Op donderdag 27 mei 2021 ondertekenden Rita Rahman, voorzitter van de Werkgroep Caraïbische Letteren, en... Lees verder →
Margriet Hoenderdos toonzette werk van Hans Faverey
De titel heeft betrekking op Faverey’s vermogen een taalbeweging uit te werpen en deze op kortere of langere termijn terug te halen, zoals een boemerang of dolfijn zijn curve maakt, elegant herneemt en terugkeert met soms zo’n grote kracht en zekerheid dat het uitgangspunt achterwaarts gepasseerd wordt.’Margriet Hoenderdos nam al in 1987 gedichten van Faverey als uitgangspunt voor een compositie gebruikte. Dit is het werk ZICH – wederkerende bewegingen, voor fluit, klarinet, viool, contrabas, harp, mandoline en gitaar.
Daarnaast is het relevant dat De lussen van Faverey het gevolg is van een samenwerkingsproject met Hans Faverey. Het plan was dat beiden, onafhankelijk van elkaar, te werk zouden gaan. Faverey schreef zo in eerste instantie Het ontbrokene, wat later zijn laatste werk bleek te zijn. Margriet rondde haar werk af in december 1990, enkele maanden na het overlijden van Faverey. Anders dan in de oorspronkelijk opzet is in haar compositie geen tekst te horen.
Hoenderdos gaf lessen hedendaagse muziek aan de Zwolse muziekschool, waar zij van 1977 tot 1987 tevens een aanstelling had als pianolerares. Sinds 1987 was zij uitsluitend werkzaam als componist. In 1999 stond haar werk centraal tijdens de Rumori dagen. In 2008 beleefden gelijkertijd acht werken van Hoenderdos hun eerste uitvoering in de Witte Dame in Eindhoven. Op 6 mei 2012 gingen postuum vier werken in première in het Bethaniënklooster te Amsterdam.
Maart ’98 voor strijksextet verzorgde.
Februari ’01 voor twee trombones,
[Informatie gebaseerd op Wikipedia en gegevens van Bas Geerts.]Klik hier voor het gehele programma van 6 december 2013.
Passage (slot)
door Gert de Jager
Passage (2)
Dat zou je kunnen concluderen. Gerbrandy doet het wel en niet. Hij inventariseert denkbeelden van existentiële antropologen en hun voorgangers, doet uitspraken over ‘het mensenleven’, de betekenis van literatuur als ‘een aangeleerde, geritualiseerde en min of meer collectieve handeling’, de schrijver ‘die zich als liminale figuur in dienst stelt van de gemeenschap’, de ‘aspecten van de existentie’ die in de literatuur centraal staan. Vervolgens deinst hij terug. ‘We zijn hier echter niet op zoek naar de eigenschappen van de literatuur in het algemeen’ schrijft hij, na enige eigenschappen te hebben geformuleerd, ‘maar naar een begrip van de poëzie van Hans Faverey’. Dat schrijft hij ongetwijfeld omdat het laatste iets moois is en het eerste niet te doen. Toch: als antropologische categorieën die gebruikt worden voor de beschrijving van inwijdingsrituelen ook bruikbaar moeten zijn voor de analyse van zoiets specifieks als de poëzie van Hans Faverey, gaan we wel heel erg drastisch top-down. Dat ‘de literatuur in het algemeen’ daar ergens hiërarchisch tussen zit, lijkt me onvermijdelijk.
Een belangrijke beperking van het antropologische begrippenapparaat laat zich aan de hand van meer dan alleen Faverey het makkelijkst illustreren. Het gaat om de tweede, cruciale fase in het liminale proces: wanneer de aspirant-geïnitieerde zich bevindt in wat ik ‘een schemergebied’ noemde en Gerbrandy ‘een onbestemd niemandsland’. Het is in die fase van marginaliteit dat de vertrouwde conceptuele kaders wegvallen en de deelnemers niets anders dan symbolische handelingen uitvoeren. Gerbrandy verwijst naar de Schotse antropoloog Turner (23):
Passage (1)
door Gert de Jager
Jede Epoche ist unmittelbar zu Gott: de beroemde uitspraak van Leopold von Ranke die elke historicus als eerstejaars te horen krijgt en een literatuurhistoricus, als het goed is, niet veel later. Elk tijdperk staat recht voor God: middeleeuwen zijn niet belangrijk omdat ze duizend jaar lang ergens tussenin zitten; een term als preromantiek is onzinnig; wie een historische periode ziet als een voor- of naspel van een Gouden Tijdperk, duwt iets wat op zichzelf een existentie heeft in een teleologische mal. Geen toeschouwer amuseerde zich met een toneelstuk omdat even later Shakespeare geboren zou worden. De wereldgeest maakte zich niet eeuwenlang druk om tot rust te komen in het Pruisen van Hegel.
read on…UITVERKOCHT / Drie wereldpremières op Vijfde Caraïbische Letterendag
De Werkgroep Caraïbische Letteren nodigt u van harte uit voor de vijfde Caraïbische Letterendag. Voor deze lustrumviering pakken we groots uit met drie wereldpremières.
read on…René Samson zette poëzie van Slory en Ashetu op muziek
Faverey, Broek en eilanden: klop, klop, klop…
door Ton Wolf
Gedichten zijn bezoekers. Ze rammelen aan de poort van je bewustzijn, en als ze je aandacht eenmaal hebben, doen ze hun best om goede gasten te zijn en je te belonen met nieuwe gedachten en verse gevoelens. Je moet je daar wel voor openstellen, maar dan wil je ook niet opgelicht worden met blabla of gepreek. Vandaag heb ik drie uitgaven te bespreken, vol gedichten die allemaal ‘Klopklop!’ staan te roepen in de hoop ‘Kom door!’, te horen.
Hans Faverey,
Gedichten 1962-1990
Hans Faverey (Paramaribo 1933 – Amsterdam 1990) studeerde psychologie en werkte aan de universiteit van Leiden. Zijn verzamelde gedichten zijn eerder uitgegeven in 1993 en herdrukt in 1993 en 2000. Marita Mathijsen verzorgde de vierde druk, die is uitgebreid met 193 niet eerder gepubliceerde gedichten. Het is een kloeke uitgave van zo’n duizend pagina’s, waarin vele honderden gedichten voor zichzelf mogen spreken.
Faverey is een zeer herkenbare dichter. Net als bijvoorbeeld die van Slory hebben zijn gedichten iets heel eigens, en dat hebben ze allemaal. Dat eigene is een speciale soort gedachten, die we zelf waarschijnlijk zelden of nooit hebben, maar die we bij Faverey tegenkomen als oude bekenden die ons toch altijd weer verrassen met hun eigenzinnige kijk op het bestaan.
Op het eerste gezicht zijn Favereys gedichten vaak raadselachtig:
De totale ruimte als een kat verzopen in een nooit begonnen onachterhaalbaar gedicht.
Maar als je er wat langer naar kijkt, beginnen die weinige woorden veel te zeggen. Hoe voelt het aan om een gedicht te willen schrijven en het niet te kunnen? Zo dus. En die mislukking wordt zelf verwoord in een geslaagd gedicht. Hoe paradoxaal: wat niet kon, kan toch. Het onmogelijke is benoemd, en daardoor mogelijk gemaakt. Het onvermogen is opgeheven door het te sublimeren.
Een wankele heerser over weinig
Faverey noemt zichzelf ergens ‘een wankele heerser over weinig’: hij moet in de beperkte (maar totale) ruimte van een kort gedicht greep krijgen op de gedachten en orde scheppen in de woorden. Dat is een hachelijke onderneming, maar wel een die de moeite waard is. Ook voor de lezer, want die krijgt de gedachten aangereikt in een vorm die hem dwingt ze als het ware zelf opnieuw te denken.
Onder studenten is de cyclus ‘Man & dolphin / mens & dolfijn’ uit de bundel Gedichten 2 een geliefd voordrachtsnummer. De vijf korte gedichtjes, even hardnekkige als hopeloze pogingen een dolfijn ‘bal’ te laten zeggen, worden dan als één gebracht. De potsierlijke situatie wordt vanzelf komisch en tragisch tegelijk, terwijl het streven naar het onmogelijke juist nog waardiger en verhevener overkomt. En die dolfijn jongleert intussen met die bal zoals wij het nooit zullen kunnen.
De poëzie van Hans Faverey, vol van tegenspraak en twijfel, verdient juist daarom alle aandacht die we haar kunnen geven. Want wij hebben die twijfel hard nodig. Dan denken we tenminste zelf.
Aart G.Broek,
Het lichten van de jaren
Van 1981 tot 2001 woonde en werkte Aart Broek op Curaçao. Het lichten van de jaren is een smalle bundel met 16 gedichten, ruim voorzien van motto’s uit klassieke en moderne auteurs en uit religieuze bronnen als Bijbel en Koran. De titel is mooi dubbelzinnig: ‘lichten’ is tegelijk optillen ter nadere beschouwing en licht uitstralen.
Broeks jaren op het tropische eiland zijn blijkbaar nogal heftig geweest. De nabijheid van het slavernijverleden, belichaamd in de mensen om hem heen, en de ruwe natuur die land en volk aanvreet, vinden hun weerslag in ontboezemingen van haast onvervulbare liefde voor één zwarte medemens, tegen de achtergrond van zee, zand en cactussen. Een uitstapje naar Istanbul, waar intimiteit tussen mannen een gewoner verschijnsel is, komt er als een echte verademing uit. ‘Het gemeenzaam helen’, noemt Broek die afdeling. In ‘De kus’ gaat het om een jeugdliefde in Katwijk (nee, niet de Surinaamse plantage).
De intensiteit van de Curaçaose jaren spreekt onder meer uit de vele bijvoeglijke naamwoorden, alliteraties en beweeglijke werkwoorden. Een voorbeeld:
Neem nou de zee: de zegen van zilt brak botten en potten tot scherven en splinters, verspreidde kogels als kloten in een modderig doolhof, knalde onbuigzame ijzeren fallussen naar de bodem van de baai om decennia later vijftigers, ouder nog maar ook jonger, tastbaar het heroïsche leven van de verrotte of verpulverde lijken naar boven de vloedlijn te kijsen en zichzelf de mannen te weten, met kloten en – oh, om te koesteren – geen stijve gewrichten maar voor eeuwig jong en viriel en de dood en het zout voor even altijd overwonnen.
Van zo’n stijl moet je houden, anders verlang je snel naar meer evenwicht tussen gerecht en garnering. (Probeer het maar eens luidop te lezen.)
Klaas de Groot
Vaar naar de vuurtoren
Het wezen van een eiland is de afzondering van het vasteland. De stereotype cartoon toont een hoopje zand waarop een broodmagere schipbreukeling in vodden onder een palmboom staart naar een schip dat onbereikbaar ver voorbijvaart. Dat noopt wel tot concentratie op dingen van hogere orde, en het brengt ook al gauw gedachten voort die het bijzondere van het eilandbestaan in bijzondere vormen willen vatten. Gedichten dus, waarvan er een stuk of 200 zijn verzameld in Vaar naar de vuurtoren.
De bezongen eilanden zijn de Nederlandse Antillen en de Nederlandse Waddeneilanden; Surinaamse tabiki’s doen niet mee. De volgorde is alfabetisch. Na Ameland komt Aruba en na Rottum komt Saba, waardoor een voelbare afwisseling van warme en koelere poëzie ontstaat. De Antilliaanse gedichten zijn vaak in het Papiaments en gaan dan vergezeld van een vertaling in het Nederlands. Curieus zijn de volksliederen, die elke eilandafdeling besluiten:’ Verhef uw stem, bezing met ons / de grootheid van Kòrsou’, of ‘De eendracht die ons samenbond / blijv’ de kracht van Texels grond!’ Misschien moet ik maar eens een volkslied voor mijn eigen tuin gaan schrijven.
Eilanden maken gevoelens los.’ Eiland, je bent mijn hart op de wereldkaart’, zegt Frank Martinus Arion. En Albert Helman had wel veel kritiek op Saba, maar hij eindigt met ‘Vaarwel dan, lieflijk Saba / ik zie je nimmer meer / behalve in gedachten / als mijn doorwaakte nachten / vervuld zijn van weleer / ach, vol zijn van weleer…’
Wie met De Groot naar de vuurtoren vaart, staat een redelijk boeiende reis te wachten. Want een eiland is arriveren en vertrekken, of levenslang heimwee als je er geboren bent, of een plek die bevatbaar afgezonderd is en waar je ook gauw genoeg van kunt krijgen. Dat levert vaak aardige gedichten op.
Hans Faverey. Gedichten 1962-1990. Amsterdam: De Bezige Bij, 2010. ISBN 978 90 234 5819 7.
Aart G. Broek. Het lichten van de jaren. Haarlem: In de Knipscheer, 2010. ISBN 978 90 6265 649 3.
Klaas de Groot (samenst.) Vaar naar de vuurtoren. Eiland, Isla, Island, Eilân. Gedichten over twaalf eilanden van het Koninkrijk der Nederlanden. Haarlem: In de Knipscheer, 2010. ISBN 978 90 6265 658 5.
‘Net als ik zeg: er is niets meer’/’Daar heb je mij weer: er wordt’
door Fabian Stolk
Hans Faverey (1933-1990) geldt al een tijd als een van de grootsten van de Nederlandstalige poëzie van de twintigste eeuw. Drie jaar na zijn dood werd zijn gehele oeuvre verzameld in een 747 pagina’s tellende dundrukeditie (februari 1993, tweede druk april 1993, derde druk, paperback, maart 2000). Dat boek was niet zo maar door de uitgeverij of bijvoorbeeld door Favereys weduwe bij elkaar gesprokkeld. Het was een op wetenschappelijk verantwoorde wijze samengestelde leeseditie, bezorgd door Marita Mathijsen. Een dergelijke degelijke editie is eens te meer een indicatie van de bijzondere waarde die aan dit oeuvre gehecht wordt, ook al noemt vrijwel iedere beschouwer of bespreker het werk behalve mooi, uniek en indrukwekkend ook moeilijk, ontoegankelijk of minstens hermetisch.
Favereys canonieke status wordt opnieuw onderstreept door de herziene, wetenschappelijk verantwoorde editie van zijn verzameld dichtwerk, nu aangevuld met ‘193 niet eerder gepubliceerde gedichten uit de nalatenschap’. Zo staat het op de ronkende, verticaal gemonteerde buikband (ze kan eenvoudig verwijderd worden, zodat er een sober omslag overblijft, zoals de dichter dat voor zijn werk wenste).
Lees verder op DeReactor, door hier te klikken
Gedichten 1962-1990 van Hans Faverey
Editie door Marita Mathijsen
De Bezige Bij, Amsterdam, 2010,
ISBN 9789023458197 / 1008p.
Hans Faverey – Staande op een luchtbel
open ik beide armen
en omhels wat zich
voordoet: verre-gaande afwezigheid.
Als ik de grond raak
en de reiger opvliegt,voel ik mijn
knieën knikken.
Wist ik een wens
toen de ster viel
en scherpgras de
kiel schuurde?
[uit: Hans Faverey, Gedichten 1962-1990 (2010)]
Hans Faverey – Gedicht
In het helikoptergebied:
de wisselende gezangen;
de korzelige regenzones.
Bij elk nieuw gezang,
hoe kort ook, wissel
ik van sneeuwbril;
krimpt mijn ijsappel.
[uit Gedichten, 1968]
.
Invloed van Faverey op jonge dichters?
door Chrétien Breukers
Yra van Dijk recenseerde vrijdag 19 november in het NRC de nieuwe verzamelturf van Hans Faverey. In het niet online verschenen stuk schrijft ze:
“Nu, twintig jaar na het overlijden van Hans Faverey, ligt er niet alleen een staalblauwe, gebonden editie van zijn volledig werk, maar verschijnt er in Nederland bovendien weinig poëzie van jonge dichters die niet aantoonbaar door Faverey is beïnvloed of zich juist tegen hem verzet. Helemaal dood is de dichter dus niet.”
Een zin die mij enigszins verbaasde, want de naam Faverey hoor je nu ook weer niet zó vaak noemen, door hedendaagse dichters. Misschien door Ilja Leonard Pfeijffer, maar dan niet echt in positieve zin.
Ik ging voor De Contrabas op onderzoek uit en kwam terug met de volgende quotes van een aantal jonge dichters. Ik heb ze voor het gemak op alfabet gezet, de jonge dichters. Mijn onderzoekje loopt nog, dus wellicht komen er nog nieuwe namen bij:
read on…Geen enkele Surinamer of Antilliaan op grootste poëziemanifestatie van 2010
Ze zijn er allemaal, van Maarten Asscher tot Ad Zuiderent, en van Gerrit Komrij tot Leonard Nolens, op wat de DBNL aankondigt als HET poëzie-evenement van 2010. Op 10 december wil de DBNL – ‘de grootste en best bezochte website over en met Nederlandstalige literatuur’ – het mooiste uit tien eeuwen Nederlandstalige poëzie bijeenbrengen in het Amsterdamse pakhuis De Zwijger, van 9 uur ‘s avonds tot 3 uur ‘s nachts. Ruim 70 dichters uit Nederland en Vlaanderen zullen op vier podia 120 dichters uit vijf eeuwen poëzie opnieuw laten klinken: de dichter die het Egidiuslied-lied componeerde, Vondel, De Schoolmeester, Van Ostaijen, Nijhoff, noem ze maar op. Maar waar zijn al die prachtige zangers van het Surinaamse en Antilliaanse lied? Ja, Faverey is uitgekozen – hij wordt immers al jaren tot de hard core Nederlandse letteren gerekend. Maar levende dichters? Leo Vroman wordt overgevlogen uit de VS, maar waarom niet de grand old man van Suriname Shrinivási, of de négritude-dichter van de Antillen Frank Martinus Arion? Of als het geen extra ticket mag kosten: waarom de fijnzinnige Chitra Gajadin uit Rotterdam niet? Of iemand uit de groep Simia Literario?
Wat is dit nou: gewone vergeetachtigheid? Canondenken? Menen dat de Nederlandse cultuur nog altijd zo wit is als een bord yoghurt, gekarnd uit Friese melk (Tsead Bruinja mag wel meedoen). De DBNL heeft recentelijk duizenden pagina’s uit de Surinaamse en Antilliaanse literatuur in digitale vorm op zijn website gebracht. Zijn ze in Leiden dat nu allemaal al vergeten? Of takelt men straks weer op het allerlaatste moment een gekleurde excuuspoëet uit de sloot om het roerige mengvolkje uit de Caraïben tevreden te stellen?
Of… hoort er helemaal geen enkele dichter en geen enkel gedicht uit de Nederlandstalige West en zijn overzeese migrantengezelschap tot het mooiste van de Nederlandstalige poëzie? Welke gedichten dat dan zijn of welke dichters? Nee, ik ga ze echt niet meer opnoemen, flikker toch op.