blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Egger Jerry

Paraan boven alles

door Hilde Neus

In ‘Paranen tussen stad en bos: Een complexe Afro-Surinaamse ontwikkelingsgang vanuit de slavernij’ schetst Alex van Stipriaan de bijzondere positie van de mensen uit de Para, een positie tussen stad en bos. Vanuit de historische situatie werkten de mensen in de Para op houtplantages, waardoor ze meer dagelijkse ruimte hadden om te bewegen. Veel meer dan op suiker- of koffieplantages. Deze bewegingsvrijheid maakte hen tot mensen met trots, en de plantage-eigenaren zorgden er dan ook voor om op de gronden directeuren neer te zetten die niet tegen hun haren in zouden strijken. Weglopen was immers gemakkelijk. Toch kozen ze daar niet voor omdat het leven op de plantage voordelen bood boven het onzekere leven in het bos. Vanwege de nabijheid hadden ze veel contacten met de marrons. Aspecten als uitingen van winti waren belangrijk. Tot aan de officiële opheffing van het verbod op openbare winti-bijeenkomsten in 1970 werden deze vooral in de Para gehouden. En nog steeds. Ook de overdracht van de ebg-godsdienst beschrijft de auteur. Vele opmerkelijke personen in de samenleving komen uit de Para (Venetiaan, Belliot, Pengel en Derby). Niet verwonderlijk als je kijkt naar de onafhankelijke rol die ze zichzelf toebedeelden. De gehechtheid binnen de groep bleek door de aankoop van gezamenlijke gronden na 1863 en het trouwen binnen het gebied. Geen sakafasi-mentaliteit. Van Stipriaan beschrijft de historie vanuit de bronnen op levendige wijze. Dat maakt zijn stuk zeer prettig leesbaar. Daarnaast brengt hij een extra dimensie in het artikel door niet alleen het verleden te beschrijven, maar ook door het ‘reparations’- debat erbij te betrekken: hoe geëmancipeerd was de Paraan al voor de afschaffing van de slavernij?

Jerry Egger schetst in ‘Langzaam ontwaken: sociaaleconomische ontwikkelingen van creolen, 1873-1940’ de mogelijkheden en beperkingen van de nakomelingen der slaven. Na het staatstoezicht moesten de creolen in hun eigen onderhoud voorzien. Dat geschiedde vooral in de kleinlandbouw, en later ook in de goudindustrie en de balata bleeding-activiteiten. Als bron gebruikt Egger de Koloniale Verslagen, die vanaf 1851 werden opgetekend: niet alleen droge cijfers, maar vaak interessante observaties, die het geheel een meerwaarde geven. Zo stappen de auteurs ervan meer en meer af van de negatieve beeldvorming waar de beschrijvingen van de activiteiten der creolen bol van stonden, hoewel de productie in de kleinlandbouw niet voldeed aan de koloniale verwachtingen.
Vanaf 1884 stimuleerde gouverneur Van Sypesteyn de goudwinning, waarin het overigens javanen en hindostanen verboden was te werken. In navolging van Guyana ving ook Suriname aan met balata-export. Dit natuurrubber leverde heel wat op, zowel voor de arbeiders als voor de staat. In de guyaba-ten – tijdens de dertiger jaren – vielen beide inkomstenbronnen weg, waardoor de economische situatie erg achteruitging, mede ook vanwege de wereldcrisis. Bauxiet en tewerkstelling binnen de ambtenarij maakten de positie van creolen weer wat beter. Leuk dat Egger een egodocument van Elizabeth Singh en zijn eigen familiegeschiedenis opvoert om het verhaal kracht bij te zetten. Beide artikelen bevatten informatie, die heel wat ideeën (vooroordelen) binnen de samenleving bijstellen. Zeer de moeite waard om te lezen dus.

Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

Creolen na de afschaffing van de slavernij

Van de redactie van dWTL

Op vrijdag 21 juni werd in het IGSR-gebouw van de AdeKUS door het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMwO) een belangrijk boek gepresenteerd: Ontwaakt en ontwikkelt u: creolen na de afschaffing van de slavernij 1863-1940, met bijdragen van zeven deskundigen. Vijf Surinaamse wetenschappers werkten eraan mee: Jack Menke, Jerome Egger, Lila Gobardhan-Rambocus, Eric Jagdew, Martina Amoksi, en twee Nederlandse met ervaring in Suriname: Alex van Stipriaan en Joop Vernooij. Het is een positieve ontwikkeling dat er de laatste tijd regelmatig studies uitkomen in Suriname over de eigen geschiedenis. Tot voor kort werd dat onderzoek meestal door wetenschappers van Nederlandse universiteiten gedaan en vastgelegd.
Het IMwO heeft vanaf juli 2010 drie nummers uitgegeven van hun tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, His/her TORI. Een alternatief voor OSO, tijdschrift voor surinamistiek in Nederland [en het Caraïbisch gebied – red. CU]. De laatste His/her TORI (2012) heeft als thema het geschiedenisonderwijs, waarbij dekolonisatie een grote rol speelt.
Dat is in het nu uitgegeven werk ook het geval. De geschiedenis der creolen vanaf de afschaffing der slavernij tot 1940 is een interessant onderwerp: hoe vonden de vrijgemaakten hun weg in de sociaaleconomische ontwikkeling met als aanzet het onderwijs?
De artikelen geven veel informatie over de creoolse bevolkingsgroep. Dat is van belang voor wetenschappers die onderzoek doen, maar ook voor studenten en leerkrachten, omdat aandacht besteed wordt aan verschillende facetten van de Surinaamse samenleving, waar vanaf 1863 alleen vrije mannen en vrouwen wonen. De plantage-economie ging onderuit, kleine boeren kwamen op, het binnenland werd opengelegd. Door de ontwikkeling van het onderwijs kregen mensen meer kansen in een groeiende sociaaleconomische, multi-etnische maatschappij. De voetnoten zijn functioneel geplaatst evenals de geraadpleegde literatuur na elk artikel, wat vooral voor onderzoekers nuttig is. Tabellen brengen informatie op een praktische manier in beeld. Daarom is het zo jammer dat ook dit boek onvolkomenheden heeft, bijvoorbeeld dat er behalve het omslag geen illustraties zijn. Jerome Egger heeft de redactie gedaan. Hij zal veel contact gehad hebben met de auteurs en organisatorisch werk verricht hebben voor de totstandkoming van de uitgave. Helaas ontbreekt een eindredacteur. Die had zich kunnen verdiepen in het geheel der teksten, met betrekking tot uniformiteit der verschillende artikelen, en of ze boeiend geschreven zijn. Hij of zij had ook correcties kunnen plegen in verband met de taal. Nu zitten er teveel fouten in het geheel. Onze eindredacteur heeft een lijst gemaakt met de door hem gevonden gebreken in het taalgebruik. Bij een volgende druk kan die gebruikt worden. We hopen dat dit zéér belangrijke boek snel in perfecte staat kan verschijnen. We willen de redacteur graag daarbij helpen. In bovenstaande berichten bespreken drie medewerkers elk twee van de zes artikelen.
Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914-7-185-3

Bewustwording centraal bij 150 jaar ‘Keti Koti’

De viering van ‘Keti Koti’ (afschaffing van de slavernij op 1 juli 1863) is vandaag ingeluid. Al vroeg in de ochtend was te merken dat dit jaar de 150ste herdenking intensief zal worden beleefd. Er is een nationale commissie in het leven geroepen voor de herdenking van diverse jubilea, met een budget van ruim SRD 1.5 miljoen.Deze commissie heeft landelijk ruim 160 activiteiten geregistreerd die vanaf vandaag plaatsvinden. “Maar dat is wat we hebben geregistreerd. Ik ben er zeker van dat het aantal activiteiten het drievoudige hiervan zal zijn”, zegt Elviera Sandie, secretaris van de commissie.

Sfeer al aanwezig 
Op vrijwel alle basisscholen is dit jaar veel aandacht besteed aan Keti Koti. Opvallend was dat veel meer leerlingen en leerkrachten gekleed gingen in traditionele Afrikaanse klederdracht. Enkele scholen hebben een optocht gehouden compleet met drumband. In de binnenstad heerst er een sfeervolle drukte en er worden op het Onafhankelijkheidsplein de laatste voorbereidingen getroffen voor het opzetten van podia en andere installaties.

Aan de Waterkant en de Palmentuin worden zoals gewoonlijk de meeste activiteiten gehouden. Ook dit jaar worden er ceremonies gehouden bij het plakkaat van Kodjo, Mentor en Present, op het plein dat naar deze Afrikaanse helden is vernoemd. Daarvoor zal de stoet van verschillende organisaties zich verzamelen bij het beeld van Kwakoe aan de dokter Sophie Redmondstraat.

Bezinnen 
Armand Zunder, onderzoeker naar het slavernijverleden van Suriname, vindt dat er alles aan gedaan moet worden opdat deze dag niet meer wordt gevierd, maar herdacht. Hij merkt op dat de Nederlandse kolonisator 383 jaren lang gezorgd heeft voor één van de ergste dieptepunten in de geschiedenis van het land. De nadruk moet vooral worden gelegd op de sociaal-economische, culturele, fysieke en mentale schade, waarvan volgens Zunder er nog altijd geen goed begin is gemaakt die te herstellen.
“Ik ben geen voorstander van een viering, maar van bezinning, over wat de positie is van de Afro-Surinamer. Wat doen we na 1 juli, hoe gaan we om met de mentale slavernij waarin we nog altijd verkeren en hoe moet onze houding zijn naar de toekomst”.

Zunder vindt dat het al lang tijd is voor een echte nationale conferentie waar deze en andere zaken goed worden besproken en de Afro-Surinamer in het bijzonder tot het volle bewustzijn komt dat niet kan worden vastgehouden aan een viering. “We moeten naar de toekomst kijken. Hoe die achterstand weg te werken. Ik geef eenieder mee dat deze dag er is om te bezinnen, en te zorgen dat we samen komen tot hogere hoogten, persoonlijk, voor de groep en voor de Surinaamse natie”, zegt Zunder.

Zowel hij als Iwan Wijngaarde van de Federatie van Afrikan Srananman, wijst er op dat in 1863 er geen afschaffing is gekomen van de slavernij. “De slaven moesten nog tien jaar op de plantages werken. In 1873 kwam pas de sociale vrijheid”, zegt Wijngaarde. Hierover houdt de organisatie zaterdag twee lezingen. De eerste heet ‘het gejubel en gejuich in 1863’, verzorgd door Jerry Egger. De tweede lezing wordt verzorgd door Lila Gobardhan met als titel ‘Wat is er gebeurd in 1873’. De lezingen worden gehouden in de botanische tuin aan de Previenlaan.

[uit Starnieuws, 28 juni 2013]

Nieuw boek documenteert historie zwarten

door Audry Wajwakana

Paramaribo – Het vastleggen van de Surinaamse geschiedenis wordt met Ontwaakt en ontwikkelt u, nog meer vervolmaakt. Dit nieuwe boek, uitgegeven door het Instituut voor Maatschappij en Wetenschappelijk Onderzoek (IMWO), wordt vanavond uitgegeven. Onder redactie van Jerome Egger hebben zeven wetenschappers vanuit hun discipline de verschillende aspecten van creoolse nakomelingen laten optekenen in het boekwerk Ontwaakt en ontwikkelt u: creolen na de afschaffing van de slavernij 1863-1940.
 
 
 
Creool

Het boek komt voort uit een samenwerking tussen het IMWO van de Anton de Kom Universiteit en het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam. “Het eerste plan om de geschiedenis van de Afro-Surinamers te onderzoeken en vast te leggen, is in 2008 opgevat”, herinnert Egger zich. Na een seminar in 2010 over de vastlegging van de geschiedenis van nazaten van de slavernij, is besloten om in artikelvorm onderzoek te doen naar het onderwerp. In het eerste artikel wijdt Jack Menke uitgebreid uit over het ontstaan van het woord creool en de wisselende betekenis ervan. “Spaanse veroveraars noemden alle nakomelingen van Europa, creool. Dit gold voor blanken, niet blanken en zelfs dieren”, weet Egger. Ook voor Suriname heeft het woord een bepaalde betekenis gehad. “Menke heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt van de volkstelling statistieken vanaf 1921 tot de jaren zeventig, waarover hij vanavond een inleiding zal geven.”

Economisch actief
In het artikel ‘Langzaam ontwaken’ geeft Egger een overzichtvan een aantal sociaal-economische ontwikkelingen die plaatsvonden bij de creolen vanaf 1873. “Na het Staatstoezicht is er een duidelijk beeld gegeven in welke branches de creolen economisch actief waren. Van landbouw, goud, balata tot de ambtenarij en onderwijs in de twintigste eeuw.” De vijf andere onderzoekers zijn Lila Gobardhan-Rambocus over creolen en onderwijs, Joop Vernooij onderzocht creolen in de kerk en het creoolse geloof. Alex van Stipriaan onderzocht Paranen tussen stad en bos, een complexe Afro-Surinaamse ontwikkeling. Eric Jagdew en Martina Amoksi onderzochten de Marrons in Suriname in de post-Surinaamse periode; de moeizame integratie in de plantage-samenleving.

Stimulans
“Dit boek moet een stimulans zijn voor andere groepen om hun eigen geschiedenis vast te leggen”, zegt Egger. Op den duur zal er van alle losse stukjes van de geschiedenis één geheel gevormd kunnen worden. Het boek telt 280 bladzijden en zal volgend week in de boekhandels verkrijgbaar zijn. Tijdens de presentatie die gehouden wordt in het IGRS-gebouw op het universiteitsterrein, zal het boek voor een gereduceerd tarief worden aangeboden.

[uit de Ware Tijd, 21/06/2013]

Een Nederlandse visie op dekolonisatie

door Jerry Egger

John Jansen van Galen heeft meer dan 600 bladzijden nodig om in zijn recent verschenen boek, Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942 – 2012, te beschrijven hoe Nederland afstand deed van de meeste gebieden die het in de 17de en latere eeuwen wist te veroveren. Hij liet zich leiden door zijn centrale vraag: hoe de innerlijke strijdigheden in het Nederlandse dekolonisatiebeleid zijn te verklaren. Verder stelt hij de geladen vraag of zijn geboorteland het werkelijk zo slecht heeft gedaan. (p. 19) Soms geeft hij tot in de kleinste details weer hoe het eraan toeging en soms zijn het de grote lijnen. Het is wel steeds de Nederlandse visie. Bronnen uit de gebiedsdelen zijn maar weinig geraadpleegd. In de recente periode, vooral die na de jaren ’70 van de 20ste eeuw, kan hij gebruik maken van zijn eigen ervaringen als journalist die op reis ging naar Indonesië en de West en daar vaak leidende politieke hoofdrolspelers wist te interviewen.
Het vraagt veel uithoudingsvermogen om zo’n 577 bladzijden aan tekst door te nemen en dan nog de literatuurlijst (11 pp.) om te zien welke bronnen wel en welke niet zijn opgenomen. Het register (12 pp.) biedt de mogelijkheid om snel te zien waar de voornaamste spelers in dit hele proces voorkomen in het boek. Uiteindelijk heeft hij heel wat stof aangedragen om ermee in discussie te gaan, van mening te verschillen en andere dan de eigen conclusies te trekken. De nadruk in deze recensie ligt voornamelijk op ontwikkelingen in de West en minder op Indonesië, terwijl het laatste, zeker in de eerste helft van het boek, in ruime mate wordt beschreven.
Hoewel hij aangeeft dat de periode 1942- 2012 wordt behandeld, gaat hij terug in de tijd om het ontstaan van het Nederlandse koloniale rijk te verklaren. Bovendien geeft hij zijn eigen achtergrond. Die komt bekend voor: opgroeien in een klein dorp, Nederlands-Indië centraal stellen in het denken over de koloniën, studeren in Amsterdam en daar terecht komen in de linkse beweging, zelfs een relatie krijgen met een bekende Surinaamse schrijfster en meer van dergelijke ontboezemingen. Je zou hieruit de voorzichtige conclusie kunnen trekken dat Jansen van Galen zichzelf de beroerdste niet vindt om over dekolonisatie te schrijven. De contemporaine periode komt uitgebreid aan bod waarbij politici die nog in leven zijn, worden beschreven. We kennen allemaal de lange tenen van Caraïbische politici. Het zit wel goed in dergelijke handen gelet op zijn achtergrond.
Volgens Jansen van Galen begint het dekolonisatieproces op een nauwkeurig vast te stellen tijdstip. Het is 6 december 1942 wanneer de in ballingschap levende koningin Wilhelmina zich richt tot haar onderdanen vanuit Londen. Na de oorlog belooft zij een rondetafelconferentie waarbij het koninkrijk zal worden aangepast. Tot in de kleinste details vertelt de auteur hoe de rede tot stand is gekomen. Hij weidt uit over de aanval op Pearl Harbor precies een jaar voor die toespraak en geeft en passant ook nog aan dat Feyenoord van Ajax won in Rotterdam. Waar was de redacteur, vraag je je af, die de schrijver een klopje op de schouder gaf en vriendelijk zei dat het leuke details zijn, maar het rode potlood er doorheen haalde, want dat scheelde weer anderhalve bladzijde. Als het consequent was gedaan had dat een behoorlijk afgeslankte publicatie opgeleverd.
Een punt van discussie is de datum die Jansen van Galen gebruikt. De toespraak van Wilhelmina is het Nederlandse moment van dekolonisatie. In de voormalige koloniën kunnen andere tijdstippen worden gegeven. Als verzet een wezenlijk onderdeel is van de geschiedschrijving dan hebben in het geval van Suriname de marrons zich veel eerder vrij verklaard van de kolonisator. Curaçao kan het voorbeeld van Tula aanhalen die al uiting gaf aan de drang naar vrijheid. Dit wordt rigoureus door de auteur van de hand gewezen. Slavenopstanden waren in zijn ogen niet revolutionair maar hadden vaak meer te maken met heilsbewegingen. Latere nationalisten zoals Eddy Bruma en Helmin Wiels op Curaçao zouden de leiders van de opstanden ‘gebombardeerd’ hebben tot ‘boegbeelden van nationalisme en strijd voor onafhankelijkheid.’ (p. 76) Het is al eerder gezegd; dit is een Nederlandse visie op dekolonisatie. Er is weinig ruimte voor lokale perspectieven, initiatieven en opvattingen.
Van Galen gaat uitgebreid in op de voorlopers die tot 1942 probeerden de officiële Nederlandse opvattingen over de overzeese gebieden te beïnvloeden. Overdaad schaadt. Een selectie had beter gewerkt. De nadruk ligt bijna volledig op Nederlands-Indië. De West wordt in enkele alinea’s, soms enkele bladzijden, afgedaan. De couppoging van Killinger stelt niet veel voor en eigenlijk is hij een ‘operettefiguur’. (p. 129) Hierbij haalt hij de ‘Surinaamse’ historicus Hans Ramsoedh aan. Het is interessant dat hij expliciet verwijst naar de nationaliteit, iets wat hij niet doet bij andere historici. Waarom? Legitimeert dat de kwalificatie van Killinger? Als hij in de Surinaamse kranten van 1910 en 1911 had gekeken, was hij misschien tot een andere conclusie gekomen. Er bestond overweldigende belangstelling voor het proces want deze poging had behoorlijk wat losgemaakt in een kolonie die nauwelijks in de belangstelling van het moederland stond. Maar voor Jansen van Galen heeft ook dit geval niks te maken met dekolonisatie.
Lezers die niet veel weten van Nederlands-Indië worden door Jansen van Galen ingelicht over het opkomende nationalisme waarbij de islam een belangrijke rol speelt. De eerste helft van de 20ste eeuw is van belang om te begrijpen wat na de Tweede Wereldoorlog gebeurt. Verschillende nationalisten krijgen hun opleiding op Europese scholen of gaan zelf naar Europa. Een korte biografische schets van de latere leider Soekarno (pp.165-166) geeft een goed beeld van de ontwikkeling die hij doormaakt en hem uiteindelijk tegenover de kolonisator zal plaatsen. Vooral geschiedenislessen maken hem duidelijk dat de Nederlandse visie op de ontwikkelingen in zijn land wordt gepredikt terwijl de opstand van de Javaanse prins Diponegoro in Atjeh ‘als laaghartig verraad wordt voorgesteld.’ (p. 166) Deze schetsen die van meerdere spelers in het dekolonisatieproces worden gegeven, werken goed in dit boek. Er zijn ook portretten van onder anderen Henck Arron en Betico Croes.
De nadruk in het boek ligt op ontwikkelingen na de Tweede Wereldoorlog. Het onbegrip over en weer speelt een belangrijke rol in het dekolonisatieproces. In het laatste hoofdstuk staat een interview uit die tijd met Willem Drees. Hij kijkt terug op de situatie in Indonesië en vraagt zich af of het anders had gekund. Nederland vond Soekarno na de oorlog een collaborateur met de Japanners. Hij pleegde voortdurend woordbreuk en de manier hoe alles verliep, inclusief de politionele acties, was onvermijdelijk. (p. 556) In zijn ogen had Nederland het zo slecht niet gedaan. Dat is juist het probleem. Er bestaat geen goede of succesvolle dekolonisatie omdat er geen goede of succesvolle verovering van gebieden bestaat. In het eerste deel van het boek suggereert Jansen van Galen min of meer hetzelfde: ‘Zo gaat het koloniale debat in Nederland steeds over het “beheer”, nooit over het “bezit” van koloniën.’ (p. 95)
In het geval van de verschillende Caraïbische eilanden verloopt het proces niet zoals Nederland het graag zou willen. Daar wil het juist heel graag de gebieden afstoten, maar de eilanden staan niet te springen om onafhankelijk te worden. Bovendien maken de Verenigde Staten zich zorgen over wat er zal gebeuren als Nederland zich terugtrekt. Op pagina 479 somt Van Galen problemen van vooral Curaçao en Sint Maarten op: corruptie, dubieuze financiering van projecten, vriendjespolitiek, verstrengeling van belangen en zo meer. Streep de twee Caraïbische eilanden door en zet enkele Zuid-Europese landen daarvoor in de plaats. Dekolonisatie is geen proces dat netjes verloopt.
Ten slotte een voorbeeld met betrekking tot Suriname dat veel zegt over de manier waarop Van Galen kijkt naar dit proces. Hij beschrijft de bouw van het Onafhankelijkheidshotel om gasten in november 1975 op te vangen. Deze bouw werd niet voltooid en uiteindelijk brandde die af, ‘en nog meer dan twintig jaar zal de geblakerde ruïne er in toenemende staat van aftakeling staan. Als het niet zo voor de hand lag zou je het symbolisch noemen.’ (p. 389) Helaas maakt hij zijn verhaal niet af. Uiteindelijk is het gebouw gesloopt. Daar staat nu Royal Torarica, helemaal op eigen kracht ontworpen, gefinancierd en opgezet. Dit laatste past niet in het plaatje van Suriname als het voorbeeld van een mislukte dekolonisatie.
John Jansen van Galen: Afscheid van de koloniën: Het Nederlandse dekolonisatiebeleid 1942-2012. Amsterdam/Antwerpen: Uitgeverij Atlas Contact, 2013. ISBN 978 90 254 3530 1

Chirurgijnen en medische kennis

door Jerry Egger

In 1492 gebeurde er meer dan een toevallige kennismaking van Columbus met een voor Europa onbekende wereld. Er ontstond rond de Atlantische Oceaan een circulatie van goederen, mensen, dieren, planten en ideeën die de hele wereld grondig veranderde. Het beeld dat nog steeds bij teveel mensen bestaat, is dat van Europeanen die erop uit trokken om de hele wereld te veroveren en hun wil op te leggen aan gekleurde volkeren als willoze slachtoffers van dit imperialistisch handelen.

read on…

Hindostanen na de contracttijd

door Jerry Egger

In een boek van ruim 670 bladzijden besteden broer en zuster Gharietje en Chan Choennie  aandacht aan ontwikkelingen binnen de Hindostaanse bevolkingsgroep in Suriname. Deze publicatie getiteld Sarnami Hindostani 1920 – 1960: Worteling, identiteit en gemeenschapsvorming in Suriname, geeft een uitgebreid beeld van deze Surinamers die na een periode van contractarbeid in staat waren zich een waardige plaats in de maatschappij te verwerven.

read on…

Een ramp voor de Surinaamse kust

door Jerry Egger

Het verhaal van de ondergang van het slavenschip Leusden is al eerder beschreven. In het standaardwerk van Johannes Menne Postma, The Dutch in the Atlantic Slavetrade, heeft hij aangegeven dat de ondergang van dit schip door de directie van de West-Indische Compagnie (WIC) werd gezien als een economische ramp en niet als een van de grootste humanitaire catastrofes in de Nederlandse maritieme geschiedenis. Zo’n 700 Afrikaanse gevangenen die in het ruim zaten, konden zich niet bevrijden toen het schip zonk voor de monding van de Marowijnerivier omdat de bemanning de poorten had dichtgemaakt. Bij een uitgebreide boekbespreking van deze publicatie in Mededelingen van het Surinaams Museum is toen ook gewezen op deze enorme ramp waaraan geen aandacht werd besteed in de geschiedenisboeken van zowel Nederland als Suriname. Het geval van de Leusden drong echter niet door tot het grote publiek totdat enkele jaren geleden het de voorpagina haalde van de Ware Tijd toen een student het voorstel deed een monument op te richten om deze verschrikkelijke gebeurtenis te herdenken. Nu is er de dissertatie van Leo Balai. Hij gaat uitgebreid in op slavenschepen in het algemeen en de Leusden in het bijzonder. Hij beschrijft alle aspecten; van de opdracht tot het bouwen van dit schip tot de 10 reizen die het maakte naar Afrika en de Amerika’s om Afrikaanse gevangenen – zoals Balai de tot slaaf gemaakte Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen noemt – over de Atlantische Oceaan te voeren naar hun levenslange ballingschap op de plantages. Het eindigt met het zinken van de Leusden op 1 januari 1738.
Dit boek bestaat uit 5 delen en 26 bijlagen. Het draagt alle sporen van een proefschrift. Van de 368 bladzijden zijn 206 tekst, 37 bladzijden noten, 103 bijlagen en dan nog de gebruikelijke samenvattingen in het Nederlands en Engels, en de literatuurverwijzing. Verder is de tekst zoveel als mogelijk ontdaan van elke scherpe bewoording van de gruwelijkheden die toch wel zijn gepleegd op de schepen vooral tijdens de overtocht van de Afrikaanse westkust naar verschillende delen in het Caraïbisch Gebied. De barbaars gepleegde daden mochten hier en daar toch wel bij naam genoemd worden. Maar nogmaals, het is een proefschrift, dus de promovendus moet daarmee rekening houden als hij of zij tenminste met succes de promotie wil afronden [het blijkt wel dat de heer Egger geen snars verstand heeft van proefschriften – red. CU]. Gelukkig blijft er voldoende over om een goed beeld te krijgen van de hel die werd doorstaan bij de oversteek naar de eilanden en het vasteland van de Caraïben. De andere hel op de plantages die de tot slaaf gemaakten voor de rest van hun leven hebben meegemaakt is in verschillende andere boeken beschreven. Dat is niet het onderwerp van Balais studie.
Het aanvankelijke doel van deze studie was om onderzoek te doen naar de 10 slaventochten tussen 1720 en 1738. Aangezien de Leusden niet los gezien kan worden van alles rondom de WIC gaat hij uitgebreid in op de geschiedenis van deze maatschappij, de eigenaar van het schip. Verder moest hij de hele handel in tot slaaf gemaakte Afrikaanse mannen, vrouwen en kinderen in kaart brengen voordat hij zich kon concentreren op één schip. Dit verklaart de lange aanloop die hij neemt om ten slotte te komen op de geschiedenis van de Leusden, die in 81 bladzijden is verteld. Hij maakt wel aannemelijk waarom de aanloop zo groot is. Voordat zo’n schip de kade verliet, gebeurde er heel wat achter de schermen. De WIC, die op 3 juni 1621 werd opgericht, verving alle kleinere Nederlandse privémaatschappijen die handel dreven met Afrika en de Caraïben. Gedurende 24 jaar kreeg zij van de Republiek het alleenrecht op de handel met de continenten rond de Atlantische Oceaan. Dit betekende dus ook het recht op de mensenhandel met de westkust van Afrika. Balai omschrijft de WIC als een handelsonderneming met bevoegdheden van een staat (blz. 32). Zo beschouwde deze maatschappij het ook tot haar taak om oorlogshandelingen te plegen tegen de vijanden van het moederland, te weten Spanje en Portugal. De verovering van delen van Brazilië op de Portugezen, zou een belangrijke impuls zijn om over te gaan tot de handel in Afrikaanse gevangenen.
Het lukte om Recife en Olinda onder controle te brengen. Daar zagen de Nederlanders het belang in van een regelmatige aanvoer van gedwongen arbeid voor de zeer winstgevende suikerplantages. Dit leidde ertoe dat zij zich systematisch gingen bezighouden met de slavenhandel. Het incidentele en niet georganiseerde karakter van de mensenhandel met Afrika werd losgelaten en er werd doelbewust gewerkt aan het brengen van grote groepen naar de plantages.
Het bleef niet daarbij. De WIC zag dat het nodig was om de aanvoerlijn in West-Afrika onder hun controle te brengen. Dit was de enige garantie om regelmatig over slavenarbeid te beschikken. De WIC kreeg vastere voet aan de grond in Afrika. De verovering van het fort São Jorge da Mina (in de Surinaamse geschiedenisboekjes bekend als St. George d’Elmina) in 1637 was een belangrijke stap om de toevoer van Afrikaanse gevangenen te garanderen. Toch zou uiteindelijk het Braziliaanse avontuur geen groot succes worden voor de WIC omdat tegenover de winsten ook grote uitgaven stonden. Het constante verzet tegen de Nederlandse aanwezigheid in Brazilië, plantagehouders die de kredieten niet terugbetaalden, en het onderhoud van de forten in Afrika drukten zwaar op de begroting van de WIC. Uiteindelijk gingen zij ook failliet. Er werd een doorstart gemaakt in 1674.
Een gedetailleerde beschrijving van alles rondom het slavenschip maakt duidelijk dat de handel in Afrikanen alleen door gedetailleerde planning kon geschieden. De bemanning voor het schip moest worden gerekruteerd. De goederen die werden gebruikt om handel met Afrikanen te drijven moesten worden geselecteerd, aangekocht en in het ruim worden geplaatst. Op de westkust van Afrika moest het ruim geschikt worden gemaakt voor het transporteren van Afrikaanse gevangenen. Balai beschrijft met de rol die de bomba speelde, een fascinerend stukje geschiedenis in de slavenhandel. Een bomba was meestal een vrije Afrikaan – in enkele gevallen een gevangene – die tijdens de reis van Afrika naar de Amerika’s een tussenrol vervulde. Hij communiceerde met de Afrikaanse gevangenen, was vaak de tolk en bracht hun klachten over, hij moest de kapitein op de hoogte stellen van eventuele plannen van de gevangenen om in opstand te komen en zo meer.
De lezer krijgt een goed beeld van het reilen en zeilen op de schepen. Uiteraard bleef natuurlijk transport van mensen in de meest verschrikkelijke omstandigheden de belangrijkste taak van het schip. Het blijft een moeilijk voor te stellen gegeven dat mensen onder dergelijke erbarmelijke omstandigheden de tocht konden overleven. Aan de andere kant moet er bij gezegd worden dat het juist daarom ging. De Afrikaanse gevangenen waren – hoe onaangenaam het in de 21ste eeuw ook klinkt – handelswaar en winstmaximalisatie was ook al in die dagen het credo van elke handelsorganisatie.
Het verhaal van de Leusden is de verdere uitwerking van alles rondom slavenschepen. Van de 10 tochten waren de eerste vier naar Sint-Eustatius en de vijfde tot en met de laatste naar Suriname. Balai heeft niet alle gegevens kunnen achterhalen. Zo kon hij geen goede winst- en verliesrekening maken. Toch kon hij aardig wat vinden. Hij besteedt aandacht aan verschillende aspecten, waaronder opstanden op slavenschepen. De Leusden had bij de zevende reis te maken met een opstand van slaven. Toch is het merkwaardig dat gedurende de hele periode van de slavenhandel er relatief weinig grote opstanden hebben plaatsgevonden. De Leusden ging voor de kust van de Marowijnerivier ten onder.
Het boek van Balai is een aanwinst in de hele discussie over slavenhandel en slavernij. Lezers hoeven geen verontwaardigde toon te verwachten ondanks het feit dat het toch wel op zijn plaats zou zijn geweest. In een academisch werk hoort dat niet. Misschien moet hij nu een ander boek schrijven waar hij wat meer van zijn gevoelens laat doordringen in de analyse van slavenschepen.
Leo Balai, Het slavenschip Leusden: Slavenschepen en de West-Indische Compagnie, 1720 – 1738. Zutphen: De Walburg Pers, 2011. ISBN 978.90.5730.729.4
[Aangehaalde publicaties: Johannes Menne Postma, The Dutch in the Atlantic Slave Trade 1600 – 1815. Cambridge University Press, 1990 en Mededelingen van het Surinaams Museum, no. 48, juli 1992.]

Lezing

Op zondag 28 oktober 2012, aanvang: 15.00 uur, spreekt Leo Balai bij de Vereniging Ons Suriname, Zeeburgerdijk 19-a, 1093 SK Amsterdam, 020 – 693 50 57, E: info@veronsur.org. Entree 5 Euro.

His/her Tori over dekolonisatie van de geschiedschrijving

door Els Moor

In juni 2010 kwam het eerste nummer uit van His/her Tori. Het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMWO) bood de initiatiefnemers onderdak. Jerome Egger, Eric Jagdew en Hilde Neus-van der Putten vormden de redactie. Het doel, geformuleerd in het ‘Ten geleide’ van het nummer: ‘Het tijdschrift wil een forum zijn voor zowel docenten geschiedenis als studenten om te publiceren over de Surinaamse geschiedenis in de breedste zin van het woord […] Er wordt gezegd dat wij zelf onze geschiedenis moeten (her)schrijven. Er is nu een gelegenheid om dat inderdaad te doen.’    

Het is een geweldige prestatie van de redactie dat het tijdschrift nog bestaat. Vorige week kwam keurig op tijd nummer 3 uit. Je kunt wel mooie idealen hebben in dit land, maar de uitvoering ervan volhouden? Dat heeft deze redactie gedaan en daarvoor verdienen ze een groot compliment, temeer daar de kwaliteit alleen maar toegenomen is. Het tijdschrift ziet er aantrekkelijk uit, in A4-formaat, met een herkenbaar omslag en functionele illustraties. Bij elk artikel zijn bovendien de geraadpleegde bronnen duidelijk en correct vermeld.   Dit derde nummer is een themanummer. Centraal staat de vraag wat er in Suriname gebeurd is op het gebied van geschiedschrijving en opleiding van leerkrachten geschiedenis. Binnenkort start de bacheloropleiding geschiedenis aan de Anton de Kom Universiteit. Dat is een mooie aanleiding om een momentopname te maken van de ontwikkeling op het gebied van de geschiedschrijving en het geschiedenisonderwijs in Suriname. Behalve vijf artikelen in het kader van dit thema worden twee historici die lang hebben meegedraaid, in het zonnetje gezet: Eugène Gessel en ‘goeroe boeroe’ André Loor. Terecht: zij betekenen veel binnen de ontwikkeling van de eigen vastlegging van de Surinaamse geschiedenis.    

Het eerste artikel, van Eric Jagdew, slaat meteen de spijker op de kop met de titel: ‘Dekolonisatie van de Surinaamse geschiedschrijving’. Waarom is de dekolonisatie op dit gebied uitgebleven? Jagdew geeft een overzicht van de geschiedschrijving over de kolonie Suriname vanaf de 18de eeuw tot nu, bijna 37 jaar onafhankelijk. Waarom is er na de onafhankelijkheid zo weinig eigen geschiedschrijving uit de bus gekomen? Hierover bestaan verschillende meningen. Een voorbeeld: verscheidene wetenschappers in Nederland, onder anderen Gert Oostindie, beweerden in een publicatie van 1999 dat ‘Suriname meer consumeert dan produceert op dit gebied’. Sandew Hira gaf deze vraag een andere dimensie in 2009 door de beschuldiging aan Nederlandse historici dat ze ‘wetenschappelijk kolonialisme’ bedrijven. In een eigen artikel in dit nummer van His/her Tori gaat Hira dieper in op het begrip dekolonisatie, door de Franstalige ‘décoloniseur’ Frantz Fanon erbij te halen en zijn opvattingen en geschriften te vergelijken met wat er in Suriname gebeurt. Dekolonisatie is een kernbegrip binnen de stof  van deze His/her Tori.  

In zijn artikel geeft Jagdew veel overzichtelijke informatie over wat er sinds de 18de eeuw allemaal is vastgelegd en hoe dat gebeurde. Een belangrijk voorbeeld: tussen 1789 en 1955 zijn er 90 almanakken verschenen met veel informatie. Momenteel worden ze gedigitaliseerd. Binnen de Surinaamse ontwikkeling is de oprichting van de Surinaamse Historische Kring (SHK), in 1951 al, een belangrijke stap. Belangstelling kweken binnen Suriname voor de eigen geschiedenis en die van anderen is de kerndoelstelling van deze organisatie. Toen al werd aangedrongen op een eigen Nationaal Archief dat aan al de professionele voorwaarden zou moeten voldoen om het eigen archiefmateriaal te herbergen. Het feit dat het archiefmateriaal van de Surinaamse historie in Nederland was opgeslagen, was ook een minpunt dat de eigen ontwikkeling hier tegenwerkte. Mede door de grote inzet van Maurits Hassankhan is nu bereikt dat er in Paramaribo een Nationaal Archief is dat aan alle eisen voldoet en dat archiefmateriaal uit Nederland hier zijn plaats krijgt. Wetenschappers, leerkrachten en studenten kunnen voor hun onderzoek vaak al terecht in het Nationaal Archief aan de Jagernath Lachmonstraat. Ook Maurits Hassankhan noemt de grotere mogelijkheid tot onderzoek door het archief en Rita Tjien Fooh-Hardjomohamed, hoofd van het archief, besteedt er een artikel aan. Ze beschrijft de voorwaarden waaraan het archief moest voldoen, die Nederland stelde als medefinancier voor de bouw van het Nationaal Archief.      

Het artikel van Eric Jagdew geeft veel inzicht in wat er gedaan wordt in verband met de dekolonisatie van de geschiedschrijving en wat de problemen hierbij nog steeds zijn. Tekort aan wetenschappers die onderzoek kunnen doen vooral. Doordat er te weinig leerkrachten zijn voor de verschillende opleidingen, moet iedere historicus lesgeven. Hopelijk vermindert dit probleem binnenkort. De masteropleiding geschiedenis start immers aan de universiteit met 15 studenten. Over enkele jaren zal er meer mogelijk zijn. Over onderzoek gesproken: een probleem dat niet naar voren komt is dat van de recente geschiedenis, met name van de jaren ’80. De waarheid zal boven tafel moeten komen om vooral de jeugd inzicht te geven in onze recente geschiedenis. Een officiële uitspraak in de rechtszaak betreffende de Decembermoorden zou al een hele stap zijn.       In Maurits Hassankhans artikel is het belangrijkste onderwerp het Nationale Geschiedenissymposium van 1985. Behalve dat zijn er veel overlappingen met het artikel van Jagdew. Hij zou ‘het kort houden’, maar zijn bijdrage telt toch 13 pagina’s. Vanuit het symposium werden er veel aanbevelingen gedaan aan de regering, op het gebied van het archiefwezen (is gerealiseerd), onderwijs, goede investering van krachten in curriculumontwikkeling, met name wat betreft de samenstelling van geschiedenisboeken voor voj en vos (van voj is gerealiseerd), trainingen van leerkrachten, enzovoort. Ook werd aandacht gevestigd op het belang van ‘oral history’ en training in onderzoekstechnieken op dat vlak. Er zijn veel positieve ontwikkelingen geweest, maar de dekolonisatie van de geschiedenis is nog niet voltooid, aldus Hassankhan. De verschuiving van de geschiedschrijving vanuit het buitenland naar Suriname is daarbij een belangrijk punt.    

Het artikel van Jerome Egger gaat over de geschiedenisopleiding van het IOL. ‘Een dynamische opleiding’ staat al in de titel. Egger hield in 1996 het openingscollege van de opleiding, dat nooit gepubliceerd is. Hij gebruikt gegevens uit dat college voor zijn artikel. Hij beschrijft vooral hoe het geschiedenisonderwijs in Suriname, vooral aan toekomstige leerkrachten plaatsvond. Het Didactisch Instituut (DI), opgericht in 1966 neemt daarbij een belangrijke plaats in. In 1969 kwam de naamsverandering van DI naar IOL. Eugène Gessel en Jozef Siwpersad (1944-2007) zijn historici die een zeer belangrijke rol gespeeld hebben bij de dekolonisatie van het geschiedenisonderwijs. Siwpersad was een van de eerste studenten van Gessel op het DI. Later zette hij zijn studie voort aan de universiteit van Groningen en promoveerde op het proefschrift De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij. In zijn artikel geeft Jerry Egger duidelijk aan dat de opleiding aan het IOL steeds meer gericht werd op het leraar-zijn. Dat is die dynamiek: theoretisch, maar vooral ook praktisch.   Dat er uitgebreid aandacht wordt besteed aan Eugène Gessel en André Loor, is goed. Hans Breeveld laat zien wie Eugène Gessel is. Hij belicht zijn rol binnen geschiedschrijving, onderwijs en politiek, van binnenuit. Over André Loor heeft Helga Banks een artikel en Hilde Neus een gesprek met hem. In dat gesprek is het gedeelte over ‘oral history’ interessant: wat is waar en wat is fantasie?    

Binnen het thema van dekolonisatie is het artikel van Sandew Hira belangrijk. Hij sluit aan bij de ideeën van  Frantz Fanon (1925-1962), afkomstig van Martinique, gestudeerd hebbend in Frankrijk en tijdens de periode van de strijd om onafhankelijkheid van de Algerijnen tegen Frankrijk, werkzaam als psychiater in Algerije. Hij stierf een jaar voordat Algerije onafhankelijk werd. Twee belangrijke boeken heeft Fanon geschreven: Zwarte huid, blanke maskers (1952), de titel is veelzeggend, en De verworpenen der aarde (1962). Wat betreft dekolonisatie was Fanon principieel. Bij dekolonisatie moet iedere relatie tussen het onafhankelijke land en de vroegere kolonisator zo zijn dat het gedekoloniseerde land op geen enkele manier meer van het vroegere moederland afhankelijk is. Dit gaat met ‘strijd’ gepaard, zoals in Algerije en andere Afrikaanse landen. Sandew Hira sluit daarbij aan. Decolonizing the mind is de titel van zijn boek.  

Hira onderscheidt twee benaderingen van wat dekolonisatie der geschiedschrijving is en achter elke benadering zit een visie op het kolonialisme. De eerste benadering is die vanuit vijf dimensies, de geografische, economische, politieke, sociale en mentale. De laatste houdt in dat het kolonialisme kennis over zichzelf produceert in een mens- en maatschappijbeeld, waardoor zijn ware aard van ‘onderdrukking en uitbuiting’ (kapitalisme? christendom? – E.M.) gemaskeerd wordt. Aan de dekoloniserende geschiedeniswetenschap dus de taak om te ‘ontmaskeren’. De tweede opvatting over het wetenschappelijk kolonialisme is die waarin het wordt gezien in termen van de vraag: ‘Wie produceert historische kennis?’ in plaats van: ‘Wat is de kennis die geproduceerd wordt als gevolg van dekolonisatie?’ Deze benadering hebben volgens Sandew Hira verschillende in Nederland wonende wetenschappers, onder anderen Gert Oostindie. Het verband met de taal is hierin een belangrijk element. Alle gekoloniseerde naties worden immers geconfronteerd met de taal van de koloniserende naties. Taal is vooral een begrippenkader dat de inhoud van de woorden bepaalt. Taal is niet neutraal!    

Sandew Hira geeft voorbeelden van titels van wetenschappelijke werken waaraan men kan zien of een werk koloniserend of dekoloniserend is. Van Gert Oostindie: De parels en de kroon. Het koningshuis en de koloniën, wijst in ieder geval naar een koloniale sfeer. Of van Armand Zunder: Herstelbetalingen. De “Wiedergutmachung” voor de schade die Suriname en haar bevolking hebben geleden onder het Nederlands kolonialisme. Of je het nu eens bent of niet met het principe van ‘herstelbetalingen’, de titel is duidelijk dekoloniserend! Hira geeft ook voorbeelden van werken waarin de slavernij als ‘wreedheid’ wordt opgevat. Sommige slavenhouders maken die opvatting waar, anderen niet. Wat is slavernij dan? Maar er zijn ook boeken waarin het gaat om het consequente ‘systeem’ van onderdrukking en uitbuiting.   Het artikel van Sandew Hira geeft veel stof tot nadenken over het principe van dekolonisatie. Niet iedereen zal het met hem eens zijn, maar het is een onderwerp dat veel aandacht behoort te hebben in publicaties, lezingen en uiteraard binnen het geschiedenisonderwijs. En het is daarbij goed om kennis te nemen van voorbeelden uit het verleden van andere landen, van voortrekkers in dekolonisatie. Het is tenslotte een universeel onderwerp, niet alleen Surinaams.   Een interessant tijdschrift, His/her Tori.Dit nummer geeft beslist een aanzet tot meer ‘dekolonisatie van de geest’ in wetenschappelijke publicaties en vooral ook in het onderwijs. Grantangi!    

IMWO, AdeKUS: His/her Tori, nummer 3, juli 2012

Terroristen, ballerina’s en een Surinaams décor

door Jerry Egger  

In haar roman Eating Air (2010) behandelt Pauline Melville verschillende thema’s. Ze weet op knappe wijze actuele onderwerpen zoals terrorisme, de islam, de bankwereld en aanslagen met vliegtuigen een plaats te geven in het verhaal. Het is hedendaags, maar de lezer heeft niet de indruk dat zij zo nodig de grote onderwerpen van het begin van de 21ste eeuw moest beschrijven en er verder niks mee heeft gedaan. Melville weet juist heel goed deze zaken te verwerken tot een geheel dat waarschijnlijk niet aan kracht zal inboeten wanneer deze onderwerpen uit het nieuws zijn verdwenen. Dit komt doordat de hoofdpersonen zonder deze actualiteit interessant genoeg zijn en landen zoals Engeland, Nederland, Suriname en Brazilië die het decor vormen, waarschijnlijk ook niet snel zullen verdwijnen.

read on…

Algemene Surinaamse geschiedenis tot begin 2012

door Jerry Egger    

Mijn eerste reactie is een diepe zucht. Daar gaan we weer. Op het omslag is er een tafereel uit het binnenland. Kinderen zitten bij elkaar en hebben zo weinig mogelijk kleren aan. Het gaat immers om een maagdelijke en onschuldige wereld. Dat verkoopt. Het boek heet dan ook DE geschiedenis vanSuriname, want dit is uiteraard het standaardwerk en we zullen het weten ook.

read on…

De viering van 1 juli

door Jerry Egger

In 2013 is het 150 geleden dat de slavernij werd afgeschaft. Dat zal zonder twijfel een bijzondere viering worden. In hetzelfde jaar zijn er meerdere momenten die de nodige aandacht vragen. Het is ook 160 en 140 jaar geleden dat de eerste Chinese en Brits-Indische contractanten naar Suriname kwamen. Bovendien is al aangekondigd dat Suriname het Caribbean Festival of Arts (Carifesta) zal organiseren. Op politiek gebied is het de beurt aan ons land om het voorzitterschap van de UNASUR te dragen. Kortom, allemaal momenten die in 2013 ongetwijfeld flink wat – hopelijk positieve – internationale publiciteit zullen opleveren.

In het verleden heeft de dag van 1 juli altijd de nodige aandacht gehad. Twee momenten zullen kort worden belicht; 1913 en 1963 toen de afschaffing van de slavernij 50 en 100 jaar geleden was. De nadruk ligt vooral op de bijdrage van het culturele veld. Suriname was in de eerste helft van de 20ste eeuw geen bloeiende kolonie. Toch gebeurde er op cultureel gebied het nodige. De kranten van die tijd geven een beeld van activiteiten op toneelgebied, cabaret van Kruisland en de opkomende en zeer populaire bioscoopvoorstellingen. De herdenking van de emancipatie van 1913 heeft geleid tot een publicatie die een beeld geeft van wat er toen is gedaan. Dit boek van E.A. van Rossum, Emancipation Jubilee in Surinam, Dutch Guiana, heeft foto’s van het organiserend comité, liederen die toen werden gezongen en andere teksten rond deze viering. Er werden speciale liederen gecomponeerd die werden gezongen in de Grote Stadskerk van de EBG, de traditionele plaats waar de herdenking plaatsvond en waar die nog steeds plaatsvindt. Het moet een bijzonder moment zijn geweest omdat er toen nog mensen leefden die de slavernij aan den lijve hadden ondervonden.

In 1963, bij de eeuwviering, was de situatie in het land heel anders. Door het Statuut werd interne autonomie verkregen. Lokale mensen organiseerden het geheel. Lou Lichtveld (Albert Helman) kreeg de opdracht van Minister-President Pengel om dat te doen. De speeches geschreven door Helman die Pengel toen uitsprak, Honderd Jaar Menswaardig leven (op 30 juni 1963) en De Toekomst van onze Vrijheid (op 1 juli 1963), zijn nog steeds lezenswaardige documenten. Kranten maakten er ook melding van dat in de Grote Stadskerk tijdens de dienst twee composities van Helstone en een tekst van Trefossa ten gehore werden gebracht. Een opvallend initiatief van de Surinaamse Historische Kring was de publicatie van 1863 Emancipatie 1963: Biografieën en Uit Suriname’s Historie. Beide boeken bevatten artikelen die personen en aspecten van de slavernij belichten. Vooral de biografieën worden nog steeds gebruikt. Mannen als Gravenberch, Matzeliger, Helstone, Flu en Carel Paulus Rier (foto) en de enige vrouw in dit gezelschap Sophie Redmond, zijn kort beschreven.

In 2013 kunnen wij putten uit de activiteiten die in 1913 en 1963 zijn georganiseerd. Heruitgaven van enkele van deze publicaties zou een mogelijkheid kunnen zijn. Die hebben duidelijk gemaakt dat in 1863 meer is gebeurd dan alleen maar het vrijmaken van personen. Maar eerst 1 juli 2011. Laten we hopen dat er bewustzijn doordringt van wat emancipatie betekent.

[uit de Ware Tijd Literair, 1 juli 2011]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter