in Benzdorp in het zuidoosten van Suriname was gevangen. Aan de betrouwbaarheid van Schomburgk en de Prinz von Wied hoeft niet meer getwijfeld te worden. In de buik van het beest zaten meer dan honderd kleinere slangen van allerlei soorten. Misschien moeten de Gooische kandidates deze foto’s maar eens goed bestuderen, voordat zij opnieuw naar de jungle afreizen.


  • RSS
  • Facebook
  • Twitter