blog | werkgroep caraïbische letteren
Posts tagged with: Donselaar Jan van

Het Nederlands in Suriname 1667-1876

De Nederlanders die zich vanaf 1667 in Suriname vestigden, ontwikkelden een eigen variant van het Nederlands, met veel woorden die in het moederland niet voorkwamen. Exotische leenwoorden, maar ook op-en-top Nederlandse neologismen, en termen die in het verre Suriname een andere betekenis kregen.

read on…

De oudste bronnen van het Surinaams-Nederlands blootgelegd

Ellen Klinkers
door Ellen Klinkers
 
Dit jaar verscheen hetWoordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 van jan van Donselaar. De Nederlandse kolonisten die zich vanaf 1667 in Suriname vestigden, kwamen in een wereld waarin de omgeving en omstandigheden zo verschilden van de Nederlandse dat de eigen taal te kort schoot om die te beschrijven. Er ontstonden nieuwe woorden, woorden die het fundament legden voor het moderne Surinaams-Nederlands.
Eerder, in 1977, publiceerde de bioloog Van Donselaar het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, dat met 6600 ingangen de moderne Surinaams-Nederlandse taal duidt. Het was veel breder van opzet dan deze uitgave, waarvoor Van Donselaar op zoek ging naar de oorsprong van het Surinaams-Nederlands. Die zoektocht resulteerde in een contrastlexicon van ruim 2000 alfabetische gerangschikte woorden, die gangbaar raakten onder Nederlanders in Suriname maar die in het moederland onbekend waren. Want wie wist daar nu wat een matapi, een loosneger of een grietjebuur was? Van Donselaar selecteerde de woorden uit de geschriften van ruim vijftig, overwegend contemporaine, auteurs. De selectie eindigt in het jaar 1876 toen de leerplicht met Nederlands als voertaal werd ingevoerd in Suriname.
Matapi (collectie KIT)
Het boek geeft de betekenis van de woorden en de periode waarin het woord voor het eerst is aangetroffen. Verder wordt vermeld of het een leenwoord is uit een taal die niet in Suriname wordt gesproken, of het een in Suriname nieuw gevormd woord is of dat een bestaand woord er een extra betekenis bij heeft gekregen.
Prof. dr. Nicoline van der Sijs maakte de tekst gereed voor publicatie. Zij deed dat op verzoek van Van Donselaar, enkele maanden voor zijn overlijden op 12 april dit jaar.
J. van Donselaar, Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam: Meertens Instituut, 2013. 291 p., ISBN 978 90 7038  977 2, prijs € 25,00.
[uit Oso, 2013, nr. 2]

De nieuwe Van Donselaar

Een korjaal van de TRIS
 

door Lila Gobardhan-Rambocus

 
Ruim drie maanden na het overlijden van Jan van Donselaar (12 april 2013) verscheen het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876, uitgegeven door het Meertens Instituut te Amsterdam in samenwerking met de Nederlandse Taalunie in Den Haag. In dit woordenboek, niet het eerste van Van Donselaar, worden 2100 woorden onder de loep genomen. Zijn doel was het vastleggen van de voorgeschiedenis van het moderne Surinaams-Nederlands. Deze publicatie werd verzorgd door Nicoline van der Sijs, hoogleraar historische taalkunde, bekend van de vele (woorden)boeken over de geschiedenis van het Nederlands.
In 1976 verscheen als eerste het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht. Dit boek beschrijft 1400 Surinaams-Nederlandse woorden. Een tweede, herziene en uitgebreide, druk verscheen in 1989, toen uitgegeven door Dick Coutinho, Muiderberg. De uitbreiding was enorm: 6600 trefwoorden. Voor dit woordenboek kreeg Van Donselaar de Johan de la Court-prijs van de Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen (KNAW). Het is jammer dat dit laatste woordenboek in Suriname nauwelijks verspreid is.
In 2008 publiceerde Renata de Bies WSBN, Woordenboek van de Surinaamse Bijdrage aan het Nederlands met ruim 5000 trefwoorden, dat in 2009 in Nederland uitkwam als Prisma Woordenboek onder de titel Woordenboek Surinaams-Nederlands. Over dit woordenboek stelt Nicoline van der Sijs in haar voorwoord bij de laatste Van Donselaar dat dit een aanvulling is op eerder werk van zijn hand. Volgens De Bies gaat het hier om typisch hedendaagse Surinaams-Nederlandse woorden van de laatste 50 jaar, terwijl Van Donselaar voor zijn twee eerdere woordenboeken vooral gebruik gemaakt heeft van eigentijdse schriftelijke bronnen.
Voor zijn laatste publicatie putte Van Donselaar uit schriftelijke bronnen van 1667 tot 1876, het jaar waarin de leerplicht werd ingesteld. Als beginjaar koos de auteur 1667, omdat vanaf toen het Nederlands de officiële taal werd. Veel Nederlands werd er echter niet gesproken en geschreven, omdat de bevolkingssamenstelling gemengd was: naast de indianen, waren er negerslaven, Engelsen en Portugese joden. Suriname was dus meertalig en is dat tot de dag van vandaag gebleven. Via plakkaten werd de bevolking er echter steeds aan herinnerd dat het Nederlands de enige ambtelijke taal was.
Het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 omvat zeven hoofdstukken. In het eerste hoofdstuk wordt ingegaan op de taal van de Nederlandse bewoners van Suriname tot 1876, het jaar van de instelling van de leerplicht met Nederlands als schooltaal. In hoofdstuk 2 staan de aanwijzingen voor het gebruik van het woordenboek. Bij de opgenomen woorden worden codes vermeld die informatie geven over zaken als de etymologie (herkomst en geschiedenis) van het woord, de tijdvakken en domeinen, waarin het aangetroffen werd. Circa 85% van de woorden kan verdeeld worden over 11 domeinen, die onder te brengen zijn onder de noemer natuur of cultuur. Het gaat hier om woorden voor dieren, wilde planten, cultuurplanten, enzovoort, vallend onder natuur en woorden voor zaken vallend onder de cultuur van de blanken, de slaven of de indianen. In hoofdstuk 3 beschrijft Van Donselaar zijn zoektocht in teksten naar Nederlandse woorden, die hij beschouwt als basis voor het Nederlands dat zich in Suriname ontwikkeld heeft, het Surinaams-Nederlands. Hij somt 54 van de voor hem belangrijkste auteurs over het Nederlands in Suriname tot 1876 op (p. 17-27). In hoofdstuk 4 staat de eigenlijke alfabetische woordenlijst (p. 31-245). Hoofdstuk 5 (p. 247-252) geeft zonder nadere verklaring in ruim vijf pagina’s een alfabetische woordenlijst van ‘duistere en/of onbetrouwbare woorden’ die niet als trefwoord zijn opgenomen.
Sika (tungiasis, zandvlo)
Hoofdstuk 6, getiteld ‘Contraregisters’ is onderverdeeld in drie paragrafen met een alfabetische woordenlijst: 6.1 geeft van hedendaags en/of toenmalig Europees-Nederlands het toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.2 geeft van het hedendaags (vanaf 1954) Surinaams-Nederlands het (ook) toenmalig Surinaams-Nederlandse equivalent; 6.3 is een lijst van wetenschappelijke namen van dieren en planten met de toenmalig Surinaams-Nederlandse naam, 1667-1876. Hoofdstuk 7 ten slotte bevat een lijst van literatuur en bronnen.
Een willekeurige greep uit de nieuwe Van Donselaar leverde de volgende nog in dezelfde betekenis gebruikte woorden op: bovenwaarts, dam (op plantage), bakove, banaan, bananenbakove, barbacotten, baskiet, binden (van een hangmat), boomrijp, dieken (uitgraven), districtscommissaris, dram, floridawater, gomma, hemd (overhemd), korjaal, kostgrond, laxans, lota, manja, mati, ogr’ai, pindakaas, het plein (officieel het Onafhankelijkheidsplein), rits (zand- of schelprits), sika, singel (dakbedekking), tomtom, treef, trens, uitlopen (vreemdgaan), zure oranje.
Alleen al hieruit zou men kunnen opmaken dat het Nederlands van 1667-1876 inderdaad, zoals Van Donselaar ook stelt, de basis is van het hedendaagse Surinaams-Nederlands. De basis is vooral sterker geworden in de 19de eeuw, toen de opkomende klasse van kleurlingen, gemanumitteerde en vrijgeboren negers er bewust voor kozen het Nederlands te gebruiken. Mede hierdoor konden ze zich onderscheiden van de slaven. De leerplicht, ingesteld in 1876, deed de rest en zorgde ervoor dat het Nederlands, het Surinaams-Nederlands, op grote schaal ingang heeft gevonden en daardoor een belangrijke taal is geworden in het meertalige Suriname, waar de officiële taal nog steeds Nederlands is. Het Surinaams-Nederlands kreeg, net als het Sranan, een unificerende functie, wat inhoudt dat bijna alle meertaligen met elkaar kunnen communiceren in deze twee talen als ze elkaars talen niet verstaan.
De fascinatie van de bioloog Van Donselaar voor de vreemde Nederlandse woorden, die hij tijdens zijn eerste verblijf in Suriname begon op te schrijven, heeft Suriname drie waardevolle woordenboeken opgeleverd, woordenboeken met een schat aan informatie voor de wetenschapper en de geïnteresseerde lezer. 
J. van Donselaar: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam/ Den Haag: Meertens Instituut/ Nederlandse Taalunie, [2013]. ISBN 9789070389772. Prijs: Euro 25,-

De erfenis van Jan van Donselaar

Pas verschenen: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876
Het Meertens Instituut heeft onlangs het Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 uitgegeven. Het boek bevat 2100 woorden en vaste verbindingen met hun betekenis en informatie over bijvoorbeeld etymologie en leenwoorden.
In 1667 veroverden de Nederlanders Suriname op de Engelsen. Het Nederlands werd hierbij geëxporteerd naar Suriname en maakte daar vervolgens een geheel eigen ontwikkeling door, met name omdat in Suriname woorden gemaakt moesten woorden voor zaken die in Nederland niet voorkwamen – bijvoorbeeld gebruiken, planten en dieren.
Het woordenboek is samengesteld door de eerder dit jaar overleden bioloog en deskundige op het gebied van Surinaams-Nederlands J. van Donselaar, die in 1977 al het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands publiceerde. Dat boek beschreef het ‘moderne’ Surinaams-Nederlands. Aan het nu verschenen lexicon, dat de daaraan voorafgaande periode omvat, is Van Donselaar de rest van zijn leven blijven werken. Hij heeft het grotendeels kunnen afronden; historisch taalkundige Nicoline van der Sijs heeft er de laatste hand aan gelegd en de publicatie ervan verzorgd.
J. van Donselaar: Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876. Amsterdam: Meertens Instituut, 2013. 290 pagina’s. ISBN: 978 90 7038 977 2. Het boek is exclusief te koop bij Onze Taal. Prijs: € 25 (voor België € 31)

In memoriam Jan van Donselaar

door Nicoline van der Sijs

Op vrijdag 12 april 2013 is Jan van Donselaar op 84-jarige leeftijd overleden. Jan heeft zijn werkzame leven als bioloog aan de Utrechtse universiteit gewerkt. Taalkundigen kennen hem echter van een heel andere kant, namelijk als de grote specialist op het gebied van het Surinaams-Nederlands en de talen in Suriname.
Dantabai, district Brokopondo. Foto @ Michiel van Kempen
Zijn fascinatie voor het Surinaams-Nederlands ontwikkelde hij tijdens het werk aan zijn proefschrift. Voor dit proefschrift, An ecological and phytogeographic study of northern Surinam savannas, dat in 1963 verscheen, deed Jan met zijn echtgenote Lies veldwerk in Suriname. Hij hield er een levenslange liefde voor dit land aan over. Hij verzamelde tijdens zijn verblijf niet alleen gegevens over de plantenwereld, maar ook alles wat hem opviel aan woorden, betekenissen, klanken en woordcombinaties van het Nederlands zoals dat in Suriname werd gesproken. En zo werd hij de eerste die een systematische en wetenschappelijke beschrijving aanlegde van de verschillen tussen het Europees-Nederlands en het Surinaams-Nederlands.
In 1977 publiceerde hij het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, als uitgave van het Instituut A.W. de Groot voor Algemene Taalwetenschap van de Rijksuniversiteit te Utrecht. In 1989 verscheen een aanzienlijk uitgebreide versie bij uitgeverij Coutinho in Muiderberg. Dit woordenboek bevat 6600 ingangen. Tot zijn teleurstelling werd het niet op grote schaal in Suriname verbreid. De waarde ervan voor onderzoekers werd echter onmiddellijk onderkend: in 1989 kende de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen aan Jan de Johan de la Court-prijs toe.
De begraafplaats van Bigi Poika op de savanne (wit schelpenzand)
Vanaf begin jaren ’90 verzamelde Jan systematisch gegevens over de woordenschat van de Nederlandse bevolkingsgroep in Suriname vanaf het eerste moment dat de Nederlanders zich in Suriname vestigden, in 1667, tot de afschaffing van de slavernij in 1876. Hiermee wilde hij de voorgeschiedenis van het Surinaams-Nederlands beschrijven. Hij is met dit werk doorgegaan tot enkele jaren voor zijn dood. In de tussenliggende jaren heeft hij hierover een groot aantal kortere artikelen gepubliceerd, die telkens weer zijn enorme kennis, belezenheid en eruditie op het terrein van de talen in Suriname toonden. Hij was altijd bereid informatie te delen met andere onderzoekers. Zo heeft hij belangrijke bijdragen geleverd aan verschillende publicaties van mij,zoals Taaltrots, Wereldnederlands en Nederlandse woorden wereldwijd.
Eind vorig jaar heeft Jan de door hem in de loop van de jaren verzamelde gegevens aan mij overgedragen voor publicatie. Over enkele maanden zal zijn Woordenboek van het Nederlands in Suriname van 1667 tot 1876 postuum verschijnen. Het woordenboek bevat een schat aan gegevens die nooit eerder zijn gepubliceerd. Hiermee heeft Jan een monument nagelaten voor de taal die hem zo lief was, en daarmee ook een monument voor zichzelf.
Van Donselaar heeft ook een pagina bij de DBNL met werken van en over hem.
[overgenomen van Neder-L, 14 april 2013]

Van Donselaars Woordenboek van het Surinaams-Nederlands

door J.M. van der Horst


In Suriname worden heel wat verschillende talen gesproken. De situatie is onvergelijkbaar met welk Europees land dan ook. Zeker voor een zo jonge staat zijn de problemen dan ook groot. Wanneer sprekers van de verschillende talen bijeen zijn, wordt meestal gebruik gemaakt van ofwel het Sranan ofwel het Surinaamse Nederlands. Nederlands is er nog steeds de officiële taal maar lang niet alle inwoners beheersen het Europese Nederlands en er is om begrijpelijke redenen ook wel verzet tegen dat Nederlands. Anderzijds is het Nederlands er nog van belang omdat zoveel fundamentele teksten Nederlands zijn. Ook speelt een rol dat het Nederlands ‘van niemand is’, hetgeen politiek een voordeel is. Een keuze voor een of twee inheemse talen zou bepaalde bevolkingsgroepen bevoordelen.

Het Surinaams-Nederlands is een variant van het Nederlands die zich niet scherp laat afgrenzen. Er is Surinaams-Nederlands in gradaties. Er is Surinaams-Nederlands dat vrijwel niet verschilt van het Europese Nederlands en gebruikt wordt door ontwikkelde Surinamers. Maar er is ook een Surinaams-Nederlands met zeer veel eigen woorden en uitdrukkingen. Voor de meeste Surinamers geldt, dat hun Surinaams-Nederlands niet op een bepaald punt van dat continuüm vastligt. In formele situaties wijkt hun taal minder af van het officiële Nederlands terwijl in het alledaagse gebruik veel meer typisch Surinaams-Nederlandse kenmerken voorkomen.
Naast Nederlandse woorden die een ietwat andere betekenis gekregen hebben of in het Algemene Nederlands verdwenen zijn (op iemands hoofd staan: ‘iemand in de weg zitten, iemand tot last zijn’; baldadig: ‘vreselijk’; bout: ‘dijbeen’) zijn er talrijke ontleningen aan het Sranan, het Karaïbisch, het Sarnami, het Javaans en het Engels. Bijvoorbeeld braf: ‘soep’, koepari:‘teek’, doni: ‘dubbeltje’, pitjil (een bepaald gerecht), droppen: ‘laten uitstappen’.
Het Woordenboek van het Surinaams-Nederlands van J. van Donselaar beschrijft de woorden en woordbetekenissen die men in Suriname gebruikt in het Nederlands van daar voorzover ze niet in een Nederlands woordenboek als Van Dale staan. Daarbij is gestreefd naar volledigheid, ook al erkent de auteur meteen dat werkelijke volledigheid nooit te bereiken valt. Ook zijn zo veel mogelijk woorden opgenomen die in het verleden ooit in Suriname gebruikt werden en terzelfder tijd in Nederland en België niet of op een andere wijze.

 

Strikt genomen is dit woordenboek de tweede druk van het gelijknamige boek uit 1977. Maar het is dermate uitgebreid dat met meer recht van een nieuw boek gesproken mag worden. Het aantal trefwoorden is uitgebreid van 1400 tot 6600, de inleiding over de Surinaams-Nederlandse woordenschat en de taalsituatie in Suriname is verbeterd en er zijn enkele zeer praktische registers toegevoegd. Omdat een niet onbelangrijk deel van de typisch Surinaams-Nederlandse woordenschat bestaat uit namen van planten en dieren, heeft de auteur registers gemaakt op de Latijnse wetenschappelijke namen met daarachter de SN-benaming. Verder is een lijst met spellingvarianten opgenomen en een contraregister Algemeen Nederlands/ Surinaams-Nederlands.
In zijn huidige opzet is het woordenboek in de eerste plaats bedoeld voor het onderwijs in Suriname zelf. Maar het belang ervan strekt veel verder. Ook bij de vele Surinamers in Nederland en bij al diegenen die met Suriname te maken hebben, zal het zeker zijn weg vinden. En tenslotte is een nieuw woordenboek voor een taal die nog nooit zo in kaart gebracht is, ook taalwetenschappelijk en lexicografisch een belangrijke aanwinst.
J. van Donselaar, Woordenboek van het Surinaams-Nederlands, Dick Coutinho, Muiderberg, 1989, 482 p.
[uit Ons Erfdeel, jaargang 32 (1989)]

 

Jan van Donselaar overleden

Op vrijdag 12 april 2013 is in Bilthoven overleden de bioloog en ‘woordenaar’ (zoals het in zijn overlijdensadvertentie staat) Jan van Donselaar. Dr Johannes van Donselaar, geboren op 10 december 1928, is meer nog dan om zijn studies van de flora en fauna van Suriname, bekend geworden met de twee edities (1976 en 1989) van zijn Woordenboek van het Surinaams-Nederlands. Om zijn grote verdiensten voor de biologie en de lexicografie van Suriname zal hij nog lang herinnerd worden. De Werkgroep Caraïbische Letteren condoleert zijn vrouw Lies, zijn vijf kinderen en zijn kleinkinderen met dit verlies.

Surinaamse connotaties bij het woord neger

door J. van Donselaar
 
Foto @ Nicolaas Porter
 
De zaak
Op 18 juli 2002 was het dan zover. De Commissie Gelijke Behandeling, een rechtscollege van de Nederlandse overheid, deed uitspraak over een al op 6 mei behandelde zaak, die door de Stichting Eer en Herstel Betalingen van Slachtoffers van de Slavernij in Suriname aangespannen was tegen Van Dale. Die stichting wilde dat uitgeverij Van Dale gesommeerd zou worden de woorden neger en creool uit zijn woordenboeken te schrappen. NRC Handelsblad van 7 mei 2002 citeert een woordvoerder van de stichting als volgt: “Wij willen als Nederlandse burgers met een Afrikaans-Surinaamse afkomst niet als ‘neger’ worden beschreven”. En op 18 juli schrijft die krant zelf: “De stichting vindt dat de betreffende woorden Afrikaans-Surinaamse Nederlanders aan de koloniale onderdrukking herinneren en zodoende pijn bij hen teweegbrengen.” Niettemin (citaat): “De functie van een woordenboek is niet meer dan het registreren van de betekenis van woorden in overeenstemming met het feitelijke woordgebruik”, aldus de commissie. Dus : de wens (of eis) van de stichting is ongegrond verklaard.
Wat hier volgt is niet beoogd als commentaar op de formele, juridische of lexicologische kanten van deze zaak. Ik beperk mij tot de achtergrond, in het bijzonder de historische, van wat hiervoor ‘pijn’ genoemd wordt. Inderdaad, de klagers hebben dan wel de kous op de kop gekregen, maar daarmee is voor hen de kous nog niet af. De gedachten en gevoelens die de gewraakte woorden bij hen oproepen, blijven natuurlijk bestaan. Waar komen die vandaan? Om dat te kunnen begrijpen moet je weten wat neger en creool in Suriname betekenden en betekenen en wie het daar gebruikten en gebruiken. Ik zal het hier niet hebben over creool, maar voordat ik over neger begin, eerst nog het volgende.
De bezwaarden zien zichzelf als van Afrikaans-Surinaamse afkomst. Dat ‘Afrikaans’ suggereert dat hun voorgeslacht Afrikaans zou zijn en dat is weliswaar grotendeels waar, maar niet helemaal. Een deel van deze bevolkingsgroep bestaat namelijk uit gemengdbloedige mensen, waarbij onder de niet-zwarte elementen van hun herkomst het blanke overheerst. Ze variëren in huidskleur, zowel in Suriname als in Nederland, van bijna zwart tot bijna wit. Een en ander had aanvankelijk zijn oorsprong in het geslachtsverkeer tussen negerslavinnen en blanke mannen onder de eerst Engelse en later vooral Nederlandse kolonisten in Suriname. Later trouwden steeds meer zwarte en gemengdbloedige mannen en vrouwen in Suriname en ook in Nederland met blanke Nederlanders.
Etymologie
Hoe komen we aan het Nederlandse neger in de oorspronkelijke en nog steeds meest gebruikelijke betekenis van ‘een zwarte persoon’? Daarover zijn twee (vrij) recente etymologische woordenboeken het niet met elkaar eens. Beide vermelden het voorkomen van het woord van 1654, maar als adjectief (zwart). De Tollenaere (in De Vries & d.T. 2000:264) beschouwt dit jaartal als het eerste, ook voor de persoon, en ontleent het woord aan het Franse nègre. Verder wijst hij op het oudere negro (1617), onveranderd overgenomen uit Spaans en/of Portugees. Van der Sijs echter (in Van Veen & v.d.S. 1997:592) leidt neger – inmiddels aangetroffen in 1644 voor de persoon – rechtstreeks af van dat al genoemde Spaanse/Portugese negro, en zo is het ook in Van Dale overgenomen.
Volgens het WNT zou negro in het Nederlands verschenen zijn in de 16e of 17e eeuw, hoewel het oudste opgenomen citaat van 1617 (zie boven) is. Verder zou de vervanging door neger hebben plaats gehad in de 18e eeuw. Zie echter 1644 hiervoor, terwijl ik voor Suriname de twee woorden naast elkaar gebruikt vind van 1669 tot 1738.
Nog twee pikante bijzonderheden (van Donselaar 1997). Die vondst van 1644 betreft negers als lading van een slavenschip. Dat schip, op weg naar een Zuid-Amerikaanse haven, werd blijkens het desbetreffende jaarverslag van de West-Indische Compagnie, veroverd op de Spanjaarden. En in dezelfde bundel jaarverslagen zit dat van 1636, met daarin het woord negrinne!
Een planter met een negrinne
Betekenis en gevoelswaarde
Wat leert deze kennis ons als het erom gaat inzicht te krijgen in wat genoemde Surinamers bezielt als ze neger in toepassing op zichzelf als onjuist of beledigend ervaren? Nog niet veel, maar er is meer.Ten eerste: lees wat het WNT ons weet te vertellen. “Bij Europesche volken zijn de negers vooral bekend geworden als slaven in de koloniën; vandaar dat het woord neger ook in onze taal een zeer gewone term is.” Inderdaad, zo begon het, zie dat schip met negers van 1644. Ten tweede: tot 1863, toen de slavernij in Suriname opgeheven werd, had het woord daar vrijwel uitsluitend de betekenis van negerslaaf. Daarna werd het al snel een scheldwoord voor de nakomelingen van de voormalige slaven, ook onder elkaar. Die hadden inmiddels de naam ‘creolen’ gekregen en aanvaard. Ten derde: je zou kunnen denken dat de slavernij nu toch wel ver genoeg achter hen en ons ligt, maar dat is een vergissing. Een eenvoudig rekensommetje wijst uit dat de oudste mensen uit deze groep (boven de 80) zelf nog een grootouder gehad kunnen hebben die hun heeft kunnen vertellen uit zijn/haar eigen jeugd als slavenkind.
Neger-Engelsch woordenboek van H.C. Focke (1855). Collectie Buku
Neger, -neger en neger- in de slaventijd
De koloniale betekenis ‘slaaf’ komt wel heel pregnant naar voren in een geschrift uit 1767, waarin een blanke plantage-opzichter in woede tegen zijn directeur roept: “Gij moet myn niet schelden, ik ben geen Neeger van jou.” In de taal van de slaven zelf, het Neger-Engels, was het equivalent van het tweede deel van deze uitroep wellicht de standaardformulering als men een opdracht van een dienaangaand onbevoegde niet wenste uit te voeren. In het woordenboek van Focke (1855:88) staat namelijk bij ningre als voorbeeldzinnetje “Mi a no joe ningre“. Tegenwoordig hoor je in Suriname in zo’n geval : “Ik ben je slaaf niet!”.
Ter zake. Ik heb 30 samenstellingen uit de slaventijd (1667-1863) gevonden met neger als tweede element. Al deze woorden werden gebruikt door blanke meesters met Nederlands als moedertaal. Een aantal van deze woorden had toen een equivalent met ningre in het toenmalige Neger-Engels. Slaven uit Afrika, dus van overzee aangevoerd, noemde men zoutwaternegers, ter onderscheiding van de in Suriname geboren creolenegers. De overheid bezat eerst sociëteitsnegers (Suriname was aanvankelijk eigendom van de Sociëteit van Suriname), later genoemd landsnegers. In de stad sprak men van fortneger (het Fort = de stad Paramaribo), bij particulieren in dienst als huisneger, tuinneger of grasneger (sneed gras voor de koets- en rijpaarden van zijn meester en deed dienst als palfrenier).
Plantagenegers en – negerinnen op Jamaica
Onder de plantagenegers bestond een sterk gedifferentieerde taakverdeling: huisneger (ook daar); veldneger (de meesten, voor het zeer zware veldwerk), delverneger (grondwerker, nog zwaarder), wachtneger (verzorger en bewaker van de moestuin); jaagneger, vissernegerambachtneger (timmer-, smit-, metsel- en kuiperneger); roei-, boot-, pontenegerkookneger (suikerkoker), loodsneger (werkzaam in de bedrijfsgebouwen) en dresneger(lekendokter).
Als de overheid tijdelijk slaven nodig had voor iets van algemeen belang, dan werden die gevorderd en heetten commandonegers. Was het voor openbare werken, dan werden ze werknegers genoemd, moesten ze mee op een militaire ‘bospatrouille’ om weggelopen lotgenoten op te sporen en te vangen of te doden, dan waren het schutternegers of lastdragernegers.
Huis uit de slaventijd. Foto Peter de Rijk
Ook samenstellingen met neger als eerste element waren talrijk, t.w. ruim 20. Zowel in Paramaribo als ‘op plantage’ woonden de negers in negerhuizen, eenvoudige, lage woningen , veelal voor meerdere gezinnen en dan lang en in naast elkaar gelegen kamers verdeeld. In de stad stonden ze op het ‘erf’ achter het woonhuis van hun meester. Aan de zijkant liep langs dat huis een paadje van het erf naar een poort aan de straat, de negerpoortPlantagenegers hadden vaak een eigen neger(kost)grond (moestuin) en/of er werd negerkost (vooral bananen en knollen) aan hen uitgedeeld. Ze kregen ook naar behoefte een negerhoed, een negermes en een negerpijp, allemaal speciale modellen. De naam voor plantage-opzichter was negerofficier. Slaven liepen om elkaar te bezoeken, al dan niet in het geheim, van de ene plantage naar de andere over negerpaden. De taal van de slaven en de talen van de bosnegers – zie verderop – werden toen nog over een kam geschoren: Neger-EngelsNegernamen waren z.g. ‘dagnamen’, d.z. eigennamen in samenhang met iemands geboortedag (zeven per sexe). De negermacht was de uitdrukking voor de gezamenlijke slaven van één eigenaar, één huishouden, één plantage, of van het hele land, en men hielp elkaar zo nodig d.m.v. negerhuur. Iemand die zijn slaven mild behandelde werd door zijn mede-blanken spottend een negerkoning genoemd. Tenslotte: Negerjaas (een gemene huidziekte), negerpesie (een soort boontje), negervis (ongeschubde vis, niet alleen door de joden maar ook door de andere blanken versmaad) en negerkop (een soort ooievaar met een onbevederde, zwarte kop).
Neger enz. nu
Je zult neger als los woord nu in Suriname vrijwel niet meer horen, zeker niet uit de mond van de creolen zelf. In de literatuur vond ik wel, hoewel verouderend, moorneger, en één keer vernam ik strontnegerZoutwaterneger (hiervoor al genoemd) wordt nog wel eens geringschattend gebruikt voor een creool die dom of achterlijk gevonden wordt. Dat refereert aan de blijkbaar niet verloren notie dat de zoutwaternegers (als hiervoor al genoemd) indertijd bij hun aankomst volstrekt onwetend waren, namelijk over de rol die hun wachtte, en dus nog veel moesten leren. Zeker is ook dat mensen van de andere bevolkingsgroepen onder elkaar in laatdunkende zin soms over de negers spreken als ze de creolen bedoelen. Er zijn wel nog enige denigrerende afleidingen en samenstellingen van neger in algemeen gebruik, i.h.b. onder de creolen zelf. Negerachtig en vernegerd betekenen ‘vulgair, platvloers, achterlijk’. Bij negerziekten, negerdinges en de negerkant gaat het over zekere medische en magische aangelegenheden die men nu formeel beschouwt als ‘bijgeloof’.
Bosnegers (marrons) in 1883
Bosneger
Een apart geval zijn de bosnegers, ook in de slaventijd al zo genoemd, maar toen ook wel ‘weglopers’, ‘schuilers’ en zelfs al ‘marrons’. Al werden zij nog lang beschouwd als voortvluchtige slaven, in feite waren ze vrij. Ik heb maar één hier relevant woord kunnen vinden dat vóór 1863 op hen betrekking had: Ze verschaften zich daar in het bos negerzout uit de as van zekere palm. Later gingen woorden als bosnegerdorp, bosnegerstam enbosnegertaal tot de normale woordenschat van Suriname horen.
Je leest en hoort nu steeds vaker voor deze mensen boslandcreolen of marrons. Zelf hebben ze daar in het algemeen maling aan. Ze verbouwen bosnegerrijst en bosnegerpinda’s en hun kunstig besneden houten krukjes en kammen zijn in de stad te koop als bosnegerbankje en bosnegerkam, alsmede nog allerlei ander bosnegerhoutsnijwerk.
Ziehier de status en de achtergronden van het woord neger uit het verleden en in het heden, zoals nog altijd vele creoolse Surinamers en hun nazaten in Nederland die in hun gemoed met zich meedragen. Maar (toch maar even): neger kan natuurlijk niet weg uit de woordenboeken. In Afrika wonen toch negers!
Verwijzingen
J. van Donselaar, ‘Vroege vondsten van woorden (1624-1644) in de boeken van Ioahannes de Laet.’ De Woordenaar 1,1 [1997], pp. 9-10.
H.C. Focke, Neger-Engelsch woordenboek. Leiden, P.H. van den Heuvell (1855).
P.A.F. van Veen & Nicoline van der Sijs, Etymologisch woordenboek, 2e uitgave. Utrecht/Antwerpen, Van Dale Lexicografie (1997).
J. de Vries & F. de Tollenaere, Etymologisch woordenboek, 21e uitgave. Utrecht, Het Spectrum (2000).
WNT = Woordenboek der Nederlandsche Taal.
[van de site van de Fryske Academy]

Nieuwe website Stichting voor Surinaamse Genealogie

De Stichting voor Surinaamse Genealogie heeft een geheel vernieuwde website. Een deel van deze website is publiek toegankelijk; voor het inzien van de databestanden dient men zich als lid van de Stichting aan te melden. Dan ontvangt men ook enkele keren per jaar het tijdschrift Wi Rutu, en soms ook andere publiacties, zoals lijsten met familienamen en plantages. Om een indruk te geven van het tijdschrift staat hieronder de inhoudsopgave van de laatste twee nummers.

De website vindt men door hier te klikken.

Wi Rutu 10/2 – december 2010
03 – Van de Redactie
05 – Javanen in Frans Guyana, Harriëtte K. Mingoen
20 – Orale geschiedenis en Surinaamse genealogie, William Man A Hing
29 – Een Amsterdamse apothekerszoon in Suriname, Jan van Schaik
32 – Van mijn opa: MAN Kau, William Man A Hing
36 – Graftombe.nl, Okke ten Hove
44 – Diversen
48 – Overzicht recente publicaties, Irene Rolfes

Wi Rutu 10/1 – juli 2010
03 – Van de Redactie
04 – Geslaagde Konmakandra’s in Nederland en Suriname, Pieter Bol
07 – Een woeste en onwillige bende; de geschiedenis achter de Koloniale Tentoonstelling 1883 te Amsterdam, Stevo Akkerman
14 – Wie was Sara Lemmers?, Martha Hering
20 – Eddy Taytelbaum, magiër, Ethel Gout
36 – Zanderij 1 in vroegere tijden (1930) en de ontwikkelingen, Eduard Vijzelman
38 – Epistels van Dr. Samuel Kissam, William Man A Hing
45 – De Mucuna-soort van Kissam, Jan van Donselaar
46 – Abraham George Ellis, slot, Gert Faken
54 – Het Meertens Instituut en Surinaamse Genealogie, Okke ten Hove
60 – Overzicht recente publicaties, Irene Rolfes

  • RSS
  • Facebook
  • Twitter