blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Equiano Olaudah

Wie een beperkte blik op de slavernij wil, spoede zich naar het Rijksmuseum

Dat slavernij overal in de wereld voorkwam lijkt het Rijksmuseum niet te interesseren. De bezoeker krijgt de indruk dat de slavenhandel en slavernij voornamelijk Europese erfzonden zijn.

door Piet Emmer

read on…

Water naar de kraan dragen


Slavernij in eigen kring

Zaterdag 1 juli is Keti Koti, de nationale herdenking van de afschaffing van de slavernij. Afschaffing? Ellen Ombre zag in Afrika dat er nog een lange weg te gaan is.

door Ellen Ombre

 

Olaudah Equiano, een Afrikaanse jongen van elf, werd met zijn zus ontvoerd in het zuiden van het huidige Nigeria. Niet door Boko Haram, de wrede mensenroversbende die in Noord-Nigeria stelselmatig mannen vermoordt en meisjes tot slaven maakt en als ruilhandel inzet, maar door kidnappers, eeuwen geleden, in de bloeitijd van de trans-Atlantische slavenhandel. read on…

Slavernij verwoestte heel continent

door Aad van Toor

Op de kinderen maakt het allemaal weinig indruk. Ze rennen, al schreeuwend, met een vragenformulier in de hand door het Slavernijmuseum in Liverpool. Voor hen is het een gezellig uitje. Volwassenen lopen er wat ongemakkelijk rond, misschien zelfs met een schuldgevoel. Niet alleen om wat zich in het verleden afspeelde, maar ook om wat vandaag de dag nog steeds niet is uitgeroeid: het claimen van iemands persoonlijke vrijheid, het uitbuiten van andere mensen tot eigen voordeel.

Op gevluchte slaven werd de jacht geopend met bloedhonden. Eenmaal gepakt, konden ze rekenen op de doodstraf. Naar aanleiding van het Engelse gedicht ”The Dismal Swamp” van Henry Wadsworth Longfellow schilderde Richard Ansdell in 1861 dit opgejaagde slavenechtpaar. – Foto National Museums and Galleries on Merseyside

Liverpool gaat de zwarte bladzijde uit het eigen verleden -die te lang en door te veel mensen is genegeerd- niet langer uit de weg. Het menselijk-tragische verhaal moet worden verteld, en opnieuw verteld. Zodat we nooit vergeten hoe West-Europa, Nederland incluis, zich liet leiden door begeerte en miljoenen Afrikanen de slavernij in dreef. De Afrikaanse cultuur verwoestte, in ieder geval zodanig beschadigde dat de gevolgen tot op vandaag zichtbaar zijn.Bij de ingang van het museum brengt William Prescott, zelf een voormalige slaaf die in 1937 overleed, zijn scepsis onder woorden: „Zij zullen zich herinneren hoe we werden verkocht, maar niet dat we sterk en standvastig waren; zij zullen zich herinneren hoe ze ons kochten, niet dat we dapper waren.” Eronder staat een kreet als antwoord: „Wij zullen het onthouden!”

De tentoonstelling voert dwars door de Afrikaanse cultuur en toont muziekinstrumenten zoals ivoren hoornen, drum en muziekpot, snaarinstrumenten en blaasinstrumenten. De maskers, de ceremoniële kostuums. Houtsnijwerk, wapens en textiel. Al in de 15e eeuw weefden de Afrikanen katoen, een belangrijk exportproduct. Toen in die eeuw handelaren uit Europa met hun textiel aan de Afrikaanse kust kwamen, hadden ze weinig succes. Hun textiel was van mindere kwaliteit en duurder dan de Afrikaanse producten. En hun kleding sloeg bij de Afrikanen niet aan.
Klik hier!

Voordeel

Liverpool verdiende kapitalen aan de trans-Atlantische slavenhandel. Duizenden schepen werden er uitgerust voor het transport van handelswaar naar de Afrikaanse kust, waar Afrikaanse gevangenen vervolgens werden ingeladen en getransporteerd naar Zuid- en Noord-Amerika. De opdrachtgevers en geldschieters waren rederijhouders, bankiers, politici, landeigenaren en andere investeerders. Maar heel de stad had voordeel bij de handel. „Eigenlijk is iedereen in Liverpool slavenhandelaar. Veel van de slavenschepen zijn hier uitgerust en leveren werk en inkomen op voor ambtenaren, textielhandelaren, touwslagers, kruideniers, kaarsenmakers, kappers en kleermakers”, zo tekende de schrijver J. Wallace uit Liverpool in 1795 op.
Amsterdam, Middelburg en Vlissingen waren de belangrijkste havens van Nederland van waaruit de slavenhandel gedreven werd. Nadat de invloed van de West-Indische Compagnie taande, rond 1730, namen Middelburg en Vlissingen de Amsterdamse hegemonie over. Zo’n 500.000 slaven werden met Nederlandse koopvaardijschepen naar de plantages gebracht.
Nauwelijks kunnen we ons nog de rechtvaardiging van de slavenhandel, met een beroep op de Bijbel, voorstellen. Het was immers Noach zelf die Chams nageslacht vervloekte? „Een knecht der knechten zij hij zijn broederen!” Zwarten waren nakomelingen van Cham en dus naar de toen heersende opvatting voorbestemd om als slaven te dienen. Bovendien waren de Afrikaanse volken ongeciviliseerd; de onbekende cultuur noemde men barbaars, de Europese cultuur superieur.
Maar als arbeidskracht voldeden die zwarten goed. „Afrikanen zijn heel geschikt voor het werk hier, in tegenstelling tot de plaatselijke bevolking, die zwak en dom is”, zo oordeelde de Spaanse rechter Alonzo Zuazo in 1518.

Arbeidskrachten

Want daar ging het uiteindelijk om: goedkope arbeidskrachten. Na de ontdekking van Zuid-Amerika veroverden de Portugezen grote gebieden op de plaatselijke bevolking, die grotendeels werd uitgemoord. De overheersers begonnen (omstreeks 1540) met suikerverbouw in Brazilië. De vraag nam toe en op de Caraïbische eilanden werden nieuwe plantages aangelegd. Snel volgden andere producten als tabak, koffie en katoen. Het verbouwen van suiker is arbeidsintensief en arbeidskrachten waren er niet veel, miljoenen oorspronkelijke bewoners waren immers vermoord en anderen hadden zich letterlijk dood gewerkt, onder meer in de mijnen.

Zo viel het oog van de Europeanen op Afrika. Het resultaat was de grootste gedwongen volksverhuizing aller tijden. Met miljoenen werden de Afrikanen in slavernij gebracht en getransporteerd over de Atlantische Oceaan. De handel had plaats vanuit forten aan de Afrikaanse kust, beheerd door Europeanen. Op andere plaatsen ’onderhandelden’ de kapiteins rechtstreeks met de inlanders. Mochten Portugal en Spanje vooroplopen als het om slavenhandel ging, Engeland, Frankrijk en Nederland volgden op de voet. Natuurlijk was de werkelijkheid ingewikkelder, ook de lokale bevolking overmeesterde andere stammen en voerde die als slaven naar de kust voor de verkoop.

Uiteindelijk raakte de Afrikaanse cultuur zwaarbeschadigd; racisme en armoede brachten het continent in een onmogelijke achterstandspositie, die voortduurt tot vandaag de dag.
De biografie (1789) van de voormalige slaaf Olaudah Equiano opende veel Europeanen de ogen. Equiano werd daarmee een belangrijke voorvechter van het abolitionisme, de stroming die de slavernij wilde afschaffen. In 1833 was het in Engeland en zijn koloniën zover. De slavernij werd officieel afgeschaft, in Amerika zou het nog tot 1865 duren.

Niet uitgeroeid

Het is een illusie dat de slavernij na de officiële afschaffing niet meer bestaat. Het gaat gewoon door, het museum heeft er een aparte ruimte voor ingericht. Nazi-Duitsland maakte op grote schaal gebruik van dwangarbeiders, de Russen hadden hun werkkampen tot zelfs in Siberië toe. Nieuwe verplaatsingen van volken is in volle gang: Aziaten naar Europa, van het Oostblok naar West-Europa, niet gedwongen door slavendrijvers, maar door de armoede. Vrouwen worden onder schone voorwendsels naar het Westen gelokt en belanden in de prostitutie, wereldwijd komt kinderarbeid voor, zo’n 12,5 miljoen mensen verrichten slavenarbeid.

Strijd tegen slavernij is tevens strijd tegen de wereldwijde armoede geworden. Hoe hopeloos deze strijd ook lijkt. In Engeland groeide een beweging van enkele abolitionisten uit tot een protestbeweging die de afschaffing van slavernij politiek afdwong. Hetgeen leidde tot de afbraak van een economisch systeem dat eeuwenlang had gedomineerd. Het kan dus. Abraham Lincoln wist het zeker: door de slaven vrijheid te geven, verzekeren we de vrijheid van de vrijen. Wij zullen het onthouden!

www.visitliverpool.com

[van RD.nl]

The Sable Venus on the Middle Passage

Images of the Transatlantic Slave Trade

[The following article by Michael Vannoy Adams is a presentation delivered at the congress of the International Association for Analytical Psychology in Cape Town, August 15, 2007.]

Among all archetypes, the journey is perhaps the most universal. Of course, there are always variations on themes. There is the external journey, and there is the internal journey. There are personal journeys, and there are collective journeys. There is the journey as quest, but there is also the journey as conquest. There are journeys of heroes, journeys of villains, journeys of victims, and journeys of survivors. There are journeys of exploration and journeys of exploitation. Not every journey is a journey of individuation.
.


There is the journey to Africa — for example, the journeys of Jung to North Africa in 1920 and to East Africa in 1925-26, as well as the journey of Jungians to South Africa in 2007. There is also the journey from Africa. Of journeys from Africa, the most universal is the journey of all humanity from Africa, as the evidence of mitochondrial DNA has conclusively proved, but there is also another journey from Africa, not of all humanity, but the journey of Africans in the transatlantic slave trade — the “night sea journey” of the Middle Passage to the Americas.
.

The passengers on the ships on the Middle Passage were not immigrants but “imports.” They were slaves. As James A. Rawley says, a slave was a “commodity,” and the slave trade was a “business” (7). Rawley estimates the imports of slaves into the Americas, 1451-1870, at 11,345,000 (428).

The most notorious image of those ships is the diagram of the Brookes.

.

Abolitionists published the diagram in 1788, when a law that would restrict that ship to 454 slaves was under consideration in the British Parliament. One witness testified that in 1783 the ship had carried approximately 600 slaves, of whom 70, or 11.6%, had died on the journey. “It was calculated,” Rawley says, “that if every man slave was allowed six feet by one foot, four inches, platform space, every woman five feet ten by one foot four, every boy five feet by one foot two, and every girl four feet six by one foot, the Brookes could hold 451 slaves” (283).

Hardly any personal accounts of the journey exist, but one by Olaudah Equiano describes an initial experience of the ship.
.

“I was now,” he says, “persuaded that I had gotten into a world of bad spirits and that they were going to kill me.” On the ship he saw “a large furnace or copper,” and he had a fantasy that the white men on the ship were going to boil him. He fainted. When he recovered, he asked other slaves on the ship “if we were not to be eaten by those white men with horrible looks, red faces, and long hair” (Gates 1987: 33). There is, of course, a certain irony to all this, for one of the fantasies of Europeans was that Africans were cannibals who would boil them and eat them. Equiano was reassured that he was not going to be boiled and eaten, that he was not going to be killed, but he was still convinced that the world of white men that he had gotten into on the ship was a world of “bad spirits” — and that was, in fact, an accurate description of the psychic reality of the situation. The white men were bad spirits.

“The psychological impact,” Rawley says, “of the Middle Passage upon the involuntary passengers was noted by contemporaries.” For example, a doctor reported that one ship had carried 602 slaves, of whom 155, or 25.7%, had died on the journey. He estimated that two-thirds of those deaths had been the result of melancholy. The doctor, Rawley says, “could cure none who had the melancholy” (291). Diagnostically, the trauma of the transatlantic slave trade was an incurable depression.

The archetype of the journey comprises three stages: separation, initiation, and return (Campbell: 30). As a journey, however, the transatlantic slave trade included only two stages: separation and initiation — or separation and trauma. In a sense, of course, every initiation is a trauma, and every trauma is an initiation. Also, every journey is a journey toward an unknown destination for unknown purposes. The slave trade was hardly exceptional in that respect. Every journey is a journey of the ego into the unconscious.

As an initiatory experience, however, the slave trade was an especially traumatic experience. It was a journey with no return. On a beach in Dahomey, there is the “Gate of No Return.”
.

It symbolizes, Henry Louis Gates, Jr., says, that “the spirits of slaves, the dead, are welcome home through this gate” (1999: 226). Of course, it is one thing to return dead and in spirit, quite another thing to return alive and in body.

What so depressed Equiano was the realization that “I now saw myself deprived of all chance of returning to my native country” (Gates 1987: 33). The result was often, if not insanity, suicide. The captain of one ship reported that slaves committed suicide because “tis their belief that when they die they return home to their own country and friends again” (Mannix: 117-18). A doctor on another ship also reported that slaves “wished to die on an idea that they should then get back to their own country.” The captain of that ship devised an ingenious solution to the problem — to behead the dead in order to prevent any idea of suicide. “The captain in order to obviate this idea,” the doctor said, “thought of an expedient viz. to cut off the heads of those who died intimating to them” — that is, to the slaves — “that if determined to go, they must return without heads” (Mannix: 118). From a psychoanalytic perspective, decapitation is dissociation. To return without a head would be to return without spirit — or without psyche. To sever the head from the body was to sever the slave from Africa spiritually or psychically.

Of course, some contemporary descendants of slaves do return to Africa — for example, to Goree Island off the coast of Senegal. This is not just the slave trade, in an ironic reversal, as a tourist trade — a mere exercise in nostalgia or sentimentality. It is a return to the scene of the trauma, as if such a journey might be a curative experience.

Perhaps the most egregiously perverse image of the transatlantic slave trade is the Sable Venus. “Venus” is, of course, the proper name of a goddess, but it is also a generic name, or epithet, for a woman. The most famous “Venus” from Africa is not the Sable Venus but the Hottentot Venus.
.

The Hottentot Venus was a real woman, Saartjie Baartman. In 1810, she was transported from South Africa to Europe, where she was exhibited as a curiosity in England and France. Europeans were fascinated by her body, which was caricatured with a Cupid on her buttocks.
.

After her death in 1815, her body was dissected by Cuvier, and her skeleton, brain, and genitals were preserved and displayed at the Musee de l’Homme in Paris until 1974. Her remains were finally interred in South Africa in 2002.

In contrast to the Hottentot Venus, the Sable Venus was not a real woman but an imaginal woman. A book, The History, Civil and Commercial, of the British Colonies in the West Indies, by Bryan Edwards includes a poem, “The Sable Venus: An Ode,” by Isaac Teale. The poem compares the Sable Venus to the Venus of Botticelli.
.

Teale says that — at least at night, when there is no light — there is no difference between the black Venus and the white Venus:

The loveliest limbs her form compose,
Such as her sister VENUS chose,
In FLORENCE, where she’s seen;
Both just alike, except the white,
No difference, no – none at night,
The beauteous dames between. (Edwards: 34-5)

The second volume of the third edition of the book in 1801 includes both the poem and an image. The image is “The Voyage of the Sable Venus from Angola to the West Indies” by Thomas Stothard, Esquire, of the Royal Academy.
.

If any image is obscene, this is it. It is iconography as pornography. “No more preposterous misinterpretation was ever perpetrated of the ‘Middle Passage,'” Hugh Honour says, than the Sable Venus. Honour remarks that neither the poem nor the image “so much as alludes to slavery: the theme of both is the physical charm of the black woman” (33).

Daniel P. Mannix notes that “a wealth of classical details” embellishes the image (113). In this image, there is no African goddess, and there are no African gods. The goddess and the gods are all Roman – and although the goddess is black, all the gods are white. The image “Romanizes” and “whitens” the slave trade. There are twelve figures in the image. Eleven of the figures are white – only one of the figures is black. The Sable Venus rides on a scallop shell and sits on a velvet throne. In the sky are six cherubs. Two cherubs fan the Sable Venus with ostrich plumes while one cherub holds peacock feathers. In the sea, two dolphins, with two cherubs, pull the scallop shell, while to the right Triton blows a horn. On the left Cupid draws a bow and aims an arrow at Neptune, who holds not a trident but a flag, the Union Jack. The Sable Venus eyes the reins and holds them as she guides the dolphins, as if the journey from Africa to the Americas were entirely voluntary — as if it were not a journey by force but a journey by choice.

The Sable Venus is virtually nude. “Except for bracelets, anklets, and a collar of pearls,” Mannix says, “she wears nothing but a narrow embroidered girdle” (112). The obscenity of the image is not the virtual nudity. The perversity of the image is the audacity of the mythological amplification. Roman myth is utterly inappropriate and inapplicable as a parallel to the slave trade. This is not just an incompetent amplification — a comparison for which there is no basis. It is a radically disingenuous amplification. The amplification is a euphemism that represses the enormity of the slave trade and conveniently excuses it.

The image reveals even as it conceals. It is obviously not an image that accurately depicts the psychic reality of black African men and women in the transatlantic slave trade. The value of the image is that it accurately depicts the psychic reality of white European men. The image is not a slave narrative but a master narrative. It is a projection, a cultural imposition that serves a quite specific purpose for white European men. The image is an example of how Africa has provided Europe with an opportunity for what Gates calls “the projection of fantasies from its collective unconscious” (1999: 16-17) — or, more accurately, from its cultural unconscious.

The image is not so much a cultural complex as it is a cultural duplex. It is a duplicitous image, an image that, even as it represses what Hugh Thomas calls the “iniquity” of the slave trade (11), expresses the duplicity of white European men. The image is a certain variety of anima that a certain variety of ego imposes culturally on a scene. It is the exotic, erotic anima of an imperialistic, psychopathic ego. In this image, which is both racist and sexist, the slave is a woman — and not just any woman but a woman no man coerces because she always consents. As a woman, the slave never resists.

The function of the image is aesthetic. The image stylizes an ugly, coercive experience, the slave trade, and revises it into a beautiful, consensual — and sensual — experience. Slavery is lovely. In this stylization and revision, Britain waves the flag, and, like Neptune, rules the waves — and, by Cupid, loves the slave as a woman. The image implies that slaves are like women who, like Venus, just love it. Slaves, however, were not goddesses enthroned on shells. They were women and men, girls and boys, confined on ships. They did not wear bracelets, anklets, and collars of pearls. They wore chains. In the slave trade there were flags — among them, the Union Jack and the Stars and Stripes — but there were no cherubs, dolphins, Triton, Cupid, and Neptune, and there was no Venus. What Marcus Wood calls “the ludicrous panoply of Gods and putti” (54) is not just the use of an image. It is the abuse of an image.

On the journey of the Sable Venus, there are no white men with horrible looks, red faces, and long hair. There are no bad spirits. There are only white gods. There are no black slaves — much less 600 black slaves. There is only one black goddess — and she is not a black African goddess but a black European goddess. The wealth of classical details does not just embellish the image to demonstrate the erudition of the artist. The mythological amplification converts an atrocity into art. It does not just normalize the slave trade. It idealizes it. It is all royally academic. This is not truth and reconciliation. It is lie and rationalization.

——————————————————————————–

References

Campbell, J. (1968). The Hero with a Thousand Faces, Princeton, NJ: Princeton University Press.

Edwards, B. (1801). The History, Civil and Commercial, of the British Colonies in the West Indies, London: John Stockdale, 3rd ed., vol. 2.

Gates, Jr., H.L. (ed.) (1987). The Classic Slave Narratives, New York: Mentor.

Gates, Jr., H.L. (1999). Wonders of the African World, New York: Alfred A. Knopf.

Honour, H. (1989). The Image of the Black in Western Art, Cambridge, MA, and London: Oxford University Press, vol. 4, pt. 1.

Mannix, D.P., with Cowley, M. (1962). Black Cargoes: A History of the Atlantic Slave Trade, 1518-1865, New York: Viking Press.

Rawley, J.A. (1981). The Transatlantic Slave Trade: A History. New York and London: W.W. Norton.

Thomas, H. (1997). The Slave Trade: The Story of the Atlantic Slave Trade: 1440-1870. New York: Simon & Schuster.

Wood, M. (2000). Blind Memory: Visual Representations of Slavery in England and America, 1780-1865. New York: Routledge.

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter