blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Eersel Hein

Osopasi gepresenteerd


door Cary-Ann Tjong-Ayong

De avond begon weinig hoopvol met een flinke regenbui.
De groene tuin vol fruitbomen zag er uitnodigend uit met honderden
afgevallen blozende manja’s onder de oude boom en nog tientallen aan draden hangende in afwachting van een windvlaag.
Wij werden welkom geheten door Els Tjon Joe Wai en Marisa Piepelenbos, onze gastvrouwen,die de sfeer hadden bepaald met grote schalen fruit van het erf op de ruwhouten tafels: manja, pomerak, appeltjes, pomme de citerre, kersen in diverse tinten rood en een wit emaillebekkentje met de naam Betsy in blauw , gevuld met kleine oranje palulu.
Rijen stoelen en een kleine tent met de geluidsinstallatie stonden uitnodigend klaar. De gasten konden komen.
Als eerste was daar Celestine Raalte, opgewekt als altijd. Zij zou een van de vier
Presentaties verzorgen, naast Tolin Alexander, Bongo Charley, Pieter van der Hijden en Ronald Snijders.

De mensen begonnen in groepjes binnen te komen.
Daar was de eregast, Hein Eersel, die het eerste exemplaar zou krijgen.
Het was voor mij een hele eer deze taalkundige autoriteit mijn boek te mogen aanbieden. Jaren geleden had ik hem in Amsterdam horen praten en was aangenaam getroffen door zijn taalkundige virtuositeit. Van zo iemand had ik graag les gehad.
Ronald Snijders arriveerde en iedereen begon verwachtingsvol te praten.
Het duurde  even, maar toen opende Els de avond en kon Ronald deze influiten op zijn geheel eigen enthousiaste manier. Het publiek was enthousiast en klapte op de maat mee.
Pieter hield zijn inleiding met een leuke verwijzing naar fietsenmaker Junker in de Klipstenenstraat waar je terecht kunt voor elk schroefje, moertje en veertje uit de jaren 50. Hij vroeg zich af of het soms een foute Duitser was die met ticket naar Paraguay  per ongeluk in Paramaribo terecht was gekomen en daar een zaak was begonnen. “Maar het is een hele aardige man”, vergoelijkte hij.
Daarna gaf Tolin zijn visie op Kallianni’s liefdevolle omgang met de binnenlandbewoners, die hem zeer aanspreekt.
Bongo Charley omlijstte de lezing van enkele fragmenten en het gedicht “Nocturne”.
Een zeer ingenomen Hein Eersel belichtte het begrip “oso” uit de titel. Van Trefossa tot dedeoso alata.
Hierna kon men een gesigneerd exemplaar aanschaffen bij een drankje, een knabbeltje en een babbeltje, wat nog uren doorging.

Cat, 19 mei 2014

De dichter en het woord

door Jerry Dewnarain

 
Bij uitgeverij In de Knipscheer is Tiri fu den wortu … di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord verschenen, een multimediaal eerbetoon aan drie Surinaamse dichters: Trefossa, Shrinivási en Dobru.
In een opstel ‘Over nationale letterkunde’, gepubliceerd in Sticusa-Journaalvan 1974 ontvouwde Albert Helman zijn visie op de vijf ontwikkelingsfasen in het ontstaan van een eigen literaire productie in de dekoloniserende landen. In de derde fase kenmerkt Helman de Surinaamse poëzie als volgt: ‘Er ontstaan sterker op het lokale milieu betrokken gedichten en echte streekverhalen en streekromans, al dan niet in de algemeen gangbare cultuurtaal of in een van de “vernaculars”. Gemakshalve worden beide taalsoorten (het Nederlands en het Sranan) vaak dooreengemengd, of opzettelijk, terwille van de lokale kleur, incidenteel of exclusief gebruikt. De gedichten zijn meest van lyrisch-protesterende aard of illustreren populaire slogans.’ De derde fase is de periode van eind jaren ’50 en de jaren ’60: veel protestliteratuur, volop ontplooiing van de volkstalen, verdieping in de historische anekdotiek. Voorbeelden hiervan zijn: ‘gronmama’ (Trefossa), ‘Suriname’ of ‘De dichter en het woord’ (Shrinivási) en ‘Holi Phagwa 1973’ of ‘geen plaats’ (Dobru).
Buste van Trefossa op de hoek van het Onafhankelijkheidsplein in Paramaribo.
Foto © Michiel van Kempen

 

Met andere woorden de periode 1957-1975 stond in het teken van het engagement met het volk, de strijdliteratuur en de nationale of nationalistische literatuur. Daarbij moet ook worden aangetekend dat deze periode verrassend veel werk opleverde dat meer dan een kwart eeuw later als gecanoniseerd zou gelden. Trefossa, Shrinivási en Dobru maken zeker deel uit van de Surinaamse poëziecanon. Dat bewijst ook de keuze van de dichters. Maar deze drie ‘groten’ zijn niet de enige grote Surinaamse dichters… er zijn er veel meer in dit poëzieland. In de inleiding van Cynthia Abrahams staat: ‘De gedichten zijn gekozen uit het werk van de drie meest geliefde dichters van Suriname, Trefossa, Shrinivási en Dobru.’ (p. 12) En Mavis Noordwijk zegt in een interview: ‘De manier waarop Trefossa typische Sranan-woorden en uitdrukkingen in zijn poëzie gebruikt, geeft een meerwaarde aan het Sranan. Hij is voor Suriname van buitengewoon grote betekenis zowel voor de literatuur als voor de cultuur geweest. Trefossa gebruikte in zijn vertalingen vaak beelden die aansluiten bij de Surinaamse belevingswereld’. (p. 28)
Shrinivási, april 2014
Foto © Michiel van Kempen

Shrinivási is de dichter die tegenstellingen overbrugt of met elkaar verzoent: die tussen het district en de stad of die tussen religies (hindoeïsme en christendom). Maar hij brengt ook talen bijeen, want hij schrijft in het Nederlands, Hindi, Sarnámi, wat hij steeds vergezeld doet gaan van een eigen vertaling in het Nederlands. Shrini is eigenlijk ook de dichter van ballingschap en vervreemding. Een terugkerend thema is de pijn van ballingschap en vervreemding. Het gedicht ‘Deháti’ uit Anjali is zo een voorbeeld (p. 48). Dobru is het Sranan-woord voor dubbel en is afgeleid van zijn initialen R(obin) R(aveles). Terugkerende thema’s in zijn werk zijn: vaderlandsliefde, het bekritiseren van sociale wantoestanden, de eenwording van het Surinaamse volk, liefde en armoede. Al in 1965 schreef hij zijn gedicht ‘Wan’ of ‘Wan bon’, geïnspireerd door het nationaal jeugdcongres dat in Paramaribo werd gehouden. Dit gedicht is intussen uitgegroeid tot het nationale gedicht en neemt in de multiculturele Surinaamse maatschappij een centrale plaats in (p. 76). De boom staat symbool voor Suriname en de bladeren voor de diverse bevolkingsgroepen in het land, dat één moet worden.

Saxofoniste Sanne Landvreugd speelt mee op de cd.
Foto © Michiel van Kempen

Kortom Tiri fu den wortu … di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een mooie, informatieve en zeer creatieve uitgave waarin poëzie van drie stonfutu Surinaamse dichters Trefossa (Henny de Ziel), Dobru (R. Raveles) en Shrinivási (Martinus Lutchman) is verwerkt tot prachtige muziek op dvd. Dave MacDonald (singer/songwriter) componeerde muzikale gedichten die worden vertolkt door een groep artiesten, onder wie Desiree Manders, Claudio Ritfeld, Julya Lo’ko, Martin Buitenhuis, Zanillya Farrell, Raj Mohan, Sim’Ran, Norman van Geerke, Sarah-Jane Wijdenbosch en Sanne Landvreugd. Er is gestreefd naar een harmonieus samengaan van woord en muziek, een ‘blend’ van literatuur en muziek; zo verwoordt Cynthia Abrahams het in haar inleiding (p. 12). Het is ongetwijfeld een bijzondere manier van documenteren van de rijkdom van gemeenschappelijk Surinaams cultureel erfgoed. Ieder van de drie dichters heeft zijn eigen prachtig vormgegeven deel van het boek gekregen, met veel foto’s, informatie over hun leven en werk door kenners en uiteraard een keuze uit hun gedichten.

De invloed van de drie behandelde dichters op de Surinaamse literatuur is bijzonder groot. Tiri fu den wortu … di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord is een sieraad voor elke liefhebber van de Surinaamse literatuur. Ook jongeren kunnen op een moderne manier kennis maken met dit muzikaal bewerkte culturele erfgoed en zelfs aangespoord worden werken van Surinaamse dichters te gaan lezen en deze creatief te gebruiken.
Cynthia Abrahams

 

Cynthia Abrahams, Hein Eersel, Geert Koefoed (samenstelling en inleidingen): Tiri fu den wortu … di no taki. De Stilte van het Ongesproken Woord. Dobru, Shrinivási, Trefossa. Drie Surinaamse dichters op muziek gezet. Boek en dvd. Haarlem: In de Knipscheer i.s.m. IKO Foundation, 2014. ISBN 978 90 6265 852 7

 

Trefossa en taal

Trefossa
door Els Moor
‘Levenslust is ’t heenstappen over kleine dingen. Trefossa en taal’ Deze titel van de zesde Trefossa-lezing door Lila Gobardhan-Rambocus is intrigerend. Het leven van een mens is verweven met taal en dat geldt op  bijzondere  wijze voor schrijvers en vooral dichters. Voor hen is de taal behalve een middel tot communicatie, vooral  een middel tot verdieping van onze blik op het leven. Een aspect dat duidelijk tot uiting komt in de poëzie van Trefossa.
Ik verwachtte dan ook een lezing waarin Lila Gobardhan dit verschijsel met voorbeelden uit het werk van Trefossa zou toelichten en uitdiepen. Dat gebeurde niet: de hoofdlijn van de lezing was de biografie van Henri Frans de Ziel, waarbij zijn omgang met de taal slechts incidenteel aan de orde kwam. Ze besteedde aandacht aan de positie van het Nederlands dat steeds meer ‘eigen’wordt vanaf de jaren zestig van de vorige eeuw, vooral na de taalconferentie in 1963-64, maar dat heeft niet zoveel met de poëzie van Trefossa te maken.
A.C.W. Staring
Overigens was Trefossa naast een Surinaamse dichter ook een echte Nederlander. Zijn favoriete dichters zijn dan ook Nederlanders, zoals A.C.W. Staring (1767-1840) in zijn tijd een moderne dichter met een krachtig vormgevoel, wat Trefossa ook heeft. Wat hij zelf doorleeft, wil hij uitdrukken in een adequate taalvorm.  Trefossa combineert wat hij bewondert in Hollandse dichters met eigenheid; hij geeft de ‘eigen taal’, het Sranan, een grote poëtische kracht. Zijn poëziebunde Trotji verscheen in 1957 en heeft een enorme stoot gegeven aan de opwaardering van het Sranan als literaire taal. Een belangrijk stap naar ‘eigenheid’ die in de zestiger jaren een doel is van een aantal schrijvers en dichters, bijvoorbeeld Dobru. Dit aspect komt wel aan de orde in de lezing.
Trefossa is ook de bewerker van het Surinaamse volkslied, vooral van het tweede couplet in het  Sranan waar hij ook meer durft dan in het stijve eerste couplet. ‘Werkend houden w’in gedachten’ is heel wat anders dan ‘Strey de f’ strey, wi no sa frede’! Lila Gobardhan heeft het wel over de stijfheid van het Hollandse couplet van het volkslied, maar een voorbeeld komt niet aan de orde.
Zo is het ook jammer dat de mooie analyse van het gedicht ‘Bro’ door Hein Eersel in het eerste nummer van het tijdschrift Mutyama (1990), een themanummer over Trefossa, na wan njoen kari niet aan de orde komt. Eersel geeft aan dat tussen droom en werkelijkheid de poëzie echt bloeit. Het gedicht ‘Bro’gaat over een stille kreek:
bro
no pori mi prakseri nojaso,
no kari mi foe loekoe no wan pe,
tide mi ati trusu mi foe go
te na wan tiri kriki, farawe.
no tak mi na lon mi wan lon gowe
foe di mi frede stré èn kré nomo,
ma kondre b’bari lontoe mi so te,
san mi moe doe? mi broedoe wani bro
na kriki-sé dren kondre mi sa si,
pe ala sani moro swit lek dja
èn  skreki- tori no sa trobi mi.
te m’drai kon baka sonten mi sa tron
wan pkinso moro betre libisma,
di sabi lafoe, sabi tja fonfon.
 
[uit Trotji, 1957]
Hein Eersel laat in zijn artikel zien hoe Trefossa niet alleen het Sranan heeft opgewaardeerd als literaire taal ten opzichte van het Nederlands, een soort Surinaamse renaissance dus, maar ook dat er met het Sranan een grote literaire kwaliteit bereikt kan worden met veel diepte.  Hij laat ook de historische lading van een aantal woorden zien uit de geschiedenis van ‘katibo’; met woorden als ‘troesoe’, ‘lon go’, ‘frede’, ‘kré’, ‘trobi’ en vooral ‘fonfon’ brengt hij de lezer terug naar de beleving van de slavernij, en dat in combinatie met de ‘moderne slavernij’ van het dagelijks leven.Vandaar ook‘skreki tori’ in de derde strofe. Een gedicht dat de diepte ingaat, in het Sranan… maar wel een sonnet, een vorm die stamt uit de Europese renaissance.  Prachtige ‘moksi’ dus: een vorm uit de werelliteratuur en taal, beelden en ritme uit de eigen cultuur en geschiedenis!
Zulke analyses had ik verwacht in de lezing over Trefossa en taal. Helaas bestond de lezing bijna helemaal uit feitelijkheden uit het leven van de dichter, niet in een ‘drenkondre’. Wat is een gedicht volgens Trefossa? In zijn gedicht ‘wan troe poewema’ laat hij het zien: ’wan troe poema na wan skreki sani / wan troe poewema na wan stré te f’dede / wan troe poewema na wan tra kondre, / pe joe kan go / te joe psa dede fosi  […]
De besproken feiten zullen de meesten van de aanwezigen wel gekend hebben. Mijn collega’s en ik wel tenminste, terwijl je van creatieve analyses van Trefossa’s gedichten altijd weer leert, over het Sranan, over creativiteit met taal. Je stapt over ‘kleine dingen heen’en  ontdekt grote!

Srefidensi in de literatuur

van de redactie van De Ware Tijd Literair
 
Op woensdag 15 januari 2014 waren drie redactieleden van dWTL aanwezig bij de zesde Trefossa-lezing van de Henri Frans de Ziel Stichting. De lezing met als titel: ‘Levenslust is ’t heenstappen over kleine dingen’ Trefossa en taal’ werd gehouden door Lila Gobardhan-Rambocus. Elders op deze pagina gaan we nader op deze lezing in.
Voor Lila Gobardhan de beurt kreeg, waren er verschillende inleidende sprekers, betrokkenen bij de stichting, onder wie Hein Eersel (die zelf de Trefossa-lezing van 2009 heeft gehouden  over ‘Canon, Cultuur en vertaling’). Hij wenste nu het publiek een ‘goed literair jaar’ toe. Wat houdt dat in? De voorzitter van de stichting, Johan Roozer, wees ons erop dat er in het afgelopen jaar weinig literair werk is verschenen, dat er weinig gebeurd is op literair gebied.  Zou Roozer hiemee bedoelen dat er geen romans of gedichtenbudels zijn verschenen van hoge literaire kwaliteit, zoals in 1957 de gedichtenbuindel , Trotji, van Trefossa?
Er is wél veel verschenen het afgelopen jaar. De ontwikkeling van de Surinaamse leeswereld gaat steeds meer de richting op van ‘literaire srefidensi’. Zo is er de Clark Accord Foundation (CAF) die in mei 2013 de bundel met verhalen van jonge schrijvers, Ston Oso, het resultaat van een schrijfwedstrijd publiceerde met de bedoeling om  jongeren liefde voor schrijven en literatuur bij te brengen. Het titelverhaal is van de eerste-prijs-winnares Hetty Amatodja (schrijversnaam Hetty Amat). Dit succes heeft deze jonge schrijfster geïnspireerd om door te gaan; er is al een kinderboekje van haar verschenen, Bruno de zwervershond en binnenkort komt er een verhalenbundel van haar met fantasievolle verhalen die ook in de realiteit wortelen, op de markt. Andere jeugdboekenschrijvers durven taboes te doorbreken  en maatschappelijke problemen  te behandelen. Het boek Laat me niet alleen van Indra Hu over het hiv-aids-probleem is een pakkend voorbeeld.
En dan de kinderboekenfestivals die nu al tien jaar gehouden worden  op verschillende plaatsen in het land. Op  creatieve manieren wordt er veel gedaan aan leesbevordering. Op ieder festival verschijnen er weer nieuwe boeken, geschreven vanuit Surinaamse situaties, in Surinaams Nederlands en met herkenbare beeldende illustraties.  Wij van dWTL besteden er veel aandacht aan en hebben zelfs een jeugdredactie.
En dan is er de Schrijversvakschool onder leiding van Ruth San A Jong die zelf een bundel met verhalen over de dood heeft uitgebracht, De laatste parade,  mooi gedaan en een gedurfd onderwerp. Onlangs zijn er drie studenten afgestudeerd aan de Schrijversvakschool, onder andere Karin Lachmising die kort daarna bij In de Knipscheer uitkwam met een dichtbundel, Nergens groeit een boom die haar aarde niet vindt, met bijzondere gedichten, van hoge kwaliteit. Belangrijk is ook de in 2013  uitgegeven grammatica van het Sranan Taki Sranantongo bun door Eddy van der Hilst. Geen literair boek, maar wel een ondersteuning voor degenen die in het Sranantongo willen schrijven of dichten.  Van binnen uit, vanuit Suriname, zijn er dus activiteiten om jonge schrijvers te motiveren en verder te helpen en verschijnen er veel goede kinderboeken voor alle leeftijdsgroepen, van kleuters tot en met adolescenten. Wie vroeg begint te lezen en er plezier in heeft, blijft het doen! Suriname is niet alleen Paramaribo,  en het leespubliek bestaat niet alleen uit elite en intellectuelen. In de districten en het binnenland wordt ook veel gedaan aan leesbevordering.
In 2011 was er bij de Henri Frans de Ziel Stichting wél aandacht voor literaire diversiteit die te maken heeft met de Surinaamse culturen. Ismene Krishnadath, schrijfster en voorzitter van de Schrijversgroep 77 kreeg toen de Henri Frans de Ziel Literatuur- en cultuurprijs, vanwege haar schrijverschap, maar ook in verband met activiteiten in verband met leesbevordering  op scholen. In haar dankwoord zei Ismene toen: ‘Bij S77 propageren we al jarenlang het idee van ‘Diversity is power’. We helpen de wereld alleen vooruit wanneer wij inclusief denken, alleen een plaats en een eigen waarde geven binnen het spectrum van het bestaan. Dit geldt ook voor literatuur. Er is een overvloed aan literaire vormen waar het gewone volk prima mee uit de voeten kan, maar waar wij, van de zogenaamde literaire scène, te weinig mee doen’.
Diversity is power
Onze conclusie is: het Surinaamse literaire leven is aan het veranderen. Literatuur is niet meer het kunstgebied voor de elite, maar het leesplezier van ‘gewone mensen’ neemt toe door tal van projecten.  De Henri Frans de Ziel Stichting kan in deze een voorbeeld nemen aan hun eigen Trefossa, die de volkstaal, het Sranan, opwaardeerde door zijn prachtige gedichten in die taal, beeldend van klank en ritmisch, die onderwijzer was en leraar en ….. een bescheiden mens, de uitvinder van het woord ‘Srefidensi’!

 

Schrijversgroep ’77 presenteert gedichtenbundel Fri

De gedichtenbundel Fri met 48 gedichten is een uitgave van de Schrijversgroep’77 in verband met de herdenking van 150 jaar afschaffing van de slavernij. Het idee voor de bundel ontstond in 2012. Een commissie onder leiding van Johan Roozer, waarvan verder Arlette Codfried en Sombra lid waren, riep dichters op hun emoties rond vrijheid te verwoorden.

Hein Eersel zal op uitnodiging van de Schrijversgroep’77 zijn licht laten schijnen op de bundel. Er zullen tien gedichten uit deze bundel worden voorgedragen. Naast bekende dichters zoals Sombra en Alphons Levens hebben ook nieuwe dichters werk aangedragen, zoals Cobi Pengel, Rose-Marie Maître, Hermien Wimpell, Josta Vaseur, Judith Ruimwijk, John Verwey, Patricia Rotgans, Raoel Doelahasori en Jennifer Lawson.

Alphons Levens

Ook is een uniek project opgenomen, waarbij het Nederlandstalig gedicht Vrijheid in vijf Surinaamse talen is vertaald door onder andere Dorus Vrede, Jit Narain en Kadi Kartokromo. Ook zal eindredacteur Robby Parabirsing (Rappa) vertellen hoe de productie van manuscript tot eindproduct is verlopen. Dit is vooral interessant voor opkomende dichters die meer willen weten over de mogelijkheden om hun werk te publiceren.

Op woensdag 26 juni 2013 zal de Schrijversgroep’77 de gedichtenbundel ‘Fri’ in Tori Oso aan de Frederik Derbystraat presenteren. Aanvangstijd: 20.00 uur.

Update Tori Oso avond 27 februari

Ook aanwezig bij de presentatie van Hecht en Sterk van Shrinivási zijn Hein Eersel, Jerry Dewnarain en Rappa. Samen met Lila Gobardhan zullen zij participeren in het panelgesprek over de bundel. Jerry Dewnarain heeft al een voorzet gedaan. Van zijn hand verschijnt op zaterdag 23 februari een recensie in De Ware Tijd Literair.

Diana Lebacs bij de Curaçaose presentatie van Hecht en Sterk
Op de S’77 avond van woensdag 27 februari zullen er twee boeken worden gepresenteerd. In het eerste deel van de avond gaat het om de nieuwe dichtbundel van Shrinivasi, Hecht en Sterk. Geert Koefoed verzorgt een korte inleiding en Jit Narain, Guillaume Pool en Lila Gobardhan dragen voor uit de bundel. Daarna volgt de paneldiscussie waaraan het publiek mag deelnemen. In het tweede deel van de avond presenteert Karen van Gelder haar boek Hilde. Hilde is een oude dame die terugblikt op haar flamboyante leven. Ze groeit op in de Surinaamse smeltkroes van rassen, rangen en standen. Door een tragische gebeurtenis kiest ze voor een bohemien leven en een glanzende carrière, haar grote liefde achterlatend. Pas na een jarenlange strijd met zichzelf is ze in staat de demonen uit het verleden te overwinnen. Een bijzondere inspiratiebron van Karen is ‘internal voice dialogue’, een concept van de psycholoog Hubert Hermans.
Beide publicaties zullen op de avond te koop zijn en u hebt de gelegenheid het boek Hilde te laten signeren door de auteur. Alle literatuurliefhebbers zijn van harte welkom. De avond is vrij toegankelijk. Aanvang: Stipt 20.00u.

[Mededeling van Schrijversgroep ’77]

Verklarend Sranan woordenboek in de maak

 

De voorzitter van Fiti Fu Wini, Claudetta Toney (l) feliciteert Renata de Bies (r) met de benoeming van de commissie ter voorbereiding van het verklarend Sranan woordenboek. Op de achtergrond v.l.n.r. Stanley Uiterloo, Rudi Spa, Hein Eersel en France Olivieira.  Foto: Jason Leysner
Paramaribo – Het Sranan is onlosmakend verbonden met de identiteit van de Afro-Surinamers. Er moet dus gewerkt worden aan het ontwikkelen van deze taal, zodat het een positieve impuls geeft aan de ontwikkeling van deze groep. Vandaar dat de organisatie Fiti Fu Wini heeft besloten om samen met Sranan Akademiya te werken aan de uitgave van een verklarend woordenboek.
Gisteren werd de commissie bestaande uit Stanley Uiterloo, Rudi Spa, Hein Eersel, Renata de Bies, Celestine Raalte, France Olivieira en Monica Drente geïnstalleerd, die dit plan moet verwezenlijken.
Taalarmoede
“In 1986 is de spelling voor het Sranan officieel goedgekeurd, maar het is daarbij gebleven. Doordat de taal zo weinig geschreven en verspreid wordt, merken we dat we steeds vaker woorden uit het Nederlands lenen om ons verstaanbaar te maken. Maar dat leidt tot taalarmoede en dat willen we voorkomen”, meent Uiterloo die namens Fiti Fu Wini de kar moet trekken binnen de werkgroep.
Vermeer – Het melkmeisje. Rijksmuseum Amsterdam
Bevrijding
De commissie streeft ernaar om een woordenboek met tienduizend woorden uit te brengen. De contouren daarvan moeten rond de viering van 150 jaar afschaffing slavernij gepresenteerd worden aan de besturen van de twee participerende organisaties. “We zijn dan 150 jaar verder en werken aan onze bevrijding. De taal is daarbij een goed instrument”, benadrukt Kortensia Sumter Griffith, ondervoorzitter van Fiti Fu Wini bij het voorlezen van de proclamatie.
Uiterloo meent ook dat de taal afmoet van het stigma dat erop rust. “Je werd vernegerd genoemd als je Sranan sprak. En je werd voor dom aangezien. Maar ik ken mensen die het Sranan altijd al hebben gesproken en die zijn dé grote mannen van dit land geworden. Dat slaat dus nergens op.”
Spa, voorzitter van Sranan Akademiya, ondersteunt het initiatief en meent dat het aansluit bij het doel van de organisatie. “Sinds de oprichting met mannen als Hugo Overman, Eersel en Olivieira zijn we bezig hiermee. We hopen door te participeren in deze commissie dat we eindelijk een doorstart kunnen maken, met deze voor ons allen zo belangrijke stap.”
De commissie zal uitgaan van de Sranan-spelling van 1986. “Maar we gaan de inconsistenties eruit moeten halen. Ook de zaken die onvolledig zijn bij dat van 1986 zullen we moeten aanpakken”, legt lexicoloog De Bies uit.
De leden zijn zich ervan bewust dat het geen eenvoudige taak is en beginnen zo snel mogelijk met het samenstellen van de begroting die hoort bij het projectplan. “Daarmee gaat Fiti Fu Wini op zoek naar financiën bij donoren en andere gelijkgerichte organisaties”, aldus Uiterloo.
[uit de Ware Tijd, 20/02/2013]

Hein Eersel-lezing

Op zaterdag 9 juni j.l. vierde Dr. Christiaan Hendrik (Hein) Eersel zijn 90ste verjaardag. Als eerbetoon aan Eersel, die zich als taalkundige op bijzondere wijze verdienstelijk heeft gemaakt zal een lezing worden gehouden op 15 juni in het auditorium van Self Reliance.

Er zullen diverse sprekers, die zich beroepsmatig en of functioneel bezig houden met taal en overdracht van taalkennis, aan het woord komen. Vanuit de eigen ervaring, deskundigheid en perspectief in de Surinaamse context, zullen korte beschouwingen worden gehouden. De hoofdspreker van de avond is Dr. Renata de Bies. Zij zal het hebben over het Sranantongo in sociolinguïstisch perspectief. De avond wordt opgeluisterd met voordrachten en muziek.

Surinaams-Nederlands, wakaman-taal of slecht Nederlands?

Renata de Bies

door Rolf van der Marck

Kort geleden heb ik hier verslag gedaan van een onderzoek naar de meest gesproken, meest gebruikte taal in Suriname, waaruit het Surinaams-Nederlands als duidelijke winnaar naar voren kwam. Alhoewel ik mij toen beperkt heb tot het doen van verslag, dat betekent niet dat ik geen kanttekeningen heb bij dit resultaat. Nu, enige tijd en twee ‘ervaringen’ later, voel ik mij toch genoodzaakt die sindsdien ‘verrijkte’ kanttekeningen naar buiten te brengen. De door mij genoemde ‘ervaringen’ zijn a) dat naar ik heb begrepen de enige tijd geleden ingestelde adviescommissie inzake de taal onder leiding van de Surinaamse ‘eminence grise’ Hein Eersel naar verwachting binnenkort een advies naar buiten zal brengen om het Surinaams-Nederlands tot Suriname’s officiële taal te maken, en b) dat ik vandaag op de ‘dag van de vrouw’ een tijd lang met gekromde tenen naar de verloedering van onze taal op de radio heb zitten luisteren.

Hein Eersel

Allereerst mijn kanttekeningen. Waar Renata de Bies, bouwdecaan van de Masteropleiding Nederlands van de subfaculteit Humaniora van de Anton de Kom Universiteit van Suriname (AdeKUS), aan de hand van onderzoek meende te kunnen aantonen dat het Surinaams-Nederlands (SN) steeds meer afstand neemt van het Algemeen Nederlands (AN) zijn daarbij een aantal vraagtekens te plaatsen. Het alles overheersende vraagteken is wel welk Nederlands De Bies nu eigenlijk doceert aan de AdeKus. Uit de strekking van haar stelling spreekt een grote preoccupatie met het Surinaams-Nederlands, ongetwijfeld gevoed door de door haar samengestelde woordenboeken, wat haar onderzoeksverslag zo ongeveer tot een zegetocht heeft gemaak. Met andere woorden, wordt er op masterniveau aan de AdeKUS wel voldoende onderscheid gemaakt tussen AN en SN?

Welk Nederlands wordt onderwezen op de AdeKUS?
De opvolgend meest belangrijke vraag is, welk onderscheid wordt er in die opleiding gemaakt tussen Surinaams-Nederlands en slecht Nederlands? De woordenboeken van De Bies vormen nog slechts een aanzet tot een beschrijving van het Surinaams-Nederlands, de status van het Surinaams-Nederlands als een autonome taal is alleen maar een uiterst officieuze, zo is er bijvoorbeeld nog helemaal geen onderzoek gedaan naar de verschillen op het gebied van stijl en grammatica. Er zal dus nog heel wat water door de Surinamerivier moeten vloeien alvorens het Surinaams-Nederlands een autonome taal genoemd kan worden. Bij gevolg wordt straffeloos beweerd dat er Surinaams-Nederlands wordt gesproken, terwijl het over een heel grote linie niet anders dan slecht Nederlands is.

Uitgaande van deze status quo is de wens om het Surinaams-Nederlands tot onze officiële taal te maken misschien wel begrijpelijk, maar wij moeten wel beseffen dat genoemde status quo het resultaat is van de in de laatste decennia te constateren verloedering van het onderwijs in Suriname, eerst en vooral de verloedering van het taalonderwijs. Dit blijkt uit een volledig gebrek aan taalbesef, gebrek aan notie wat afzonderlijke woorden betekenen en hoe ze te gebruiken om er iets mee tot uitdrukking te brengen en dat geldt zonder onderscheid vanaf de kleuterschool tot en met de universiteit. Als de universiteit zou selecteren op een goede beheersing van de Nederlandse taal, dan kon zij haar poorten maar beter sluiten.

 

Door de kat of door de hond gebeten?
Tegen deze achtergrond is het niet eens meer de vraag of je door de kat of door de hond wordt gebeten, de allesoverheersende vraag is hoe de mensen weer taalbesef bij te brengen, om het even of het AN, SN of Engels is, want die keuze is arbitrair, of emotioneel om het anders te zeggen. En daar ligt mijns inziens dan ook de crux, welke taal ligt het dichtstbij voor de Surinamer van vandaag? Het lijdt volgens mij geen twijfel dat het Surinaams-Nederlands de emotionele keuze is, maar ook dat lost het probleem niet op, maar het zou wel een stap kunnen zijn in de goede richting. Het probleem is namelijk een pedagogisch probleem: op welke wijze kan de Surinamer weer voeling met taal worden bijgebracht? Daartoe moet eerst die keuze worden gemaakt en vervolgens moet ijlings worden gewerkt aan een standaard van het Surinaams-Nederlands, want anders is er überhaupt geen onderwijs mogelijk. Het is een verdomd complex probleem, nog complexer dan het probleem van de kip en het ei.

Wakaman-taal
Dan kom ik tot slot bij wat ik wakaman-taal wil noemen, stoer taalgebruik om interessant te klinken, met als pluspunt dat het het gebrek aan kennis van de taal maskeert en in tegendeel wordt geacht indruk te maken door het veelvuldig gebruik van Engelse termen. Zoals ik hierboven al zei, heb ik vandaag enige tijd naar de radio zitten luisteren, waar niet de minste onder de Surinaamse radio-omroepers, Steven van Frederikslust, commentaar gaf op het Hindoestaanse Holi-feest en de Dag van de Vrouw, die allebei vandaag worden gevierd. Daarbij is de Dag van de Vrouw aangegrepen voor een bewustwordingscampagne, de Pink Ribbon-campagne ter bestrijding van borstkanker. Bij het aanzetten van de radio moest ik beluisteren dat awareness noodzakelijk is, willen wij borstkanker bestrijden. Geen speld tussen te krijgen, behalve dan dat de gemiddelde Surinamer eerder zal begrijpen wat bewustwording is dan awareness. Maar daar gaat het dus helemaal niet meer om, het gaat erom om indruk te maken, niet om de boodschap zo goed mogelijk over te brengen. De rest van mijn luisterergernis zal ik u besparen, maar Van Frederikslust had in elke zin minstens drie Engelse woorden gevlochten, zonder dat ze tot een betere bewustwording bijdroegen.

Tien dagen geleden was ik aanwezig bij een door het Suriname Heritage Festival in samenwerking met de Kamer van Koophandel georganiseerde lezing met als titel: “De economische waarde van ons erfgoed”. De lezing met powerpointpresentatie werd gehouden door een Surinaamse landschapsarchitect die haar opleiding in Amerika had genoten, waar ze ook is afgestudeerd. Wellicht was dit mede de oorzaak van een overmatig gebruik van Engelse termen, maar los daarvan bevatte praktisch elke op het scherm weergegeven Nederlandse zin minstens één grove fout, heus niet alleen een verwisseling van ‘de’ en ‘het’. En natuurlijk ging het ook hier –in weerwil van de titel– niet om erfgoed, maar om heritage, en om awareness, niet om bewustwording.

De opvolgers van de ‘commissie-Eersel’ worden zodoende opgescheept met een hels karwei, namelijk om slecht Nederlands te beschrijven en definiëren, om er zodoende een autonome taal van te maken. Vrijwilligers vóór!

Lucia Nankoe in gesprek met Hein Eersel

De Caribische literatuur in tekst en context in Galerie Sukru Oso

Op donderdag 26 januari organiseerden de heren dr. Hein Eersel, mr. Carlo Jadnansing en dr. mr. Edwin Marshall een causerie over de Caribische literatuur. De gastspreker was Lucia Nankoe. Zij trad in dialoog met Hein Eersel en het publiek.

Tori Oso

De dialoog begint met de vraag van Hein Eersel, taalkundige, aan Nankoe welke literatuur gerekend mag worden tot de Caribische literatuur. Nankoe laat duidelijk blijken dat zijn geen voorstander is om de Caribische literatuur in te delen vanuit een geografisch optiek. Deze kenner van de Caribische literatuur kiest evenmin voor een historische indeling.

Volgens Nankoe is de tijd aangebroken om naar stromingen te kijken, want achter deze stromingen gaan ook veel ideeën, gedachtes en verwachtingen schuil. “Er moet eerder gekeken worden wat er is geschreven en welke stromingen aanwezig zijn”, vindt deze literatuurwetenschapper. Heel duidelijk en met veel enthousiasme onderbouwt Nankoe haar mening. Zo vrij als een vis zich in het water voelt, zo vrij en boeiend vertelt Nankoe over de geschiedenis van de Caribische literatuur waarin de vele literaire stromingen aan de orde komen. Zij geeft veel voorbeelden van schrijvers die thuishoren bij de verschillende stromingen. Ook worden de thema’s bij elke stroming kort belicht.

De Négritude

Zij begint met de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw waarin auteurs uit de verschillende Caribische eilanden toentertijd Afrika idealiseerden. Alles wat Caribisch Gebied was, was Afrika. Afrika was het moederland, Europa, Azië enz. telde niet mee. Frank Martinus Arion met zijn boek Stemmen uit Afrika is een duidelijk voorbeeld hiervan.

Er was een opkomst van auteurs die zich in een beweging, de Négritude, bundelden met name uit het Frans Caribische eiland Martinique. Deze Négritude-schrijvers stelden Afrika centraal in hun werken.

Gedurende de dialoog kwam Nankoe enkele keren terug op het thema Afrika. “Wat je ziet in de Caribische literatuur is aan het begin van de twintigste eeuw en zeker in Londen en met name Parijs dat er studenten uit de verschillende koloniën bijeenkomen.” Deze aanstaande ‘zwarte’ intellectuelen gaan op zoek naar hun verleden. Uit Martinique is bekend geworden Aimé Césaire (Martinique, 26 juni 1913-17 april 2008). Uit Frans-Guyana kwam Léon-Gontran Damas (28 maart 1912-januari 1978). Uit Afrika, Senegal, Léopold Sédar Senghor (9 oktober 190620 december 2001), die later ook nog president wordt. Zij richtten de Négritude-beweging op.

Deze beweging is volgens Nankoe heel erg belangrijk in de literaire geschiedenis van het Caribische Gebied. Er ontstaat zodoende een link tussen Frans-Guyana (Damas) en de rest van de Frans Caribische eilanden (o.a. Cesairé) en een link met Afrika via Senghor. Afrika werd geïdealiseerd, het moederland, maar dit was de eerste aanzet om het Caribische Gebied te herwinnen of te hervinden. Een belangrijke thema hierbij was het idealiseren van de zwarte vrouw. Alle zwarte personages in hun werken waren de mooiste vrouwen of zwarte godinnen. De gedichten van René André de Rooy (Paramaribo, 1917) staan bekend om de verheerlijking van de zwarte vrouw.

Négritude in Suriname: een voorbeeld

Met deze thematiek (Négritude) toonde ook de Surinaamse Eugène Rellum zich verwant aan dichters uit de négritude-beweging en dan met name met de van Cayenne afkomstige Léon Gontron Damas. Een van de bekendste gedichten over de Surinaamse neger zou ‘Negerschap’ worden:

Negerschap
is als bloeiende vanille
hoog in de bomen van het bos;
in wijde omtrek
laat de geur niemand los,
hij dwingt een ieder
om naar hem
omhoog te kijken


Antillanité

Langzamerhand verandert de ‘Back to Africa’-gedachte in de Antillianiteit (Antillanité) met als bekende schrijver Edouard Glissant (21 september 1928 3 februari 2011). Hij is de absolute grote denker die pleit voor het Antilliaan zijn. Daarom moet, volgens Nankoe, deze schrijver uit Martinique zeker op de leeslijst voorkomen van studenten. “Wij zijn niet meer Afrika, India, en China, wij zijn Antillianen! Daar schrijft Glissant over.”

In Suriname lijkt gedurende de jaren ‘60 en de eerste helft van de jaren ‘70 het merendeel van alle schrijvers – en zeker van alle dichters – er zich terdege rekenschap van gegeven te hebben dat hun inzet een ernstig en concreet realiseerbaar doel diende: de strijd voor de onafhankelijkheid van Suriname! De maatschappelijke betrokkenheid van auteurs was ook altijd groot, maar vanaf het einde van de jaren ‘60 zijn alle maatschappelijke ontwikkelingen praktisch van dag tot dag te volgen in vooral de poëzie. De auteurs identificeerden zich met hun land in de meest letterlijke zin. Eugène Rellum:

Sranan na mi,
mi na Sranan.
Suriname ben ik;
ja, ik ben Suriname.
In dit opzicht was de literatuur van Suriname helemaal in lijn met de massa van niet-westerse letteren.

Creolité

Vervolgens komt de nieuwe generatie van auteurs. Hun stroming wordt de la Creolité genoemd. Bekende auteurs zoals Patrick Chamoiseau (Martinique, 1953), Jean Bernabé (Martinique, 1942), Raphaël Confiant (Martinique, 1951). “Dat zijn drie wilde jongens die gigantische veel schrijven. Zij schrijven niet alleen gedichten en of romans. Zij gaan verder. Zij probeerden bepaalde gedachtegoed te verwoorden”, weet Nankoe dit op een humorvolle manier het publiek mee te delen.

In het Frans Caribische Gebied komen de auteurs op het punt dat de natuur belangrijk werd. Uit de andere taalgebieden zou er een raakvlak getrokken kunnen worden om te kijken welke auteur binnen deze stroming past, “want er zijn nog steeds mensen die leven vanuit de literaire ervaring met de Afrika-gedachte”’, eveneens met de ‘India-gedachte’”, volgens Nankoe.

“Dit betekent dus dat de we het Caribisch Gebied de indeling van letterkunde in talen zouden moeten loslaten, concludeert Eersel. “Een regio met een eigen cultuur, een eigen geschiedenis die tot uitdrukking komt in minimaal vier talen: het Engels, het Spaans, het Nederlands en het Frans. Nankoe vult aan, dat tegenwoordig ook het Frans Creools een erkende taal is. Vooral Haïti schijnt hele goede schrijvers in deze taal voort te brengen.

Thema’s

De thema’s die vaak dan nog aan de orde komen zijn: het slavernijverleden, de koloniale geschiedenis, ras, kleur, exodus naar de metropool etc. Eersel geeft een mooi voorbeeld van de Cubaanse dichter Nicolás Guillén (Nicolás Cristóbal Guillén Batista, 10 juli 190216 juli 1989). In een van zijn mooiste gedichten ‘Balada de los dos abuelos’ probeert hij een duidelijke tegenstelling tussen blank en zwart op te lossen in het mulat zijn.

Ook de klassentegenstellingen komen aan de orde. De Surinamer Dobru heeft het over de bakadyari. Dobru doorbreekt het taboe door het naar buiten brengen van het leven op de bakadyari (achtererven) te beschrijven. Maar niet dit alleen, hij doorbreekt ook het taboe op winti en dat is zeker een groot verdienste van deze grote Surinaamse dichter geweest!

 

Lucia Nankoe (links), Renate de Bies & Hein Eersel
 

Tekst en context

Nankoe vervolgt haar gesprek door te vertellen dat auteurs op gegeven moment naar de metropool (moederland) gaan: Parijs, Londen en Amsterdam. Zij geraken ver weg van de Caribische ervaring. De vraag is in hoeverre zijn deze auteurs nog Caribische auteurs. Als voorbeeld wordt de jonge schrijver Karin Amatmoekrim genoemd. Deze schrijfster is geboren in Suriname, maar is opgegroeid in Nederland. In hoeverre is zij nog een Surinaamse auteur? Want in sommige romans zijn deze auteurs weggeraakt van de Caribische context, want hun verhalen spelen zich dan ook in Europa af.

En als je ver weg bent geraakt van de Caribische cultuur, ben je dan nog een Caribische auteur of een Nederlandse auteur?, werpt Nankoe deze vraag op aan de aanwezigen. Misschien een leuk onderwerp voor een volgende causerie! Nankoes babbeltje in Sukru Oso heeft ongetwijfeld zelfs de aanwezige leek in de Caribische literatuur op deze avond absoluut een interessant beeld over de Caribische literatuur gegeven!

[uit DWT, 28 januari 2012]

Foto’s: Carmen Lie (behalve die van de Arion, Césaire en Rellum)

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter