blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Dragtenstein Frank

Internationale Conferentie Slavernij VOS en IISR

Louis Kalema – Slavendrijvers
Het programma voor de internationale conferentie welke georganiseerd wordt door Vereniging Ons Suriname en International Institute for Scientific Research (IISR) in het kader van 150 jaar afschaffing slavernij is nu definitief vastgesteld. De conferentie is ingebed in de Summer School on Black Europe die van 24 juni t/m 5 juli 2013 plaatsvindt in Amsterdam.
Het programma ziet er als volgt uit.

Vrijdag 28 juni vanaf 18.00 uur
Ontvangst van de internationale gasten. (Niet toegankelijk voor het publiek.)

Zaterdag 29 juni van 10.00-17.30 uur
Stephen Small (USA): Legacy of the struggle against slavery: how concepts, ideas and experiences of the resistance to slavery are expressed.
Kwame Nimako (Ned): The African response to slavery: the resistance to slavery in Africa.
Jeanne Henriquez (Curaçao): Tula and his legacy – the 1795 uprising on Curaçao.
Frank Dragtenstein (Ned): Marronage in the Caribbean: analysis and theory of resistance.
!Wegens persoonlijke omstandigheden kan Frank Dragtenstein zijn paper over marronage niet meer presenteren. In plaats daarvan zal Robert Justin Connell een paper presenteren met een vergelijking tussen marrons in Jamaica en Suriname. Connell is afgestudeerd aan de University of California Berkeley en werkt aan een dissertatie over marrons in Jamaica en Suriname. !

Zondag 30 juni van 10.00-17.30 uur
Rita Tjien Fooh (Sur): Women, resistance and slavery.
Rudy Uda (Ned): The culture of resistance: how resistance was expressed in culture during slavery.
Ramon Grosfoguel (USA): The Haitian revolution. Causes, description and immediate effects.
Livio Sansone (Ned/Brasil): Brazil – resistance and struggle in the largest slave society in the America’s.
Sandew Hira (Den Haag): Conceptualizing resistance to slavery: class, race and colonialism.

De voertaal is Engels.

Slavernij in de zuidelijke staten van de VS
 
Toegang: € 12,50 per dag
Studenten: € 7,50 per dag
Plaats: Vereniging Ons Suriname
Zeeburgerdijk 19-A
1093 SK Amsterdam
Klik hier om je aan te melden.
Meer informatie: +31 6 412 837 85
Email: info@iisr.nl
Bezoek de site: www.iisr.nl

Boston Band onzorgvuldig uitgegeven

door Victor Enthoven
Rond het midden van de achttiende eeuwen ontvluchtten jaarlijks ongeveer 250 slaven de Surinaamse plantages. Meer dan de helft van hen keerde na verloop van tijd uit eigen beweging terug, wat niet wegneemt dat elk jaar ongeveer meer dan honderd slaven in de bossen achterbleven. Na verloop van tijd ontstonden er verspreid over de kolonie verschillende Marrongemeenschappen. Ten oosten van de Commewijne, niet ver van de Tempatiekreek, vestigden de Okanisi of Ndyuka zich. In 1757 begon op de houtplantage La Paix de zogenaamde Tempatie-opstand, toen enige honderden Nduyka-marrons de plantage aanvielen. De strijd rond de Temaptiekreek zou tot 1760 duren.
Een van de opstandelingen was Boston Band, ook wel bekend als Basiton of Boston van Berenburg. Hij was een tot slaafgemaakte Afrikaan die eerst in Jamaica verbleef en waarschijnlijk rond 1749 in Suriname arriveerde waar hij in 1766 stierf. Hij was een van de leiders van de Ndyuka die kon lezen en schrijven. Door zijn correspondentie met het koloniale bestuur in Paramaribo heeft hij mede de vrede in het oosten van Suriname bewerkstelligt. Hij schreef in het Engels, maar zijn brieven werden in het Nederlands vertaald omdat niet alle bestuurders het Engels machtig waren.
Frank Dragtenstein, sinds 2001 als onderzoeker verbonden aan het Nationaal Instituut Nederlands Slavernijverleden en erfenis (NiNsee) in Amsterdam, wil met dit boek de brieven van Boston een plaats geven in de rij getuigenissen van ex-slaven. Centraal hierbij staat het belichten en analyseren van de doorslaggevende rol van Boston in het bereiken en het behouden van de vrede van 1760. Daarbij komen vragen aan de orde over zijn positie binnen de Ndyukagemeenschap, zijn plaats in het beleid van het koloniale bestuur in Paramaribo en zijn rol in het machtspel tussen het gouvernement en de leiders van de marrons.
               
Het boek valt in twee delen uiteen. Het eerste deel van 180 pagina’s vormt de inleiding en context van de Tempatieopstand en de analyse van de brieven van Boston. In een bijlage van circa veertig bladzijden worden de vertaalde brieven en enkele andere stukken weergegeven.
In zes hoofdstukken wordt het verhaal van Boston Band verteld en de rol die hij tijdens de opstand heeft gespeeld. De brieven maken duidelijk voor welk dilemma de Marrons stonden: een onzeker bestaan in vrijheid versus een zeker bestaan in slavernij. Boston had in het begin een optimistische kijk op de afloop van het conflict. Daarom maande hij de ‘opperhoofden’ om niet al te veeleisend te zijn in hun vordering van noodzakelijke goederen in ruil voor vrede. Het was voor hem dan ook een teleurstelling toen bleek dat er geen harmonische verhouding met Paramaribo in het verschiet lag. Uiteindelijk werd er vrede gesloten op basis van een ruil van gevluchte slaven tegen goederen. Dragentein concludeert dat de invloed van Boston groot is geweest bij het tot stand brengen van de vrede. In de bijlage zijn 31 brieven opgenomen. Hiervan zijn er ongeveer achttien van de hand van Boston Band.
Het eindresultaat vind ik vrij matig. Het gebrek aan redactie zorgt dat de boodschap van het boek slecht toegankelijk is. De structuur van de inleiding is onduidelijk en de tekst is niet vlot geschreven. Verder worden sommige brieven die in de bijlage zijn opgenomen, eveneens volledig in de tekst weergegeven. Verder is het jammer dat de auteur het werk van Van den Bouwhuijsen, De Bruin en Horeweg uit 1988 weinig heeft gebruikt. In de bibliografie is dit standaardwerk over de Tempatie-opstand zelfs niet opgenomen. Voor de opgenomen brieven in de bijlage wordt geen verantwoording gegeven, terwijl de brieven zelf niet geannoteerd zijn. Veel lezers zullen bijvoorbeeld niet weten wat een posthouder is. Kortom, dit interessante en relevante onderwerp, want zoveel brieven zijn er niet van ex-slaven overgeleverd, had een veel beter verzorgd boek verdient.
Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede; De brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763. Amsterdam: NiNsee/Amrit, 2009. 233 p., isbn 978 90 74897 53 2, prijs € 15,00.

[uit Oso 2012.1]

 

Reddingsactie NiNsee: Zijn het gezag van Beatrix en 16.000 handtekeningen voldoende?

door Stuart Rahan

Het lijkt wel zwarte pietenspel. Niemand durft de verantwoordelijkheid voor de sluiting van het NiNsee, het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis, op zich te nemen. De politieke beslissing is weliswaar genomen door het kabinet van Mark Rutte, momenteel demissionair, maar onder dwang van gewezen gedoogpartner PVV, de partij van Geert Wilders die ‘vrijheid’ in de naam heeft maar intussen de vrijheid van minderheidsgroepen als de Afrikaanse gemeenschap steeds beperkter wil zien.

Cadeau of rechtmatigPVV wil af van de zogenaamde linkse hobby’s waaronder ook het NiNsee valt. CDA en VVD stemden ermee in onder het mom van nationale bezuinigingen. Uit verschillende groepen en individuen klinkt het steeds luider dat het nog niet definitief afgelopen is met het NiNsee. Echter neemt geen groep of individu het initiatief om de genadeslag op het Landelijk Platform Slavernijverleden (LPS) en African and African Descendent (AAD) Netwerk Nederland na te voorkomen. De handelingen van de gemeente Amsterdam missen erkenning voor het NiNsee. Als nationaal documentatie- en informatiecentrum wordt het instituut overgeslagen bij de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij. Het NiNsee moet voor activiteiten in dat kader aankloppen bij Stichting Herdenking Slavernijverleden 2013 van Joan Ferrier. “De wereld op z’n kop”, beweren tegenstanders van de sluiting.

Iedereen hoopte op een cadeautje van demissionair premier Rutte toen die voor het eerst zijn gezicht liet zien bij de jaarlijkse herdenking op 1 juli, onlangs in het Oosterpark. “Helaas, ik heb geen cadeau voor het NiNsee meegenomen”, uitte Rutte zich zonder omwegen terwijl niet alleen sprake was van herdenking van de afschaffing van de slavernij maar ook nog het tienjarig bestaan van het met sluiting bedreigde NiNsee. “Het minste wat je mee kan nemen op een jaardag, hoe klein dan ook, is een cadeau”, hoopte het gros van de aanwezigen. Het jammerlijke aan het idee van een cadeau in het geval van NiNsee is dat het instituut geen cadeau behoeft. Het bestaan van NiNsee is geen cadeau voor de Afrikaanse Nederlanders, voornamelijk uit Suriname en de Nederlandse Antillen, maar een verplichting van de Nederlandse staat als erkenning van het Nederlandse slavernijverleden en genoegdoening van de mensenrechtenschendingen. De Nederlandse geschiedenis vertelt in de marge over het slavernijverleden en wie het onderwerp beter wil bestuderen is aangewezen op nationale archieven die hoogdrempelig zijn. Het NiNsee zou dit historische vacuüm moeten invullen, toen in 2002 de regering van Wim Kok zijn verantwoordelijkheid nam en het NiNsee in al haar facetten ondersteunde. Het jaar daarvoor was al toestemming gegeven voor een nationaal monument Nederlands slavernijverleden wat resulteerde in het ontwerp en de bouw van het monument door kunstenaar Erwin de Vries.

Slaaf gehangen aan een haak;
gravure uit de Italiaanse vertaling van Stedman

Barryl Biekman van het Landelijk Platform Slavernij die op eigen titel spreekt, hekelt de houding van de politieke oppositie momenteel in de Tweede Kamer. “Ooit iets van D66 gehoord? Hebben wij iets aan uitspraken van de SP over excuses terwijl het NiNsee nu ‘aan het sneuvelen’ is?” Zij haalt ook fel uit naar andere zogenaamde Nederlandse historici die nauw betrokken zijn bij het Nederlandse slavernijverleden en de onderwijzing daarvan. “Ook al aan figuren als Piet Emmer gedacht zijn onverbeterlijke rancuneuze rol? Maar als NiNsee een professor Small introduceert, hoor en zie je hem niet. Ik heb ook nog geen reactie gezien of gehoord op Emmer van professor Alex van Stipriaan, Dr. Frank Dragtenstein en Dr. Aspha Bijnaar. Ik wacht af.” Piet Emmer ziet de oprichting van NiNsee als een schuldgevoel bij de Nederlandse politiek en beweert dat vanuit die gedachte, nooit goed wetenschappelijk onderzoek verricht kan worden. Hij is er dan ook niet huiverig voor dat het instituut ophoudt te bestaan: “NiNsee heeft in de afgelopen tien jaar geen enkel uniek onderzoek verricht. Daarom maak ik mij geen zorgen om de sluiting van het instituut. Onderzoek naar het slavernijverleden zal ongetwijfeld voortgang vinden.” “Vooral het onderzoek waarbij de waarheid wordt verdoezeld, de mensenrechtenschendingen in boeken worden weggemoffeld en het economisch profijt wordt ontkent”, merkt Biekman op, als reactie op Emmer.

Hoop op Beatrix
Tijdens dezelfde herdenkingsplechtigheid vroeg NiNsee-voorzitter Eddy Campbell aan demissionair Rutte en burgemeester Eberhard van der Laan om het NiNsee niet te begraven. “Zijn intentie was helder”, memoreert Biekman zijn uitspraak. Campbell beloofde Rutte twee extra zetels bij de komende verkiezingen als deze alsnog met een cadeau op de proppen zou komen. Blijkbaar heeft Campbell een Afrikaanse achterban van wie hij op commando het stemgedrag kan beïnvloeden. En het zijn de komende verkiezingen die bepalend kunnen zijn voor een eventuele doorstart van NiNsee als zelfstandig historisch orgaan als argument om het geweten te sussen.

The fight. Foto @ Nicolaas Porter

Nu het wachten is op de winnaars van de verkiezingen, heeft het LPS alvast het hoogste gezag van Nederland aangeschreven om de politiek te bewegen tot andere inzichten. Koningin Beatrix is in een persoonlijke brief gevraagd haar invloed als staatshoofd aan te wenden het kabinet Rutte de sluiting van NiNsee te doen herzien. In een 36 punten tellende oproep legt het LPS de noodzaak van het voortbestaan van het NiNsee uit. Het NiNsee en het slavernijmonument na parlementaire goedkeuring en zijn gerealiseerd door middel van beschikbaarstelling van overheidsfinanciering. Om de daad bij het woord te voegen schuwt het LPS de confrontatie met het Nederlandse vorstenhuis dan ook niet. “Nederland heeft in vele opzichten, zoals blijkt uit wetenschappelijk onderzoek, geprofiteerd van de trans-Atlantische slavenhandel, slavernij en kolonialisme. Nederland, in casu wordt de Nederlandse regering, daarom verantwoordelijk geacht, is hoofdelijk aansprakelijk voor alles wat ertoe bijdraagt aan de verwerking van het slavernijdossier en de effecten van slavenhandel, slavernij en kolonialisme, mede te financieren.” In de brief verafschuwt het LPS dan ook de houding van staatssecretaris van Cultuur Halbe Zijlstra, die beweert dat het werkgebied van de activiteiten en projecten van het NiNsee, noch een wetenschappelijke, noch een culturele dimensie heeft en daarom niet tot het OCW-beleidsveld wordt gerekend en om die redenen overheidsfinanciering niet mogelijk is. “Reden te meer om aan te tonen dat Zijlstra de inhoud van zijn functie niet heeft begrepen”, bijt Barryl Biekman van zich af. Voor volgend jaar vraagt het LPS aan Beatrix ook haar invloed aan te wenden om bij de herdenking van 150 jaar afschaffing slavernij 1 juli uit te roepen tot nationale bezinningsdag en het elke vijf jaar een nationale vrije dag te laten zijn, zoals nu het geval is met de herdenking van de Tweede Wereldoorlog. De brief aan de koningin ging vergezeld van zestienduizend handtekeningen die in de afgelopen periode zijn verzameld.

[uit de Ware Tijd, 14/07/2012]

Debat “Slavernij, verleden, heden, toekomst”

Stichting Julius Leeft!, NTR, NiNsee en De Balie presenteren een debat in De Balie in Amsterdam op 19 december 2011. Naar aanleiding van de muzikale geënsceneerde reading “Hoe duur was de suiker?” op 18 december een debat plaatsvinden over “Slavernij, verleden, heden, toekomst”.

In 2013 is het 150 jaar geleden dat Nederland de slavernij afschafte. Aan de vooravond van dat herdenkingsjaar laat SJL zich inspireren door de succesvolle historische roman “Hoe duur was de suiker” van de Surinaamse auteur Cynthia Mc Leod. Het verhaal over een Joodse plantersfamilie en hun slaven aan het eind van de 18e eeuw biedt voldoende stof voor reflecties op onze huidige maatschappij.

Tijdens het debat staat de volgende vraagstelling centraal:
– “Heeft de huidige Nederlandse samenleving nog een verantwoordelijk-heid voor het slavernijverleden of is het gewoon een historisch interes-sant fenomeen.”
– “Is het onderwerp ‘Slavernij’ afgesloten of niet. Moeten de nazaten tot in de eeuwigheid als slachtoffer bestempeld worden en komen ze daardoor nooit los van de slachtofferrol.”

De debatleiders zijn Noraly Beyer en Yoeri Albrecht. De pannelleden zijn: Carla Boos (eindredacteur NTR-serie “De Slavernij”), Francio Guadeloupe, Henk den Heijer, Arthur Kibbelaar, Ernestine Comvalius en Ing Yoe Tan, terwijl Cynthia Mc Leod, Frank Dragtenstein en Piet Emmer vanuit de zaal op de discussie zullen reageren.

Ing Yoe Tan is een Nederlands politicus. Van 1999 tot 2011 was zij namens de Partij van de Arbeid lid van de Eerste Kamer. In de periode 2007 – 2011 was zij vicevoorzitter van de Vaste Commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschapsbeleid (Eerste Kamer der Staten-Generaal). In de Eerste Kamer was Tan namens haar partij woordvoerder o.a. BZK, Justitie,Cultuur, Antilliaanse zaken en EPD.Tevens was ze voorzitter van het multi-etnisch vrouwennetwerk in de PvdA Van 1986 tot 2004 was ze als senior-adviseur verbonden aan managementadviesbureau Berenschot . Daarvoor was ze in dienst van achtereenvolgens de Gemeente Amsterdam en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG).

Ernestine Comvalius is andragoloog en heeft daarnaast o.a. organisatiekunde gestudeerd. Zij is directeur van het Bijlmer Parktheater dat professioneel- en amateurtheater programmeert. Tevens is zij directeur van het Krater Theater. Krater organiseert o.a. het Black Magic Womanfestival en het maandelijkse cabaret- en comedypodium FATU. Krater is ook een aanbieder van cultuureducatieprojecten voor het onderwijs.

Francio Guadeloupe, cultureel antropoloog, docent aan de Universiteit van Amsterdam, afdeling Sociologie en Antropologie. In 1999 behaalde Guadeloupe zijn master in ontwikkelingsstudies aan de Radboud Universiteit Nijmegen. Zijn onderzoek richtte zich op de Afro-Braziliaanse religies Condomblé en Umbanda in Rio de Janeiro en Salvador da Bahia. Op basis van zijn onderzoek publiceerde hij twee boeken A vida e uma dança – The Candomble Trough the Lives of Two Cariocas (Nijmegen, CIDI, 1999) en Dansen om te leven, over Afro-Braziliaanse cultuur en religie (Luyten & Babar, 1999). Belangrijk thema in het werk van Guadeloupe is de manier waarop de erfenis van het kolonialisme en het globale kapitalisme hun invloed uitoefenen op nationalisme, multiculturalisme, media en religie. Hij heeft dit thema uitgewerkt in zijn publicaties over de sociale processen op het Frans-Nederlandse eiland Sint Maarten, op Aruba in Brazilië en Nederland. In 2007 verscheen zijn boek Zo zijn onze manieren, visies op multiculturaliteit in Nederland. Zijn laatste boek Chanting Down the New Jerusalem: Calypso, Christianity & Capitalism in the Caribbean, verscheen in 2010 bij de Univerity of California Press.

Henk den Heijer studeerde maritieme en koloniale geschiedenis aan de Universiteit Leiden waar hij in 1988 zijn doctoraalbul (cum laude) behaalde. Hij deed onderzoek naar de Nederlandse handelsrelatie met West-Afrika in de zeventiende en achttiende eeuw waarop hij in 1997 aan de Leidse Universiteit bij Jaap Bruijn promoveerde. Den Heijer is sinds 2003 docent maritieme geschiedenis aan de Universiteit Leiden. Hij doet onderzoek naar de Nederlandse handel en scheepvaart in het Atlantisch gebied in de vroegmoderne tijd en naar de ontwikkeling van de visserij in de negentiende en twintigste eeuw. Den Heijer publiceerde onder meer De geschiedenis van de WIC (Zutphen 1994 / 2007) en De geoctrooieerde compagnie. De VOC en de WIC als voorlopers van de naamloze vennootschap (Deventer 2005).

Lily Talapessy (1967) is sinds 1994 verbonden aan het ministerie van Buitenlandse Zaken en werkte onder meer in Zimbabwe en de VS. Tot 2009 was Lily lid van de raad van bewindvoerders van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank in Tunis. Sinds 2009 werkt Lily bij de afdeling gezondheid en aids van het ministerie. Lily studeerde Europese Studies aan de Universiteit van Amsterdam en deed voor de Europese Commissie onderzoek naar de positie van vrouwelijke beta-wetenschappers. Lily neemt deel aan de discussie op persoonlijke titel.

Carla Boos is socioloog en vertaler en was eindredacteur van de televisieserie De Slavernij. Eerder werkte ze aan de televisieseries Na de oorlog en Bestaat Nederland wel? Ze maakte deel uit van de redactie van Andere Tijden en stelde de Andere Tijden jaarboeken samen. Ze maakt deel uit van de jury voor de Libris Prijs voor het beste historische boek en van de adviescomissie Twintigste Eeuw van het Rijksmuseum.

Het debat “Slavernij, verleden, heden, toekomst” is een samenwerking tussen Stichting Julius Leeft!, NTR, De Balie en NiNsee.

Het debat wordt mede mogelijk gemaakt door: Het Amsterdams Fonds voor de Kunst, Telesur, Forum en BKB.

Aanvang: 20.00 uur

 

Slaven in het Caribisch gebied hielden elkaar op de hoogte


door Patrick Dorder

De nazaten van Afrikanen in het Caribisch gebied hielden elkaar precies op de hoogte van de situatie van hun lotgenoten in een ander gebied. Dit liep meestal via de tot slaaf gemaakte bediendes in de huizen van de slavenmeesters.

Zij spraken vaak de taal van de meester en konden die taal soms ook stiekem lezen. Dit zegt Dr Frank Dragtenstein, wetenschapper van het Ninsee. “ Deze bediendes hadden op hun beurt weer geheime contacten met de mensen die gevlucht waren naar het binnenland.” Zo waren ze zelfs op de hoogtes van de situatie in Europa.

Opstanden
De slavenhouders waren zich er terdege van bewust en op het moment dat er bijvoorbeeld opstanden waren in een bepaald gebied probeerden ze dat met alle macht verborgen te houden omdat ze bang waren dat slaven in andere gebieden ook inspiratie kregen om in verzet te komen. Tevergeefs, aldus Dragtenstein. “De opstanden van Codjo bijvoorbeeld hebben er toe geleid dat slaven in andere delen van het Caribisch gebied in opstand kwamen”

Afrikaanse cultuur
De mate waarin de tot slaaf gemaakte Afrikanen er in slaagden hun cultuur te behouden hing vaak af van omgevingsfactoren. Slaven die de mogelijkheid hadden om te vluchten naar het oerwoud konden dat makkelijker dan slaven op plantages op eilanden zoals bijvoorbeeld de Nederlandse Antillen.
In specifieke gevallen kon het ook voorkomen dat er hele gemeenschappen uit een bepaald gebied samen terecht kwamen in het zelfde gebied zoal bijvoorbeeld in het district Para in Suriname. Zij die van die plantages ontvluchtten spraken dan ook een taal met elkaar, de Loango taal. Deze mensen waren afkomstig uit het Loango gebied bij de Congo en Angola.

[RNW, 15 juli 2011]

Afbeelding: Buku

Manumissies in Suriname, 1832-1863

Manumissies in Suriname, 1832-1863 van Okke ten Hove en Frank Dragtenstein is een uitgave van Vaco. Manumissie: de akte van invrijheidstelling van een slaaf. In deze uitgave is een chronologische opsomming van alle gemanumitteerden tussen 1832 en 1863 opgenomen, met o.a. de nieuwe naam van de vrije, de slavennaam, beroep na vrijwording en informatie over de eigenaar. Tevens biedt dit werk een analyse van de ontwikkeling van het manumitteren in Suriname. Facsimile van de oorspronkelijke uitgave door de Universiteit Utrecht.

Paramaribo: Vaco
441 pagina’s | Hardcover | 158 x 224 mm
SRD 168,-

Keti Koti-lezing Rotterdam


De Kotomisi Shop organiseert op zaterdag 25 juni 2011 de Keti Koti-lezing. Ontvangst met gemberbier en kasababrede.
Locatie: West-Kruiskade 56, Rotterdam.
Inloop 17.30; aanvang 18.00
Tel. 06 34 52 18 19
www.kotomisishop.eu

Klik op afbeelding voor een groter formaat

‘Richt je op de slavernij van nu’

Richt je niet op het slavernijverleden, maar richt je op de slavernij die nu nog steeds plaatsvindt. Dat vindt de Surinaamse auteur John de Bye, die in het dagelijks leven medicus is. “Die is veel erger dan de slavernij van toen, omdat we nu veel meer slaven op de wereld hebben dan we ooit gehad hebben.”

Het slavernijverleden leeft volop onder Surinamers in Nederland. John de Bye heeft dit jaar zijn roman Liefde in Slavernij gepresenteerd. Hierin komt de familiegeschiedenis aan bod, maar ook wil hij dat Surinamers zich minder met zaken als herstelbetalingen moeten bezighouden. “Mensen maken zich eigenlijk heel weinig druk om de slavernij van nu.”
Het feit dat er anno 2010 nog slavernij plaatsvindt, is heel erg meent De Bye. “Over driehonderd jaar zeggen de mensen: ‘in 2010 was er een verschrikkelijke slavernij, hebben ze er wat aan gedaan? Nee, helemaal niet.’ En dat vind ik erg. De slavernij van toen is een geschiedkundig gegeven waar we van moesten hebben geleerd. Dat hebben we dus niet.”

27 miljoen slaven
Met het boek wil De Bye mensen de ogen openen om te kijken naar de slavernij van nu. “Er is geen tijdperk in de geschiedenis geweest waarin we 27 miljoen slaven hadden. En die zijn er op dit ogenblik wel. Zelfs als we alle slaven die ooit uit Afrika geëxporteerd zijn, komen we niet aan 27 miljoen. Het gebeurt nu. Maar kent u iemand in uw omgeving die zich daar nu druk om maakt?”
Het feit dat ook blanken hebben geleden tijdens de slavernijperiode, verdient volgens De Bye ook extra aandacht. “Iedereen had het moeilijk, het leven was hard. De katholieke priesters die naar Suriname gestuurd werden, moesten na twee jaar vervangen worden omdat ze overleden waren. Je kunt zeggen: de soldaten gingen vrijwillig naar Suriname, maar dat was niet zo. Die werden geronseld. Je moet het toch ook een beetje vanuit die kant bekijken.”
Witte en zwarte slachtoffers
Frank Dragtenstein van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee) is het niet eens met De Bye dat aan de zwarte en witte slachtoffers tijdens de slavernij, dezelfde waarde moet worden toegekend. “Eigenlijk is het geen terechte vraag, zoiets mag je niet van een bevolkingsgroep vragen.” Ook de oproep om ons vanaf nu te richten op de moderne slavernij, komt niet overeen met de opdracht van het NiNsee.

[overgenomen van Radio Nederland Wereldomroep]

Voor een verslag van de boekpresentatie klik hier

Foto van De Bye: @ Michiel van Kempen; foto van Dragstein: RNW

Is Suriname wel trots op zijn helden?

De andere kant van de koloniale geschiedenis

door Michiel van Kempen
Alles voor de vrede; de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763 is nou echt het soort studie waar met smacht op wordt gewacht. Historicus Frank Dragtenstein, werkzaam bij het NiNsee, brengt hierin de figuur van Boston Band tot leven. Boston Band was een Jamaicaanse man die rond 1749 in Suriname arriveerde. Over zijn voorgeschiedenis weten we niets en er is ook geen portret van hem bewaard. Naar alle waarschijnlijkheid was hij in Afrika geboren, een zoutwaterneger zoals dat in de 18de eeuw heette. Hij werd dus eerst gedwongen om op Jamaica te werken als slaaf (ofwel een ‘tot slaafgemaakte’ zoals dat dan in het moeizame, politiek correcte kreupelproza van tegenwoordig schijnt te moeten heten, een term waarmee de 21ste-eeuwse ideologie de keiharde werkelijkheid die het woord ‘slaaf’ al representeert, komt opporren). Boston Band voegde zich bij de Aukaner of Ndyuka marrons slaven (of ‘ex-tot slaafgemaakten’…) die van de plantages waren weggevlucht en zich diep in het Surinaamse binnenland vestigden en van daaruit de plantages bestookten. Omdat Boston Band kon lezen en schrijven verwierf hij al spoedig een belangrijke positie: hij schreef brieven naar de koloniale overheid waarin hij zich een even zelfbewust als redelijk onderhandelaar betoonde. Hij wist dat de continue staat van oorlog voor geen der partijen uiteindelijk goed was, en het ging hem er uiteindelijk niet eens om het gehele slavernijsysteem te laten afschaffen. De Aukaners waren zelfs bereid om andere weglopers te vangen en over te dragen aan de koloniale autoriteiten. De dilemma’s van de vrijheidsstrijder tekenen zich scherp af. Wel drong hij aan op een vredesverdrag op condities van de Aukaner marrons. Dat vonden de koloniale autoriteiten een verregaande onbeschaamdheid, maar op den duur kozen ze toch maar eieren voor hun geld, want de gehele plantage-economie dreigde aan de niet ophoudende aanvallen van de marrons ten onder te gaan. Toen het vredesverdrag in 1760 werd gesloten, werd Boston Band de man die de geschenkgoederen onder de verschillende facties van de Aukaner marrons verdeelde. Hij besliste ook over pasjes die toegang gaven tot de stad. Zo verenigde hij dus verschillende fucnties in zich die hem een machtspositie gaven. Vanwege onenigheid onder de marronopperhoofden (en dan met name ook de strijd om het oppergezag tussen Araby en Pamoe) taande Bostons invloed na 1762. Onderweg naar de stad stierf Boston Band in 1766 op het Kruispad.

Frank Dragtenstein publiceerde met dit boek een belangrijke studie op basis van gedegen archiefonderzoek, even vernieuwend als Het kamp van Broos en Kaliko (1996), waarin Wim Hoogbergen op basis van orale bronnen de geschiedenis van een Afro-Surinaamse familie (Of hij ook even gedegen alle literatuur bestudeerde is de vraag: het is bijna niet te geloven dat hij Pakosie’s Gaanta labi 1760 (1976) en Bongodoti (1978) − toch de eerste marronuitgaven over dit tijdperk! − en ook Richard Price’s Alabi’s World (1990) niet in de bibliografie vermeld.) Dragtenstein geeft een detailopname van de onderhandelingen tussen marrons en koloniale overheid, bijna van week tot week. Het boek brengt een belangrijk correctief aan op de bestaande beeldvorming: er waren wel degelijke gealfabetiseerde marrons die op hoog niveau diplomatie konden bedrijven. We zien via dit boek dus niet de zo bekende correspondentie tussen gouverneurs, Raden van Politiek en Criminele Justitie, planters en kapiteins, maar we horen de stem van de zwarte mens uit de 18de eeuw, niet een onderworpenen, maar een vastberaden vrijheidsstrijder met een eigen visie, een eigen wil en een bewonderenswaardige diplomatieke gave en elegantie (alle bewaard gebleven brieven van Boston Band zijn ook als bijlage integraal afgedrukt). Het leidt dus geen twijfel dat dit boek een belangrijke historische studie behelst.

De vraag luidt dan: waarom wordt zo’n belangrijk boek gepresenteerd als een willekeurige doctoraalscriptie? Het omslag is keurig, maar afgezien van enkele kaartjes is er niet één illustratie opgenomen. Het boek is gedrukt op goedkoop, flinterdun papier, zodat dit boek van 235 pagina’s straks in elke boekhandel direct achter de andere boeken wegduikt. De bladspiegel is onaangenaam breed, de leesletter is van het corps waaruit normaal de voetnoten worden gezet, en de voetnoten zijn vervolgens alleen nog maar met een vergrootglas te lezen. NiNsee en Amrit: wat mankeert jullie? Zijn jullie niet trots op je eigen geschiedenis? Hebben jullie niet door dat dit miezerige drukwerk een sakafasi-mentaliteit uitstraalt? Mag de Surinaamse lezer niet met plezier een boek lezen, of hebben jullie misschien aandelen in een of andere opticien? Dit boek had met evenveel zwier de boekhandel in gemoeten als Maroon Arts van Richard en Sally Price.

Frank Dragtenstein, Alles voor de vrede; de brieven van Boston Band tussen 1757 en 1763. Amsterdam/Den Haag: Ninsee/Amrit, 2010. ISBN 978-90-74897-53-2

[overgenomen uit Siboga]

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter