blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Egger Jerry

His/Her Tori over grondenrechten in Suriname

door Christine F. Samsom

In mei van dit jaar verscheen het eerste-lustrum-nummer van His/her Tori, het tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur. Het moet als een grote prestatie van het redactieteam, bestaande uit Jerome Egger, Eric Jagdew en Hilde Neus-van der Putten, worden gezien, dat het ons nu al vijf jaar voorziet van stof tot nadenken op hoog niveau. De uitgave van dit jaar is een speciaal, extra dik nummer, met ‘Grondenrechten’ als thema. read on…

Stedman in Suriname

Een nieuwe uitgave

door Jerry Egger

Een van de bekendste boeken over Suriname werd in 1796 gepubliceerd. De auteur, John Gabriël Stedman, kwam in 1772 naar de kolonie. Hij was een huurling in het leger van Fourgeoud, die naar het land werd gehaald door de koloniale overheid om de strijd aan te binden tegen marrons die in het Cottica-gebied de wapens hadden opgenomen. Hij hield een dagboek bij dat vele jaren later in bewerkte vorm werd gepubliceerd in Engeland. Vrij kort daarna verschenen er Nederlandse (1799) en andere vertalingen. read on…

Andere contractarbeiders

door Jerry Egger

Bij contractanten die naar Suriname kwamen in de tweede helft van de 19de eeuw, wordt direct gedacht aan Aziaten. Er zijn verschillende publicaties met gegevens over en analyses van deze groepen. Nu is er een belangrijke aanvulling op het verhaal van contractarbeid. Ook arbeiders van dichter bij huis werden naar de plantages gebracht na de afschaffing van de slavernij in 1863. Zij kwamen uit Barbados, St. Lucia en Guyana. Humphrey Lamur, Ruth Dors en N. Boldewijn hebben deze groep uit de vergetelheid gehaald in hun publicatie, West Indische Contract Arbeiders in Suriname, 1863-1899. Het is niet alleen een namenboek geworden waarbij allen die hier aankwamen, worden genoemd. Er is een goede inleiding. Verder zijn alle aantekeningen die ook in de archieven voorkomen over specifieke personen, opgenomen waardoor de lezer meer te weten komt over sommige personen die naar Suriname kwamen. read on…

Een eigen geschiedenis vraagt om eigen geschiedschrijving

door Ruben Bakker
Geschiedenis kan ‘over’ Suriname gaan, maar is die dan ook ‘van’ Suriname? Voor geschiedschrijving (of historiografie) is het uitermate belangrijk vanuit welk perspectief gekeken wordt. Dit komt al naar voren in de ondertitel van de bundel Verkenningen in de historiografie van Suriname, die de ambitie aangeeft om te komen Van koloniale geschiedenis tot geschiedenis van het volk. Deze ambitie spreekt ook uit het symposium ‘Geschiedschrijving van Suriname’, gehouden in 2013, waar deze bundel uit voortgekomen is.
In een geschiedenis van het volk staat het volk centraal, dit in tegenstelling tot een koloniale geschiedenis, waar de relatie met de kolonisator centraal staat. Als men spreekt van dekolonisatie van de geschiedschrijving wordt bedoeld dat niet alleen het bestuur van een land, maar ook de geschiedschrijving onafhankelijk wordt. Maar wat betekent dit precies? En hoe kunnen we dat bereiken? Dit zijn de vragen die in de bundel centraal staan. De bundel bestaat uit 25 Nederlands- en Engelstalige essays, geschreven door Surinaamse en buitenlandse (vooral Nederlandse) historici. Hiermee beslaat de bundel – die in twee delen is uitgekomen –  zo’n 656 pagina’s in totaal.

read on…

De grote Márquez-roman

 
door Jerry Egger
 
De openingszin van de Engelse vertaling van Honderd jaar eenzaamheid luidt: ‘Many years later, as he faced the firing squad, colonel Aureliano Buendía was to remember that distant afternoon when his father took him to discover ice’. Ik had de bekende Penguin-paperback van het boek in mijn hand toen ik deze zin las. Schitterend vond ik het. Een jongen die door zijn vader wordt meegenomen om ijs ‘te ontdekken’. Terwijl Buendía voor het vuurpeloton staat, denkt hij juist aan dat moment. Later las ik de Nederlandse vertaling die ik minder spannend vond, de jongen wordt meegenomen ‘om kennis te maken met het ijs’. Dat was toch iets anders dan ‘te ontdekken’. Vanaf die dag heb ik wel geprobeerd alles van Márquez te bemachtigen. Of het nou de Nederlandse of Engelse vertaling was, als deze naam op het omslag voorkwam, wilde ik het kopen en lezen. Hij heeft me zelden teleurgesteld. Toch bleven de familie Buendía en het plaatsje Macondo (dat in meerdere romans en verhalen voorkomt) mijn grote favorieten. In die eerste zin leek het alsof Márquez verklapte wat er met een van de romanfiguren zou gebeuren. Toch vond ik het niet erg, want de ene fantastische zin volgde de andere op. Het is verleidelijk om nog meer te citeren, maar daar is geen ruimte voor. Later toen ik geschiedenis ging studeren, begreep ik ook waarom deze roman veel meer lagen heeft dan alleen maar gebeurtenissen rondom een familie en een plaats. Hij verwerkte een belangrijk stuk historie en wist duidelijk te maken waarom in eerste instantie zoveel fout is gegaan in Zuid-Amerika. Het continent mocht dan al in de eerste helft van de 19de eeuw onafhankelijk zijn geworden, maar de effecten van de Spaanse aanwezigheid en de structuren die na 1492 zijn ontwikkeld, bleven nog heel lang bestaan. Zelfs in de eenentwintigste eeuw zijn die niet verdwenen. Vooral de meedogenloze oorlogen soms binnen de grenzen van één land of tussen twee of meerdere buurlanden zijn kenmerkend geweest, en helaas vaak nog steeds. Het is begrijpelijk waarom juist deze roman de literatuur van Zuid-Amerika op de kaart heeft geplaatst. Natuurlijk waren er al andere schrijvers van het continent die bekendheid genoten, maar Márquez pakte groots uit, liet dingen gebeuren die eigenlijk helemaal niet konden gebeuren, liet ontdekkingen doen die dat helemaal niet waren. Alles werd heel overtuigend neergepend in de ene na de andere soms lange zin. Zo een roman kan geen enkele serieuze lezer ooit vergeten.
Márquez heeft eveneens belangrijke reportages geschreven waar de Latijns-Amerikaanse werkelijkheid niet in romanfiguren werd gevangen. Een daarvan is News of a kidnapping, de Engelse vertaling van zijn boek over de terreurdaden en de uiteindelijke dood van een van de bekendste Columbiaanse drugsdealers Pablo Escobar. Het is een indrukwekkend boek, waarin de door Escobar ontvoerde mannen en vrouwen aan het woord komen. Hij deed dit om de Columbiaanse regering onder druk te zetten, hem niet uit te leveren aan de Verenigde Staten. Een heel land was in de houdgreep van een man, die met zijn drugsnetwerk waarschijnlijk meer dan 3 miljard Amerikaanse dollars bij elkaar wist te vergaren. Het heeft niet geholpen want uiteindelijk werd hij opgejaagd en in december 1993 doodgeschoten door een elite-eenheid van de politie van Columbia. Márquez registreerde op sobere, maar indrukwekkende wijze de verhalen van onschuldige mensen die heel bewust waren geselecteerd en ontvoerd door de drugsmaffia om hun eigen hachje te redden. Het heeft gelukkig niet geholpen.

Kempadoo en de actualiteit

door Jerry Egger

 
Een oordeel vellen over een roman is vaak een persoonlijke aangelegenheid. Er zijn uiteraard duidelijke criteria op grond waarvan  kan worden beoordeeld. Hoe worden hoofdpersonen beschreven, is het thema goed uitgewerkt, hoe springt de auteur om met tijd en ruimte, zijn er feitelijke onjuistheden in het boek of worden universele waarden besproken? Als het er daadwerkelijk op aankomt, beantwoordt de recensent meestal enkele simpele vragen, zoals: heb ik het boek met plezier gelezen of is het een-ver-van-mijn-bed show?
Alles aan de nieuwe roman van Oonya Kempadoo, All Decent Animals, zou de goed geïnformeerde Caraïbische man of vrouw moeten aanspreken. Er worden actuele thema’s in verwerkt, het grote carnavalsgebeuren en de hedendaagse situatie met name criminaliteit, armoede en raciale verhoudingen worden beschreven, taboes worden doorbroken zoals homoseksualiteit en hiv/aids. Kortom, het boek zou deze recensent, die graag romans van deze regio leest en die de eerste roman van Kempadoo een van de uitschieters van de afgelopen twintig jaar vindt, zeker moeten aanspreken. Waarom heeft het dan zoveel moeite gekost om het boek helemaal uit te lezen?
De eerste drie bladzijden beginnen veelbelovend. De hoofdpersoon Ata (afkorting van Atalanta) komt aan op Piarco, de internationale luchthaven van Port of Spain, de hoofdstad van Trinidad. Haar nauwkeurige waarnemingen en beschrijvingen van het eiland zijn herkenbaar voor mensen die vaker in het Caraïbisch Gebied reizen. Ze springt in een taxi – uiteraard wordt direct de etniciteit van de chauffeur vermeld (een hindostaan). Terwijl ze naar haar woning wordt gereden, staat de radio in de auto aan. Zij hoort de laatste politieberichten en de lezer weet direct dat de situatie – wat de misdaad aangaat – uit de hand is gelopen. Vier mensen uit een gezin zijn vermoord, behalve de zevenjarige zoon die zich onder een bed had verstopt en alles heeft meegemaakt. Moeder en dochter zijn verkracht in het bijzijn van de vader en de andere zoon. Vervolgens zijn ze gekapt en verschillende malen beschoten.
De taxi passeert de werkelijk bestaande ‘shantytowns’ van Trinidad zoals Laventille waarbij de chauffeur nog de opmerking maakt dat sommige mensen niet graag langs of door deze wijken rijden. In nog geen drie bladzijden weet de lezer dat het eiland met al zijn olierijkdommen grote sociale problemen heeft. Het is dan verwachtbaar dat al deze elementen een rol zullen spelen in de roman. Dit is ook zo maar het lukt niet echt om er een geheel van te maken.
Ata is actief in het hele gebeuren rond carnaval. Er zijn verschillende groepen met hun eigen kostuums die moeten worden ontworpen. Carnaval is een geschikte manier om naar een maatschappij te kijken, maar dat is al eerder gedaan door schrijvers als Earl Lovelace die in zijn romans veel dieper ingaat op de politieke, culturele en sociaaleconomische aspecten daarvan. Veel nieuws heeft Kempadoo dan ook niet te melden.
De artistieke wereld waarin Ata zich beweegt wordt uitgebreid besproken. Een centraal personage is Fraser, architect en homoseksueel die besmet raakt met het hiv-virus en steeds verder aftakelt. We laten even in het midden of het werkelijk zo handig is om in een roman uit het Caraïbisch Gebied waar homofobie zich overal manifesteert, homoseksualiteit te koppelen aan hiv/aids. Voor de vrienden en omgeving van Fraser is dit alles helemaal geen probleem. Iedereen is erg begripvol wanneer hij alsmaar zieker wordt. Hij heeft zelfs vierentwintig uur per dag hulp van zijn krinbg van kennissen die afwisselend bij hem zijn, en van een verplegend team. Geen irrationele angsten voor besmetting, iedereen begrijpt het, zij stellen geen vervelende vragen hoe hij besmet is geraakt, kortom, het begrip voor zijn situatie springt van elke bladzijde de lezer tegemoet. Nogmaals, dat alles in het homofobe Caraïbisch Gebied. Je zou graag willen dat dit de werkelijkheid is voor elke besmette persoon in de regio, maar iedereen weet wel beter. Alleen zijn ouders, vooral de moeder, hebben grote problemen met het gedrag van hun zoon.
Af en toe komt een herkenbare werkelijkheid op de lezer af. Een van de bijfiguren is de Afro-Trinidadiaanse taxichauffeur Sammy, die de vaste rijder is van Fraser. Hij is verliefd op een hindostaanse vrouw. Haar vader kan daar totaal geen begrip voor opbrengen met alle dramatische gevolgen van dien. Kempadoo weet wel goed te spelen met de taal. De passages waarin Sammy voorkomt, zijn geschreven in Caraïbisch-Engels die het boek authentiek doen aanvoelen. Ata, Fraser en de artistieke kring worden in Standaardengels beschreven behalve hier en daar in de dialogen. Deze roman heeft alle elementen om het Caraïbisch Gebied in het eerste decennium van de 21ste eeuw tot leven te brengen. Dat gebeurt helaas niet. Hier en daar is er een scène die laat zien dat het mogelijk is, maar daarbij blijft het.
Oonya Kempadoo: All Decent Animals. New York: Farrar, Strauss and Giroux, 2013. ISBN 978-0-374-29971-2

Geschiedenis van een handelsmaatschappij

door Jerry Egger

De West-Indische Compagnie (WIC) heeft een belangrijke rol gespeeld in de geschiedenis van Suriname. Ze was mede-eigenaar van het gebied en heeft ook de aanvoer van slaven vanuit Afrika gedurende lange tijd gedomineerd. Een algemene geschiedenis van deze maatschappij is dan ook relevant om zo meer te weten te komen over de vroege geschiedenis van de Europese aanwezighied op de zogenoemde ‘Wilde Kust’. De Nederlandse historicus verbonden aan de Leidse universiteit, Henk den Heijer, wordt beschouwd als een deskundige en zijn boek Geschiedenis van de WIC is al vele malen herzien en herdrukt. In 2013 verscheen de vierde druk, die voor het eerst in 1994 uitkwam. De Walburg Pers heeft er een prachtige uitgave van gemaakt met zeer fraaie illustraties van de hoofdrolspelers bij de WIC die door verschillende bekende schilders van die tijd zijn geportretteerd. Er zijn ook tekeningen van gebouwen opgenomen – vooral in Amsterdam – die een rol hebben gespeeld bij de WIC, en enkele forten op de westkust van Afrika. Verder zijn er tekeningen van Benoit en Stedman die in Suriname zeker herkend zullen worden omdat die vaker in boeken zijn gepubliceerd.

In zijn inleiding geeft Den Heijer aan dat heel wat archiefmateriaal van de WIC verloren is gegaan. Het is tekenend dat een maatschappij die veel heeft bijgedragen aan de Nederlandse aanwezigheid in Amerika op onbenullige wijze is behandeld door officiële instanties aldaar. In 1821 gaf het departement van Koloniën de opdracht om een deel van het waardevol WIC-materiaal aan een lompenhandelaar te verkopen, en in 1844 verbrandde een ander deel dat was ondergebracht bij het departement van Marine. Heel wat verspreid liggend materiaal moest worden geraadpleegd om de geschiedenis van de WIC te vertellen. Aan de andere kant geeft het boek ook weer hoe werd gedacht over de WIC. Het mocht dan wel een belangrijke onderneming zijn, maar veel heeft zij niet echt opgeleverd voor de schatkist van diverse aandeelhouders. Dit in tegenstelling tot de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) die geroemd wordt in de Nederlandse geschiedenis.

De WIC moest de tegenhanger worden van de VOC, die de handel op Azië monopoliseerde. Amerika was ook lucratief gelet op de hoeveelheden goud en zilver die Europa bereikten via Spanje. Dit idee circuleerde onder mensen in de verschillende provincies die later Nederland zouden worden. Uiteindelijk lukte het in 1621 de WIC op te richten. Den Heijer geeft een interessante beschrijving van de manier waarop de verschillende gebieden in Nederland betrokken raakten bij de Atlantische wereld. Een logisch gevolg was de poging een maatschappij op te richten die een handelsmonopolie zou krijgen op alle activiteiten die zouden worden ontplooid op de continenten rond de Atlantische Oceaan. En zo geschiedde. Het werd een combinatie van kaapvaart en handel drijven. Het meest bekende ‘succes’ was Piet Heyn die de Spaanse vloot vol zilver wist te kapen.

Den Heijer beschrijft uitgebreid het reilen en zeilen binnen de WIC. Dat maakt het boek tot een geschiedenis van een maatschappij, zonder dat de lezer veel te weten komt over de zeelieden, over het personeel in Afrika en Amerika en hoe die dachten en tegen de WIC aankeken. Af en toe is er een glimp die een beetje licht doet schijnen op de werkers, maar veel is dat niet. Het is een typische geschiedenis van bovenaf. Er wordt heel weinig van onderaf – bottom up – naar de WIC gekeken. Dat zou een ander verhaal opleveren dan in dit boek vastgelegd. De slavernij komt wel aan bod, maar dan voornamelijk vanuit de visie van de leiding. Den Heijer laat zien dat in eerste instantie de Nederlanders twijfelden of het tot slaaf maken van Afrikanen moreel wel kon. Dat liet men al heel snel varen toen de WIC delen van het noordoosten van Brazilië veroverde en inzag dat slavernij noodzakelijk was om bij het verbouwen, oogsten en verwerken van suikerriet deze vorm van arbeid op grote schaal toe te passen. Kortom, alle morele overwegingen liet men voor wat ze waren en Nederland begon zich steeds meer bezig te houden met het verhandelen van Afrikaanse gevangenen. Curaçao bleek een geschikte diepzeehaven te hebben. Gevangen genomen Afrikanen konden van daaruit verder worden verhandeld. Ook Suriname werd vooral in de achttiende eeuw – op het hoogtepunt van de plantagelandbouw – voorzien van tot slaaf gemaakte Afrikanen. Dat leidde onder andere tot de ramp met de ‘Leusden’ in 1738 toen slaven vanuit West-Afrika naar Suriname werden getransporteerd. Het schip zonk voor de monding van de Marowijnerivier, maar het ruim werd dichtgespijkerd zodat de Afrikaanse gevangenen niet konden ontsnappen en verdronken. Den Heijer spreekt van een misdaad, die overigens nauwelijks punt van discussie was binnen de WIC. Waar wel over werd gesproken, was de geleden schade.

Zo laat de schrijver zien waar het bij de WIC om ging, om winsten zonder moeilijke morele vragen te stellen. De auteur laat zo genoeg ruimte om een ander verhaal te vertellen over de WIC, waarbij gebeurtenissen als die met de ‘Leusden’ meer naar de voorgrond worden gehaald.

Henk den Heijer: Geschiedenis van de WIC. Opkomst, bloei en ondergang, vierde herziene druk. Zutphen: Walburg Pers, 2013. ISBN 90-5730-891-6

Nog steeds weinig wetenschappelijke publicaties

Op donderdag 5 december 2013 vond er een boekpresentatie plaats in het gebouw van de Institute for Graduate Studies and Research (IGSR). De titel van het boek is Verkenning in de historiografie van Suriname. Het boek is geschreven onder redactie van de historici Maurits Hassankhan, Jerome Egger en Eric Jagdew. Het boek is een product van de conferentie Geschiedschrijving van Suriname die in oktober 2012 werd gehouden. In het boek wordt een uiteenzetting gegeven hoe de geschiedschrijving zich vanaf 1940 heeft ontwikkeld. De boekpresentatie werd gedaan door dhr. Maurits Hassankhan. Tijdens de presentatie is naar voren gekomen dat er nog steeds te weinig wetenschappelijke publicaties plaatsvinden.

[uit Dagblad Suriname, 6 december 2013]

Nieuw boek geeft inzicht in geschiedschrijving

door Audry Wajwakana
Paramaribo – Met het nieuwe boek Verkenningen in de Historiografie van Suriname krijgt de lezer een beeld van de onderwerpen in de geschiedenis van Suriname, waar al over is gepubliceerd en welke meer verdieping behoeven. Ook vanuit welk perspectief die artikelen zijn geschreven wordt belicht. Het boek is het product van de conferentie ‘Geschiedschrijving van Suriname’ die in oktober vorig jaar door de Institute for Graduate Studies & Research (IGSR) en het IMWO werd georganiseerd.
Inzicht
Onder redactie van Maurits Hassankhan, Jerome Egger en Eric Jagdew hebben 24 auteurs uit Suriname, Nederland, India en Trinidad en Tobago meer dan twintig artikelen geschreven. In het 632 pagina’s tellend boek wordt behandeld hoe de geschiedschrijving van Suriname zich vanaf de Tweede Wereldoorlog heeft ontwikkeld. “Artikelen die vanuit een koloniaal standpunt zijn geschreven vooral met stereotypering van de verschillende bevolkingsgroepen komen ook voor”, zegt Egger. Volgens hem is er veel geschreven over marrons en Hindostanen en zijn de inheemsen over het algemeen in de geschiedschrijving minder belicht. Voor studenten en onderzoekers is het boek een aanbeveling om onderwerpen die minder belicht zijn of waar nog niet over is geschreven nader uit te zoeken. “Vooral nu we met onze nieuwe geschiedenisopleiding zijn gestart”, zegt Egger.

Buitenlanders

Het boek begint met vier artikelen over de dekolonisatie van de geschiedschrijving in het algemeen, waarna in de verschillende hoofdstukken specifieke onderwerpen worden behandeld. “Kabil Kumar van India heeft een artikel geschreven over de Indiase arbeiders en het artikel van Bridget Brereton van Trinidad en Tobago geeft bijvoorbeeld ook aan dat zij veel verder zijn met het schrijven van hun eigen geschiedenis”, indiceert Egger.
Een historica uit Nederland geeft in haar artikel aan hoe met beeldmateriaal de geschiedenis gesymboliseerd kan worden. Volgens Egger zijn de buitenlanders voor het boekwerk aangetrokken om inzicht te geven hoe ver die landen zijn met hun geschiedschrijving.

Het boek wordt op 5 december in het IGSRgebouw gepresenteerd. Op die dag wordt het verslag van de conferentie van vorig jaar aan de directeuren van het IGSR en het IMWO aangeboden. Het boek zal na de presentatie voor een gereduceerd tarief van SRD 100 verkrijgbaar zijn. Het ligt in de bedoeling dat het boek daarna in alle boekhandels te verkrijgen is.”
[uit de Ware Tijd, 29/11/2013]

‘Hoe duur was de suiker romantische weergave slavernij’

door Euritha Tjan A Way

Paramaribo – De verfilming van het boek Hoe duur was de suiker heeft gemengde reacties uitgelokt. Veel mensen zijn blij dat er eindelijk internationale aandacht is voor de slavernijgeschiedenis van Suriname, anderen zien de film als een eenzijdige visie op slavernij. Econoom Dew Baboeram (Sandew Hira) beschrijft in zijn column het boek: “Je denkt dat het verhaal gaat over slavernij, maar het gaat over liefde. Het beeld dat wordt geschetst, is dat slavernij één en al liefde was. De witte vrouwen zijn verliefd op de witte mannen. De zwarte vrouwen zijn verliefd op de witte mannen. De witte mannen zijn verliefd op de zwarte en witte vrouwen. De zwarte vrouwen houden van de witte vrouwen. En waar een zwarte vrouw en een zwarte man verliefd zijn op elkaar, laat de zwarte man de zwarte vrouw in de steek voor een andere zwarte vrouw. Dat heb je met zwarte mannen in koloniale verhalen.” Hij geeft aan de film echter nog niet gezien te hebben. [zie bericht hieronder]

Realiteit?

De website repeatingislands.com geeft in tegenstelling tot Hira aan dat het boek een diepzinnige weergave is van het leven in een Nederlandse slavenkolonie. ‘McLeod was excited that her book was turned into a movie that will take the reality of slavery to a world platform’ publiceert het medium en ‘The book presents a frank exposé of life in a Dutch colony’. [zie bericht hieronder]
Historicus Mildred Caprino is daar faliekant tegen. “Het is een geromantiseerde versie van de slavernij. Het is door de bril van de witte man verteld. Wat wij nodig hebben is een verfilming bekeken door de bril van nazaten van de tot slaaf gemaakten. Dat zal in een ander verhaal resulteren,” weet Caprino. Zij is zich er echter van bewust dat het nageslacht de film zal zien en dat het voor velen de eerste kennismaking is met het Nederlands / Surinaams slavernijverleden. “Maar ik geloof dat er een zekere bewustwording op gang komt. Na de serie Slavernij op NTR kwam er een beweging op gang die ageerde tegen het genuanceerde beeld dat daarin geschapen werd.”

Kans
Of er een Nederlandse regisseur te vinden is die het verhaal vanuit de visie van de tot slaaf gemaakten wil verfilmen betwijfelt Caprino. “We moeten het zelf doen,” zegt ze resoluut. Historicus Jerry Egger kan het boek waarderen en denkt dat de film de kans biedt aan velen om kennis te maken met een stukje geschiedenis. “Ik vind prima wat McLeod heeft gedaan. Ik denk echter dat mensen het boek en de film niet zullen beschouwen als documentaire. Het is een geromantiseerde versie en dat zegt de regisseur ook duidelijk,” legt Egger uit. Hij las in 1988 het boek voor het eerst en in één keer uit. “Ik vind het een prettig geschreven boek. Een historische roman en dat genre biedt trouwens velen voordelen. Een historische analyse bijvoorbeeld zou nooit zoveel verkocht worden”, aldus Egger.

[uit de Ware Tijd, 3/10/2013]

Paraan boven alles

door Hilde Neus

In ‘Paranen tussen stad en bos: Een complexe Afro-Surinaamse ontwikkelingsgang vanuit de slavernij’ schetst Alex van Stipriaan de bijzondere positie van de mensen uit de Para, een positie tussen stad en bos. Vanuit de historische situatie werkten de mensen in de Para op houtplantages, waardoor ze meer dagelijkse ruimte hadden om te bewegen. Veel meer dan op suiker- of koffieplantages. Deze bewegingsvrijheid maakte hen tot mensen met trots, en de plantage-eigenaren zorgden er dan ook voor om op de gronden directeuren neer te zetten die niet tegen hun haren in zouden strijken. Weglopen was immers gemakkelijk. Toch kozen ze daar niet voor omdat het leven op de plantage voordelen bood boven het onzekere leven in het bos. Vanwege de nabijheid hadden ze veel contacten met de marrons. Aspecten als uitingen van winti waren belangrijk. Tot aan de officiële opheffing van het verbod op openbare winti-bijeenkomsten in 1970 werden deze vooral in de Para gehouden. En nog steeds. Ook de overdracht van de ebg-godsdienst beschrijft de auteur. Vele opmerkelijke personen in de samenleving komen uit de Para (Venetiaan, Belliot, Pengel en Derby). Niet verwonderlijk als je kijkt naar de onafhankelijke rol die ze zichzelf toebedeelden. De gehechtheid binnen de groep bleek door de aankoop van gezamenlijke gronden na 1863 en het trouwen binnen het gebied. Geen sakafasi-mentaliteit. Van Stipriaan beschrijft de historie vanuit de bronnen op levendige wijze. Dat maakt zijn stuk zeer prettig leesbaar. Daarnaast brengt hij een extra dimensie in het artikel door niet alleen het verleden te beschrijven, maar ook door het ‘reparations’- debat erbij te betrekken: hoe geëmancipeerd was de Paraan al voor de afschaffing van de slavernij?

Jerry Egger schetst in ‘Langzaam ontwaken: sociaaleconomische ontwikkelingen van creolen, 1873-1940’ de mogelijkheden en beperkingen van de nakomelingen der slaven. Na het staatstoezicht moesten de creolen in hun eigen onderhoud voorzien. Dat geschiedde vooral in de kleinlandbouw, en later ook in de goudindustrie en de balata bleeding-activiteiten. Als bron gebruikt Egger de Koloniale Verslagen, die vanaf 1851 werden opgetekend: niet alleen droge cijfers, maar vaak interessante observaties, die het geheel een meerwaarde geven. Zo stappen de auteurs ervan meer en meer af van de negatieve beeldvorming waar de beschrijvingen van de activiteiten der creolen bol van stonden, hoewel de productie in de kleinlandbouw niet voldeed aan de koloniale verwachtingen.
Vanaf 1884 stimuleerde gouverneur Van Sypesteyn de goudwinning, waarin het overigens javanen en hindostanen verboden was te werken. In navolging van Guyana ving ook Suriname aan met balata-export. Dit natuurrubber leverde heel wat op, zowel voor de arbeiders als voor de staat. In de guyaba-ten – tijdens de dertiger jaren – vielen beide inkomstenbronnen weg, waardoor de economische situatie erg achteruitging, mede ook vanwege de wereldcrisis. Bauxiet en tewerkstelling binnen de ambtenarij maakten de positie van creolen weer wat beter. Leuk dat Egger een egodocument van Elizabeth Singh en zijn eigen familiegeschiedenis opvoert om het verhaal kracht bij te zetten. Beide artikelen bevatten informatie, die heel wat ideeën (vooroordelen) binnen de samenleving bijstellen. Zeer de moeite waard om te lezen dus.

Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914- 7-185- 3

Creolen na de afschaffing van de slavernij

Van de redactie van dWTL

Op vrijdag 21 juni werd in het IGSR-gebouw van de AdeKUS door het Instituut voor Maatschappijwetenschappelijk Onderzoek (IMwO) een belangrijk boek gepresenteerd: Ontwaakt en ontwikkelt u: creolen na de afschaffing van de slavernij 1863-1940, met bijdragen van zeven deskundigen. Vijf Surinaamse wetenschappers werkten eraan mee: Jack Menke, Jerome Egger, Lila Gobardhan-Rambocus, Eric Jagdew, Martina Amoksi, en twee Nederlandse met ervaring in Suriname: Alex van Stipriaan en Joop Vernooij. Het is een positieve ontwikkeling dat er de laatste tijd regelmatig studies uitkomen in Suriname over de eigen geschiedenis. Tot voor kort werd dat onderzoek meestal door wetenschappers van Nederlandse universiteiten gedaan en vastgelegd.
Het IMwO heeft vanaf juli 2010 drie nummers uitgegeven van hun tijdschrift voor Surinaamse geschiedenis en cultuur, His/her TORI. Een alternatief voor OSO, tijdschrift voor surinamistiek in Nederland [en het Caraïbisch gebied – red. CU]. De laatste His/her TORI (2012) heeft als thema het geschiedenisonderwijs, waarbij dekolonisatie een grote rol speelt.
Dat is in het nu uitgegeven werk ook het geval. De geschiedenis der creolen vanaf de afschaffing der slavernij tot 1940 is een interessant onderwerp: hoe vonden de vrijgemaakten hun weg in de sociaaleconomische ontwikkeling met als aanzet het onderwijs?
De artikelen geven veel informatie over de creoolse bevolkingsgroep. Dat is van belang voor wetenschappers die onderzoek doen, maar ook voor studenten en leerkrachten, omdat aandacht besteed wordt aan verschillende facetten van de Surinaamse samenleving, waar vanaf 1863 alleen vrije mannen en vrouwen wonen. De plantage-economie ging onderuit, kleine boeren kwamen op, het binnenland werd opengelegd. Door de ontwikkeling van het onderwijs kregen mensen meer kansen in een groeiende sociaaleconomische, multi-etnische maatschappij. De voetnoten zijn functioneel geplaatst evenals de geraadpleegde literatuur na elk artikel, wat vooral voor onderzoekers nuttig is. Tabellen brengen informatie op een praktische manier in beeld. Daarom is het zo jammer dat ook dit boek onvolkomenheden heeft, bijvoorbeeld dat er behalve het omslag geen illustraties zijn. Jerome Egger heeft de redactie gedaan. Hij zal veel contact gehad hebben met de auteurs en organisatorisch werk verricht hebben voor de totstandkoming van de uitgave. Helaas ontbreekt een eindredacteur. Die had zich kunnen verdiepen in het geheel der teksten, met betrekking tot uniformiteit der verschillende artikelen, en of ze boeiend geschreven zijn. Hij of zij had ook correcties kunnen plegen in verband met de taal. Nu zitten er teveel fouten in het geheel. Onze eindredacteur heeft een lijst gemaakt met de door hem gevonden gebreken in het taalgebruik. Bij een volgende druk kan die gebruikt worden. We hopen dat dit zéér belangrijke boek snel in perfecte staat kan verschijnen. We willen de redacteur graag daarbij helpen. In bovenstaande berichten bespreken drie medewerkers elk twee van de zes artikelen.
Jerome Egger (redactie): Ontwaakt en ontwikkelt U: Creolen na de afschaffing van de slavernij, 1863-1940. Paramaribo: IMwO, 2013. ISBN 987- 99914-7-185-3
  • RSS
  • Facebook
  • Twitter